ECLI:NL:PHR:2026:122

ECLI:NL:PHR:2026:122

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 25/01904
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Samenvatting

Verdeling nalatenschap, waarvan een agrarische maatschap deel uitmaakt. Uitleg van beëindigingsovereenkomst. Verlenging van verjaring gedurende faillissement.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01904

Zitting 30 januari 2026

CONCLUSIE

W.L. Valk

In de zaak

1. [zoon 2]

2. [zoon 3]

tegen

mr. C.A. de Weerdt, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [vader]

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [zoons 2 en 3] (afzonderlijk als [zoon 2] en [zoon 3] ) respectievelijk de curator.

1. Inleiding en samenvatting

Deze zaak betreft de verdeling van een nalatenschap van moeder onder drie zoons, van wie één zoon in staat van faillissement verkeert. In deze zaak spelen kort gezegd, twee kwesties.

Allereerst heeft tussen moeder en een van de zoons een maatschap bestaan waarin een agrarische onderneming werd gedreven. In 2012 is de maatschap ontbonden, waarbij de activa en passiva aan de zoon zijn toebedeeld, moeder afstand heeft gedaan van haar rechten en aanspraken op het vermogen van de maatschap, maar zij wel een vordering heeft verkregen op de zoon, bestaande uit de stand van haar kapitaalrekening en haar aandeel in de eventuele meerwaarde. Voordat de omvang van die vordering kon worden vastgesteld, is moeder overleden. Daarmee valt de vordering van moeder op zoon thans in de nalatenschap. Vervolgens is de zoon die de agrarische onderneming heeft verkregen failliet verklaard. De curator van deze zoon en de andere twee zoons verschillen van mening over de omvang van de vordering. De rechtbank heeft deze vastgesteld op € 400.000 en als onderdeel van de activa van de nalatenschap meegenomen in de door haar vastgestelde verdeling. Het hof heeft geoordeeld dat de vordering – maar dan alleen ten aanzien van de stand van de kapitaalrekening van moeder – is verjaard. Wat betreft het aandeel van moeder in de eventuele meerwaarde is het hof kennelijk van oordeel dat geen sprake (meer) is van een vordering. De klachten van [zoons 2 en 3] tegen deze oordelen slagen mijns inziens.

In de tweede plaats bestaat tussen partijen een geschil over de toedeling en waardering van een woning die onderdeel is van de activa in de nalatenschap. De rechtbank heeft de woning toegedeeld aan een van de zoons. Het hof heeft geoordeeld dat, in verband met onenigheid van partijen over de waarde van die woning, de woning moet worden verkocht tegen een zo hoog mogelijke prijs. De tegen dit oordeel gerichte cassatieklachten van [zoons 2 en 3] falen mijns inziens.

2. Feiten en procesverloop

Het arrest van het hof bevat geen afzonderlijke feitenvaststelling. Weliswaar kondigt het hof onder 4 van het bestreden arrest aan dat het enkele feiten zal weergeven, maar wat onder 4-11 volgt, is een uiteenzetting waarin feitelijke vaststellingen, gevolgtrekkingen daaruit en oordelen van het hof door elkaar heen lopen. Tegen de achtergrond van de rolverdeling tussen het hof als (hoogste) rechter in feitelijke aanleg en de Hoge Raad als cassatierechter – welke rolverdeling onder meer tot uitdrukking komt in art. 419 leden 2 en 3 Rv – is dit zeer onwenselijk. Voor een goed begrip van de zaak dunkt het mij onmisbaar om hierna de feitenvaststelling van de rechtbank weer te geven. Het hof heeft van die vaststelling geen afstand genomen en daarom heb ik – bij gebrek aan de vereiste duidelijkheid in het arrest van het hof – verondersteld dat ook het hof van die feiten is uitgegaan. Kennelijk doet ook (de cassatieadvocaat) van [zoons 2 en 3] dat, want in de procesinleiding in cassatie onder A geeft hij de feitenvaststelling van de rechtbank (grotendeels) weer. De curator voert niet aan dat de feitelijke grondslag in cassatie een andere is.

Aan de door de rechtbank vastgestelde feiten ontleen ik aldus het volgende:

(i) [zoon 1] , [dochter 1] , [dochter 2] , [zoon 2] , [dochter 3] en [zoon 3] zijn broers en zussen van elkaar. Zij zijn de kinderen van [vader] (hierna: vader) en [moeder] (hierna: moeder), die met elkaar getrouwd waren in gemeenschap van goederen.

(ii) Bij notariële akte van 29 januari 1987 zijn vader en [zoon 1] een overeenkomst van maatschap aangegaan voor onbepaalde tijd met ingang van 1 januari 1985. In de maatschapsovereenkomst zijn – voor zover hier van belang – de volgende bepalingen opgenomen:

‘Doel

Artikel 2

De maatschap heeft ten doel het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een veehoudersbedrijf en van alles wat daarmee in de ruimste zin des woords verband houdt.

(…)

Toetredingsrechten

Artikel 14

Aan de echtgenote van de comparant sub 1 [vader, A-G], [moeder] (...) wordt het recht toegekend om hij overlijden van comparant sub 1, hetzij tot de maatschap toe treden als maat, hetzij met de overblijvende maat een maatschap aan te gaan als de onderhavige, waarvoor zover mogelijk de bepalingen zullen gelden als voor de onderhavige maatschap mits zij het aandeel van de comparant sub 1 in de maatschap laat en mits dit een rendabele bedrijfsvoering fiscaal en economisch niet in de weg staat.’

(iii) Vader heeft in de maatschap onder meer ingebracht onroerend goed, vee en melkquota.

(iv) Op 16 januari 1991 is vader overleden.

(v) Vader heeft bij testament van 18 december 1990 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft vader een ouderlijke boedelverdeling gemaakt. Bepaald is dat moeder over het vaderlijk erfdeel aan de kinderen een enkelvoudige rente verschuldigd zal zijn gelijk aan het in art. 21 Successiewet bedoelde percentage, opeisbaar vanaf haar overlijden. De enkelvoudige rente is aldus bepaald op 6%. Moeder is in het testament benoemd tot executeur.

(vi) In de laatst bekende aangifte erfbelasting, gedateerd september 1993, is onder meer opgenomen een aandeel van erflater in de voorbehouden stille reserves van onroerend goed van de maatschap tot een bedrag van ƒ 193.000. Het totale maatschapsvermogen van vader is vastgesteld op een bedrag van ƒ 470.633. Vermeerderd met het privé vermogen, gedeeld door twee in verband met de huwelijksgoederengemeenschap met moeder en na aftrek van begrafeniskosten, is in deze aangifte een nalatenschap opgenomen met een waarde van ƒ 448.579. Dit betekende een kindsdeel van ƒ 64.082 per kind en moeder.

(vii) Voor elk kindsdeel is ƒ 3.685 (€ 1.672,18) aan erfbelasting betaald.

(viii) Moeder heeft in de jaren negentig bij notariële akten verschillende schenkingen gedaan aan de kinderen.

(ix) Bij brief van 9 mei 1994 heeft [notaris 1] in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van vader onder meer het volgende geschreven aan de Inspecteur der Registratie en Successie:

‘In antwoord op uw brief de dato 26 april 1994 bericht ik u dat de “lagere” waarde is aangegeven omdat de realiteit is geweest en na het overlijden van de erflater weer is, dat het onroerend goed in gebruik is afgestaan aan het bedrijf van de maatschap.

Deze kwestie had ik indertijd besproken met de weduwe en de zoon, die samen het bedrijf van de maatschap voortzetten. Het was hun uitdrukkelijke wens en ook is het noodzaak voor de bedrijfsvoering van de maatschap, dat het betrokken onroerend goed ter beschikking stond en na het overlijden van de erflater ter beschikking bleef van de maatschap.’

(x) Het laatste financiële jaarverslag van de maatschap dateert van het boekjaar 2002. In dit jaarverslag is vermeld dat [zoon 1] recht had op 90% van de overwinst van de maatschap en moeder op 10%. Het saldo van het kapitaal van [zoon 1] bedroeg per 31 december 2002 € 243.410 en van moeder € 39.882 negatief.

(xi) In 2005 is de melkveehouderij gestaakt. Het melkquotum en het vee zijn verkocht. De opbrengst van de verkoop is op een rekening van [zoon 1] gestort. Vervolgens zijn schapen gekocht. [zoon 1] heeft de opbrengst van het melkquotum en het vee belegd.

(xii) Bij notariële akte van 8 september 2009 is een eerste recht van hypotheek gevestigd ten gunste van de stichting Het Kleinjan-Kleyburgfonds voor Oorlogsslachtoffers, (hierna: de hypotheekhouder) op alle de maatschap en moeder toebehorende onroerende zaken. In de akte is opgenomen dat moeder en [zoon 1] handelden: ‘ieder voor zich in privé, en als maten van de maatschap ter uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals tussen hen beslaat en welke maatschap is gevestigd te [postcode] [plaats] , [a-straat 1a] ’.

(xiii) Op 8 april 2012 hebben moeder (maat sub 2) en [zoon 1] (maat sub 1) een akte ondertekend. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

In aanmerking nemende:

– dat partijen met ingang van 16 januari 1991 een maatschap zijn aangegaan, laatstelijk ten doel hebbende het gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening uitoefenen van een schapenhouderij (en het ondernemen van alles wat daarmede verband houdt), zulks in de meest uitgebreide zin des woords;

– dat partijen op 23 december 2011 in onderling overleg zijn overeengekomen dat maat sub 2 per 1 januari 2012 uit de maatschap zal treden – waardoor de maatschap eindigt – waarna de door de maatschap gedreven onderneming zal worden voortgezet door maat sub 1;

– (...)

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Ontbinding en voortzetting

Artikel 1

1. De tussen partijen bestaande maatschap en de tussen partijen bestaande akte van maatschap worden per 1 januari 2012 ontbonden, door uittreding van maat sub 2.

2. De onderneming van de maatschap wordt door maat sub 1 in de vorm van een eenmanszaak voortgezet.

3. In verband met voornoemde ontbinding van de maatschap en de voortzetting van de onderneming door maat sub 1 verklaren partijen dat maat sub 1 het aandeel van maat sub 2 in het gemeenschappelijk maatschapsvermogen per 1 januari 2012 – rekening houdend met aanwezige meerwaarde – zal overnemen met alle lusten en lasten, rechten en verplichtingen.

Afwikkeling

1. Maat sub 2 doet per 1 januari 2012 afstand van alle rechten en aanspraken welke zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden.

2. Daartegenover verplicht maat sub 1 aan maat sub 2 uit te keren de waarde van het kapitaal van maat sub 2 en het eventuele aandeel in de meerwaarde. In verband met het ontbreken van een deugdelijk boekhouding en gerechtelijke procedures die aanhangig zijn, is thans niet vast te stellen wat de feitelijke waarde is van het kapitaal van maat sub 2 en het eventuele aandeel in de meerwaarde. Deze waarden zullen op een later moment in onderling overleg worden vastgesteld. Mocht maat sub 2 komen te overlijden voordat voornoemde waarden zijn vastgesteld, zal de waarde van de onderneming gelijk zijn aan de voortzettingswaarde, berekend conform de regels van de belastingdienst. De waarde van het aandeel van maat sub 2 zal dienovereenkomstig worden vastgesteld en dient te worden voldaan binnen 9 maanden na het overlijden van maat sub 2.

3. Indien blijkt dat de waarde van het kapitaal van maat sub 2 en het eventuele aandeel in de meerwaarde per saldo negatief is, zal maat sub 2 dan wel haar erfgenamen niet verplicht zijn om dit saldo te voldoen. (…).’

(xiv) [zoon 1] en moeder hebben naar aanleiding van de akte einde maatschap niet met elkaar afgerekend.

(xv) Op 8 juni 2013 is moeder overleden.

(xvi) Moeder heeft bij testament van 25 februari 1981 over haar nalatenschap beschikt. Dit testament heeft door het vooroverlijden van vader met betrekking tot de erfopvolging geen rechtsgevolg meer. Dit brengt mee dat de kinderen in beginsel erfgenamen zijn. [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] en hun afstammelingen hebben de nalatenschap van moeder verworpen, zodat [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] ieder voor één derde gedeelte erfgenaam zijn. Reden voor de verwerping van de nalatenschap was dat de Belastingdienst moeder in de periode voor haar overlijden ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting had opgelegd tot een bedrag van ongeveer € 750.000. Het waren ambtshalve aanslagen omdat moeder sinds 2002 geen aangifte inkomstenbelasting meer had gedaan.

(xvii) Tot de nalatenschap van moeder behoort in ieder geval het woonhuis aan de [a-straat 1a] te [plaats] .

(xviii) Op 17 juli 2013 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden op het kantoor van Flynth Adviseurs & Accountants (hierna: Flynth) waarbij alle familieleden aanwezig waren. Volgens het van deze bespreking gemaakte verslag heeft de eveneens aanwezige fiscalist opgemerkt dat de fiscale positie van moeder na het overlijden zeer ernstig is. In het verslag is voorts het volgende opgenomen:

‘Er zijn van 2003 t/m 2012 geen jaarrekeningen meer opgemaakt voor de maatschap. De cijfers zijn, na herhaalt verzoek, niet door [zoon 1] aangeleverd.

Flinth wil vooraf betaald worden voor het opmaken van de jaarrekeningen, waarvan de kosten ongeveer € 5000 jaarrekening zal zijn. Dus € 50.000 over de 10 jaren. Totaal € 76.800 (ongeveer) wat betaald moet gaan worden om de jaarrekeningen t/m 2012 rond te krijgen.

(...)

Vanaf het moment dat ma in de maatschap is gekomen is het maatschapsvermogen gegroeid door de meerwaarde van het onroerend goed. Reële waarde ligt hoger dan de boekwaarde van destijds.

Maatschap beëindiging

Na het overlijden van Pa is ma in de plaats van pa in de maatschap getreden.

Vanaf 2002 bedroeg het aandeel van ma in de 10-20%.

Ma heeft op 1 januari 2012 de maatschap beëindigd en dit in een document vast laten leggen waarin een aantal voorwaarden zijn opgenomen. Dit is geen notariële akte.

• een bepaling dat [zoon 1] tegen betaling van de voortzettingswaarde van zo'n € 300.000 – € 400.000 het bedrijf overneemt mits na 9 maanden na haar overlijden dit is afgerond.

(...)

Wat de waarde van Ma in de maatschap?????????????

(...)

Alles hangt af van de cijfers gegevens van 10 jaar boekhouding die alleen door [zoon 1] aangeleverd kunnen worden.’

(xix) Bij vonnis van 10 februari 2015 van de rechtbank Den Haag is [zoon 1] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp als curator. Bij beschikking van 3 september 2019 heeft de rechtbank Den Haag mr. M.P. van Eeden-van Harskamp als curator in het faillissement van [zoon 1] op eigen verzoek ontslagen en mr. C.A. de Weerdt als curator aangesteld.

(xx) Ten tijde van de faillietverklaring van [zoon 1] stonden de volgende onroerende zaken in het kadaster als volgt geregistreerd:

– Op naam van vader en [zoon 1] verkregen ten behoeve van de maatschap: de onroerende zaken kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummers [001] , [002] , [003] , [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [010] , [011] en [012] ;

– Op naam van moeder: de onroerende zaken kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummers [013] , [014] en [015] .

(xxi) De curator heeft bij [notaris 2] van [natoriskantoor] (hierna: [notaris 2] ) advies ingewonnen over de afwikkeling en de verdeling van de nalatenschappen van vader en van moeder. [notaris 2] heeft onder andere met [zoon 2] en [zoon 3] gecorrespondeerd over de afwikkeling van beide nalatenschappen.

(xxii) Ten tijde van het uitspreken van zijn faillissement had [zoon 1] forse belastingschulden. Namens de boedel heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) met de Belastingdienst onderhandeld over de fiscale positie van [zoon 1] . Tijdens de gesprekken met de Belastingdienst is ook de positie van moeder ter sprake gekomen. [betrokkene 1] heeft zich ook het belang van moeder aangetrokken. Dit laatste heeft geleid tot een deal met de Belastingdienst die de aanslag inkomstenbelasting voor moeder heeft verlaagd tot een bedrag van € 56.486. Over de fiscale positie van moeder (en over zijn gesprekken met de Belastingdienst) heeft [betrokkene 1] [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] geïnformeerd, in ieder geval bij e-mails van 14 november 2016, 25 november 2016, 14 december 2016 en 16 juli 2018. Ook hebben er in ieder geval twee gesprekken plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] , [zoon 1] , [zoon 2] en [zoon 3] , op 11 november 2016 respectievelijk op 14 december 2016.

(xxiii) Bij brief van 5 maart 2018 heeft Flynth (namens de curator) aan mr. Kelders, destijds advocaat van [zoon 2] en [zoon 3] , onder meer het volgende geschreven:

‘• Het negatieve kapitaal van [moeder] per 1 januari 2002 is de resultante van de resultaten van de maatschap in de voorafgaande jaren en de privé-opnamen/-onttrekkingen van [moeder] . Een en ander is te vinden in de jaarrekeningen vanaf 1991 tot en met 2002.

• (...)

• Flynth heeft de beëindigingsovereenkomst opgesteld. Ik ben niet betrokken geweest bij het aangaan van de maatschap per 18 januari 1991 en kan daar dus geen verklaring voor geven. Overigens kan, voor zover ik weet, niemand binnen Flynth dat: geen van de werknemers van Flynth was daarbij destijds betrokken (bedenk, dat de [familie] destijds cliënte was van GIBO; vervolgens is de [familie] op enig moment overgestapt naar een ander administratiekantoor, dat in 2002 door Flynth (...) is overgenomen. Afgezien daarvan: het is 27 jaar geleden.’

(xxiv) Op enig moment heeft de Staat de schapen in beslag genomen. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 april 2018 geoordeeld dat de opbrengst van de door de Staat van [zoon 1] in beslag genomen schapen € 397.220 had moeten zijn. Dit bedrag is aan (de boedel van) [zoon 1] ten goede gekomen.

(xxv) Op 10 april 2018 heeft de hypotheekhouder een aantal onroerende zaken geveild voor een bedrag van € 705.000. Het betreft de onroerende zaken op naam van vader en [zoon 1] met kadastrale aanduiding [plaats] , [sectie] , nummers [009] , [010] en [011] en de onroerende zaken op naam van moeder met kadastrale aanduiding [plaats] , [sectie] , nummers [015] , [013] en [014] . [zoon 2] en [zoon 3] hebben de executie met een kort geding proberen te verhinderen, maar de voorzieningenrechter heeft hun vordering afgewezen. Uit de verkoopopbrengst van € 705.000 is de schuld van de hypotheekhouder voldaan. Het restant van € 208.831,26 is, in afwachting van de verdeling van de nalatenschap van moeder, overgemaakt naar de derdengeldrekening van [notaris 2] .

Bij inleidende dagvaarding heeft de curator, voor zover in cassatie van belang, gevorderd een verklaring voor recht dat de nalatenschappen van vader en moeder vatbaar zijn voor verdeling en een bevel aan alle kinderen om op grond van art. 3:185 BW mee te werken aan de verdeling zoals verwoord in productie 33 bij de dagvaarding, althans een door de rechtbank vast te stellen verdeling. [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] hebben in reconventie, samengevat, gevorderd dat de rechtbank de (gezamenlijke) erfgenamen in de nalatenschap van de moeder, althans de curator, veroordeelt om uit de nalatenschap aan ieder te (laten) betalen of hun medewerking te verlenen aan het (laten) betalen uit de nalatenschap van een drietal bedragen, te vermeerderen met 6% rente. [zoon 2] en [zoon 3] hebben in reconventie gevorderd, samengevat, dat de rechtbank de curator veroordeelt om inzage en afschrift te verstrekken van bescheiden en tot medewerking aan betaling van de schulden van de nalatenschap aan alle schuldeisers van de nalatenschap, waaronder [zoon 2] en [zoon 3] .

Bij tussenvonnis van 30 september 2020 heeft de rechtbank Den Haag vastgesteld dat voor de vaststelling van de nalatenschap van moeder de volgende onderwerpen en bestanddelen van belang zijn:

a. maatschap tussen moeder en [zoon 1] ;

b. vordering van de nalatenschap op [zoon 1] voor verschuldigde vergoeding in verband met einde maatschap tussen moeder en [zoon 1] ;

c. vordering van de nalatenschap op [zoon 1] in verband met de executoriale verkoop van moeders’ onroerend goed op last van de hypotheekhouder;

d. pand [a-straat 1a] te [plaats] ;

e. liquide middelen;

f. vorderingen van de kinderen inzake vaderlijk erfdeel;

g. vorderingen van de kinderen inzake schenkingsakte 30 september 1992;

h. vorderingen van de kinderen inzake schenkingsakten 14 december 1994;

i. vordering op de nalatenschap van de belastingdienst.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer de curator en [zoon 2] en [zoon 3] gelegenheid gegeven om zich bij akte (nader) uit te laten over verschillende geschilpunten en in het dictum iedere beslissing aangehouden.

Bij eindvonnis van 10 november 2021 heeft de rechtbank als volgt beslist:

‘De rechtbank:

in conventie en in reconventie

bepaalt, ter afwikkeling van de nalatenschap van [moeder] (hierna: moeder), overleden op 8 juni 2013, als volgt:

van de onroerende goederen van de maatschap worden de cultuurgronden, in verband met de toedeling van het maatschapsvermogen aan [zoon 1] , geleverd aan de curator. De curator en [zoon 2] en [zoon 3] moeten aan deze levering hun medewerking verlenen;

van de onroerende goederen van de maatschap brengt de curator de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] met een getaxeerde waarde van € 450.000 en de bedrijfsopstallen bij [a-straat 1] te [plaats] met een getaxeerde waarde van € 310.000 in de nalatenschap in ter betaling van (een deel van) de vordering van de nalatenschap op [zoon 1] ;

de curator verkoopt en levert namens de nalatenschap de bedrijfsopstallen bij [a-straat 1] te [plaats] aan de hoogste bieder. [zoon 2] en [zoon 3] moeten aan deze verkoop en levering hun medewerking verlenen;

de vordering van de belastingdienst van € 56.486 en de vorderingen van [dochter 3] van € 112.002,94, van [dochter 1] van € 112.002,94 en van [dochter 2] van € 110.224,33 worden uit het depot aanwezig bij [notaris 2] en uit de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsopstallen bij [a-straat 1] te [plaats] betaald. De vorderingen van [dochter 3] , [dochter 1] en [dochter 2] te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2021 berekend op dezelfde wijze zoals in dit vonnis is bepaald voor de periode tot 10 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;

[a-straat 1] te [plaats] ter waarde van € 450.000 wordt toegedeeld en geleverd aan [zoon 3] . [zoon 2] , de curator en [zoon 3] dienen aan deze levering hun medewerking te verlenen;

[a-straat 1a] te [plaats] ter waarde van € 400.000 wordt toegedeeld en geleverd aan [zoon 2] . De curator, [zoon 3] en [zoon 2] moeten hieraan hun medewerking verlenen;

[zoon 3] betaalt uit overbedeling een bedrag aan de curator van € 39.813,98;

Na uitbetaling van de vorderingen van de belastingdienst en de zussen resteert een bedrag aan liquide middelen van € 128.115,05. Hiervan wordt een deel groot € 10.186,02 toegedeeld aan [zoon 2] . Het restant van € 117.929,03 moet aan de curator worden betaald. Voor zover als gevolg van thans niet voorziene kosten en/of opbrengsten een hoger of lager liquide bedrag in de nalatenschap resteert dan het bedrag van € 128.115,05, moeten de curator, [zoon 3] en [zoon 2] dit meerdere of mindere in gelijke delen verdelen of betalen;

beveelt de curator, [zoon 3] en [zoon 2] om mee te werken aan voormelde verdeling van de nalatenschap van moeder en aan de levering van de onroerende goederen;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de bepalingen onder 3.1 en het bevel onder 3.2 uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in conventie en in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.’

[zoons 2 en 3] ( [zoon 2] en [zoon 3] ) hebben bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. [zoons 2 en 3] hebben [dochter 1] , [dochter 2] en [dochter 3] niet in hoger beroep gedagvaard, hoewel zij in eerste aanleg wel procespartij waren. Bij memorie van grieven heeft [zoons 2 en 3] zijn eis gewijzigd. De curator heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 18 februari 2025 heeft het hof Den Haag de vonnissen van de rechtbank vernietigd, [zoons 2 en 3] niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot een vordering aangaande de zussen (die dus niet waren gedagvaard in hoger beroep), partijen gelast over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van de moeder met inachtneming van hetgeen het hof in rechtsoverwegingen 4 tot en met 45 heeft overwogen, en de proceskosten gecompenseerd. De dragende overwegingen van het hof laten zich als volgt samenvatten:

Inleiding

a. Aan de orde is de verdeling van de nalatenschap van moeder die op 8 juni 2013 is overleden. Om de nalatenschap van moeder te kunnen verdelen is van belang om exact te weten wat de samenstelling/omvang daarvan is. De zussen hebben de nalatenschap van moeder verworpen en zijn dus niet meer betrokken bij de verdeling van de nalatenschap van moeder. Wel volgt uit de processtukken dat zij een vordering hebben op deze nalatenschap. Een complicerende factor is dat [zoons 2 en 3] de zussen niet in hoger beroep hebben gedagvaard, terwijl zij in eerste aanleg wel procespartij waren. Een tweede complicerende factor is dat [zoon 1] in 2015 in staat van faillissement is verklaard. (onder 4)

b. [zoon 1] is met vader in 1987 een overeenkomst van maatschap aangegaan. In deze maatschap is door vader ingebracht de door hem gedreven landbouwonderneming. Het maatschapsvermogen vormt een afgescheiden vermogen. (onder 5)

c. Na het overlijden van vader is moeder als vennoot in zijn plaats getreden. Op 8 april 2012 hebben [zoon 1] en moeder een akte ondertekend strekkende tot beëindigen van de maatschap. Moeder is per 1 januari 2012 uit de maatschap getreden en de onderneming is als eenmanszaak voortgezet door [zoon 1] . Uit de akte beëindiging maatschap van moeder en [zoon 1] volgt onder meer dat moeder afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken die zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden. Het hof begrijpt uit het gedrag van moeder en [zoon 1] alsmede op basis van de akte beëindiging maatschap dat het maatschapsvermogen is verdeeld en wel in die zin dat alle activa van het maatschapsvermogen aan [zoon 1] zijn toegedeeld. Voorts volgt uit voormelde akte dat als het kapitaal van moeder in de maatschap negatief was, zij of haar erfgenamen het negatieve kapitaal niet behoefde aan te zuiveren. Uit de feiten volgt derhalve dat moeder op het moment van haar overlijden geen aandeel meer had in het maatschapsvermogen aangezien dat feitelijk al verdeeld was. Dat de levering van de aldus verdeelde goederen nog niet heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af. (onder 6)

d. Moeder is op 8 juli 2013 overleden. Op het moment van overlijden van moeder was de financiële afrekening ten aanzien van de maatschap nog niet becijferd, laat staan geëffectueerd. (onder 7)

e. Omdat moeder en [zoon 1] na 2002 geen jaarrekeningen meer hebben opgesteld met betrekking tot de maatschap was en is het nagenoeg niet meer mogelijk om vast te stellen wat de stand van de kapitaalrekening was van moeder op het moment van haar uittreden uit de maatschap. [zoon 1] en moeder hebben beiden niet voldaan aan het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van art. 3:15i BW. (onder 8)

f. De erfgenamen van moeder hebben op 17 juli 2013 bij Flynth gesproken over financiële afwikkeling van de maatschap. Aan dit gesprek is geen opvolging gegeven. (onder 9)

g. De erfgenamen van moeder en de curator hebben niet in onderling overleg de nalatenschap kunnen verdelen. Daarom heeft de curator de rechtbank verzocht de verdeling van de nalatenschap vast te stellen in de zin van art. 3:185 BW. Als de rechter de verdeling vaststelt heeft de rechter een grote discretionaire bevoegdheid. De rechter kan alleen verdelen wat tot de nalatenschap behoort. (onder 10)

Ontvankelijkheid ter zake vorderingen zusters

h. [zoons 2 en 3] stellen in hoger beroep de vorderingen van de zussen op de nalatenschap aan de orde. De rechtbank heeft deze vorderingen vastgesteld. Omdat [zoons 2 en 3] de zussen niet in hoger beroep hebben gedagvaard, staan de vorderingen van de zussen vast en moeten [zoons 2 en 3] in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. (onder 12-14)

De waarde van het maatschapsaandeel van moeder

i. De rechtbank is ingegaan op de waarde van het maatschapsaandeel van moeder en heeft geoordeeld dat [zoon 1] in verband daarmee nog € 400.000 aan de nalatenschap van moeder verschuldigd is. [zoons 2 en 3] menen dat de waarde van het ondernemingsvermogen van de maatschap moet worden vastgesteld op een bedrag van € 3.313.000 en dat [zoon 1] aan de nalatenschap € 1.656.500 verschuldigd is. Ook menen [zoons 2 en 3] dat [zoon 1] over deze schuld vanaf 8 maart 2014 een rente verschuldigd is van 5%. (onder 16-19)

j. Per 1 januari 2012 is het maatschapsvermogen tussen moeder en [zoon 1] verdeeld, waarbij alle activa aan [zoon 1] zijn toegedeeld, en moeder een vordering op [zoon 1] heeft gekregen. Alleen de stand van de kapitaalrekening van moeder moet nog worden vastgesteld. Bij een positief saldo moest [zoon 1] dit bedrag binnen negen maanden aan de nalatenschap voldoen en bij een negatief saldo behoefde de nalatenschap dit niet aan [zoon 1] te vergoeden. Als moeder een vordering had op [zoon 1] , dan is deze vordering op 8 maart 2019 verjaard. (onder 20)

k. De stellingen van [zoons 2 en 3] over activa van de maatschap zijn niet relevant. (onder 21)

Rente over de vordering van moeder op [zoon 1] inzake de voormalige maatschap

l. Als moeder een vordering op [zoon 1] zou hebben gehad uit hoofde van de overeenkomst van maatschap dan is het hof met de rechtbank van oordeel dat zij geen rentevergoeding hebben afgesproken. (onder 22-25)

Rente over vordering van [zoon 1] op moeder inzake schenkingen en vordering nalatenschap

m. De curator heeft haar vordering in hoger beroep vermeerderd en wel in die zin dat hij vanaf 16 augustus 2017 de enkelvoudige rente vordert over de schenkingen uit 1992 en 1994 en vervolgens vanaf 16 augustus 2022 eveneens de wettelijke rente over de vorderingen. In tegenstelling tot de overige kinderen heeft de rechtbank met betrekking tot de vorderingen van [zoon 1] geen rekening gehouden met de enkelvoudige rente en de wettelijke rente aangezien hij dat niet had gevorderd. Omdat [zoons 2 en 3] geen bezwaar hebben tegen de vermeerdering van eis, kan deze worden toegewezen. (onder 26-29)

Schulden aan de Belastingdienst

n. Het hof oordeelt dat de schuld van erflaatster aan de Belastingdienst een schuld is van de nalatenschap. [zoons 2 en 3] hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat de ambtshalve aanslagen naar nihil gebracht hadden kunnen worden. (onder 30-32)

Waardering goederen

o. De rechtbank heeft de woning aan [a-straat 1a] te [plaats] voor een waarde van € 400.000 in de verdeling van de nalatenschap meegenomen. De curator is het niet eens met die waarde. Uit een door hem overgelegd taxatierapport van 29 april 2022 volgt dat de waarde van de woning aan [a-straat 1a] te [plaats] € 950.000 is per peildatum 1 januari 2021. Volgens de curator hebben ook andere onroerende goederen een hogere waarde dan door de rechtbank is aangenomen. [zoons 2 en 3] stellen dat partijen ten aanzien van de taxatie van [a-straat 1] en [a-straat 1a] duidelijke afspraken hebben gemaakt, maar het hof kan niet vaststellen welke afspraken partijen hebben gemaakt. Met betrekking tot de waardering van de woning aan [a-straat 1a] te [plaats] refereren [zoons 2 en 3] zich aan het oordeel van het hof. [zoons 2 en 3] voeren aan dat het door de curator overgelegde taxatierapport van [a-straat 1a] niet deugdelijk is. Het hof oordeelt dat de woning aan [a-straat 1a] te [plaats] behoort tot de nalatenschap. Omdat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen over de toedeling en waardering acht het hof het in het kader van de verdeling van de nalatenschap redelijk en billijk dat [a-straat 1a] te [plaats] aan een derde wordt verkocht. Bij de verkoop moet worden gestreefd naar een zo hoog mogelijke verkoopprijs. (onder 33-41)

Verdeling nalatenschap?

p. Het hof stelt vast welke activa tot de nalatenschap behoren en geeft weer wat vaststaat met betrekking tot de passief zijde van de nalatenschap. (onder 42-44)

q. Naar het oordeel van het hof kan eerst worden verdeeld nadat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Het hof kan alleen gelasten dat partijen overgaan tot verdeling met in achtneming van hetgeen het hof onder 1-49 heeft overwogen. (onder 45)

Proceskosten

r. Nu beide partijen over en weer niet in het gelijk worden gesteld acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten in hoger beroep te compenseren. (onder 46)

Bij procesinleiding van 19 mei 2025 hebben [zoons 2 en 3] tijdig cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding bevat een voorbehoud om de procesinleiding aan te vullen als een aanvullend proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 30 juni 2023 alsnog beschikbaar komt en dat proces-verbaal aanleiding geeft tot aanvulling. Dit voorbehoud heeft geen vervolg gekregen. De curator heeft verweer gevoerd en incidenteel cassatieberoep ingesteld. [zoons 2 en 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van dat beroep. Daarna hebben beide partijen hun standpunten laten toelichten, waarna [zoons 2 en 3] hebben gerepliceerd.

3. Bespreking van het principale cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding en de onderdelen I-IV. Ik zie aanleiding om eerst onderdeel III te behandelen.

Onderdeel III richt zich tegen de rechtsoverwegingen 6-8, 20-21 en 40, in het bijzonder het daarin besloten uitlegoordeel van het hof ten aanzien van de overeenkomst van einde maatschap. Ik citeer ook de rechtsoverwegingen 4-5 en 16-19:

De beoordeling van het hoger beroep

Inleiding

4. Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof eerst enkele feiten weer. [zoon 1] , [dochter 1] , [dochter 2] , [zoon 2] , [dochter 3] en [zoon 3] zijn broers en zussen van elkaar. Zij zijn de kinderen van [vader] (hierna erflater) en [moeder] (erflaatster). Aan de orde is de verdeling van de nalatenschap van erflaatster die op 8 juni 2013 is overleden. Om de nalatenschap van erflaatster te kunnen verdelen is het van belang om exact te weten wat de samenstelling/omvang is van de nalatenschap van erflaatster. De zusters [dochters 1 t/m 3] hebben de nalatenschap van erflaatster verworpen en zijn dus verder niet meer betrokken bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Wel volgt uit de processtukken dat zij een vordering hebben op deze nalatenschap. Een complicerende factor is dat [zoons 2 en 3] de zusters niet in hoger beroep hebben gedagvaard terwijl zij in eerste instantie wel procespartij waren. Een tweede complicerende factor is dat [zoon 1] in 2015 in staat van faillissement is verklaard.

5. [zoon 1] is met erflater in 1987 een overeenkomst van maatschap aangegaan. In deze maatschap is door erflater ingebracht de door hem gedreven landbouwonderneming. Het hof verwijst voor de wijze van inbreng naar de notariële akte van 29 januari 1987. Het maatschapsvermogen vormt een afgescheiden vermogen.

6. Na het overlijden van erflater is erflaatster als vennoot in de plaats getreden van erflater. Op 8 april 2012 hebben [zoon 1] en erflaatster een akte ondertekend strekkende tot beëindigen van de maatschap. Erflaatster is per 1 januari 2012 uit de maatschap getreden en de onderneming is als eenmanszaak voortgezet door [zoon 1] . Uit de akte beëindiging maatschap van erflaatster en [zoon 1] volgt onder meer dat erflaatster afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken welke zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden. Het hof begrijpt uit het gedrag van erflaatster en [zoon 1] alsmede op basis van de akte beëindiging maatschap dat het maatschapsvermogen is verdeeld en wel in die zin dat alle activa van het maatschapsvermogen aan [zoon 1] zijn toegedeeld. Voorts volgt uit voormelde akte dat als het kapitaal van erflaatster in de maatschap negatief was zij of haar erfgenamen het negatieve kapitaal niet behoefde aan te zuiveren. Uit de feiten volgt derhalve dat erflaatster op het moment van haar overlijden geen aandeel meer had in het maatschapsvermogen aangezien dat feitelijk al verdeeld was. Dat de levering van de aldus reeds verdeelde goederen nog niet heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af.

7. Erflaatster is op 8 juli 2013 overleden. Op het moment van overlijden van erflaatster was de financiële afrekening met betrekking tot de maatschap tussen haar en [zoon 1] nog niet becijferd, laat staan geëffectueerd.

8. Aangezien erflaatster en [zoon 1] na 2002 geen jaarrekeningen meer hebben opgesteld met betrekking tot de maatschap was en is het nagenoeg niet meer mogelijk om vast te stellen wat de stand van de kapitaalrekening was van erflaatster op het moment van het uittreden van erflaatster uit de maatschap. [zoon 1] en erflaatster hebben naar het oordeel van het hof beiden niet voldaan aan het voeren van een deugdelijke administratie in de zin van art 3:15i BW.

(…)

De waarde van het maatschapsaandeel van erflaatster grief 1

16. Het hof verwijst naar hetgeen het hof in de inleiding heeft gesteld met betrekking tot de maatschap tussen erflater/erflaatster en [zoon 1] .

17. De rechtbank is in haar bestreden vonnis van 30 september 2020 in r.o. 4.10 uitvoerig ingegaan op de waarde van het maatschapsaandeel van erflaatster en welk bedrag [zoon 1] aan de nalatenschap van erflaatster verschuldigd is. De rechtbank heeft onder meer overwogen:

“Bij gebrek aan enig ander aanknopingspunt zal de rechtbank het door [zoon 1] aan de nalatenschap van moeder nog verschuldigde bedrag vaststellen op € 400.0000,–. Bij dit oordeel laat de rechtbank meewegen dat Flynth in haar verslag van de bespreking heeft opgenomen dat [zoon 1] de financiële gegevens had moeten aanleveren.”

18. Uit de grief één van [zoons 2 en 3] volgt dat zij van mening zijn dat de waarde van het ondernemingsvermogen van de maatschap moet worden vastgesteld op een bedrag van € 3.313.000 en dat [zoon 1] aan de nalatenschap van erflaatster een bedrag verschuldigd is van € 1.656.500. Ook menen [zoons 2 en 3] dat [zoon 1] over voormelde vordering vanaf 8 maart 2014 een rente verschuldigd is van 5%.

19. Door de curator is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van [zoons 2 en 3] alsmede heeft de curator incidenteel appel in gesteld. Uit randnummer 6 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van de curator volgt dat de vordering die erflaatster had op [zoon 1] is verjaard en deze vordering dus geen deel kan uit maken van haar nalatenschap.

20. Uit de stellingen van [zoons 2 en 3] en de curator volgt dat per 1 januari 2012 het maatschapsvermogen tussen erflaatster en [zoon 1] is verdeeld en erflaatster een vordering heeft gekregen op [zoon 1] . Zoals het hof in de inleiding van dit arrest al heeft overwogen volgt uit het feitelijk handelen van erflaatster en [zoon 1] alsmede uit de inhoud van de akte beëindiging maatschap dat het maatschapsvermogen is verdeeld en wel in die zin dat alle activa aan [zoon 1] zijn toegedeeld. Het enige wat nog moest worden vastgesteld is de stand van de kapitaalrekening van erflaatster. Bij een positief saldo diende [zoon 1] binnen 9 maanden het saldo aan de erfgenamen te voldoen en als er een negatief saldo was behoefde de erfgenamen dit negatieve saldo niet aan [zoon 1] te vergoeden. Het hof is met de curator van mening dat als erflaatster een vordering had op [zoon 1] deze vordering op 8 maart 2019 is verjaard. De incidentele grief van de curator treft derhalve doel.

21. Hetgeen [zoons 2 en 3] hebben gesteld met betrekking tot de activa van de maatschap zoals onder meer melkquotum, verkoop vee, vergunningen enz. is voor het onderhavige oordeel niet relevant. Verkoop van melkquotum, vee enz. heeft plaatsgevonden in de periode dat erflaatster maat was in de maatschap. Niet is gesteld dat deze transacties niet de instemming hadden van erflaatster. Gedane zaken nemen geen keer.

(…)

Incidentele grief 3 en 4 Waardering goederen

(…)

40. In de beëindigingsovereenkomst tussen erflaatster en [zoon 1] zijn zij onder meer het navolgende overeengekomen:

“Maat 2 (erflaatster) doet per 1 januari 2012 afstand van alle rechten en aanspraken welke zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden.”

Zoals het hof in de inleiding van dit arrest heeft gesteld zijn in het kader van de verdeling van het maatschapsvermogen de op naam van erflater en [zoon 1] staande onroerende goederen in 2012 aan [zoon 1] toegedeeld. Dat erflaatster en [zoon 1] niet tot een finale financiële afwikkeling zijn gekomen doet daaraan niet af. Op de erfgenamen rust in beginsel een verplichting om mee te werken aan de te naamstelling van de onroerende goederen op naam van [zoon 1] . De curator kan dan vervolgens overgaan tot verkoop van de betreffende onroerende goederen. De waarde van de goederen die tot het voormalige maatschapsvermogen behoorde is niet relevant voor de omvang/samenstelling van de nalatenschap van erflaatster.’

Ik begrijp het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 6 en 20 aldus dat het hof ervan uitgaat dat [zoon 1] en moeder met de overeenkomst van einde maatschap een uitputtende regeling hebben willen overeenkomen voor de verdeling van het maatschapsvermogen. Deze regeling komt er kort gezegd op neer dat aan [zoon 1] alle activa en passiva worden toegedeeld, dat moeder afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken die zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden, en dat moeder een vordering op [zoon 1] verkrijgt. Ten aanzien van die vordering, overweegt het hof in rechtsoverweging 20 dat alleen nog moet worden vastgesteld wat de stand van de kapitaalrekening van erflaatster is. Het hof is daaraan vervolgens niet toegekomen, omdat de vordering volgens het hof is verjaard (waarover hierna subonderdeel I.1).

Subonderdeel III.1 klaagt ten eerste dat het hof in deze overwegingen miskent, althans er niet kenbaar blijk van geeft, dat de overeenkomst van einde maatschap moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, zodat niet de grammaticale uitleg bepalend is, maar wat partijen uit elkaars uitlatingen en gedragingen hebben mogen afleiden en wat partijen redelijkerwijs hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. Daarbij is volgens het subonderdeel onder meer van belang de hoge leeftijd van moeder en haar met een verklaring van een van de zussen onderbouwde geestesgesteldheid, alsmede hoe partijen aan die overeenkomst invulling hebben gegeven.

Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof gehouden was om de maatstaf aan de hand waarvan het de overeenkomst uitlegde, te expliciteren (die opvatting dunkt mij besloten te liggen in de klacht dat het hof er ‘niet kenbaar blijk van geeft…’), geldt dat dit onjuist is. In cassatie kan alleen worden geklaagd over het miskennen van de juiste uitlegmaatstaf (rechtsklacht) of over een onbegrijpelijke toepassing daarvan op de feiten (motiveringsklacht).

Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof de Haviltex-maatstaf heeft miskend omdat het is uitgegaan van grammaticale uitleg, faalt het. Het hof baseert zijn oordeel in rechtsoverweging 6 immers, behalve op de akte beëindiging maatschap, ook op het gedrag van moeder en [zoon 1] . Reeds daaruit volgt dat het hof niet is uitgegaan van grammaticale uitleg van de overeenkomst. Intussen staat niets eraan in de weg dat bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij gebreke van overtuigende argumenten voor een andere uitleg veel gewicht wordt toegekend aan de meest voor de hand liggende betekenis van de in een overeenkomst gekozen bewoordingen (wat echter nog niet grammaticale uitleg is). Het subonderdeel verwijst naar twee omstandigheden die bij de uitleg van belang zouden zijn. Wat betreft de eerste omstandigheid – de geestelijke gesteldheid van moeder – verwijst het subonderdeel naar de conclusie van antwoord, onder 22 waar te lezen valt:

‘ [zoon 3] en [zoon 2] verwijzen voorts naar een schrijven van hun zus omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van moeder (productie 2). [zoon 3] en [zoon 2] zijn van mening dat moeder in 2009 en 2012 niet eens wist of begreep wat zij heeft getekend.’

Voor zover het hof deze omstandigheid niet (uitdrukkelijk) in de beoordeling heeft betrokken, maakt dit het oordeel van het hof niet onjuist, reeds omdat [zoons 2 en 3] in de conclusie van antwoord en in het subonderdeel in het geheel niet hebben toegelicht wat de gestelde geestelijke toestand van moeder voor de uitleg van de overeenkomst van einde maatschap zou moeten betekenen. Wat betreft de tweede omstandigheid – de wijze waarop partijen invulling aan de overeenkomst hebben gegeven – verwijst het subonderdeel niet naar vindplaatsen in de processtukken. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze omstandigheid dat het subonderdeel niet toelicht wat daaruit met betrekking tot de uitleg van de overeenkomst van einde maatschap zou moeten volgen. Nu [zoons 2 en 3] de omstandigheden niet voldoende duidelijk met de uitleg van de overeenkomst van einde maatschap in verband hebben gebracht, kan niet worden gezegd dat het hof heeft miskend dat deze omstandigheden bij de uitleg van die overeenkomst van belang kunnen zijn.

Het subonderdeel betoogt verder dat de uitleg in redelijkheid geen andere kan zijn dan dat de maatschap werd ontbonden en dat het maatschapsaandeel van moeder nog moest worden afgewikkeld. In dat verband wijst het subonderdeel ook op het kopje boven rechtsoverweging 16, dat luidt: ‘De waarde van het maatschapsaandeel van erflaatster grief 1’. Ik begrijp het subonderdeel aldus dat het bedoelt te klagen dat het (andersluidende) uitlegoordeel van het hof onbegrijpelijk is.

Ik heb mij de vraag gesteld waarop het subonderdeel precies het oog heeft als het gaat over het ‘maatschapsaandeel’ van moeder. Uit verschillende passages uit de conclusie van antwoord van [zoons 2 en 3] kan worden afgeleid dat met de term ‘maatschapsaandeel’ wordt gedoeld op het kapitaal van moeder alsmede haar aandeel in de meerwaarde. Aldus sluiten [zoons 2 en 3] met deze term aan bij de componenten van de vordering als omschreven in artikel 2 lid 2 van de overeenkomst van einde maatschap, zie ‎2.1 onder ‎(xiii). Mijns inziens behoren we de klachten in dezelfde zin op te vatten.

Het hof heeft in rechtsoverweging 6 overwogen dat uit de feiten volgt dat moeder op het moment van haar overlijden geen aandeel meer had in het maatschapsvermogen en vervolgens in rechtsoverweging 20 dat alleen nog moet worden vastgesteld wat de stand van de kapitaalrekening van moeder was. In dit oordeel van het hof ligt besloten dat kennelijk niet (meer) behoeft te worden vastgesteld wat de waarde is van het aandeel van moeder in de meerwaarde. Het subonderdeel klaagt mijns inziens terecht dat deze uitleg van de overeenkomst onbegrijpelijk is. De tekst van artikel 1 lid 3 van de overeenkomst (hiervoor 2.2 onder xiii geciteerd) houdt immers in dat [zoon 1] het aandeel van moeder in het gemeenschappelijke maatschapsvermogen zal overnemen rekening houdend met de aanwezige meerwaarde en artikel 2 lid 2 van deze overeenkomst zegt dat [zoon 1] zich verplicht aan moeder uit te keren de waarde van het kapitaal van moeder en het eventuele aandeel in de meerwaarde. De verplichting van [zoon 1] ten opzichte van moeder bestaat volgens de bewoordingen van de overeenkomst dus uit twee componenten: ten eerste de stand van de kapitaalrekening van moeder, en ten tweede het aandeel van moeder in de meerwaarde. De kennelijke uitleg van het hof komt erop neer dat de verplichting van [zoon 1] alleen uit de eerste component bestaat. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de tweede component – het aandeel van moeder in de meerwaarde – geen rol meer speelt. Het hof motiveert zijn oordeel in rechtsoverwegingen 6 en 20 slechts met ‘het gedrag van erflaatster en [zoon 1] ’ en de inhoud van de overeenkomst van einde maatschap. Ik begrijp het zo dat het hof met ‘het gedrag van erflaatster’ doelt op het feit dat moeder afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken die zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden dan wel haar uittreden uit de maatschap. Het hof vermeldt geen andere (relevante) gedragingen van moeder. Niet valt in te zien hoe het feit dat moeder uit de maatschap is getreden en afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken op het vermogen van de maatschap, kan bijdragen aan het oordeel dat het eventuele aandeel in de meerwaarde geen rol meer speelt bij de vaststelling van de aanspraak van moeder op [zoon 1] . Ook de tekst van de overeenkomst van einde maatschap kan aan dat oordeel niet bijdragen, omdat daarin juist uitdrukkelijk het aandeel van moeder in de eventuele meerwaarde wordt genoemd als component van de verplichting van [zoon 1] jegens moeder.

In zoverre slaagt dus het subonderdeel.

Subonderdelen III.2-III.3 klagen over het oordeel van het hof dat per 1 januari 2012 het vermogen van de maatschap tussen [zoon 1] en moeder is verdeeld en dat moeder een vordering heeft gekregen op [zoon 1] . Ik begrijp de klachten van dit subonderdeel aldus dat zij erop gericht zijn zeker te stellen dat moeder uit hoofde van de overeenkomst van einde maatschap uit 2012 recht heeft op vergoeding van het maatschapsaandeel van moeder, in de hiervoor ‎3.8 omschreven betekenis. Gelet op het voorgaande – en de hierna te bespreken klacht van subonderdeel I.1 die met succes opkomt tegen het verjaringsoordeel van het hof – moet na cassatie en verwijzing alsnog worden beoordeeld welke verplichting [zoon 1] jegens (de nalatenschap van) moeder heeft in verband met het kapitaal en het aandeel van moeder in de eventuele meerwaarde. Daarom hebben [zoons 2 en 3] geen belang bij de behandeling van deze subonderdelen.

Ook subonderdelen III.4-III.5 behoeven geen behandeling. Naar aanleiding van die subonderdelen merk ik wel nog op dat het hof in rechtsoverweging 21 overweegt dat hetgeen [zoons 2 en 3] hebben gesteld met betrekking tot de activa van de maatschap niet relevant is. In deze rechtsoverweging maakt het hof niet duidelijk welke stellingen over de activa van de maatschap volgens het hof niet van belang kunnen zijn. Het is mijns inziens echter niet uitgesloten dat stellingen van [zoons 2 en 3] over de activa van de maatschap van belang kunnen zijn bij de vaststelling of schatting van het ‘maatschapsaandeel’ van moeder, bestaande uit de stand van de kapitaalrekening en/of haar aandeel in de eventuele meerwaarde (al dan niet te berekenen aan de hand van de voortzettingswaarde, zie artikel 2 lid 2 van de overeenkomst). Hetzelfde geldt ten aanzien van rechtsoverweging 40, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de waarde van de goederen die tot het voormalige maatschapsvermogen behoorden niet relevant is voor de omvang/samenstelling van de nalatenschap van moeder.

Subonderdeel III.6 stelt voorop dat het hof in rechtsoverweging 8 lijkt te oordelen dat niet te reconstrueren valt wat de vordering van moeder op [zoon 1] naar aanleiding van de afwikkeling van de maatschap is, en dat dit mede de schuld zou zijn van moeder als vennoot, nu zowel [zoon 1] als moeder geen deugdelijke administratie in de zin van art. 3:15i BW hebben gevoerd, en dat een en ander kennelijk relevant is voor de vaststelling van de vordering.

De klachten van het subonderdeel falen voor zover zij uitgaan van deze lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat niet te reconstrueren valt wat de vordering van moeder op [zoon 1] naar aanleiding van de afwikkeling van de maatschap is. Het hof overweegt in rechtsoverweging 8 dat ‘nagenoeg’ niet meer valt vast te stellen wat de stand van de kapitaalrekening van moeder was. Daarmee brengt het hof weliswaar tot uitdrukking dat de vaststelling van de stand van de kapitaalrekening lastig zal zijn, maar niet dat dit onmogelijk is. Het hof is in het bestreden arrest niet aan vaststelling van de waarde van de kapitaalrekening toegekomen, omdat het hof van oordeel was dat de vordering hoe dan ook is verjaard (zie rechtsoverweging 20).

Verder klaagt het subonderdeel dat het hof onbesproken laat dat moeder in 2012 reeds 89 jaar oud was en dat zij niet zelf over haar financiën beschikte, maar dat alles via [zoon 1] liep. Het ligt dan op grond van art. 21 Rv op de weg van [zoon 1] (en dus in deze procedure de curator) om in deze procedure de informatie te verstrekken die voor de vaststelling van de vordering van moeder op [zoon 1] uit hoofde van de overeenkomst uit 2012 nodig is.

De klacht faalt. Het hof was kennelijk van oordeel dat het enkele feit dat moeder 89 was en dat uitkeringen van moeder op de bankrekening van de maatschap werd gestort nog niet maakt dat zij geen (enkele) verantwoordelijkheid droeg voor de administratie van de maatschap. Hierbij moet worden bedacht dat het oordeel van het hof niet alleen ziet op de administratie in 2012. Al vanaf 2002 was immers geen administratie van de maatschap beschikbaar.

Onderdeel I richt zich tegen rechtsoverwegingen 4-8, 16-21 en 40 (hierboven ‎3.2 geciteerd), en tegen rechtsoverweging 25. Het hof overwoog in die laatste rechtsoverweging:

Grief 4 Rente over de vordering van erflaatster op [zoon 1] inzake de voormalige maatschap?

(…)

25. Het hof overweegt als volgt. Als erflaatster een vordering op [zoon 1] zou hebben gehad uit hoofde van de overeenkomst van maatschap dan is het hof met de rechtbank van oordeel dat zij geen rente vergoeding hebben afgesproken. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot haar beslissing is gekomen en het hof maakt die gronden – na een eigen afweging – tot de zijne. In appel hebben [zoons 2 en 3] geen andere feiten gesteld die tot een ander oordeel zou moeten leiden. Ook grief 4 treft geen doel.’

Subonderdeel I.1 klaagt over het oordeel van het hof in rechtsoverweging 20 dat de vordering van moeder op [zoon 1] op 8 maart 2019 is verjaard. Dit oordeel is volgens het subonderdeel onjuist, omdat het hof heeft miskend dat op grond van art. 36 lid 1 Fw de verjaringstermijn wordt verlengd tot zes maanden na het einde van het faillissement van [zoon 1] .

Uit art. 36 lid 1 Fw volgt dat zich een grond voor verlenging van de verjaringstermijn voordoet, en wel als de verjaringstermijn betreffende een rechtsvordering als bedoeld in art. 26 Fw zou aflopen gedurende het faillissement of binnen zes maanden na het einde daarvan. In art. 26 Fw gaat het om rechtsvorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben. Verlenging van de verjaringstermijn vindt van rechtswege plaats en uit rechtspraak van uw Raad volgt dat de rechter ambtshalve rekening dient te houden met een verlenging, indien hij daarvoor voldoende feitelijke aanknopingspunten in het dossier vindt.

In rechtsoverweging 20 stelt het hof vast dat per 1 januari 2012 het maatschapsvermogen tussen moeder en [zoon 1] is verdeeld en dat moeder een vordering heeft gekregen op [zoon 1] ten aanzien van de kapitaalrekening van moeder (ik voeg toe: voor zover die kapitaalrekening een positieve stand kende). Deze vordering is opeisbaar geworden op 8 juli 2013 (bij overlijden van moeder) en moest vervolgens binnen negen maanden, dus uiterlijk op 8 maart 2014, door [zoon 1] zijn voldaan. Er heeft geen vaststelling van de omvang van de vordering, laat staan betaling plaatsgevonden. Vervolgens is [zoon 1] in 2015 failliet verklaard en hij verkeerde ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest nog steeds in staat van faillissement. Ook in cassatie is de curator procespartij, en volgens de curator kan het faillissement ook niet worden afgewikkeld zolang onduidelijkheid bestaat over de verdeling van de nalatenschap van moeder. Dit impliceert dat het faillissement nog steeds voortduurt.

Bij deze stand van zaken klaagt het subonderdeel terecht dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 36 lid 1 Fw de verjaringstermijn wordt verlengd tot zes maanden na het einde van het faillissement van [zoon 1] . Het procesdossier bevatte – zoals hierboven opgemerkt – ook voldoende aanknopingspunten voor het hof om ambtshalve met deze verlengingsgrond rekening te houden, althans voor zover in het oordeel van het hof besloten zou liggen dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden kunnen worden, is dat onbegrijpelijk.

De curator betoogt dat de klacht met betrekking tot de verjaring faalt bij gebrek aan belang, omdat het hof ook op andere, zelfstandige grondslagen zou hebben geoordeeld dat het bestaan van een mogelijke vordering niet meer vast te stellen valt en dat het hele maatschapsvermogen al is verdeeld. Dit verweer slaagt niet. Het hof heeft in rechtsoverweging 8 weliswaar overwogen dat nagenoeg niet meer mogelijk is om vast te stellen wat de stand van de kapitaalrekening was van moeder op het moment van haar uittreden uit de maatschap, maar daarmee is niet gezegd dat het bestaan van een vordering geheel niet meer vast te stellen valt. Ook uit rechtsoverweging 20 volgt niet dat het hof heeft geoordeeld dat de vordering niet kan worden vastgesteld. De overweging van het hof ‘dat als erflaatster een vordering had op [zoon 1] deze vordering op 8 maart 2019 is verjaard’, moet aldus worden begrepen dat het hof vanwege de aangenomen verjaring van de vordering in het midden kan laten of daadwerkelijk een vordering bestaat. Dat het hele maatschapsvermogen al zou zijn verdeeld, is niet van belang omdat dit er volgens het hof niet aan af doet dat moeder uit hoofde van de overeenkomst van einde maatschap een vordering op [zoon 1] heeft gekregen, waarover (bij een positief saldo) moet worden afgerekend. Ook het betoog van de curator dat het hof na eventuele cassatie en verwijzing alsnog geen enkel aanknopingspunt zal hebben om de stand van de kapitaalrekening van moeder vast te stellen, maakt nog niet dat [zoons 2 en 3] geen belang hebben bij deze klacht. De curator ontkracht dit betoog in dezelfde alinea immers door op te merken dat het verwijzingshof in redelijkheid enkel tot de conclusie kan komen dat de omvang van de vordering nihil is (want niet vast te stellen), althans aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank dat het aandeel € 400.000 waard is. Daarmee erkent de curator dat er wel degelijk een (redelijk) aanknopingspunt kan zijn.

De klacht slaagt. De overige klachten van subonderdeel I.1 behoeven geen behandeling.

Subonderdeel I.2 klaagt dat met het slagen van het voorgaande subonderdeel ook het oordeel in de rechtsoverwegingen 21 en 40 niet in stand kan blijven. Kennelijk bouwt het hof bij deze rechtsoverwegingen voort op het oordeel dat de vordering met betrekking tot de waarde van het maatschapsaandeel van erflaatster is verjaard of op het oordeel dat het maatschapsvermogen is verdeeld en wel dat alle activa aan [zoon 1] zijn toebedeeld. Onjuist of onbegrijpelijk is dat de activa van de maatschap niet relevant zouden zijn, omdat zij dat wel zijn voor de bepaling van de waarde van het maatschapsaandeel van de moeder dat moet worden afgerekend en daarmee voor de hoogte van de vordering die de nalatenschap op [zoon 1] heeft. Ook rechtsoverweging 25 bouwt voort op het oordeel ten aanzien van verjaring en kan daarom niet in stand blijven.

Waar het subonderdeel zich richt tegen rechtsoverwegingen 21 en 40 slaagt het in het verlengde van het voorgaande en om de redenen genoemd in ‎3.12.

Voor zover het subonderdeel zich richt tegen het oordeel in rechtsoverweging 25 slaagt het echter niet. Het hof oordeelt daar immers voor het geval moeder uit hoofde van de overeenkomst van maatschap wél een vordering op [zoon 1] zou hebben gehad. Het hof komt – in navolging van de rechtbank – op andere gronden, die niet met de door het hof aangenomen verjaring te maken hebben, tot het oordeel dat geen rentevergoeding is overeengekomen.

Het subonderdeel klaagt verder over het oordeel in rechtsoverweging 25, waar het hof zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.15 van het eindvonnis. Ten behoeve van de lezer citeer ik de rechtsoverwegingen 2.13-2.15 van het eindvonnis:

‘2.13. [zoon 2] en [zoon 3] hebben toegelicht dat de samengestelde rente van 5% de rente is die moeder en [zoon 1] als laatste hadden afgesproken. Zij verwijzen naar artikel 10 en artikel 18 van het maatschapscontract en naar de laatste jaarrekening van de maatschap over 2002. [zoon 2] en [zoon 3] stellen zich op het standpunt dat in het maatschapscontract oorspronkelijk een rente was afgesproken van 6%. In het maatschapscontract staat dat deze rente daarna jaarlijks opnieuw in onderling overleg wordt vastgesteld. Dat dit is gebeurd blijkt volgens [zoon 2] en [zoon 3] uit de laatste jaarrekening van de maatschap, waarin een rente van 5% is opgenomen. Deze rente is als laatste afgesproken en blijft staan tot het moment van vereffening van de maatschap, aldus [zoon 2] en [zoon 3] .

De rechtbank is met de curator van oordeel dat uit het maatschapscontract en de jaarrekening over 2002 niet volgt dat [zoon 1] gehouden is om met ingang van 2012 een rente van 5% te vergoeden over het maatschapsaandeel van moeder. De rechtbank motiveert dit als volgt.

In artikel 10 van het maatschapscontract staat dat de rente jaarlijks aangepast kan worden. Uit de laatste jaarrekening over 2002 blijkt een rente van 5% over het kapitaal van [zoon 1] op 1 januari 2002. De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat [zoon 1] en moeder hebben afgesproken dat deze rente tien jaar later, op het moment van ontbinding van de maatschap, nog steeds van toepassing is en ook geldt voor de situatie dat de maatschap is ontbonden. De rechtbank weegt mee dat in de overeenkomst einde maatschap niet is opgenomen dat [zoon 1] gehouden is deze rente te vergoeden over het door hem aan moeder verschuldigde maatschapsaandeel.’

Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat aan de hand van de Haviltex-maatstaf moet worden bepaald of partijen rente zijn overeengekomen. [zoons 2 en 3] hebben aangevoerd dat de bedoeling van de partijen was dat de partij die iets verschuldigd is, daarover aan de andere partij rente verschuldigd is. Toepassing van de Haviltex-maatstaf betreft het toetsen aan wat partijen bij het aangaan van een overeenkomst voor ogen heeft gestaan, waarbij de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst een aanwijzing kan zijn. Uit de jaarrekening van 2002 volgt dat rente is betaald en dat de laatste vastlegging van het rentepercentage 5% is. Bij die stand van zaken is volgens het subonderdeel onjuist en/of onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat er vervolgens in het geheel geen rente verschuldigd is omdat partijen (lees: [zoon 1] ) de laatste tien jaar geen jaarrekening meer hebben opgesteld. Ook het argument dat in de overeenkomst uit 2012 geen rente is overeengekomen, is binnen de Haviltex-maatstaf geen valide argument, omdat dit een andere overeenkomst is en dus niets zegt over de lopende overeenkomst. Bovendien wordt daarbij geen rekening gehouden met het feit dat moeder bij het sluiten van de overeenkomst in 2012 reeds 89 jaar oud was en zij een en ander niet meer helemaal kon overzien. Het voorgaande volgt volgens het subonderdeel ook uit het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 26-29 ten aanzien van de rentevordering van de curator en over de vorderingen van [zoon 1] op de nalatenschap. Het is onbegrijpelijk dat en waarom het hof – nu partijen het erover eens zijn dat rente is overeengekomen die de nalatenschap aan [zoon 1] moet betalen – dit vervolgens niet ook aanneemt voor de vorderingen die de nalatenschap op [zoon 1] heeft.

De klachten falen. Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, het oordeel dat [zoon 1] niet is gehouden om vanaf 1 januari 2012 over het maatschapsaandeel van moeder rente te betalen erop gebaseerd dat niet is vast komen te staan dat de rente van 5% die is vermeld in de jaarrekening over 2002 ook geldt in 2012 en dat deze rente ook geldt voor de situatie dat de maatschap is ontbonden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat in de overeenkomst over het einde van de maatschap niet is opgenomen dat [zoon 1] gehouden is deze rente ook in deze situatie te vergoeden over het door hem aan moeder verschuldigde maatschapsaandeel. Ik kan het oordeel van het hof niet anders begrijpen dan dat het hof hiermee heeft geprobeerd, niettegenstaande het gebrek aan concrete gegevens dienaangaande, de partijbedoeling te achterhalen. Ik merk op dat geen klacht is gericht tegen de overweging dat onduidelijk is of de rente ook geldt voor de situatie dat de maatschap is ontbonden, hoewel dat nu juist de kern is van de motivering van het hof. Het is volgens het hof niet zonder meer vanzelfsprekend dat een rente die wordt afgesproken voor de situatie waarin de onderneming van de maatschap wordt gedreven, ook geldt voor het geval waarin de maatschap is ontbonden. Ik acht dit niet onbegrijpelijk. In dat verband is evenmin onbegrijpelijk dat het hof waarde toekent aan de omstandigheid dat [zoon 1] en moeder in de overeenkomst inzake de beëindiging van de maatschap geen afspraak over rente hebben gemaakt. Als [zoon 1] en moeder rente hadden willen afspreken over de stand van de kapitaalrekening na 1 januari 2012, dan had het immers zeer voor de hand gelegen dat de akte einde maatschap daarover iets zou hebben vermeld. Dat is althans kennelijk het oordeel van het hof, en ik vind dat niet onbegrijpelijk. In algemene zin is ook niet juist het (kennelijke) uitgangspunt van het subonderdeel dat afspraken in een latere overeenkomst nooit enig licht zouden kunnen werpen op de inhoud van afspraken uit een eerdere overeenkomst. Ook als [zoon 1] wel jaarrekeningen had opgesteld over de periode tot 2012, dan was daarmee nog niet gezegd dat in de nieuwe situatie – van een ontbonden maatschap – die rente ook zou gelden. Tot slot volgt uit rechtsoverweging 4.7 van het tussenvonnis dat de rechtbank – in het kader van het oordeel over de akte einde maatschap – heeft overwogen dat moeder in 2012 niet onder bewind was gesteld, zodat de rechtbank moet aannemen dat zij nog in staat was haar eigen belangen te behartigen en haar wil te bepalen, terwijl bovendien bij de totstandkoming van de overeenkomst adviseurs betrokken waren en niet is gesteld of gebleken dat deze adviseurs niet ook in het belang van moeder hebben geadviseerd. Nu het hof aansluit bij het oordeel van de rechtbank over de akte einde maatschap, moet worden aangenomen dat het hof ook dit uitgangspunt van de rechtbank onderschrijft.

De rechtsoverwegingen 26-29 zijn hier evident van geen belang. De enkele omstandigheid dat [zoon 1] wel aanspraak kan maken op rente ten aanzien van zijn vorderingen inzake schenkingen en het door moeder verschuldigde vaderlijke erfdeel, zegt niets over de vraag of [zoon 1] rente verschuldigd is over een schuld aan de nalatenschap die gebaseerd is op een andere rechtsverhouding tussen partijen.

Tot slot klaagt het subonderdeel dat, voor zover geen sprake is van overeengekomen rente, in ieder geval de wettelijke rente verschuldigd is, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.16 van het eindvonnis geoordeeld dat [zoon 1] vanaf 8 maart 2014 wettelijke rente verschuldigd is over het aan de nalatenschap te betalen bedrag van € 400.000. Partijen hebben in het kader van grief IV in het principaal hoger beroep wel het oordeel van de rechtbank over de contractuele rente aan de orde gesteld, maar niet het oordeel over de wettelijke rente, kennelijk omdat [zoons 2 en 3] ervan uitgaan dat de contractuele rente gunstiger is dan wettelijke rente. Nadat het hof de verschuldigdheid van contractuele rente van de hand had gewezen, was er dus geen aanleiding om ook nog te oordelen over de wettelijke rente. Aangenomen moet worden dat daarmee is komen vast te staan dat – in ieder geval – de wettelijke rente verschuldigd is.

Subonderdeel I.3 klaagt over het oordeel in rechtsoverweging 21 dat hetgeen [zoons 2 en 3] hebben gesteld over de activa van de maatschap (waaronder het melkquotum) niet relevant is voor het oordeel over de waarde van het maatschapsaandeel van erflaatster, omdat de verkoop van die activa heeft plaatsgevonden in de periode dat erflaatster maat was in de maatschap en niet is gesteld dat deze transacties niet de instemming hadden van erflaatster. Het hof zou hebben miskend dat het enkele feit dat [zoon 1] na verkoop van het vee en het melkquotum de opbrengst op zijn eigen rekeningen heeft laten storten, nog niet meebrengt dat dit vervolgens geen enkele rol meer kan spelen bij de afwikkeling van de maatschap. Uitgaande van een maatschap tussen moeder en [zoon 1] en van een afgescheiden vermogen van de maatschap, heeft de maatschap een vordering gekregen op [zoon 1] ter hoogte van de opbrengst. Dat de verkoop heeft plaatsgevonden in de periode dat moeder nog maat was en dat niet is gesteld dat de transacties geen instemming van moeder zouden hebben gehad, is volgens de klacht niet relevant voor de vraag of de activa nog van belang zijn voor de berekening van de vordering die moeder op [zoon 1] had op grond van de akte uit 2012. Voor zover het hof een en ander niet miskent, is het oordeel onbegrijpelijk.

Voor zover deze klacht in het verlengde ligt van subonderdeel I.2 (eerste alinea) slaagt zij. De klacht faalt echter voor zover zij ervan uitgaat dat de activa van de maatschap van belang (kunnen) zijn om andere redenen dan alleen de berekening van de stand van de kapitaalrekening van moeder per 1 januari 2012 en haar aandeel in de eventuele meerwaarde, omdat uit rechtsoverwegingen 20 en 40 volgt dat alle activa (waaronder een eventuele vordering van de maatschap op [zoon 1] ) aan [zoon 1] zijn toegedeeld en moeder afstand heeft gedaan van alle rechten en aanspraken die zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden. Dat betekent dat de activa van de maatschap niet van belang zijn voor de vaststelling van de omvang van de nalatenschap, behoudens voor zover die mede bepalend zijn voor de omvang van de kapitaalrekening van moeder en haar aandeel in de eventuele meerwaarde.

Subonderdeel I.4 bevat een klacht voor het geval het hof aan zijn oordeel ten grondslag zou hebben gelegd dat de klachtplicht is geschonden.

Het is mij niet duidelijk tegen welk oordeel deze klacht zich precies richt. Hoe dan ook lees ik in het bestreden arrest niet een oordeel over de klachtplicht, ook niet impliciet. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.

Subonderdeel I.5 klaagt dat het oordeel van het hof onjuist en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof het beroep van de curator op verjaring heeft aanvaard, zonder echter in te gaan op de verweren die [zoons 2 en 3] tegen de verjaring hebben gevoerd.

De klacht behoeft geen bespreking, omdat subonderdeel I.1 slaagt.

Subonderdeel I.6 bevat een voortbouwklacht ten aanzien van rechtsoverwegingen 42-45 en het dictum.

Het subonderdeel slaagt voor zover het zich richt tegen rechtsoverwegingen 42 en 45 en het dictum. Ik zie echter niet in hoe rechtsoverwegingen 43-44 voortbouwen op oordelen die in dit onderdeel met succes zijn bestreden.

Onderdeel II richt zich tegen rechtsoverwegingen 33-43, 45, en het dictum, maar met name rechtsoverweging 41. Het hof heeft overwogen:

Incidentele grief 3 en 4 Waardering goederen

33. Uit het bestreden vonnis van 10 november 2021 volgt dat de rechtbank de woning aan [a-straat 1a] te [plaats] voor een waarde van € 400.000,– in de verdeling van de nalatenschap van erflaatster heeft meegenomen.

34. Uit de incidentele grief 3 volgt dat de curator het niet eens is met die waarde. Uit het door de curator in het geding gebrachte taxatierapport van 29 april 2022 volgt dat de waarde van de woning [a-straat 1a] te [plaats] is € 950.000 en wel per peildatum 1 januari 2021.

35. In randnummer 78 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appel gaat de curator in op de waarde van de onroerende goederen die aan [zoon 1] /faillissementsboedel moeten worden toebedeeld. De aan [zoon 1] /faillissementsboedel toe te delen goederen hebben een aanzienlijk hogere waarde. De waarde van de toe te delen goederen bedraagt € 2.721.000,– tegenover de waarde zoals volgt uit het vonnis van de rechtbank € 1.755.000,–.

36. Op blz. 6 van de memorie van antwoord in incidenteel appel stellen [zoons 2 en 3] dat partijen voorafgaand aan de taxatie van de [a-straat 1] en [a-straat 1a] duidelijke afspraken met elkaar hebben gemaakt, waarbij de taxatievoorwaarden, de omschrijving en de uitgangspunten door beide partijen zijn vastgesteld. [zoons 2 en 3] verwijzen naar productie 1 zijnde een mail van [betrokkene 2] aan La Gro Geelkerken advocaten en in de cc aan mr. S.P. Koerselman.

Op basis van deze mail kan het hof niet vaststellen welke afspraken partijen hebben gemaakt met betrekking tot de waardering van de onroerende goederen.

37. Met betrekking tot de waardering van de woning aan de [a-straat 1a] te [plaats] refereren [zoons 2 en 3] zich aan het oordeel van het hof.

38. Op blz. 8 van hun memorie van antwoord stellen [zoons 2 en 3] dat het taxatierapport dat door de curator als productie 46 in het geding is gebracht niet deugdelijk is.

39. Het hof overweegt als volgt. Uit het vonnis van de rechtbank van 30 september 2020 volgt dat ten tijde van de faillietverklaring van [zoon 1] de navolgende onroerende goederen als volgt in het kadaster zijn geregistreerd:

1. Op naam van erflater en [zoon 1] verkregen ten behoeve van de maatschap: de onroerende goederen kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummers [001] , [002] , [003] , [004] , [005] , [006] , [007] , [008] , [009] , [011] en [012] ;

2. Op naam van erflaatster: de onroerende goederen kadastraal bekend gemeente [plaats] , [sectie] , nummers [013] , [014] en [015] .

Partijen hebben tegen deze overweging van de rechtbank geen grief gericht.

40. In de beëindigingsovereenkomst tussen erflaatster en [zoon 1] zijn zij onder meer het navolgende overeengekomen:

“Maat 2 (erflaatster) doet per 1 januari 2012 afstand van alle rechten en aanspraken welke zij op het vermogen van de maatschap kan doen gelden.”

Zoals het hof in de inleiding van dit arrest heeft gesteld zijn in het kader van de verdeling van het maatschapsvermogen de op naam van erflater en [zoon 1] staande onroerende goederen in 2012 aan [zoon 1] toegedeeld. Dat erflaatster en [zoon 1] niet tot een finale financiële afwikkeling zijn gekomen doet daaraan niet af. Op de erfgenamen rust in beginsel een verplichting om mee te werken aan de te naamstelling van de onroerende goederen op naam van [zoon 1] . De curator kan dan vervolgens overgaan tot verkoop van de betreffende onroerende goederen. De waarde van de goederen die tot het voormalige maatschapsvermogen behoorde is niet relevant voor de omvang/samenstelling van de nalatenschap van erflaatster.

