3. Bespreking van het cassatiemiddel
Het middel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 1 (‘het meerdere’) bevat na een inleiding zonder uitgewerkte klachten twee subonderdelen en is (primair) gericht tegen het oordeel in rov. 5.16: voor een gemeenschappelijke huishouding is meer nodig dan louter financiële wederkerigheid en dat meerdere ontbreekt hier. Onderdeel 2 (‘bewijs’) bestrijdt het oordeel in rov. 5.15 dat Moeder en Zoon geen bewijsaanbod hebben gedaan dat ziet op wederkerigheid in niet-financiële zin. Onderdeel 3 (‘bedoeling’) richt in twee subonderdelen verschillende klachten tegen het oordeel in rov. 5.17-5.20 dat niet kan worden vastgesteld dat Moeder en Zoon de bedoeling hadden om een blijvende en toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en Zoon niet alleen vanwege de verzorging van zijn moeder bij haar is gaan wonen. Het middel eindigt onder Slotsom met een louter voortbouwende klacht.
Art. 7:267 BW en de eis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding
Art. 7:267 BW bevat een regeling waardoor een medebewoner, die met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, als medehuurder kan worden aangemerkt. Deze bepaling beoogt zo’n medebewoner bescherming te bieden voor het geval de huurovereenkomst met de huurder eindigt. Huurder en medebewoner die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen de verhuurder verzoeken dat de medebewoner ook medehuurder zal zijn. Stemt de verhuurder hier niet mee in, dan kunnen huurder en medebewoner gezamenlijk de rechter verzoeken te bepalen dat de medebewoner met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn. Lid 3 geeft een (limitatieve) opsomming van de afwijzingsgronden voor de rechter:
“De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.”
In cassatie is alleen grond a. nog van belang, zodat gronden b. en c. onbesproken kunnen blijven.
De vraag of de samenwoner zijn hoofdverblijf in de woonruimte heeft, is sterk feitelijk van aard. Vanwege de functie van het begrip hoofdverblijf in het huurrecht, is niet doorslaggevend waar iemand formeel woonplaats heeft gekozen en het woonplaatsbegrip van art. 1:10 BW is ook niet maatgevend. Het hoofdverblijf is volgens een al oud, maar nog steeds richtinggevend arrest ‘de plaats, waar iemand werkelijk woont met zijn gezin, waar hij den zetel zijner fortuin heeft, zijne zaken behartigt, zijne goederen en eigendommen beheert, zoodat men er niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en voor een bepaalden tijd, en tevens met het plan om als dat doel bereikt is terug te keeren’. Op deze invulling van het begrip hoofdverblijf wordt in de rechtspraak nog steeds teruggegrepen. In de onderhavige zaak is niet in geschil dat Zoon al ten minste twee jaar zijn hoofdverblijf had in het gehuurde; het gaat om de te onderscheiden verdere elementen (i) gemeenschappelijke huishouding, die (ii) duurzaam moet zijn.
Het enkele feit dat de mede- of samenwoner onder hetzelfde dak met de huurder samenwoont, is niet voldoende voor de bescherming waartoe art. 7:267 lid 1 BW strekt: er moet sprake zijn van een gemeenschappelijke huishouding. Het kan daarbij gaan om een affectieve relatie, maar het is niet vereist dat er ‘lotsverbondenheid’ bestaat tussen de huurder en de samenwoner. Er kan ook sprake zijn van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding tussen familieleden of vrienden, zonder dat sprake is van een affectieve relatie.
Voor de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de samenwoner gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting, de kosten van levensonderhoud en of de samenwoner de verzorging van de huurder duurzaam op zich neemt. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud zijn echter geen voorwaarden voor het bestaan van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding. Naast de mate waarin de samenwoner en de huurder de kosten voor huisvesting en/of levensonderhoud delen, worden in de literatuur nog andere factoren genoemd die kunnen bijdragen tot het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding, zoals het feitelijk gebruik van (onderdelen van) het gehuurde door de samenwoner en de huurder, de mate waarin zij gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, of zij gezamenlijk de maaltijden gebruiken en in hoeverre zij gezamenlijk hun vrije tijd doorbrengen en deelnemen aan het sociaal verkeer.
Degene die een beroep doet op het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, moet de samenwoner voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding om voor de verhuurder duidelijk te maken tegen welke feiten hij zijn verweer precies moet richten. Daarbij geldt dat naarmate de verhuurder concreter is in het betwisten van de door de samenwoner gestelde gemeenschappelijke huishouding, de samenwoner concreter moet zijn in zijn stellingen dat daarvan sprake was.
De verzwaarde stelplicht geldt niet voor het element ‘duurzaamheid’ van de gemeenschappelijke huishouding. Duurzaamheid houdt een verwachting voor de toekomst in. De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van betrokkenen.
