PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03823
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 september 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-000284-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2022, waarbij de verdachte in de zaak met parketnr. 15-258337-20 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken. Ook heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H. Polat, advocaat in Haarlem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep door het hof op grond van art. 416 lid 2 Sv. Daartoe wordt aangevoerd dat de raadsman namens de verdachte ter gelegenheid van de terechtzitting van 23 mei 2023 de bezwaren tegen het vonnis aan het hof heeft medegedeeld in een per e-mail verstuurde brief d.d. 22 mei 2023. Deze brief houdt onder meer in dat de verdachte “zich niet [kan] verenigen met de veroordeling en de opgelegde straf”. Het hof zou om die reden ten onrechte hebben geoordeeld dat namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van 17 november 2022 is ingediend.
2. Waar het in cassatie om gaat
In deze zaak rijst preliminair de vraag of het cassatieberoep ontvankelijk is nu het cassatieberoep niet is ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het hof waarbij het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv bij verstek niet-ontvankelijk is verklaard.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het namens de verdachte ingestelde beroep in cassatie. Gelet daarop komt het in het navolgende niet tot bespreking van het aangevoerde middel.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is onder meer het volgende van belang.
(i) Een brief afkomstig van de raadsman van de verdachte met betrekking tot de terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2023. Deze brief die per e-mail op 22 mei 2023 aan het hof is verstuurd houdt onder meer in:
“Geachte heer/mevrouw,
In opgemelde strafzaak is de (pro-forma) rolzitting d.d. 24 mei 2023 om 11:30 uur. Langs deze weg bericht ik u dat cliënt, [verdachte] niet ter zitting aanwezig zal zijn. Helaas kan ik zelf ook niet ter zitting aanwezig zijn om u de redenen van hoger beroep in deze zaak mede te delen.”
(ii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte, gedagvaard als
[...]
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De raadsheer deelt mede dat de behandeling van heden, in verband met het feit dat het hier een rolzitting betreft, onmiddellijk zal worden aangehouden.
De raadsheer deelt mede dat de raadsman middels een e-mail van 22 mei 2023 heeft aangegeven dat het hoger beroep gericht is tegen de bewezenverklaring en de opgelegde straf.
[…]
Gehoord de advocaat-generaal deelt de raadsheer vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de rolzitting van 12 september 2023 te 9.00 uur, in de 99e enkelvoudige strafkamer van dit hof, met bevel tot oproeping van de verdachte en diens raadsman tegen die dag en dat tijdstip.”
(iii) De uitspraak van het hof, waarbij het door de verdachte ingestelde hoger beroep op grond van art. 416 lid 2 Sv bij verstek niet-ontvankelijk is verklaard, is uitgesproken op 12 september 2023.
(iv) Namens de betrokkene is op 4 oktober 2023 cassatieberoep ingesteld.
In art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
In HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7670 stuurde de raadsman van de verdachte op de dag van de terechtzitting een fax aan het hof. In die fax was het volgende vermeld: “In bovengenoemde zaak welke hedenmiddag dient om 14:45 bij uw Hof in de 19e kamer deel ik u mede dat ondergetekende noch cliënt ter zitting aanwezig zal zijn”. De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep omdat kort gezegd uit de fax moet worden afgeleid dat de verdachte tevoren bekend was met de terechtzitting.
De feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak zijn nagenoeg gelijk aan die in de zaak van het onder 3.3 genoemde arrest. Blijkens de onder 2.1(i) weergegeven brief van de raadsman van de verdachte van 22 mei 2023 is het hof medegedeeld dat de raadsman noch de verdachte op de terechtzitting van 23 mei aanwezig zal zijn. Het hof heeft op die terechtzitting het onderzoek geschorst tot 12 september 2023. Ik ben van oordeel dat uit de mededeling van de raadsman – uitgaande van de juistheid daarvan – kan worden afgeleid dat de dag waarop de terechtzitting plaatsvond (23 mei 2023) de verdachte voordien bekend was. In de mededeling van de raadsman ligt besloten dat contact tot stand is gekomen tussen de verdachte en diens raadsman en dat de verdachte de raadsman te kennen heeft gegeven niet op de terechtzitting van 23 mei 2023 aanwezig te zullen zijn. Anders zou de raadsman immers niet hebben kunnen mededelen dat ook de verdachte niet aanwezig kon en zou zijn. Dit zou nog anders kunnen zijn wanneer een raadsman kennis heeft van een algemene, absolute verhindering (zoals onder omstandigheden dat de verdachte in het buitenland is gedetineerd of bijvoorbeeld dat de verdachte in coma ligt), maar van zodanige verhindering is in de onderhavige zaak in het geheel niet gebleken en het zou dan bovendien op de weg van de raadsman hebben gelegen om daarop te wijzen. Uit de mededeling van de raadsman moet dus worden afgeleid dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting van het hof van 23 mei 2023 en dat het onderzoek op die terechtzitting voor bepaalde tijd is geschorst. Daarom had op grond van art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 12 september 2023. Het cassatieberoep is echter pas ingesteld op 4 oktober 2023, zodat sprake is van een overschrijding van de rechtsmiddeltermijn.
Het voorgaande brengt mee dat de Hoge Raad naar mijn oordeel het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. Indien de Hoge Raad hierover anders mocht oordelen ben ik vanzelfsprekend bereid een aanvullende conclusie te nemen.
4. Afronding
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG