PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04196
Zitting 30 januari 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
verzoeker,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Midden-Nederland,
verweerder,
niet verschenen.
1. Inleiding
Betrokkene (geboren in 1978) verzet zich tegen het verlenen van een zorgmachtiging. Hij betwist dat hij lijdt aan een psychische stoornis. Het middel stelt aan de orde dat geen medisch onderzoek door een onafhankelijke psychiater is verricht omdat de psychiater in kwestie zich baseert op informatie verstrekt door de instelling. Daarom heeft betrokkene niet willen meewerken aan het medisch onderzoek. Het middel klaagt ook, althans zo begrijp ik het middel, dat de medische verklaring niet is opgesteld na een onderzoek in aanwezigheid van betrokkene en daarom niet ten grondslag kon liggen aan de verleende zorgmachtiging.
Ik meen dat het beroep geen doel treft.
2. Feiten en procesverloop
Bij verzoekschrift van 9 juli 2025 heeft de officier van justitie bij de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verzocht voor de duur van zes maanden voor nagenoeg alle in art. 3:2 lid 2 Wvggz opgenomen vormen van verplichte zorg.
Op 25 juli 2025 heeft de advocaat van betrokkene een brief aan de rechtbank gestuurd met in bijlage een (uitvoerig) schrijven van betrokkene. Op dat moment was de mondelinge behandeling kennelijk gepland op maandag 28 juli 2025. Uit de gedingstukken blijkt dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025.
Op de zitting zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder van betrokkene (bij wie hij woont), en de casemanager werkzaam bij Altrecht. Ter zitting is door betrokkene, op onderdelen aangevuld door zijn moeder, onder meer naar voren gebracht dat hij diverse ernstige somatische klachten heeft, dat hij veel pijn lijdt maar geen psychische stoornis heeft. Betrokkene betwistte onnodig beslag te leggen op het zorgsysteem.
In antwoord op een vraag van de rechtbank heeft de casemanager de noodzaak van een zorgmachtiging als volgt toegelicht:
“Bij betrokkene is sprake van hoge lijdensdruk, pijn, vastlopen in het leven, het moeten drinken [van alcoholische dranken; A-G] om het te kunnen verdragen. In de reguliere zorg is de oplossing niet gevonden. Doel is om onderzoek te doen. Een korte opname is nodig om van de alcohol af te komen. Daarna diagnostiek, om uit te sluiten dat er mentaal iets aan de hand is. De psychiater kwam hier niet binnen.”
Op (de persoon van) de casemanager werd ter zitting door betrokkene en vooral door diens moeder sterke kritiek geuit. Hij zou geen dokter zijn en hij zou de rechter voorliegen.
Ter zitting is ook aan de orde geweest of de onafhankelijk psychiater, die op 2 juli 2025 een medische verklaring als bedoeld in art. 5:8 lid 1 Wvggz heeft opgesteld, onafhankelijk was van Altrecht en met name van de genoemde casemanager. Ik citeer uit het gedetailleerde proces-verbaal:
“Rechter: […] Heeft de advocaat vragen?
Advocaat: ja, over de medische verklaring. Die is opgesteld op basis van informatie van de huisarts en van de casemanager […] . Dat is dan niet onafhankelijk zeg ik. Betrokkene heeft wantrouwen ten opzichte van [de casemanager]. Waarom is toen niet gezegd dat men gewoon in gesprek wilde met betrokkene over zijn klachten? Betrokkene is het vertrouwen in [de casemanager] kwijt. Dat ging over het bezoek van de huisarts aan betrokkene. Ten aanzien van de medische verklaring herhaal ik: die is alleen gebaseerd op wat de huisarts en [de casemanager] zeggen.
Rechter: dat is een gevolg van het feit dat betrokkene de psychiater niet binnenliet.
Advocaat: op 27 juni een aangekondigd bezoek van de psychiater? Betrokkene zegt dat dat niet is aangekondigd. Niet opendoen? Dat gaat er niet in!
[Case manager]: één keer is een bezoek aangekondigd. Daarna een paar keer aangebeld. Moeder ving ons op. We kwamen niet binnen. Toen aantal voorstellen gedaan voor data. Is niet gelukt. Ik had drie data opgestuurd in een brief. Dat ging om het bezoek van de onafhankelijk psychiater. Betrokkene is ook uitgenodigd om bij de onafhankelijk psychiater te komen. En de onafhankelijk psychiater heeft één keer gebeld.
Moeder (huilend): waarom? Dit is zo erg, deze veroordeling!
Betrokkene: ik word uiteindelijk wel berecht! Verplichte zorg is heel ernstig.
Rechter: de onafhankelijk psychiater heeft pogingen gedaan om betrokkene te onderzoeken. Dat is niet gelukt. Er kwam informatie van de huisarts en de casemanager. Dat is normaal.
Advocaat: dat snap ik, maar Altrecht begeleidde de onafhankelijk psychiater. Dat is niet gebruikelijk. De casemanager beïnvloedt die psychiater dan. Dat steekt betrokkene. Zijn wantrouwen is groot. Conclusie: primair afwijzen want de diagnose staat niet vast. Betrokkene is niet gezien door een onafhankelijk psychiater. En, [case manager] is hier al geweest. Dan is de onafhankelijk psychiater niet meer onafhankelijk. Ik zet vraagtekens bij de gestelde diagnose. Daarom concludeer ik tot afwijzing van het verzoek.”
De advocaat heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat hij zich niet verzet tegen de verplichte zorgvorm ‘toedienen medicatie’. Op een vraag van de rechtbank heeft de casemanager verklaard dat de zorgvorm ‘toedienen van vocht en voeding’ niet nodig is.
In haar beschikking van 18 augustus 2025 overweegt de rechtbank, voor zover in cassatie relevant, het volgende:
“3.2 De advocaat heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hiertoe heeft de advocaat in de eerste plaats aangevoerd dat betrokkene niet is gezien door een onafhankelijk psychiater. Betrokkene zegt dat het bezoek van de psychiater niet is aangekondigd. Verder is betrokkene van mening dat die psychiater niet onafhankelijk is, omdat de medische verklaring is opgesteld enkel op basis van informatie afkomstig van de huisarts van betrokkene en van de casemanager. Die casemanager […] is niet onafhankelijk, aldus betrokkene.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de medische verklaring van 2 juli 2025 en de toelichting tijdens de zitting blijkt dat de onafhankelijk psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om betrokkene te onderzoeken. Een bezoek aan betrokkene is aangekondigd, gepoogd is telefonisch contact met betrokkene te leggen en betrokkene is uitgenodigd bij de psychiater om zich in persoon te laten onderzoeken. Alles zonder resultaat. Dat de psychiater de huisarts van betrokkene, het dossier en het gebiedsteam van Altrecht raadpleegt, is gebruikelijk. Dit betekent niet dat de psychiater niet onafhankelijk is.
Betrokkene betwist dat sprake is van een psychische stoornis. Hij ontkent dat hij een waanstoornis of een psychotische stoornis heeft. Hij zegt dat hij geen andere middelen dan alcohol gebruikt, maar van een alcoholverslaving is geen sprake. De rechtbank oordeelt daar anders over. De onafhankelijk psychiater is na onderzoek van betrokkene gekomen tot de volgende voorlopige diagnose: 'ALK (Aanhoudend tot Lichamelijke Klachten met dus geen lichamelijk gevonden oorzaak), waanstoornis/psychotische en stoornis in gebruik van alcohol'. De rechtbank baseert zich hierbij op de medische verklaring van 2 juli 2025. De rechtbank heeft geen aanleiding aan het oordeel van de psychiater te twijfelen.”
Over de vormen van verplichte zorg die kunnen worden toegepast overweegt de rechtbank:
“3.7 De advocaat heeft subsidiair geconcludeerd tot afwijzing van alle verzochte vormen van verplichte zorg met uitzondering van het ‘toedienen van medicatie’. De rechtbank is het eens met de advocaat dat de verplichte zorgvormen ‘toedienen van vocht en voeding’, ‘insluiten’ en ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene’ niet nodig zijn. Deze worden daarom afgewezen. Toepassing van de overige zorgvormen kan nodig zijn tijdens de beoogde opname van betrokkene of ten behoeve van behandeling in ambulante vorm.”
De overige verzochte vormen van verplichte zorg, die staan opgesomd in rov. 3.6 van de bestreden beschikking, kunnen worden toegepast tot en met uiterlijk 18 februari 2026.
Op 19 november 2025 heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het eerste middelonderdeel keert zich tegen rov. 3.2 van de bestreden beschikking. Geklaagd wordt dat de psychiater die op 2 juli 2025 een medische verklaring heeft opgesteld niet onafhankelijk is van de Wvggz-instelling Altrecht en in het bijzonder van de reeds genoemde casemanager. Volgens het middel had de rechtbank uit de gang van zaken rond de poging betrokkene te onderzoeken, zoals besproken ter zitting (zie hiervoor, 2.6), moeten afleiden dat bij betrokkene de indruk is ontstaan dat de onafhankelijk psychiater niet onafhankelijk opereerde in het aankondigen van zijn bezoek. De rechter had daarop acht behoren te slaan bij de beoordeling van wat betrokkene aangeeft met zijn opmerking “Ik word uiteindelijk wel berecht! Verplichte zorg is heel ernstig.”
Nu klacht en toelichting verwijzen naar het verhandelde ter zitting meen ik de klacht zo te moeten lezen dat die ertoe strekt dat de medische verklaring niet is gegeven door een onafhankelijk psychiater, omdat de psychiater in kwestie zijn medisch oordeel heeft gebaseerd op informatie die zich bevindt in het dossier dat Altrecht had opgesteld en die afkomstig is van de huisarts van betrokkene, van het zorgplan van de zorgverantwoordelijke en van de casemanager, in wie betrokkene geen vertrouwen heeft. Ik merk het volgende op.
Nu een casemanager of een behandelend psychiater niet voldoet aan de in de wet opgenomen vereisten ten aanzien van de onafhankelijkheid voor het opstellen van de medische verklaring, dient een andere psychiater daarmee te worden belast. Anders dan het middel ingang wil doen vinden, wordt de onafhankelijkheid van deze andere psychiater niet aangetast door het feit dat hij of zij ter voorbereiding van het medisch onderzoek informatie heeft gekregen afkomstig van een of meer van de behandelaars. Als de betrokkene in een bepaalde behandelaar minder vertrouwen heeft, is dat geen reden waarom de onafhankelijk psychiater die door de instelling is verzocht een medische verklaring op te stellen niet zou voldoen aan de in art. 5:7 Wvggz vermelde vereisten van onafhankelijkheid. Betrokkene heeft niet gewezen op met de persoon van de onafhankelijk psychiater verband houdende redenen die erop zouden wijzen dat deze arts niet zou voldoen aan de in de wet opgenomen vereisten van onafhankelijkheid.
Voor het geval het onderdeel tevens betoogt dat de onafhankelijk psychiater betrokkene niet in persoon heeft onderzocht en dit alsnog moest gebeuren, faalt het.
De Hoge Raad heeft over de eis van een persoonlijk onderzoek het volgende geoordeeld (onderstreping door mij toegevoegd):
“De psychiater dient het in de Wvggz voor de diverse vormen van verplichte zorg voorgeschreven medische onderzoek in beginsel aldus te verrichten dat hij de betrokkene in een direct contact, dat wil zeggen: in diens fysieke aanwezigheid, spreekt en observeert. Dit is slechts anders indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een weigering van de betrokkene om aan een onderzoek mee te werken, maar ook andere omstandigheden kunnen meebrengen dat onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene niet of slechts beperkt mogelijk is. In die gevallen zal, met het oog op de beoogde maatregel, steeds op de best mogelijke manier moeten worden getracht inzicht te verkrijgen in de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene en de noodzaak tot het treffen van de beoogde maatregel.”
Wanneer de betrokkene niet meewerkt aan het medisch onderzoek moet de psychiater in de medische verklaring deugdelijk motiveren waarom de betrokkene niet in diens fysieke aanwezigheid kon worden onderzocht. De psychiater dient in zijn medische verklaring dus te verantwoorden waarom onderzoek in fysieke aanwezigheid van de betrokkene redelijkerwijs niet mogelijk of niet verantwoord was. De rechtbank zal vervolgens moeten beoordelen of de verzochte machtiging op grond van de medische verklaring, ondanks de aan de verklaring klevende beperking, kan worden verleend.
In dit geval heeft betrokkene geweigerd mee te werken aan onderzoeken en gesprekken, waaronder het onderzoek met het oog op de medische verklaring.
- Het zorgplan van 20 juni 2025, tweede bladzijde, onderaan:
“We hebben meerdere pogingen gedaan om in contact te treden, door huisbezoeken en/of telefonische contacten. Helaas kwamen we niet bij de patiënt thuis binnen of met hem in contact. Of we werden actief (scheldend) door moeder weggestuurd.”
- De medische verklaring van 2 juli 2025, onder 4.a en 4b:
“Datum en tijdstip van het onderzoek betrokkene:
Op 27-6 is een bij betrokkene aangekondigd huisbezoek gepoogd. Zowel aanbellen bij de bel in de portiek als kloppen op de uiteindelijke voordeur gaven geen gehoor. Een poging terstond voor telefonisch contact leverde niets op: na herhaald overgaan ging de telefoon over op voicemail. Van casemanager begreep ik dat in het kader van de lopende bemoeizorgprocedure al meerdere voicemails waren ingesproken, met nul op het rekest. Op 2 juli is betrokkene welkom geweest om zijn zijde van de situatie toe te lichten, hiertoe is hij per post uitgenodigd, echter niet verschenen.
Moeder speelt in dit alles een katalyserende rol. Zij moedigt hem aan om niet de deur open te doen voor hulpverlening. Zo is gebiedsteam Oost-Noordoost eens spontaan op bezoek gegaan; zij troffen moeder buiten wandelend aan. Moeder stond telefonisch in contact met zoon, die binnen was, waarbij zij hulpverlening weg heeft gebonjourd en telefonisch aangaf aan betrokkene om de deur niet open te doen.”
Betrokkene heeft niet gesteld dat hij voor het medisch onderzoek op 2 juli 2025 niet naar behoren was uitgenodigd. Hij heeft geen andere reden genoemd om niet te komen dan zijn standpunt dat de betrokken psychiater niet onafhankelijk was. Ter zitting heeft hij bevestigd dat hij weigerde zich door de psychiater te laten onderzoeken omdat die zou zijn beïnvloed door Altrecht en met name door de casemanager (zie hiervoor, 2.6).
In rov. 3.2 heeft de rechtbank hierover als volgt geoordeeld: “De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de medische verklaring van 2 juli 2025 en de toelichting tijdens de zitting blijkt dat de onafhankelijk psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om betrokkene te onderzoeken.” De rechtbank heeft hiermee de juiste maatstaf aangelegd en haar oordeel voldoende gemotiveerd.
Ten overvloede wijs ik nog op het volgende. Gelet op de principiële opstelling van betrokkene kon aannemelijk worden geacht dat hij na een tweede of derde uitnodiging voor een medisch onderzoek ook niet zou zijn komen opdagen. Van de kant van betrokkene is noch bij de rechtbank noch in de procesinleiding iets gesteld dat erop kan wijzen dat dit anders zou zijn. Nu betrokkene er zelf van overtuigd is dat hij geen psychische stoornis heeft en in zoverre van mening verschilt met de behandelaars bij Altrecht, zou een persoonlijk onderzoek door een onafhankelijk psychiater (en dus een derde) mijns inziens juist een gelegenheid kunnen zijn om steun te krijgen voor zijn visie. Die kans heeft hij bewust voorbij laten gaan.
Het tweede middelonderdeel richt zich tegen rov. 3.3. Daar baseert de rechtbank haar oordeel dat in het geval van betrokkene sprake is van een psychische stoornis op de medische verklaring van 2 juli 2025. Het middel voert aan dat betrokkene van oordeel is dat zijn (ernstige) lichamelijke klachten een of meer fysieke oorzaken hebben.
De klacht faalt. De rechtbank kon afgaan op de beoordeling in de genoemde medische verklaring, ook al was die niet in aanwezigheid van betrokkene opgesteld. Zij kon aan het oordeel van de psychiater groter gewicht toekennen dan aan het standpunt van betrokkene.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G