Wat betreft de relatie tussen een thuiswonend kind en zijn ouder geldt het uitgangspunt dat de samenleving tussen ouder en kind zoals die bij de geboorte ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet geen duurzame gemeenschappelijke huishouding is (‘kinderen vliegen in beginsel uit’). Dat kan anders zijn als er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden zijn waardoor het samenleven toch als een blijvende gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt. Of dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, is bij uitstek casuïstische materie. Als een kind eerst op zichzelf heeft gewoond (is ‘uitgevlogen’) en daarna weer bij zijn ouders intrekt, kan dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het gevalwaarbij onder meer de bedoeling van de terugkeer van belang is, tot het oordeel leiden dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake is. Als een kind weer bij een ouder is gaan wonen om mantelzorg te verlenen, zoals in onze zaak, kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dat hoeft niet; mantelzorg op zichzelf wordt niet altijd duurzaam geoordeeld en andere omstandigheden blijven daarbij dus van belang. Het ‘zorgkarakter’ kan ook juist in de weg staan bij het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding als sprake is van een gebrek aan wederkerigheid tussen de huurder en medebewoner, in die zin dat de ene bewoner zich laat verzorgen door de andere en zij (verder) geen gemeenschappelijke huishouding voeren.
De rechterlijke beoordeling luistert hier nauw en is genuanceerd. Of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt vaststelling en weging van verschillende feiten en omstandigheden in onderling verband. Dat is in overwegende mate feitelijk van aard, zodat de cassatietoets beperkt is (zo ook s.t. Verhuurder 34).
Onderdeel 1 – het meerdere
Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.5, 5.7 en met name 5.14 en 5.16 en bestaat uit de subonderdelen 1.1 en 1.2.
Subonderdeel 1.1 bestrijdt de conclusie van het hof in rov. 5.16 dat het uitsluitend gezamenlijk bijdragen aan de kosten van de huishouding, terwijl verder elke andere vorm van wederkerigheid ontbreekt, op zichzelf onvoldoende is om van een duurzame gemeenschappelijke huishouding te spreken. Daarvoor is meer nodig en dat meerdere ontbreekt hier volgens het hof. Subonderdeel 1.1 klaagt, zoals uitgewerkt in de subonderdelen 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.4, dat het hof het ‘meerdere’ had moeten vinden in twee vaststellingen uit het vonnis in eerste aanleg. In rov. 4.2 heeft de kantonrechter vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een ‘bijzondere situatie’ waarin Zoon na een tijd in Zuid-Afrika te hebben gewoond naar Nederland is teruggekeerd om bij Moeder te gaan wonen met het doel om voor haar te zorgen. Deze ‘bijzondere situatie’ had het hof tot uitgangspunt moeten nemen als aanwijzing dat tussen Moeder en Zoon een duurzame gemeenschappelijke huishouding is ontstaan. Daarnaast overweegt de kantonrechter in rov. 4.6 dat Zoon de wens had om met zijn moeder samen te zijn. Daarmee heeft de kantonrechter volgens subonderdeel 1.1.2 geconcludeerd dat tussen Moeder en Zoon een affectieve relatie bestaat die, hoewel deze samenwoning vanzelfsprekend niet met de huwelijkse samenwoning overeenstemt, tot het vermoeden leidt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. Deze vaststellingen zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof deze ‘bijzondere situatie’ en het bijbehorende vermoeden tot uitgangspunt had moeten nemen voor zijn beoordeling of sprake was van duurzame gemeenschappelijke huishouding, aldus subonderdeel 1.1.4. Voor zover het hof in rov. 5.5 heeft geoordeeld dat Verhuurder het voornoemde oordeel van de kantonrechter met grieven 3-4 en 5-6 heeft bestreden, is dat oordeel volgens de motiveringsklacht onder 1.1.3 onbegrijpelijk. Verhuurder heeft met grief 2 weliswaar rov. 4.2 van het vonnis bestreden, maar alleen voor wat betreft het oordeel over het hoofdverblijf van Zoon. Verder heeft Verhuurder in de toelichting op grieven 5 en 6 in mvg 57 gesteld dat van bijzondere omstandigheden zoals door de kantonrechter in rov. 4.5 van het vonnis zijn genoemd, geen of onvoldoende sprake is, zonder dat Verhuurder dat heeft uitgewerkt. De aangegeven vaststelling in rov. 4.6 van het vonnis heeft Verhuurder in hoger beroep geheel onbesproken gelaten (zie ook subonderdeel 1.2.2).
De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking; zij kunnen al geen doel treffen bij gebrek aan feitelijke grondslag (in gelijke zin s.t. Verhuurder 14-19).
Ten eerste gaan de klachten uit van een onjuiste lezing van het vonnis. Rov. 4.2 van het vonnis luidt als volgt:
“4.2 In deze zaak is in zoverre sprake van een bijzondere situatie dat [Zoon] de zoon is van [Moeder] en na een tijd in Zuid-Afrika te hebben gewoond naar Nederland is teruggekeerd en bij zijn moeder is gaan wonen met het doel om voor haar te zorgen. [Zoon] was ten tijde van het verzoek om medehuurderschap 59 jaar oud. [Moeder] is ruim 80 jaar oud en lijdt aan de ziekte van Alzheimer. ”
Rov 4.2 lijkt mij geen ‘vaststelling’ te zijn die dient als aanwijzing voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar een inleidende overweging. De kantonrechter heeft daarmee aangegeven dat het hier geen kind betreft dat altijd thuis is blijven wonen, maar dat sprake is van een ‘uitgevlogene’ die is teruggekeerd uit het buitenland om voor zijn dementerende moeder te zorgen. Het is in die zin een bijzondere situatie, omdat deze niet alledaags is, aldus s.t. Verhuurder 15. In rov. 4.3 overweegt de kantonrechter immers dat in het algemeen de samenlevingsrelatie tussen ouders en kinderen als van aflopende aard moet worden aangemerkt, maar dat niet is uitgesloten dat volwassen kinderen die na hun jeugd uit huis zijn gegaan en zelfstandig hebben gewoond, op enig moment weer bij een ouder intrekken en daarmee een gemeenschappelijke huishouding kunnen hebben (onder verwijzing naar HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93 (Ontbreken gemeenschappelijke huishouding)). Zoals in de inleiding besproken is dat dus meestal niet zo, maar is het niet uitgesloten dat dat wel zo is in bijzondere gevallen. Pas in rov. 4.5-4.12 heeft de kantonrechter beoordeeld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen Moeder en Zoon. Daarbij heeft de kantonrechter in rov. 4.6 inderdaad onder meer aandacht gehad voor de wens van Moeder en Zoon om ‘samen te zijn’ – zodat het volgens de kantonrechter hier niet alleen mantelzorg en ondersteuning betrof (rov. 4.6) – en het feit dat Zoon vanuit het buitenland is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen (rov. 4.8). De kantonrechter heeft niet geconcludeerd dat sprake was van een affectieve relatie tussen Moeder en Zoon, zoals subonderdeel 1.1.2 aangeeft (zo ook s.t. Verhuurder 16).
Waarom het hof de in de klacht bedoelde punten tot uitgangspunt had moeten nemen, is niet toegelicht; het hof heeft deze aspecten onder ogen gehad, maar anders afgewogen dan de kantonrechter heeft gedaan. Dat volgt uit rov. 1.1, 3.3, 5.11 en 5.12 waarin de terugkeer van Zoon uit Zuid-Afrika om voor zijn moeder te zorgen aan bod komt. In rov. 5.17-5.21 heeft het hof de intentie van Moeder en Zoon voor de samenwoning onderzocht. Dat het hof hier niet ten voordele van Moeder en Zoon heeft geoordeeld, maakt nog niet dat het bestreden oordeel onjuist of onbegrijpelijk is. Het gaat als besproken om afweging van alle relevante omstandigheden in onderling verband. Dat kan heel goed in het ene geval van een ‘terug invliegend’ mantelzorgend kind wel tot het feitelijke oordeel leiden dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, en in het andere geval – zoals hier – niet, waarbij het gebrek aan wederkerigheid en de intentie voor de samenwoning de doorslag hebben gegeven.
Dat hier sprake zou zijn van onweersproken stellingen, zoals de klacht suggereert, klopt evenmin. Verhuurder richt grieven 3 en 4 ‘geen gemeenschappelijke (financiële) huishouding’ tegen rov. 4.6 en 4.9 (mvg 32-54) en grieven 5 en 6 ‘geen duurzaamheid en wederkerig’ tegen rov. 4.6 en 4.8-4.10 (mvg 55-68). Bij mvg 60 zet Verhuurder uiteen dat de intenties van Zoon met zijn terugkeer erop gericht waren om zijn moeder te verzorgen en niet om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te gaan voeren. Dat hiermee rov. 4.2 niet is bestreden, is in dit verband niet relevant; het is als gezegd een inleidende passage die op zichzelf niet (dwingend) wijst in richting A (geen duurzame gemeenschappelijke huishouding) of B (wel zo’n huishouding). Het gegeven dat Zoon uit het buitenland is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen, is door de kantonrechter in rov. 4.8 in de beoordeling betrokken en daartegen richten zich grieven 5 en 6. De motiveringsklacht strandt hier ook op.
Subonderdeel 1.1 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.2 – wederkerigheid
Subonderdeel 1.2 is gericht tegen rov. 5.14 en 5.16. In de kern is de klacht dat uit rov. 5.14 en 5.16 zou volgen dat Moeder vanaf het tijdstip dat Zoon bij haar introk met niemand – ook niet met een niet-familielid – een duurzame gemeenschappelijke huishouding zou hebben kunnen voeren, omdat zij toen alleen nog zorg kon ontvangen en niet als uiting van wederkerigheid ook zorg kon geven en aldus geen metgezel kon zijn. Dat is volgens de hoofdklacht in strijd met het recht en ontoereikend gemotiveerd, zoals uitgewerkt in de subonderdelen 1.2.1-1.2.3.
