ECLI:NL:PHR:2026:134

ECLI:NL:PHR:2026:134

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 24/04701
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Doodslag op echtgenote door haar met een stuk stof te wurgen en het doden van hun hondje door haar aan haar eigen riem op te hangen (art. 287 Sr, art. 2.10 lid 1 en 8.12 lid 1 Wet dieren). De middelen zijn gericht tegen de oordelen van het hof dat de verdachte opzet op de dood van zijn echtgenote heeft gehad (1) en dat de verdachte ten aanzien van feit 1 als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen is (2), en tegen de oplegging van de gevangenisstraf (3 en 4) en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking (5). AG gaat in op de motivering van de strafvermindering wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid. Alle middelen falen en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep (art. 81.1 RO).

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04701

Zitting 3 februari 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 19 december 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-000882-22) wegens 1. "doodslag" en 2. “overtreding van het in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet dieren gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking opgelegd. Ten slotte heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en H.C. Ingelse, advocaat in Maastricht, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2. De zaak in het kort

Volgens de vaststellingen van het hof heeft de verdachte zijn echtgenote om het leven gebracht door haar te wurgen met een lap stof en heeft hij daarna ook hun hondje gedood door haar aan haar eigen riem op te hangen. In cassatie wordt opgekomen tegen de oordelen van het hof dat de verdachte opzet had op de dood van zijn echtgenote en dat de verdachte ten aanzien van feit 1 slechts als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen is. Verder wordt geklaagd over de oplegging van zowel de gevangenisstraf als de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking.

3. Het eerste middel

Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het opzet op de dood van het slachtoffer onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:

“op 26 september 2021 te [plaats] . [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met kracht de hals van die [slachtoffer] (met een stuk stof of sjaal) dicht te knijpen en enige tijd dichtgeknepen te houden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waarnaar wordt verwezen in de voetnoten van het PROMIS-vonnis van de rechtbank, waarmee het hof zich voor wat betreft de bewezenverklaring heeft verenigd.

Het hof heeft zich ook aangesloten bij de bewijsoverweging van de rechtbank. Deze houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende in:

Bewijsoverweging

De rechtbank zal eerst de vraag moeten beantwoorden of de verdachte opzettelijk zijn echtgenote heeft omgebracht. (…)

Opzet

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake was van opzet, nu bij de verdachte ten tijde van het plegen van het delict ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2775) blijkt dat van opzet, van het willens en wetens zich gedragen of bewust aanvaarden van bepaalde kansen, slechts dan geen sprake kan zijn indien bij de dader zou blijken van een zodanige ernstige geestelijke afwijking dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan was verstoken. Zo'n ernstige stoornis die opzet uitsluit, is slechts bij hoge uitzondering aan de orde.

De rechtbank stelt vast dat uit de omtrent verdachte opgemaakte gedragsdeskundige rapportages -waarnaar hierna nog zal worden verwezen in verband met de strafbaarheid van de verdachte- kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorval leed aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, dwangmatige (obsessief-compulsieve) en passief-agressieve kenmerken. De ter terechtzitting aanwezige deskundigen hebben hun advies nader toegelicht door aan te geven dat de verdachte niet heeft gehandeld onder invloed van een allesoverheersende psychose of waandenkbeelden. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte in zijn verhoor op 28 september 2021 tot in detail heeft verklaard over de aanloop naar het delict en hoe een en ander uiteindelijk is gebeurd. Hij herinnert zich waar hij stond, wat hij deed, wat hij hoorde, waar hij liep, wat hij pakte en hoe hij zijn echtgenote en zijn hond ombracht. Op grond daarvan constateert de rechtbank dat de verdachte besef moet hebben gehad van hetgeen zich heeft afgespeeld en ook inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan. De verdediging heeft in dit verband nog betoogd dat de verdachte niet meer precies kan navertellen wal er is gebeurd tussen het moment waarop hij de ‘sjaal’ heeft gepakt en het moment waarop hij heeft geconstateerd dat [slachtoffer] niet meer ademde. Deze mogelijke fase van black-out is volgens de deskundigen echter een bekend fenomeen, maar geen op zichzelf staande stoornis die het gedrag stuurt. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging ten aanzien van het ontbreken van opzet. De rechtbank is van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte erop duidt dat de verdachte de strafbare handelingen doelbewust en met vol opzet heeft gepleegd.”

In aanvulling daarop heeft het hof in het bestreden arrest over het opzet van de verdachte overwogen:

“In hoger beroep is door de verdediging andermaal uitvoerig betoogd dat de verdachte niet het opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad, nu bij hem ten tijde van het plegen van het delict ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Met de rechtbank verwerpt het hof dit verweer en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank hierover. Ook de rapporten omtrent de persoon van de verdachte die in hoger beroep zijn opgemaakt, nopen niet tot een ander oordeel. Sterker nog, de deskundigen prof. dr. mr. [deskundige 1] , psychiater, en drs. [deskundige 2] , psycholoog, sluiten uit dat er bij de verdachte sprake was van een dissociatieve stoornis die het tenlastegelegde beïnvloedde. Ook relateren zij dat er van een volledige doorwerking van de stoornissen geen sprake was en dat de verdachte een gedragsalternatief had. Overigens merkt het hof nog op dat het standpunt van de raadsman dat de gedetailleerde verklaringen van de verdachte mogelijk voortkomen uit een reconstructie door de verdachte nadat hij weer enigszins bij zinnen was, een eigen aanname en invulling van de raadsman betreft, welke het hof niet deelt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte erop duidt dat de verdachte de strafbare handelingen doelbewust en met vol opzet heeft gepleegd.”

Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775, heeft overwogen:

“4.2 Bij de beoordeling van het middel moet voor een geval als het onderhavige waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, worden vooropgesteld dat zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken (vgl. onder meer HR 14 december 2004, LJN AR3226, NJ 2006, 448). Daarvan zal overigens slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.”

Met de hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen heeft het hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd waarom het in afwijking van het standpunt van de verdediging tot een bewezenverklaring van opzet op de dood van het slachtoffer is gekomen. In dat kader heeft het hof overwogen dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte erop duidt dat hij de feiten met vol opzet heeft begaan. Deze conclusie is navolgbaar, nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn echtgenote, die op dat moment op de bank televisie aan het kijken was, van achteren met een lap stof heeft gewurgd en vervolgens de hond mee naar de berging heeft genomen om haar daar aan haar riempje op te hangen. Verder heeft het hof terecht tot uitgangspunt genomen dat een geestelijke stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van opzet in de weg staat indien die zo ernstig is dat bij de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Van dat laatste is volgens het hof niet gebleken, waarbij het, anders dan de steller van het middel meent, wel degelijk is ingegaan op hetgeen in dat kader door de verdediging naar voren is gebracht. Immers houden de overwegingen van het hof en de door het hof in dat verband overgenomen overweging van de rechtbank in dat de rapporterend deskundigen van oordeel zijn dat bij de verdachte op het moment van het plegen van de feiten weliswaar sprake kon zijn van het fenomeen van een “black out”, maar niet van een stoornis waardoor aan het hiervoor bedoelde inzicht ontbrak, en dat de verweren van de verdediging aangaande de verklaringen van de verdachte daarmee al hun weerlegging vinden in de bevindingen en conclusies van de deskundigen. Op grond van een en ander is het hof met de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de verdachte besef moet hebben gehad van zijn handelen, evenals inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

Het middel faalt.

4. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt over de beslissing van het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten, in afwijking van het door de verdediging bepleite standpunt om de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

In het bestreden arrest zijn de volgende overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte opgenomen:

“Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Ter terechtzitting van dit hof op 26 oktober 2023 heeft het hof het verzoek van de verdediging om de NIFP-deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] te laten benoemen teneinde hen vragen te laten beantwoorden in het licht van de eerder in deze zaak opgemaakte deskundigenrapporten en hetgeen die dag door de deskundigen [deskundige 3] (psycholoog) en [deskundige 4] (psychiater) ter terechtzitting was verklaard, toegewezen. Dit heeft geresulteerd in het pro justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 18 juni 2024, opgemaakt door prof. dr. mr. [deskundige 1] en het pro justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 24 juni 2024, opgemaakt door drs. [deskundige 2] .

De psychiater [deskundige 1] heeft in zijn rapport het volgende over het geestesvermogen van de verdachte gerelateerd:

“"Bij betrokkene is er sprake van narcistische, vermijdende, passief-agressieve, antisociale en mogelijk dwangmatige persoonlijkheidstrekken die pathologisch expressief werden in de aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde. Tevens was er op dat moment bij hem sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Tijdens het tenlastegelegde en de aanloop daarnaartoe waren voornoemde persoonlijkheidstrekken pathologisch expressief en speelde ook genoemde aanpassingsstoornis. Voornoemde persoonlijkheidstrekken en aanpassingsstoornis werkten door in de gedragskeuzen en gedragingen van betrokkene in de aanloop naar en tijdens het tenlastegelegde. Uitgaande van een driepuntschaal is het advies om betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde, mits bewezen geacht, verminderd toerekeningsvatbaar te achten, met de nuancering dat indien een vijfpuntschaal gehanteerd zou worden er eerder uitgekomen zou zijn op licht verminderd toerekeningsvatbaar. Er is weliswaar sprake van doorwerking van de psychische stoornis in het delict en daardoor enige belemmering om te komen tot vrije gedragskeuzen, maar deze belemmering was zeker niet volledig. Zoals eerder gesteld heeft ondergetekende geconcludeerd dat er bij betrokkene tijdens het tenlastegelegde geen sprake was van een dissociatieve stoornis die het tenlastegelegde beïnvloedde. Kort en duidelijk: er is geen evidentie voor enige dissociatieve stoornis bij betrokkene tijdens het tenlastegelegde noch eerder in zijn leven. Hij heeft tijdens het tenlastegelegde, mits bewezen geacht, gestoord gedrag vertoond mede ingegeven door tekortschietende copingstijlen (samenhangend met de pathologische expressie van persoonlijkheidstrekken) en toenemende negatieve emoties. Echter genoemd (complex en doelgericht) gedrag kan niet verklaard worden vanuit een dissociatieve stoornis. Betrokkene had een gedragsalternatief. Weliswaar beperkten de doorwerking van de persoonlijkheidstrekken en aanpassingsstoornis zijn gedragskeuzen, maar die waren er wel degelijk Er was kort voor en/of tijdens het tenlastegelegde bij betrokkene geen sprake van een enige psychotische en/of dissociatieve stoornis."

De psycholoog [deskundige 2] heeft in zijn rapport het volgende over het geestesvermogen van de verdachte gerelateerd:

“Bij betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag en narcistische, vermijdende, passief agressieve en antisociale persoonlijkheidstrekken Bovenstaande pathologische persoonlijkheidskenmerken waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Daarnaast was er ten tijde van de tenlastegelegde feiten ook sprake van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Hoewel betrokkene op het laatste moment wellicht weinig controle over zijn handelen ervaart, is er van volledige doorwerking van de stoornissen geen sprake. Het feitelijke risico zit immers in de geleidelijke opbouw van spanningen en frustraties en langs die route had betrokkene vele mogelijkheden om andere afslagen te nemen. Op basis van bovenstaande adviseert ondergetekende om betrokkene feit 1 in (licht) verminderde mate toe te rekenen. Een weging ten aanzien van feit 2 is moeilijker te geven. Gezien het meer planmatige handelen bij dit feit ziet ondergetekende echter geen reden om meer doorwerking te veronderstellen dan bij de doding van zijn vrouw. Eerder minder. Een dissociatieve toestand kan weliswaar getriggerd worden door stress, maar dan dient de stoornis wel aanwezig te zijn. Bij betrokkene is hiervan geen sprake. De stoornis treedt niet spontaan op. Het door betrokkene geclaimde geheugenprobleem zou in theorie kunnen wijzen op het optreden van dissociatieve amnesie in reactie op en niet voorafgaand aan en/of ten tijde van het ten laste gelegde. Ook hiervoor vindt ondergetekende overigens geen aanwijzingen. Overigens is het verschijnsel ‘explosie’ en/of 'kortsluiting’ in het hoofd niet kenmerkend voor een dissociatief beeld. Hoewel betrokkene op het laatste moment wellicht weinig controle over zijn handelen ervaarde, is er van volledige doorwerking van de stoornissen geen sprake. Er was bij betrokkene kort voor het ten laste gelegde geen sprake van een psychotische en/of dissociatieve stoornis."

Het hof volgt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen, maakt deze tot de zijne en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen ten aanzien van het bewezenverklaarde. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte niet in zodanige staat was dat hij in het geheel niet in vrijheid keuzes kon maken en de gevolgen en strafbaarheid van zijn daden in het geheel niet meer kon overzien, zoals dit is gesteld door de raadsman. Dit maakt dat er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond aanwezig is om de conclusie te rechtvaardigen dat verdachte geen enkel verwijt in strafrechtelijke zin kan worden gemaakt.

Nu voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte (volledig) uitsluiten, is de verdachte, zij het in verminderde mate, strafbaar voor het bewezenverklaarde.”

Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295, over de beoordeling van de toerekenbaarheid van strafbare feiten aan de verdachte heeft overwogen:

“5.4.1 Het is aan de feitenrechter om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr en artikel 39 Sr bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van zo’n psychische stoornis, is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. over artikel 37a Sr HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311.)

In zijn arrest van 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY5355 heeft de Hoge Raad verder geoordeeld dat geen rechtsregel meebrengt dat alleen een stoornis die is omschreven in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (hierna: DSM) kan worden aangemerkt als een “gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens” zoals bedoeld in artikel 37a lid 1 Sr. De Hoge Raad heeft in dat arrest bovendien opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat een stoornis wel als zodanig wordt aangeduid in de DSM, evenmin betekent dat de rechter tot het oordeel moet komen dat sprake is van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Deze uitgangspunten zijn ook van toepassing ten aanzien van de psychische stoornis als bedoeld in artikel 39 Sr.

De feitenrechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.

Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.

(Vgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.)”

Het oordeel van het hof dat de verdachte in verminderde mate strafbaar is voor de onder 1 bewezenverklaarde doodslag op zijn echtgenote komt mij niet onbegrijpelijk voor en acht ik toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof de bevindingen en conclusies van de deskundigen heeft gevolgd over de stoornissen waar de verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten aan leed en de mate van doorwerking daarvan in het begaan van die feiten. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat de rapporterend deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] het oordeel zijn toegedaan dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een volledig gebrek aan wilsvrijheid, mist het feitelijke grondslag. Het klopt dat in het rapport van [deskundige 2] is opgenomen dat de verdachte voorafgaand aan het plegen van de feiten “wellicht weinig controle over zijn handelen ervaarde” (cursivering toegevoegd, MvW), maar zowel [deskundige 2] als [deskundige 1] geven ondubbelzinnig aan dat van volledige doorwerking van bij de verdachte vastgestelde stoornissen in het begaan van de feiten geen sprake was. Gelet op die bevindingen en conclusies, die het hof tot de zijne heeft gemaakt, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte niet in zodanige staat verkeerde dat hij in het geheel niet in vrijheid keuzes kon maken en de gevolgen en strafbaarheid van zijn daden in het geheel niet meer kon overzien. Daarmee heeft het hof, weliswaar door zich te baseren op de rapporten en verklaringen van de deskundigen, zich ook een zelfstandig oordeel gevormd over de mate waarin de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De door de verdediging in hoger beroep aangevoerde argumenten voor het volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren van de verdachte vinden hun weerlegging in de door het hof overgenomen bevindingen en conclusies van de deskundigen. Voor verdere toetsing van het oordeel van het hof over de verminderde toerekenbaarheid van feit 1 aan de verdachte is, verweven als dat is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie geen plaats.

Dientengevolge faalt ook het tweede middel.

5. Het derde en het vierde middel

Het derde en het vierde middel richten zich met verschillende klachten tegen de strafoplegging. Het derde middel klaagt dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, in het bijzonder dat het tot een hogere gevangenisstraf is gekomen dan de rechtbank had opgelegd. Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Deze houden achtereenvolgens in dat het hof ondanks een daartoe strekkend verzoek van de verdediging heeft nagelaten te motiveren hoe de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte is betrokken bij de strafmaat, dat de motivering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf innerlijk tegenstrijdig is en dat de toegepaste strafvermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn “disproportioneel laag” is. Het vierde middel klaagt dat onvoldoende is gemotiveerd dat de duur van de opgelegde gevangenisstraf proportioneel is, gelet op de leeftijd van de verdachte. Het derde en het vierde middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

De strafmaatoverwegingen van het hof houden, voor zover relevant voor de bespreking van de middelen, het volgende in:

“Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft de rechtbank de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking zal opleggen.

De verdediging heeft het hof verzocht om de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Gevangenisstraf

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op gruwelijke wijze om het leven brengen van zijn echtgenote, [slachtoffer] . De verdachte heeft, toen [slachtoffer] nietsvermoedend in haar eigen woning op de bank televisie zat te kijken, zonder enige voor [slachtoffer] te vermoeden aanleiding, haar van achteren benaderd en vervolgens gewurgd met een lap (quilt)stof. Gelet op de afdrukken aan de achterzijde van de bank heeft de verdachte forse kracht moeten uitoefenen bij het wurgen van zijn echtgenote. De laatste minuten van haar leven heeft [slachtoffer] naar alle waarschijnlijkheid een helse strijd voor haar leven moeten voeren, welke strijd zij uiteindelijk heeft verloren. Dit terwijl [slachtoffer] zich op dat moment bevond op een plek, te weten op de bank in haar eigen woning, waar zij zich het meest veilig mocht wanen. Hetzelfde geldt voor de persoon met wie zij in haar woning was, namelijk haar echtgenoot. De verdachte heeft met zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Bijzonderheid in deze zaak is dat de enkele oorzaak voor het ontnemen van het leven van [slachtoffer] is gelegen in het feit dat de verdachte te kampen had met schulden, die hij overigens zelf had veroorzaakt door op een te grote voet en ver boven zijn stand te leven. Een relatief kleine trigger, te weten het feit dat op de televisie een item was waar het woord deurwaarder viel waarop [slachtoffer] opmerkte dat zij hoopte dat er nooit een deurwaarder bij hen voor de deur zou staan, was voor de verdachte voldoende om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Daarnaast heeft de verdachte door zijn daad een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht aan de nabestaanden, in het bijzonder aan de broer, schoonzus en nichtje van [slachtoffer] . Dit blijkt onder meer uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring van het nichtje van [slachtoffer] , [nicht slachtoffer] , waarin zij op indringende wijze het verlies en het verdriet van de familie heeft verwoord.

De verdachte heeft zich bovendien niet tot deze huiveringwekkende daad beperkt. Nadat hij het leven van zijn echtgenote had genomen, heeft hij hun hondje meegenomen naar de berging bij de woning. In de berging heeft hij vervolgens het hondje om het leven gebracht door hem aan zijn riem op te hangen. Zelfs het luide piepen van het hondje heeft er niet voor kunnen zorgen dat de verdachte medelijden kreeg met het dier en heeft er evenmin voor gezorgd dat de verdachte terugkwam op zijn daad. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze onbegrijpelijke, ijzingwekkende feiten ieder voorstellingsvermogen te boven gaan. De verdachte noch de deskundigen hebben hiervoor een verklaring kunnen geven.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor lange duur met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Door dit hof worden in de regel voor een enkelvoudige doodslag gevangenisstraffen opgelegd met een duur van tussen de 8 en 12 jaren. Bij deze straffen is er overigens geen sprake van recidive.

Dit is anders bij de verdachte. Blijkens de voorhanden zijnde stukken heeft de verdachte zich in 1997 schuldig gemaakt aan de moord op zijn eerste echtgenote. Ook toen heeft de verdachte zijn echtgenote om het leven gebracht door verwurging, destijds middels een stropdas. Daarnaast was de oorzaak van zijn handelen dezelfde als in deze zaak, namelijk dat de verdachte kampte met schulden die door zijn eigen toedoen waren veroorzaakt. Dat de verdachte in zijn leven een tweede maal is gekomen tot een levensdelict begaan jegens zijn echtgenote, weegt voor het hof zwaar mee. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden een gevangenisstraf voor de maximum wettelijke duur in beginsel is aangewezen. Bovendien heeft de verdachte zich naast de doodslag eveneens schuldig gemaakt aan het doden van een ander levend wezen, namelijk hun hond.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof tot slot laten meewegen dat in ieder geval de doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Al het vorenstaande overziend, acht het hof met de advocaat-generaal de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Het hof komt hiermee tot een hogere gevangenisstraf dan is opgelegd door de rechtbank, omdat het hof de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan dermate ernstig vindt, dat naar het oordeel van het hof om die reden een hogere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd, passend en geboden is.

Tot slot overweegt het hof nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In beginsel heeft als redelijke termijn in hoger beroep te gelden dat het hof binnen 16 maanden na het instellen van appel arrest wijst, nu de verdachte preventief is gehecht. Omdat zijdens de verdachte op 20 april 2022 appel is ingesteld en het hof meer dan 16 maanden later, te weten op 19 december 2024, in deze zaak uitspraak doet, is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van circa 16 maanden.

Nu slechts een beperkt deel van de vertraging in hoger beroep te wijten is aan verzoeken zijdens de verdediging, is het hof van oordeel dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in hoger beroep is geschonden.

Zoals hiervoor overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep is geschonden, zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden met aftrek van het voorarrest.”

Bij de bespreking van de middelen is van belang wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, over de motivering van de strafoplegging:

“3.4 In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.

De onder 3.4 genoemde straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf zoals bedoeld in artikel 350 Sv, te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. In de feitenrechtspraak bestaat – gelet op diverse initiatieven die daartoe zijn ondernomen – in algemene zin ook ruim aandacht voor het belang van een behoorlijke strafmotivering.

Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.

Waar het gaat om de motiveringsverplichting van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de rechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf.Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.”

In dit kader van de Hoge Raad komt naar mijn idee een paradox van de strafoplegging en strafmotivering naar voren. Voorop staat het doel om te komen tot een strafoplegging die past bij het concrete geval, dat wil zeggen bij de ernst van het in de betreffende zaak bewezenverklaarde feit, bij de persoon van de veroordeelde en bij de andere betrokken belangen. Voor dit doel dienen rechters over een ruime straftoemetingsvrijheid te beschikken, omdat zij anders niet in staat zijn deze factoren, die zich in allerlei vormen en in onvoorzienbare verhoudingen voordoen, goed te wegen. Deze vrijheid brengt echter ook de verantwoordelijkheid voor rechters mee om uit te leggen hoe zij tot de straf in de concrete zaak zijn gekomen. Doen zij dat niet, dan bestaat het gevaar dat de strafoplegging door de verdachte, het slachtoffer en de samenleving niet wordt begrepen en aanvaard. Begrip en acceptatie zijn van groot belang om te helpen de inbreuk ongedaan te maken die de misdaad heeft gemaakt op de rechtsorde en op de belangen en de veiligheid van het slachtoffer en de samenleving.

De paradox is dat tegelijkertijd rechters maar “tot op zekere hoogte” inzicht kunnen verschaffen in en uitleg kunnen geven over hun afwegingen, juist vanwege het grote aantal daarbij betrokken factoren. En ondanks dat de strafmotivering van groot belang is, toetst de cassatierechter deze slechts met terughoudendheid. Deze terughoudendheid werkt bovendien door in de drempel waar de verdediging overheen moet voordat zij een door de cassatierechter te beoordelen aanvullende strafmotiveringsplicht in het leven roept.

Voor zover dit probleem een oplossing kent (en dus een paradox is en geen onoverbrugbare tegenstelling), ligt die dus in handen van de individuele feitenrechter. Die zou daarmee in het concrete geval op zichzelf een heel eind moeten kunnen komen. Voor zover een begrijpelijke en acceptabele straftoemeting echter ook inhoudt een in het algemeen consistente benadering van de strafoplegging en een gelijke wijze van waarderen van de relevante factoren, kan wel de vraag worden gesteld of de individuele rechter daartoe voldoende is toegerust.

Wellicht mede om deze reden verwijst de Hoge Raad naar de initiatieven die binnen de feitenrechtspraak worden ondernomen om inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. Daarbij kan worden gedacht aan het binnen het Promis-project ontwikkelde model voor de strafmotivering en aan de Oriëntatiepunten voor straftoemeting, die op voorstel van de Commissie Rechtseenheid worden vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de rechtbanken en de hoven. Er zijn echter ook andere ‘initiatieven’ en daarop kom ik terug.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof in het voordeel van de verdachte laten meewegen dat de doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. De eerste deelklacht van het derde middel houdt in dat het hof niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate de verminderde toerekenbaarheid van feit 1 heeft bijgedragen aan een verlaging van de straf. Deze klacht sluit aan bij de volgende passages uit de pleitnota die de raadsman heeft voorgedragen op de terechtzitting van het hof van 5 december 2024 (met overneming en vernummering van voetnoten):

Verminderd toerekeningvatbaar: straf naar de mate van schuld

38. De rechtbank legde echter een gevangisstraf van veertien jaar met aansluitend tbs dwang op. Hoe had de rechtbank zich dat voorgesteld: wel behandeling nodig vinden en dan nog daarmee beginnen als [verdachte] 88 jaar oud is (of 86 na vi), als hij dat al haalt, en dan nog behandeling met het oog op een terugkeer in de maatschappij? Het opleggen van een lange gevangenisstraf gevolgd door tbs voorwaarden is nadelig en op deze leeftijd zinloos. Dan heeft verdachte in feite levenslang. Daar waar deskundigen een zieke verdachte zien en behandeling nodig vinden, is niet goed te begrijpen dat er dan eerst nog een lange gevangenisstraf zou moeten worden uitgezeten. De rechtbank had hoogstens een straf naar de mate van schuld kunnen opleggen. Indien het hof zou menen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en dus strafbaar is, dan kan het hof dat recht zetten. Het hof kan mee wegen dat er een relatie is tussen stoornis en delict, waarbij concrete schuld van invloed is op de strafmaat.

(…)

42. Bij oplegging van een vrijheidsstraf vraagt de verdediging duidelijk te maken waarom nu nog vrijheidsstraf nodig wordt geacht. Ook vraagt de verdediging dan duidelijk te maken of en, zo ja, in welke mate verminderde toerekeningsvatbaarheid bij het bepalen van de strafmaat in overweging is genomen. Als het hof meent dat vergelding een factor is in het bepalen van de strafmaat dan vraagt de verdediging uit te leggen waarom en in welke mate vergelding de strafmaat beïnvloedt.”

Bij de bespreking van deze klacht stel ik voorop dat het uitgangspunt van de steller van het middel, inhoudende dat slechts een straf kan worden opgelegd naar de mate van schuld, geen steun vindt in de rechtspraak van de Hoge Raad. Nadat de Hoge Raad dit al meer impliciet had geoordeeld in eerdere arresten overwoog hij in 1969 dat de “stelling dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd in geen rechtsregel steun vindt”. In 1985 voegde de Hoge Raad hieraan toe:

“De rechter die over de feiten oordeelt is, binnen de door de wet gestelde grenzen, vrij de straf op te leggen welke hem juist voorkomt. Tegen zijn op feitelijke waardering berustende beslissing kan in cassatie niet met vrucht worden opgekomen. Opmerking verdient dat de mate van schuld niet de enige factor is die de rechter daarbij in acht behoort te nemen, doch dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard zoals de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht en de generaal en speciaal preventieve werking welke van een dergelijke straf uitgaat.”

Dat het hof inzicht had moeten geven in de mate waarin de verminderde toerekeningsvatbaarheid heeft bijgedragen aan de verlaging van de straf is evenmin een eis die het Nederlandse recht in zijn algemeenheid stelt. Het enkele door de verdediging aan het hof gedane verzoek op de terechtzitting van 5 december 2024 om duidelijk te maken “in welke mate verminderde toerekeningsvatbaarheid bij het bepalen van de strafmaat in overweging is genomen” hoefde het hof ook niet te zien als een betoog dat tot een nadere motivering verplichtte op grond van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv.

Dat betekent dat de deelklacht faalt. Ik zou hier echter willen benadrukken dat het ontbreken van een specifieke motiveringsplicht niets afdoet aan de mogelijkheden voor de feitenrechter om de mate van strafvermindering wegens verminderde toerekeningsvatbaarheid nader te bepalen en evenmin afbreuk doet aan het belang van een uitgebreidere strafmotivering op dit punt. Het hof had in deze zaak expliciet kunnen zeggen of de straf is verminderd met een bepaalde duur vanwege de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Dit is niet gebeurd en uit onderzoek is gebleken dat rechters dit vaker achterwege laten. Dat is opvallend omdat verminderde toerekeningsvatbaarheid potentieel grote invloed kan hebben op de hoogte van de straf. Bovendien raakt het aan de schuld van de verdachte. Hoewel de mate van schuld, zoals hiervoor beschreven, geen absolute bovengrens geeft voor de op te leggen straf, is het wel een van de wezenlijke gronden waarop de straf berust.

Er bestaat geen inherente belemmering voor een dergelijke kwantificering van de strafvermindering, ook niet voor een meer systematische benadering daarvan. Ter illustratie noem ik het Duitse en Engelse recht en een recent initiatief van de rechtbank Rotterdam, die alle de rechter meer handvat bieden de straf te bepalen bij een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Volgens § 21 van het Duitse Strafgesetzbuch (StGB) kan de Strafrahmen, dat wil zeggen de ruimte tussen een minimum- en maximumstraf waarbinnen de rechter zijn straf moeten bepalen, anders worden als de toerekeningsvatbaarheid van de dader aanmerkelijk (erheblich) is verminderd. Als voorbeeld kan worden genomen een zaak zoals hier aan de orde. Het bewezenverklaarde in deze zaak zou mogelijk als een moord kunnen worden gekwalificeerd als bedoeld in § 211 StGB omdat de dader zich bewust was van de argeloosheid en weerloosheid van het slachtoffer dat onverhoeds op zijn eigen bank van achteren werd aangevallen. In zo’n geval is een levenslange gevangenisstraf voorgeschreven. Bij een aanmerkelijke vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, kan de rechter echter in plaats daarvan een Strafrahmen vaststellen van drie tot vijftien jaren (§§ 49 lid 1 en 38 lid 2 StGB). Overigens is de betekenis van de verminderde toerekeningsvatbaarheid daarmee niet uitgewerkt. Ook bij de strafbepaling binnen de Strafrahmen kan die nog een relevante factor zijn. Van zijn oordeel over de vaststelling van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de vaststelling van de Strafrahmen dient de Duitse rechter in zijn vonnis stap voor stap verslag te doen.

De rechters in Engeland en Wales werken op grond van de Sentencing Act 2020 met guidelines voor verschillende delicten. In beginsel dienen zij deze richtlijnen te volgen (art. 59 lid 1 Sentencing Act 2020). Een voorbeeld van een dergelijke richtlijn is die voor “Manslaughter by reason of diminished responsibility”. Als eerste stap schrijft de richtlijn voor dat de rechter de mate vaststelt van de toerekeningsvatbaarheid die de dader nog had: high, medium of low. Aan de hand daarvan wordt een startpunt en een bereik voor de straftoemeting bepaald. Die is bijvoorbeeld voor ‘licht verminderde toerekeningsvatbaarheid’ 24 jaren respectievelijk 15 tot 40 jaren en voor ‘sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid’ 7 jaren en 3 tot 12 jaren. Rechters dienen daarna nog een groot aantal andere stappen te doorlopen, zoals het verdisconteren van strafverminderende en strafverhogende factoren.

In Nederland heeft de rechtbank Rotterdam het initiatief genomen om te komen tot een oriëntatiepunt voor de straftoemeting bij verminderde toerekeningsvatbaarheid. De inhoud en achtergrond van dit oriëntatiepunt is uiteengezet in een artikel van J.H. Janssen en J.M.L. van Mulbregt. In de op rechtspraak.nl gepubliceerde rechtspraak zijn ook drie vonnissen te vinden waarin de rechtbank dit oriëntatiepunt heeft toegepast. Kort gezegd komt het oriëntatiepunt erop neer dat de rechter eerst, tegen de achtergrond van de doelen van de straf, aan de hand van een aantal wegingsfactoren bepaalt welke straf zou worden opgelegd aan een persoon die volledig toerekeningsvatbaar is. Die factoren zijn: de ernst van het feit, de mate waarin de rechtsorde is geschokt, de omvang van het aan de slachtoffers toegebrachte leed, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, mogelijke recidive in het verleden, het recidiverisico in de toekomst en de (overige) persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Pas daarna weegt de rechter de door hem vastgestelde mate van toerekening mee. Deze wegging vindt plaats door vijf graden van toerekening te onderscheiden: van volledig toerekenbaar, via licht verminderd, verminderd en sterk verminderd naar volledig ontoerekeningsvatbaar. Aan drie middengraden wordt vervolgens een bandbreedte van percentages verbonden waarmee de als uitgangspunt vastgestelde straf wordt verminderd. Bij licht verminderd toerekeningsvatbaar is dit bijvoorbeeld een bandbreedte van 67-100%. Binnen de bandbreedte die dan ontstaat is er “ruimte voor fine-tuning”.

De auteurs zijn tot dit voorstel gekomen vanwege de zorgen die zij hebben over de hoge gevangenisstraffen die naast een maatregel tot terbeschikkingstelling worden opgelegd. Volgens hen doen deze straffen geen recht aan de betekenis van de mate van schuld voor de straftoemeting. Dat de Hoge Raad geen rechtsregel van die strekking erkent, neemt volgens hen niet weg dat wel een samenhang blijft bestaan tussen de mate van schuld en een op te leggen straf. Bovendien kan een lange straf afbreuk doen aan de doelmatigheid van de behandeling binnen de tbs. De toepassing van het oriëntatiepunt is echter niet tot deze categorie zaken beperkt. Het gebruik van het oriëntatiepunt zou volgens de opstellers moeten leiden tot een scherpere analyse van de (mate van) verminderde toerekeningvatbaarheid en tot een “sterke voedingsbodem” voor de motivering van het vonnis. Ten slotte zou de toerekeningsvraag hiermee deels los komen te staan van de andere wegingsfactoren, hetgeen zou zijn gerechtvaardigd door de geheel andere achtergrond van die vraag.