41. Het pand [a-straat 1a] te [plaats] behoort tot de nalatenschap van erflaatster. Gezien het feit dat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen met betrekking tot de toedeling en waardering acht het hof het in het kader van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster redelijk en billijk dat het pand [a-straat 1a] te [plaats] aan een derde wordt verkocht. Derhalve is een taxatierapport niet meer relevant. Bij de verkoop moet worden gestreefd naar een zo hoog mogelijke verkooprijs.

Verdeling nalatenschap?

42. Op basis van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen behoren de navolgende activa tot de nalatenschap van erflaatster:

1. € 497.168,– vordering op [zoon 1] in verband met executoriale verkoop onroerend goed van erflaatster;

2. De wettelijke rente over de vordering van € 497.168,– vanaf 10 april 2018 tot aan de datum van betaling of verrekening P.M.

3. Liquide middelen € 208.831,26

4. Verkoopopbrengst onroerend goed [a-straat 1a] te [plaats]

43. Het hof kan mede wegens het ontbreken van de verkoopopbrengst van het onroerend goed [a-straat 1a] te [plaats] niet de omvang van de actief zijde van de nalatenschap van erflaatster vast stellen.

(…)

45. Naar het oordeel van het hof kan er eerst worden verdeeld nadat de schulden van de nalatenschap zijn voldaan. Het hof kan in het onderhavige geschil alleen gelasten dat partijen overgaan tot verdelen met in achtneming van hetgeen het hof in r.o 1 tot met 49 heeft overwogen.’

Voordat ik toekom aan een behandeling van de subonderdelen, maak ik kort enkele opmerkingen over art. 3:185 BW.

Op grond van art. 3:185 lid 1 BW gelast de rechter – voor zover deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen komen over een verdeling, op vordering van de meest gerede partij – de wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. In art. 3:185 lid 2 BW worden genoemd als wijzen van verdeling die daarbij in aanmerking komen: (a) toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten; (b) overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde, en (c) verdeling van de netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. Deze vermelding van wijzen waarop een gemeenschap door de rechter verdeeld kan worden, is niet uitputtend.

De rechter heeft aldus veel vrijheid om de verdeling van een gemeenschap vast te stellen. De rechter is niet gebonden aan wat partijen als wijze van verdeling voorstellen. Gelet op die vrijheid hoeft de rechter bij zijn oordeel niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd, aldus uw Raad. Er is weliswaar een grens aan deze vrijheid in verband met beginsel van hoor en wederhoor en het verbod tot het geven van verrassingsbeslissingen, maar partijen zullen er op voorhand rekening mee moeten houden dat de rechter naar eigen inzicht verdeelt. Partijen zullen dus niet snel verrast kunnen zijn door het enkele feit dat de rechter een andere verdeling vaststelt dan door (één van) hen werd voorgesteld, en het ligt mijns inziens voor de hand dat dit des te sterker geldt als de rechter aansluit bij een van de in art. 3:185 lid 2 BW genoemde wijzen van verdeling. In verband met deze grote rechterlijke vrijheid, gelden voor verdelingsbeslissingen geen hoge motiveringseisen. In dat verband heeft uw Raad onder meer bepaald dat de rechter bij zijn oordeel niet expliciet hoeft in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd. Achtergrond van deze afgezwakte motiveringseis is dat in verdelingsgeschillen nu eenmaal een knoop moet worden doorgehakt, terwijl dikwijls voor verschillende wijzen van verdeling wel iets te zeggen valt. Tegen die achtergrond hebben cassatieklachten van de strekking dat een andere verdeling evenzeer of zelfs beter verdedigbaar was geweest, geen kans van slagen. Alleen als werkelijk onnavolgbaar is hoe de rechter de in het geding zijnde belangen heeft gewogen, kan een motiveringsklacht slagen.

De rechter die een gemeenschap verdeelt, zal over het algemeen kunnen volstaan met aan te geven welke belangen hij heeft meegewogen bij zijn verdeling en wat het resultaat daarvan was. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:185 BW volgt dat het feit dat met de belangen van partijen rekening moet worden gehouden, impliceert dat de boedelrechter let op de omstandigheid dat een goed een bijzondere waarde voor een deelgenoot heeft voor zover die omstandigheid hem bekend is.

Tegen de achtergrond van het voorgaande bespreek ik de klachten van het onderdeel.

Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof met het oordeel in – met name – rechtsoverweging 41 dat [a-straat 1a] aan een derde moet worden verkocht tegen een zo hoog mogelijke prijs en waar het hof nalaat uitdrukkelijk te beslissen met betrekking tot [a-straat 1] en bijbehorende bedrijfsopstallen en cultuurgronden, het grievenstelsel en art. 24 Rv miskent, buiten het debat van partijen treedt en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing geeft. De rechtbank heeft in het dictum van het eindvonnis [a-straat 1a] voor € 400.000 toegewezen aan [zoon 2] en [a-straat 1] voor € 450.000 aan [zoon 3] . In hoger beroep hebben [zoons 2 en 3] en de curator hiertegen geen grief gericht. Wel hebben [zoons 2 en 3] in het hoger beroep samen opgetrokken, zodat zij in het petitum hebben verzocht [a-straat 1] en [a-straat 1a] aan hen gezamenlijk toe te delen, maar daarmee is niet beoogd materieel wijziging te brengen in de toedeling in eerste aanleg. De curator heeft alleen een incidentele grief geformuleerd ten aanzien van de waarde waaronder de toedeling plaatsvindt. Aldus is onjuist (gelet op art. 24 Rv en het grievenstelsel) en onbegrijpelijk dat partijen niet tot overeenstemming hebben kunnen komen met betrekking tot de toedeling van [a-straat 1a] . Die toedeling is in hoger beroep niet in geschil, maar alleen de waarde waartegen de toedeling moet gebeuren.

De klachten falen. De rechtbank heeft [a-straat 1a] voor € 400.000 toegewezen aan [zoon 2] en [a-straat 1] voor € 450.000 aan [zoon 3] . In hoger beroep hebben [zoons 2 en 3] onder VIII en X gevorderd dat [a-straat 1] en [a-straat 1a] worden toegedeeld en geleverd aan [zoon 2] en [zoon 3] . Het hof heeft hieruit kennelijk afgeleid dat [zoons 2 en 3] ook de toedeling van [a-straat 1] en [a-straat 1a] in hoger beroep ter discussie wilden stellen. Deze uitleg van de gedingstukken, die is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat [zoons 2 en 3] in hoger beroep samen hebben opgetrokken, maakt dit niet anders. Die omstandigheid laat immers onverlet dat [zoons 2 en 3] ook had kunnen vorderen dat [a-straat 1] blijft toegedeeld aan [zoon 3] en dat [a-straat 1a] blijft toegedeeld aan [zoon 2] . Gelet op het voorgaande kon het hof redelijkerwijs ervan uitgaan dat (ook) de toedeling van [a-straat 1a] in hoger beroep in geschil was.

Subonderdeel II.2 klaagt dat het hof miskent dat de rechter die de verdeling vaststelt of gelast weliswaar een grote mate van vrijheid heeft bij de vaststelling van een verdeling, maar dat die vrijheid niet zover gaat dat daarbij buiten het grievenstelsel en het debat van partijen mag worden getreden, en dat die vrijheid evenmin inhoudt dat de rechter een ontoelaatbare verrassingsbeslissing mag geven. In ieder geval had het hof gelet op art. 6 EVRM en art. 19 Rv partijen (eerst) in de gelegenheid moeten stellen om zich uit te laten over het voornemen om te bepalen dat [a-straat 1a] moet worden verkocht.

Voor zover de klachten inhouden dat het hof het grievenstelsel heeft miskend of buiten het debat van partijen is getreden, falen zij om de hierboven (in ‎3.48) genoemde redenen.

Juist is dat partijen ook in een procedure betreffende verdeling op de voet van art. 3:185 lid 1 BW over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing, voldoende moeten zijn gehoord en niet mogen worden verrast met een beslissing van de rechter waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden. Zoals hiervoor ‎3.43 e.v. opgemerkt, moeten partijen echter op voorhand rekening ermee houden dat de rechter naar eigen inzicht verdeelt, zodat zij niet snel verrast kunnen zijn door het enkele feit dat de rechter een andere verdeling vaststelt dan door een van hen is voorgesteld. In dit geval heeft het hof geoordeeld dat [a-straat 1a] voor een zo hoog mogelijke verkoopprijs moet worden verkocht. In art. 3:185 lid 2 onder c BW wordt uitdrukkelijk als wijze van verdeling genoemd de verdeling van de netto-opbrengst van een goed of een gedeelte daarvan, nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn verkocht. Bij die stand van zaken kan mijns inziens niet worden gezegd dat sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.

Daar komt nog bij dat tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 23 april 2021 wel degelijk is gesproken over de mogelijkheid van een verkoop van [a-straat 1a] . In antwoord op de vraag van de rechtbank waarom [a-straat 1a] niet wordt verkocht, heeft de advocaat van [zoons 2 en 3] slechts opgemerkt dat dit te maken heeft met een probleem met de vergunning. In het bijzonder valt in het proces-verbaal niet te lezen dat [zoons 2 en 3] andere bezwaren had tegen de verkoop van [a-straat 1a] .

Subonderdeel II.3 klaagt dat het oordeel in rechtsoverweging 41 – in het bijzonder dat het hof het in het kader van de verdeling van de nalatenschap redelijk en billijk acht dat [a-straat 1a] te [plaats] aan een derde wordt verkocht en dat op deze wijze een zo hoog mogelijke opbrengst wordt gegenereerd – onbegrijpelijk is. Het is weliswaar aan de rechter om de wijze van verdeling te gelasten, en de rechter mag bij een geschil over de verdeling van een gemeenschap de geschillen zo beslechten als hem verantwoord voorkomt, maar de rechter moet daarbij wel rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. Het belang van de curator is om een zo hoog mogelijke opbrengst voor de boedel te realiseren. [zoon 3] en [zoon 2] hebben aangevoerd dat en waarom zij belang hebben bij toedeling van de woning aan [a-straat 1a] (onder meer dat [zoon 3] daar zijn kantoor had gevestigd) en de woning, bedrijfsgebouwen en cultuurgronden aan en nabij [a-straat 1] , en de curator heeft dit niet bestreden. Het hof heeft met zijn oordeel dat het de verkoop ‘redelijk en billijk’ acht, miskend dat het bij zijn beoordeling de belangen van [zoon 3] bij behoud van [a-straat 1a] moest betrekken, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Subonderdeel II.4 voegt daaraan toe dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom verkoop aan een derde billijker zou zijn dan toedeling aan [zoons 2 en 3]

Ik verwijs naar wat ik hierboven (in ‎3.44-‎3.45) heb opgemerkt over de motiveringseisen bij verdeling op grond van art. 3:185 lid 1 BW, en in het bijzonder naar het uitgangspunt dat vernietiging wegens een motiveringsgebrek alleen mogelijk is als werkelijk onnavolgbaar is hoe het hof de in het geding zijnde belangen heeft gewogen. Het oordeel van het hof in deze zaak is naar mijn mening bepaald niet onnavolgbaar.

Bij conclusie van antwoord hebben [zoons 2 en 3] het volgende aangevoerd:

‘24. (…) [zoon 3] en [zoon 2] hebben belang bij toedeling van het woonhuis aan de [a-straat 1a] en de woning, bedrijfsgebouwen, woning en daarbij behorende landerijen aan en nabij de [a-straat 1] te [plaats] uit de ontbonden maatschap.

25. Zowel [zoon 3] als [zoon 2] benutten de (bedrijfs)gebouwen aan de [a-straat 1] ten behoeve van onder meer de exploitatie van het loonbedrijf [zoon 3] . [zoon 2] heeft het gebruik van het achterhuis, onderdeel van de (bedrijfs)gebouwen aan de [a-straat 1] .

[zoon 3] en [zoon 2] hebben vanaf in ieder geval 1986, ter zake van het gebruik, onderhoud aan de gebouwen verricht, zoals schilderwerk, laswerk en machineonderhoud alsmede werkzaamheden op het land ten behoeve van de grasbouw, slootonderhoud, repareren afrasteringen en overige onderhoudswerkzaamheden, en voorts door [zoon 2] renovatiewerk aan het achterhuis teneinde het achterhuis bewoonbaar te maken, dit alles voor hun eigen rekening. Er is derhalve sprake van een huurovereenkomst.

[zoon 3] en [zoon 2] wensen voorts, voor zover mogelijk, het familiebedrijf in stand te houden.’