Een huurder die verzorgd wordt door een familielid met wie de huurder samenwoont, kan, onder bijzondere omstandigheden, worden geacht met dat familielid een duurzame gemeenschappelijke huishouding te voeren. Ten onrechte heeft het hof volgens subonderdeel 1.2.1 dan ook de eis gesteld dat die verzorging wederkerig moet zijn om een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen vaststellen. Ook kon het hof niet de eis stellen dat een rechtens relevant gebrek aan wederkerigheid erin kan bestaan dat de huurder fysiek niet in staat is de kandidaat-medehuurder wederkerig te verzorgen (zie ook het vonnis in eerste aanleg, rov. 4.8 en de daar genoemde rechtspraak). Om deze reden, en omdat het hof de door de rechtbank geoordeelde bijzondere situatie tot uitgangspunt heeft moeten nemen (subonderdeel 1.1), heeft het hof niet tot zijn bestreden oordeel kunnen komen. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
Deze klachten falen ook bij gebrek aan feitelijke grondslag (aldus ook s.t. Verhuurder 24). Het hof heeft niet geoordeeld of tot uitgangspunt genomen dat de verzorging tussen de samenwonende(n) (familieleden) wederkerig moet zijn. Verhuurder heeft aangevoerd dat van een gemeenschappelijke huishouding geen sprake was, omdat er onvoldoende sprake is van wederkerigheid in de relatie tussen Moeder en Zoon (rov. 5.10) – in het algemeen, dus los van het verzorgingsaspect. Dit kan een aspect zijn waarom geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding (in het kader van het duurzaamheidsaspect als objectieve factor, zoals het hof overweegt in rov. 1.3 en 5.7) en dat heeft het hof ook op deze wijze onderzocht – en niet zoals de klacht stelt beperkt tot het verzorgingsaspect in enge zin. De beoordeling of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding vergt een afweging van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en is in hoge mate feitelijk van aard. Het hof is voor wat betreft het wederkerigheidsaspect tot de conclusie gekomen, zich even beperkend tot de niet-financiële wederkerigheid, dat daarvan vanwege de aannemelijk geworden vergaande hulpbehoevendheid van Moeder bij terugkeer van Zoon al van aanvang van de samenwoning af geen sprake is geweest. Dat heeft het hof in rov. 5.14 concluderend zo verwoord:
‘(…) in deze samenwoning [is] naar het oordeel van het hof geen sprake van (niet financiële) wederkerigheid. Er is geen situatie dat [Moeder] en [Zoon] elkaar helpen en steunen. [Zoon] is de verzorger van [Moeder] en [Moeder] de verzorgde, die gewoon niet zonder die zorg kan. Van enige daadwerkelijke actieve bijdrage aan de samenwoning door [Moeder] blijkt niets. Dat [Moeder] en [Zoon] “in elkaars aanwezigheid” verkeren en “de maaltijden met elkaar” delen maakt dit niet anders. Ook dat [Zoon] [Moeder] “vergezelt” als zij buitenshuis gaat […] brengt geen wederkerigheid in de relatie. [Moeder] kan immers niet anders naar buiten dan met en door de hulp van [Zoon] (zo schrijft [Zoon] in het “Overzicht mantelzorgtaken”). Ook in dit element valt geen wederkerigheid te herkennen. [Zoon] noemt zichzelf daarbij ook “begeleider”. En dat is wat hij is: een begeleider: geen “metgezel.”
Bij die stand van zaken laat het hof in rov. 5.16 concrete beoordeling van de mate van financiële verwevenheid en -wederkerigheid na: veronderstellenderwijs aangenomen dat daarvan sprake is, is dat gelet op het gebrek aan niet financiële wederkerigheid onvoldoende om tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen concluderen hier volgens het hof; daar is meer voor nodig en dat meerdere ontbreekt hier naar het feitelijke hofoordeel.
Daar komt volgens het hof nog bij dat de intentie van partijen voor de samenwoning nooit is geweest een blijvende en op de toekomst gerichte samenwoning (rov. 5.17-5.21) – een subjectieve factor die van belang kan zijn in de duurzaamheidstoets van de gemeenschappelijke huishouding (waar het hof in rov. 5.6 aan refereert).
Om deze redenen is het hof tot de slotsom gekomen dat in dit geval geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (rov. 5.22).
Tegen deze achtergrond falen de klachten. Dat het hof ervan zou zijn uitgegaan dat een zorgbehoevende met niemand (ook niet met een niet-familielid) een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan voeren, omdat een zorgbehoevende geen metgezel kan zijn, zodat er geen sprak kan zijn van (niet-financiële) wederkerigheid, heeft het hof niet geoordeeld (in gelijke zin s.t. Verhuurder 37). Van miskenning van de devolutieve werking van het appel in rov. 5.16 met het oordeel dat ‘het meerdere’, nodig voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, hier ontbreekt, zoals subonderdeel 1.2.2 klaagt, is geen sprake (idem s.t. Verhuurder 40). Dat zou verband houden met het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.6 dat de samenwoning niet alleen als motief had verzorging en ondersteuning bieden, maar ook diende om ‘samen te zijn’, maar dat is door het hof uitdrukkelijk besproken in het citaat uit rov. 5.14 van het vorige randnummer. Dat van dat gegeven van ‘samen zijn’ en het voor mantelzorg weer ‘invliegen’ door Zoon als bijzondere situatie moest worden uitgegaan door het hof, zoals dit subonderdeel onder verwijzing naar subonderdeel 1.1 aangeeft, is bij de bespreking van subonderdeel 1.1 al verworpen; de klacht hier is een vergeefse herhaling van zetten (zo ook s.t. Verhuurder 41). De motiveringsklacht faalt ook, omdat daarin niet is aangegeven waarom het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Dat een andere feitelijke afweging van deze omstandigheden met een andere uitkomst ook mogelijk was geweest, maakt niet dat dít hofoordeel de cassatietoets niet kan doorstaan.
Subonderdeel 1.2.3 formuleert vervolgens drie motiveringsklachten (a-c) tegen het oordeel in rov. 5.16 dat er is meer nodig is dan alleen een bepaalde mate van financiële verwevenheid om tot een duurzame gemeenschappelijke huishouding te kunnen oordelen en dat dat meerdere in dit geval ontbreekt. Ik begrijp de klachten zo, dat het hof kennelijk dit ‘meerdere’ in de door de klachten aangedragen omstandigheden had moeten vinden.
De klacht onder 1.2.3.a wijst op de lovende wijze waarop het hof zich in rov. 5.22 heeft uitgelaten over Zoons zorg voor Moeder. Volgens de klacht heeft het hof hiermee kennelijk tot uitdrukking gebracht dat deze zorg uitstijgt boven de zorg die het hof normaal acht in de relatie tussen een ouder en een kind in de omstandigheden van deze zaak. Die lovende woorden verdragen zich niet, althans niet zonder nadere (ontbrekende) uitleg, met het bestreden oordeel dat het meerdere ontbreekt.
Ook de klacht mist feitelijke grondslag, aangezien in rov. 5.22 niet zo is geoordeeld. Dat het hof de zorginspanningen van de Zoon lovenswaardig heeft geacht, staat los van zijn beoordeling van het wederkerigheidsaspect dat van belang kan zijn voor de duurzaamheid van de gestelde gemeenschappelijke huishouding (in gelijke zin s.t. Verhuurder 42(a)). Van ontoereikende motivering als in deze klacht bedoeld is geen sprake.
Volgens de klacht onder 1.2.3.b hebben Moeder en Zoon zich in hoger beroep 1) geschaard achter de vaststelling van de kantonrechter in rov. 4.6. van het vonnis, 2) de intrinsieke wens van Zoon benadrukt om met zijn moeder samen te zijn om haar te verzorgen, zodat zij zo lang mogelijk thuis kan wonen en 3) aangevoerd dat hun samenzijn voor hen deel uitmaakt van de te beschouwen wederkerigheid (mva, 53, 57, 75 en 86). Moeder en Zoon hebben dus aangevoerd dat van meer sprake is dan financiële wederkerigheid alleen, namelijk dat Zoon (ook) metgezel van Moeder wil zijn. Het hof heeft deze stellingen niet verworpen (onder verwijzing naar rov. 5.9 van het bestreden arrest). Aldus moet in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid van deze stellingen worden uitgegaan en daarmee kan het bestreden oordeel niet juist zijn.
Alweer mist deze klacht feitelijke grondslag (idem s.t. Verhuurder 42(b)). Het hof heeft wel degelijk oog gehad voor wat Moeder en Zoon hebben aangevoerd ten betoge dat volgens hen sprake is van meer dan alleen financiële wederkerigheid, maar is hen hierin niet gevolgd. De samenwoning (het ‘samenzijn’) heeft volgens het hof het karakter van begeleiding door Zoon van Moeder, die constante verzorging nodig heeft. Hierdoor kan Zoon volgens het feitelijke oordeel van het hof niet als ‘metgezel’ worden gezien, maar als ‘begeleider’. Dat de Zoon heeft aangevoerd dat hij de wil had om een metgezel te zijn, is dus door het hof onder ogen gezien maar van onvoldoende gewicht geacht in het licht van andere omstandigheden (rov. 5.9-5.14). Ook hier is geen sprake van een motiveringsgebrek.
Volgens de klacht onder 1.2.3.c heeft het hof in rov. 5.13 een verklaring van de advocaat van Moeder en Zoon aangehaald volgens welke zij gezamenlijk de huishoudelijke taken uitvoeren. Het hof heeft de feitelijke juistheid van die verklaring verworpen, maar niet de ‘onmiskenbaar’ ook uit die verklaring voortvloeiende stelling dat Moeder wederkerig voor Zoon zou hebben willen zorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Aldus moet, althans veronderstellenderwijs in cassatie, worden vastgesteld dat Zoon en Moeder, zou de Moeder daartoe fysiek in staat zijn geweest, zich wederkerig als elkaars metgezel zouden hebben gedragen in de tussen hen bestaande duurzame gemeenschappelijke huishouding. Bij deze hier aan te nemen wens tot wederkerige verzorging kan de bestreden overweging niet overeind blijven.
Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Niet valt in hoe het hof uit bedoelde verworpen stelling ‘onmiskenbaar’ de stelling had moeten lezen dat Moeder wederkerig voor de Zoon zou hebben willen zorgen, zo zij daartoe fysiek in staat zijn geweest. Daarnaast doet deze stelling ook niks af aan het feitelijke oordeel dat hier van de kant van Moeder wederkerigheid ontbreekt. (In gelijke zin ook s.t. Verhuurder 42(c)).
Ook subonderdeel 1.2 kan niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 2 – bewijs
Onderdeel 2 bevat klachten tegen rov 5.15 waarin het hof heeft geoordeeld dat Moeder en Zoon geen bewijsaanbod hebben gedaan ten aanzien van niet-financiële wederkerigheid. Volgens de klachten hebben Moeder en Zoon hier ‘onmiskenbaar’ wel bewijs van aangeboden. Het onderdeel bevat twee klachten (a-b).
De klacht onder 2.a wijst erop dat Moeder en Zoon hebben aangeboden om een medewerkster van WijEindhoven als getuige te doen horen, omdat zij kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van Moeder (mva, p. 13-14, in samenhang bezien met prod 6). Omdat Moeder en Zoon hun eis hebben gebaseerd op de stelling dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren, waarin het aspect van wederkerigheid een rol kan spelen, ziet dit bewijsaanbod ‘onmiskenbaar’ ook op het aspect van wederkerigheid en daarmee (ook) op wederkerigheid in niet-financiële zin, gelet op de verwijzing in het bewijsaanbod naar de samenwoning en de (zorg)situatie.
Deze klacht treft geen doel. Uitgangspunt is dat, ingevolge art. 166 lid 1 en art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten, wanneer zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste rechtspraak is de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en op het stadium waarin de procedure verkeert. Daarbij geldt dat in hoger beroep van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mag worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, maar zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Wanneer al getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
Moeder en Zoon hebben in hoger beroep bij mva, p. 13-14 slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan en daarbij verwezen naar een lijst van namen uit prod. 6. Daarop staat onder meer de medewerkster van WijEindhoven met de toevoeging dat zij “kan verklaren over de samenwoning en de (zorg)situatie van [Moeder]”. Gelet op de vereisten waar een getuigenbewijsaanbod in hoger beroep moet voldoen, is dit onvoldoende specifiek; niet valt in te zien hoe het hof hieruit een getuigenbewijsaanbod had moeten afleiden over het aspect van niet-financiële wederkerigheid als element in de duurzame gemeenschappelijke huishouding.
De klacht onder 2.b wijst erop dat Moeder en Zoon in eerste aanleg een bewijsaanbod hebben gedaan (dgv 13, akte 19 mei 2022 en p-v ea, p. 2 linker kolom onderaan) dat zij in hoger beroep hebben herhaald (mva 52 in de vorm van verwijzing naar hun stellingen in prima met het verzoek deze als herhaald en ingelast te beschouwen). In dat kader en op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof dat bewijsaanbod in zijn overwegingen moeten betrekken. Daarbij wijst de klacht op het volgende:
- In eerste aanleg hebben Moeder en Zoon aangeboden de daarin ingenomen stellingen te bewijzen, onder meer door het doen horen van getuigen (dgv 13). Dit aanbod hebben zij tijdens de mondelinge behandeling herhaald en dat ziet onder meer op de stellingen uit dgv, p. 3 onderaan. Daarover hebben Moeder en Zoon, onder verwijzing naar en met citering uit de als prod. 2 overgelegde brief van 14 december 2021, gesteld dat uit de als bijlagen bij die brief meegezonden verklaringen blijkt dat Zoon de maaltijden bereidt, boodschappen doet, regelmatig een wandeling maakt met zijn moeder en met haar op bezoek gaat naar familie en naar het ziekenhuis gaat. Aldus hebben Moeder en Zoon ‘onmiskenbaar’ bewijs aangeboden dat ziet op wederkerigheid tussen hen in niet-financiële zin, zeker in samenhang met het in hoger beroep geformuleerde bewijsaanbod.
- Bij akte van 19 mei 2022 hebben Moeder en Zoon als prod. 6 een verklaring van WijEindhoven van 12 april 2022 ingebracht, waaruit volgens hen blijkt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (toelichting in die akte op p. 2). Ook dit aanbod hebben zij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg herhaald (p-v ea, p. 2 linker kolom onderaan). Bezien in samenhang met het bewijsaanbod in hoger beroep, ziet dit bewijsaanbod ‘onmiskenbaar’ ook op wederkerigheid in niet-financiële zin.
Ook hiervoor geldt dat niet is voldaan aan de aan een bewijsaabod in hoger beroep te stellen eisen. Daar ketst de klacht onder 2b al integraal op af.
Onderdeel 3 – bedoeling
Onderdeel 3 bevat klachten tegen het hofoordeel in rov. 5.17-5.20 dat niet kan worden vastgesteld dat Moeder en Zoon de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan en Zoon niet alleen vanwege de verzorging van zijn moeder bij haar is gaan inwonen. Het onderdeel bevat twee subonderdelen die ieder verschillende klachten bevatten.
Subonderdeel 3.1 – langdurige verzorging familielid
Subonderdeel 3.1 richt zich tegen het oordeel in rov. 5.17-5.20 en bevat twee klachten, die zijn gebaseerd op de veronderstelling dat het hof zou zijn uitgegaan van de rechtsopvatting dat het doel van een aspirant-samenwoner om een familielid-huurder langdurig te verzorgen eraan in de weg zou staan om een voor medehuurderschap vereiste duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. Dat uitgangspunt mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak, omdat het hof daar niet van is uitgegaan, zoals hiervoor al is besproken. Daar stranden de klachten al op en hier zou ik het bij kunnen laten. Volledigheidshalve loop ik de klachten uit subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2 nog inhoudelijk langs.