Tijdens de mondelinge behandeling van 23 april 2021 bij de rechtbank heeft [zoon 3] verduidelijkt dat hij niet op [a-straat 1a] woont, maar dat hij daar zijn kantoor heeft. In aanvulling daarop heeft de advocaat van [zoons 2 en 3] opgemerkt:

‘10. Er zijn twee bedrijfswoningen, namelijk [a-straat 1] en [a-straat 1a] . We willen de financiering koppelen aan [a-straat 1a] , die staat op dit moment leeg. Ik hoor de rechtbank vragen waarom [a-straat 1a] niet wordt verkocht. Dat heeft te maken met een probleem met de vergunning. Er is in het bestemmingsplan ruimte op het terrein voor twee bedrijfswoningen. Dat zijn momenteel het voorhuis en het achterhuis bij [a-straat 1a] , die namelijk door twee families worden bewoon. En niet [a-straat 1] .

11. Ik hoor de rechtbank opmerken dat een oplossing zou zijn om alle onroerende goederen over te dragen aan de curator, die betaalt vervolgens de vorderingen van [zoon 1] . Maar dan zijn ze alles kwijt. Als het op die manier gaat, gaat het de curator heel veel geld kosten, want de opbrengst bij executoriale verkoop zal lager zijn dan de getaxeerde waarde.

12. De curator kan het onroerend goed niet leeg verkopen. De waarde in bewoonde staat is niet getaxeerd. De vriendin van [zoon 1] heeft daar haar bedrijf.

13. Alles toedelen aan [zoon 1] kan niet.

14. Bij verkoop door de curator kunnen wij het aanbod doen om een deel te kopen.’

Ik merk op dat het hier alleen gaat om [a-straat 1a] , zodat eventuele stellingen ten aanzien van [a-straat 1] reeds daarom niet van belang zijn. Uit het voorgaande volgt dat er niemand woont in [a-straat 1a] , maar dat [zoon 3] daar kantoor houdt. Uit de stellingen van [zoons 2 en 3] volgt niet wat dit precies inhoudt en in hoeverre het problematisch zou zijn voor [zoon 3] om elders kantoor te houden. Bovendien heeft de advocaat van [zoons 2 en 3] slechts opgemerkt dat [a-straat 1a] niet wordt verkocht, omdat er problemen zijn met de vergunning. Zij heeft niet opgemerkt dat een verkoop (ook) problematisch zou zijn, omdat [zoon 3] daar dan geen kantoor meer zou kunnen houden. Bij die stand van zaken acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof het belang van [zoon 3] bij het behouden van [a-straat 1a] minder zwaar heeft laten wegen dan het belang van de curator (en de nalatenschap) bij een zo hoog mogelijke opbrengst van [a-straat 1a] . Een nadere motivering acht ik niet nodig, en in het bijzonder was het hof niet gehouden om toe te lichten dat en waarom niet is gekozen voor een eventuele andere wijze van verdeling (zoals het toedelen van [a-straat 1a] aan [zoon 3] ) .

Daar komt nog bij dat [zoons 2 en 3] kennelijk ervan uitgaan dat [zoon 3] op grond van een huurovereenkomst gebruikmaakt van [a-straat 1a] . Zo heeft [zoon 3] tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2020 in eerste aanleg opgemerkt dat sprake is van een huurovereenkomst en dat [zoon 3] huur betaalt in natura. Als komt vast te staan dat sprake is van een huurovereenkomst, dan is niet uitgesloten dat [zoon 3] zijn recht ook aan een opvolgend eigenaar van [a-straat 1a] zal kunnen tegenwerpen (art. 7:226 BW). Dat is dan een extra reden waarom niet onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat [a-straat 1a] moet worden verkocht tegen een zo hoog mogelijke prijs.

Subonderdeel II.4 klaagt dat het oordeel in de genoemde rechtsoverwegingen onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft in rechtsoverwegingen 42, 43 en 45, en in het dictum verzuimd om te oordelen over de vorderingen VIII, IX, X, XI, XII van [zoons 2 en 3] Het hof heeft niet gemotiveerd waarom het is afgeweken van deze expliciete vorderingen van [zoons 2 en 3]

De vorderingen van [zoons 2 en 3] betreffen in wezen (onderdelen van) de door [zoons 2 en 3] voorgestelde verdeling van de nalatenschap. Uit vaste rechtspraak van uw Raad volgt dat de rechter niet is gebonden aan wat partijen als wijze van verdeling voorstellen en dat de rechter ook niet uitdrukkelijk hoeft in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd (zie ‎3.44). De klacht stuit daarop af.

Het subonderdeel klaagt verder dat het hof in rechtsoverweging 42 alleen [a-straat 1a] meeneemt bij de opsomming van de activa, maar geen oordeel geeft ten aanzien van [a-straat 1] en de bijbehorende bedrijfsopstallen en cultuurgronden. Dit is in strijd met art. 23 Rv. Voor zover het hof heeft beoogd ook een oordeel te geven over [a-straat 1] en de bijbehorende bedrijfsopstallen en cultuurgronden, is dit oordeel – gelet op het expliciete oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.1.5 van het eindvonnis, waarin dit aan [zoon 3] wordt toebedeeld – onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, omdat het hof niet motiveert dat en waarom het van het oordeel van de rechtbank afwijkt.

De klachten falen om de hiervoor ‎3.59 genoemde redenen. Daar komt nog bij dat [a-straat 1] naar het kennelijke oordeel van het hof – en overigens ook volgens [zoons 2 en 3] zelf, zie de vordering IX in hoger beroep – behoort tot de faillissementsboedel en niet tot de nalatenschap. Vergelijk het bestreden arrest, onder 10, waar het hof overweegt dat de rechter alleen kan verdelen wat tot de nalatenschap behoort.

Subonderdeel II.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat het aan het belang van de curator bij het realiseren van een zo hoog mogelijke opbrengst voor de boedel ook tegemoet had kunnen komen door naar aanleiding van de incidentele grief 3 in een tussenarrest een nadere taxatie te bevelen, dan wel inhoudelijk te beslissen op de bezwaren die [zoons 2 en 3] tegen de door de curator overgelegde taxatie hebben ingebracht. Daarnaast miskent het hof dat [zoons 2 en 3] in het kader van een minnelijke regeling hebben geprobeerd [a-straat 1] en [a-straat 1a] te kopen, maar dat dit steeds is afgestuit op het feit dat de percelen thans onverzekerd zijn en de bank pas wil financieren als zij verzekerd zijn. De verzekering kon niet worden gerealiseerd om een reden die bij de curator ligt. Ook om die reden is het niet redelijk en billijk dat het hof kennelijk uitsluitend oog heeft voor het belang van de curator om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren, en niet voor het belang van [zoon 3] om in zijn woning te blijven wonen.

Ook hier is weer uitsluitend van belang wat partijen hebben aangevoerd over [a-straat 1a] , nu de verdeling van [a-straat 1] niet aan de orde is. De klachten falen om de hierboven genoemde redenen (hiervoor ‎3.54 e.v.): dat een andere verdeling ook mogelijk of misschien zelfs meer voor de hand liggend zou zijn geweest, maakt het oordeel van het hof op zichzelf nog niet onbegrijpelijk. Op de in de procesinleiding aangeduide vindplaatsen lees ik overigens niet – althans niet voldoende duidelijk – een betoog van de strekking dat de curator eraan in de weg heeft gestaan dat het elektrische systeem zou worden gerenoveerd om het pand verzekerbaar, en daarmee voor [zoons 2 en 3] (mogelijk) financierbaar te maken.

Subonderdeel II.6 klaagt dat het hof in rechtsoverweging 37 ten onrechte overweegt dat [zoons 2 en 3] zich refereren aan het oordeel van het hof ter zake van de waarde van [a-straat 1a] . [zoons 2 en 3] hebben inhoudelijk en gemotiveerd het taxatierapport van de curator betwist en de curator heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof.

Aan het subonderdeel kan worden toegegeven dat in het bestreden arrest ten onrechte staat vermeld dat [zoons 2 en 3] zich ten aanzien van de waarde van [a-straat 1a] refereren aan het oordeel van het hof. Deze verschrijving laat echter onverlet dat het hof wel degelijk onder ogen heeft gezien dat [zoons 2 en 3] de door de curator overgelegde taxatie hebben bestreden, zoals het hof in rechtsoverweging 38 uitdrukkelijk aangeeft. [zoons 2 en 3] hebben daarom geen belang bij deze klacht.

Subonderdeel II.7 bevat een klacht voor het geval dat het hof in rechtsoverweging 34 vaststelt dat de waarde van [a-straat 1a] te [plaats] per peildatum 1 januari 2021 € 950.000 bedraagt.

Deze klacht faalt, omdat het hof in deze rechtsoverweging slechts weergeeft wat de curator heeft gesteld en wat uit het door hem in het geding gebrachte taxatierapport volgt.

Onderdeel IV richt zich tegen rechtsoverwegingen 41-46 en het dictum.

Subonderdeel IV.1 bevat louter een voortbouwklacht. In het bijzonder brengt het slagen van onderdeel I volgens dit subonderdeel mee dat de nalatenschap veel meer omvat dan het hof in rechtsoverweging 42 vaststelt en dat alsnog moet worden vastgesteld wat het maatschapsaandeel van moeder was en wat daaromtrent door [zoon 1] moet worden afgerekend.

Deze klacht slaagt in het verlengde van het voorgaande.

Subonderdeel IV.2 klaagt dat rechtsoverwegingen 42-45 en het dictum onbegrijpelijk zijn omdat in rechtsoverweging 45 wordt overwogen dat partijen zullen worden om gelast over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflaatster met inachtneming van hetgeen het hof in rechtsoverwegingen 1-49 heeft overwogen, terwijl in het dictum wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 4-45. Het dictum sluit dus niet aan op de rechtsoverweging 45 en in die rechtsoverweging worden ook rechtsoverwegingen genoemd die in het arrest niet voorkomen. Los daarvan is het dictum zonder nadere toelichting onduidelijk, omdat bijvoorbeeld rechtsoverwegingen 4-5 gaan over de feiten en rechtsoverwegingen 12-14 over de ontvankelijkheid van de vorderingen ten aanzien van de zussen. Het dictum is daarmee te vaag.

De klachten behoeven geen behandeling in verband met de slagende klachten van de onderdelen I en III. Overigens lijkt het mij dat er niet werkelijk discussie kan bestaan over hoe rechtsoverwegingen 42-45 en het dictum moeten worden begrepen.

Subonderdeel IV.3 klaagt dat het hof de grieven V en VI in het principaal hoger beroep onbesproken laat, maar wel in rechtsoverwegingen 42-45 en het dictum een oordeel geeft over de bestanddelen die in grief V aan de orde worden gesteld. Het oordeel van het hof is daarom onbegrijpelijk. Het slagen van onderdeel I maakt ook dat na vernietiging en verwijzing naast op grief I ook andermaal op grief V zal moeten worden beslist.

Uit het voorgaande volgt dat onderdeel I slaagt en dat opnieuw moet worden beoordeeld hoeveel de waarde van het ‘maatschapsaandeel’ van moeder bedraagt en hoe dit doorwerkt in de verdeling van de nalatenschap. Waar relevant kan het hof bij de beoordeling na cassatie en verwijzing de stellingen uit grief V betrekken.

Het bestreden arrest kan niet in stand blijven. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat uw Raad, als hij aanleiding ziet het bestreden arrest wat betreft de vordering van de nalatenschap op [zoon 1] in verband met de overeenkomst van einde maatschap te vernietigen, de zaak niet zou moeten verwijzen, maar dat uw Raad in plaats daarvan vanwege het ontbreken van feitelijke aanknopingspunten om de financiële situatie van de maatschap te kunnen bepalen, het vonnis van de rechtbank zou moeten bekrachtigen. Ik deel deze opvatting niet, omdat [zoons 2 en 3] het nodige heeft gesteld ten aanzien van (de waarde van) de activa van de maatschap in 2012 en niet uitgesloten is dat daarin nog aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de vaststelling of schatting van de vordering van de nalatenschap op [zoon 1] . Dit vergt een nader onderzoek naar de feiten, zodat verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof in de rede ligt. Intussen zou het mogelijke gebrek aan aanknopingspunten en onzekerheid over hoe het hof na verwijzing daarmee zal omgaan, voor partijen reden kunnen zijn om (alsnog) te proberen tot een minnelijke regeling te komen.

4. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

Het incidenteel cassatiemiddel bestaat uit één onderdeel dat zich richt tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 46 over de proceskostenveroordeling. Het hof overwoog:

‘Nu beide partijen over en weer niet in het gelijk worden gesteld acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten in hoger beroep te compenseren.’

Nu klachten van het principale cassatiemiddel slagen en het bestreden arrest niet in stand kan blijven, behoeft het incidenteel cassatiemiddel geen behandeling. Het hof zal na cassatie en verwijzing opnieuw moeten oordelen over de proceskosten, of partijen kunnen in het kader van eventueel overeen te komen minnelijke regeling hierover afspraken maken.

5. Conclusie

De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?