Volgens de klacht onder 3.1.1 heeft het hof miskend dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ook de samenwoning tussen familieleden die is gebaseerd op een verzorgingswens en daarmee overeenstemmende verzorgingsbehoefte, als een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden aangemerkt.
Dat heeft het hof niet miskend. Het hof toetst in de bestreden passages de bedoeling van partijen in de sleutel van het subjectieve element van wederkerigheid bij de duurzaamheidstoets (zie rov. 5.7, laatste zin, terecht onbestreden in cassatie). Dat het hof uiteindelijk heeft geoordeeld, alle omstandigheden van deze zaak in onderling verband wegend, dat in dit geval geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat wederkerigheid van niet-financiële aard ontbreekt en omdat Moeder en Zoon niet de bedoeling hebben gehad om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (rov. 5.17-5.22), maakt niet dat het hof de door de klacht aangedragen rechtsregel heeft miskend. (In gelijke zin s.t. Verhuurder 59).
Daarnaast is het bestreden oordeel volgens de klacht onder 3.1.2 ontoereikend gemotiveerd, omdat de bedoeling van partijen om de gang naar het verpleegtehuis zo lang mogelijk uit te stellen een factor is die, anders dan waarvan het hof klaarblijkelijk is uitgegaan, juist kan bijdragen aan het aannemen van een gemeenschappelijke huishouding. Althans is hier sprake van ontoereikende motivering.
Deze klacht faalt op dezelfde gronden als de vorige klacht: de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding blijft afhankelijk van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien en dat heeft het hof niet miskend. Wanneer partijen de bedoeling hebben gehad om de gang naar het verpleegtehuis zo lang mogelijk uit te stellen, kan dit een factor zijn die bijdraagt aan het aannemen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs zo te zijn in het licht van de andere omstandigheden van het geval die het hof op goed te volgen wijze heeft uiteengezet. Dit volgt ook zo uit de conclusie van A-G Wissink waar de klacht naar verwijst. Ter aangehaalde plaatse geeft hij immers slechts een overzicht van omstandigheden die relevant zijn geacht in de lagere rechtspraak voor het oordeel dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Van een motiveringsgebrek is hier geen sprake (in gelijke zin s.t. Verhuurder 60-61).
Ook subonderdeel 3.1 is daarmee tevergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 3.2 – geen terugkeer
Subonderdeel 3.2 voert verschillende motiveringsklachten aan tegen de interpretatie van het hof van een uitlating van Zoon tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg:
“Ik ben vanuit Afrika teruggekomen. Ik ben 60 jaar. Ik hoop dat ze [Moeder, A-G] nog 20 jaar leeft, maar eerder terug naar Afrika te gaan zit er niet meer in”.
Het hof heeft hieruit afgeleid dat Zoon zou uitgaan van een terugkeer naar Zuid-Afrika, maar dat dat pas kan als hij niet meer voor zijn moeder hoeft te zorgen (rov. 5.19).
Ik merk op dat de klachten die hiertegen zijn gericht belang missen, omdat deze zijn gericht tegen een overweging ten overvloede (in gelijke zin s.t. Verhuurder 62-63). De conclusie van rov. 5.17-5.21 is dat Zoon alleen vanwege de verzorging van Moeder bij haar is gaan wonen teneinde te voorkomen dat zij naar een verzorgingstehuis moet en dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (rov. 5.20). Redenen hiervoor zijn volgens het hof: (i) Moeder en Zoon hebben steeds aangegeven dat de samenwoning met het doel is gestart om Moeder zo lang mogelijk uit het verpleeghuis te houden (rov. 5.17), (ii) dat niets erop wijst dat Moeder en Zoon ook zouden zijn gaan samenwonen als dat niet voor een voortdurend verblijf van Moeder in de woning noodzakelijk was geweest (rov. 5.18) en (iii) dat ook nergens uit blijkt dat Moeder en Zoon zouden blijven samenwonen als de verzorging voor Moeder niet meer nodig was (rov. 5.19). Ter onderbouwing van dat laatste heeft het hof de bestreden geciteerde verklaring van Zoon aangehaald waaruit zou volgen dat Zoon er inderdaad vanuit gaat dat hij na het overlijden van Moeder weer wenst terug te keren naar Zuid-Afrika. Dit is als een overweging ten overvloede te zien, die niet dragend is voor het oordeel dat Zoon alleen vanwege de verzorging van Moeder bij haar is gaan wonen en dat niet kan worden vastgesteld dat zij de bedoeling hadden om een blijvende en op de toekomstgerichte samenwoning aan te gaan (in gelijke zin s.t. Verhuurder 63). Daar zou ik het opnieuw bij kunnen laten, maar ook hier loop ik de klachten nog inhoudelijk na.
Volgens klacht 3.2.1 heeft het hof de verklaring op een onbegrijpelijke wijze geïnterpreteerd. Zoon heeft deze gedaan in verband met de niet door het hof geciteerde vraag van de kantonrechter omtrent de start van de inwoning bij zijn moeder en niet om uit te spreken dat hij slechts tijdelijk in Nederland wil verblijven.
Dat de uitspraak is gedaan als antwoord op de vraag van rechterszijde sinds wanneer de Zoon weer bij zijn moeder woont, doet niets af aan de wijze waarop het hof deze uitspraak heeft kunnen interpreteren. Zeker gelet op het feit dat Zoon uit Zuid-Afrika is teruggekeerd om voor zijn moeder te zorgen en dat Moeder en Zoon met het samenwonen de gang naar het verpleegtehuis voor Moeder hebben willen uitstellen (rov. 3.3 en 5.17), kon het hof uit het antwoord van Zoon afleiden dat hij uitgaat van een terugkeer naar Zuid-Afrika als zijn moeder zijn zorg niet meer nodig heeft. De motiveringsklacht treft inhoudelijk dus ook geen doel.
Volgens klacht 3.2.2 heeft de advocaat van Moeder en Zoon tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, in aanwezigheid en met instemming van Moeder en Zoon, verklaard dat tussen hen een gemeenschappelijke huishouding bestaat en dat deze niet tijdelijk is (p-v ea, p. 2 linker kolom boven het midden ). Dat is ook een reden dat het hof de uitspraak van de Zoon onjuist heeft geïnterpreteerd.
De klacht faalt. Dat de advocaat van Moeder en Zoon iets heeft gezegd waar mogelijk iets anders uit volgt dan de uitlating van Zoon, maakt nog niet dat het hof geen waarde kon hechten aan die verklaring van Zoon of deze niet kon uitleggen, zoals het heeft gedaan; dat Zoons wil is hier leidend is geacht, verbaast niet. Ook deze motiveringsklacht is tevergeefs.
Volgens klacht 3.2.3 heeft Zoon bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg ook verklaard tot de groep van personen te behoren voor wie de door zijn moeder gehuurde woning is bedoeld en dat hij geen starters in de weg zit (p-v ea, p. 4 bovenaan ). In het kader van de devolutieve werking had het hof deze stelling in zijn beschouwingen behoren te betrekken. Het hof heeft deze stelling niet verworpen, zodat van de juistheid daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Het belang van die stelling is dat Zoon aldus heeft laten blijken dat hij ook nadat zijn moeder niet meer in het gehuurde kan blijven, niet naar Afrika terug wil keren, maar in die woning wenst te blijven wonen, om welke reden hij als medehuurder wenst te worden aangemerkt. Het bestreden oordeel is daarom onbegrijpelijk.
In de eerste plaats heeft niet Zoon de hier opgevoerde uitlating gedaan ter zitting, maar zijn advocaat. Verder geeft de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de devolutieve werking van het appel en van de hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie. Daarnaast geldt ook hier dat wat de advocaat van Moeder en Zoon ter zitting te berde heeft gebracht niet per se in de weg staat aan de uitleg van de betreffende uitlating van Zoon zelf ter zitting; aan die uitlating is kennelijk meer waarde gehecht door het hof en dat is goed te volgen. Ook deze motiveringsklacht zie ik niet slagen.
Subonderdeel 3.2.4 vervolgt met deze klachten. Het hof had de verklaring in verband behoren te beschouwen met de in dit subonderdeel genoemde stellingen die Zoon heeft betrokken en daardoor de kennelijke bedoeling van deze verklaring moeten begrijpen, namelijk dat Zoon voorziet dat hij voor de rest van het leven van zijn moeder in Nederland zal wonen en om die reden als medehuurder van de gehuurde woning wenst te worden aangemerkt. Uit de aangehaalde verklaring volgt namelijk dat, voor zover Zoon al de wens koesterde naar Afrika terug te keren, hij zich er bij neergelegd heeft dat dat er niet meer in zit. Dit hebben Moeder en Zoon ook in het hoger beroep herhaald (mva, 86). Het hof heeft die stelling ten onrechte niet besproken, zodat van de juistheid daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Althans is de verwerping van die laatstgenoemde stelling door het hof bij gebreke van een daarop toegesneden motivering onvoldoende gemotiveerd. En bij de aan te nemen juistheid van deze laatst genoemde stelling, is de hier besproken motivering onbegrijpelijk.
Ook deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Ten eerste is de stelling waar de klacht naar verwijst in hoger beroep betrokken in het kader van de vraag of Zoon zijn vordering uitsluitend heeft ingesteld met het doel om op korte termijn de positie van huurder te verkrijgen (afwijzingsgrond van art. 7:267 lid 3 onder b BW). Aan die vraag is het hof niet toegekomen, omdat de vordering al is afgewezen op de a-grond uit dat artikellid: geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Nu hierbedoelde uiting niet is aangevoerd in het kader van die a-grond, hoefde het hof hier niet op te responderen. Daarnaast staat de door de klacht verdedigde bedoeling van de verklaring (Zoon voorziet dat hij voor de rest van het leven van zijn moeder in Nederland zal wonen) niet op gespannen voet met het bestreden oordeel van het hof (uit niets blijkt dat Moeder en Zoon zouden blijven samenwonen als de verzorging niet meer nodig was).
De klachten onder 3.2.5 zijn een herhaling van zetten uit subonderdeel 1.1 en falen op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden.
Veegklacht
Onder ‘slotsom’ is nog een louter voortbouwende klacht voorgedragen, die geen zelfstandige bespreking behoeft, nu geen van de voorgaande klachten doel treft.
4. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en geef de Hoge Raad in overweging dat te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G