Zoals vermeld, is dit oriëntatiepunt ook al een aantal keren toegepast. Mebius is aan de hand van de twee eerste vonnissen nagegaan in hoeverre de beoogde doelstellingen (kunnen) worden gehaald. Zowel de vragen die zij daarbij heeft als haar waardering voor het initiatief is voor mij grotendeels navolgbaar.

Voor alle oriëntatiepunten geldt dat het mogelijk is daarin ook andere keuzes te maken en vaak is kritiek mogelijk. Bij het Rotterdamse oriëntatiepunt zou kritiek kunnen worden gericht tegen de in eerste instantie rekenkundige aanpak. Leijten, die een groot voorstander was van straffen die de mate van schuld niet te boven gaan, noemde het niettemin “absurd” om via een breukdeel van de toerekeningsvatbaarheid en een “rekensommetje” te komen tot de maximale straf. Ondanks de grote regeldichtheid binnen het Duitse straftoemetingsrecht, bestaat ook daar verzet tegen Mathematisierung van die straftoemeting. Bovendien kan de vraag worden gesteld of een modelmatige aanpak zoals hier wordt voorgesteld in overeenstemming is met de realiteit. Bestaan er inderdaad vijf, goed vaststelbare categorieën van toerekening die min of meer lineair verlopen? En is de mate van schuld, hetgeen niet alleen een feitelijk maar ook een normatief begrip is, daar op lineaire wijze aan te koppelen? In dat verband geldt bovendien dat schuld meer omvat dan toerekeningsvatbaarheid. Als schuld, in navolging van Hofstee, wordt begrepen als de mate van vrijheid van het wilsbesluit dat ten grondslag ligt aan de strafbare gedragingen, dan zijn er nog andere omstandigheden die de mate van schuld doen verlagen dan de verminderde toerekeningsvatbaarheid. Te denken valt aan omstandigheden die niet voldoende zijn om een beroep op een bepaalde strafuitsluitingsgrond te laten slagen, zoals psychische overmacht, maar daar wel dichtbij komen.

Een verschil met het genoemde Duitse en Engelse stelsel is verder dat bij het oriëntatiepunt niet eerst een (minimale en) maximale straf wordt bepaald waarna andere factoren in de weging worden betrokken, maar dat eerst op basis van die factoren een hypothetische straf wordt vastgesteld en daarna de verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt ‘verrekend’. Dat betekent dat deze ‘korting’ ook wordt toegepast op wegingsfactoren die in een verder verwijderd verband staan met het niet geheel in vrijheid genomen wilsbesluit, zoals aspecten van preventie.

Oriëntatiepunten zijn er echter niet om de straftoemeting te vatten in een in alle opzichten kloppend model, maar om die straftoemeting systematisch te benaderen. Die benadering bevordert in concrete zaken het onderzoek naar relevante straftoemetingsfactoren en de discussie over de waardering daarvan. Van belang is dat een oriëntatiepunt voldoende ruimte laat voor de omstandigheden van het geval. Als dat zo is, dan lijkt mij een meer rekenkundige stap geen bezwaar en kunnen ook nuanceringen bij het model voldoende worden verdisconteerd in het oordeel over de betreffende zaak en zo nodig op langere termijn in het oriëntatiepunt zelf.

Ik keer terug naar de zaak. Hoewel een nadere kwantificering van de invloed van de verminderde toerekeningvatbaarheid dus wel mogelijk is en zou kunnen bijdragen aan het door de Hoge Raad gepropageerde bieden van inzicht, is dit, het zij herhaald, geen eis die het recht stelt. Ook zonder een nadere bepaling van de eventuele strafvermindering is het mogelijk dat een strafmotivering, in zijn geheel bezien, de terughoudende toets in cassatie doorstaat.

In dat verband bespeur ik in de motivering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf geen innerlijke tegenstrijdigheid, zoals wordt betoogd in de tweede deelklacht van het derde middel. Die zou volgens de steller van het middel daarin zijn gelegen dat het hof heeft overwogen dat het in de regel voor enkelvoudige doodslag, zonder recidive, gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaar oplegt, terwijl het even verderop in het arrest tot het oordeel komt dat “onder deze omstandigheden een gevangenisstraf voor de maximum wettelijke duur in beginsel is aangewezen”. Het hof zou niet hebben gemotiveerd hoe het ondanks de in het middel genoemde strafmatigende omstandigheden is gekomen tot een straf boven de gebruikelijke bandbreedte en nabij het maximum. Ik zie die motivering wel. Uit de overwegingen van het hof kan immers worden opgemaakt dat het, gelet op de door het hof beschreven feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd én de recidive voor een grotendeels vergelijkbaar levensdelict, in beginsel voor de gepleegde doodslag uitkomt op een gevangenisstraf die even lang is als het voor dat feit geldende maximum, te weten vijftien jaren. Uit de overwegingen van het hof volgt dat daarnaast het tweede feit, het doden van het hondje, nog strafverzwarend werkt. Daarbij moet worden bedacht dat ten tijde van het begaan van de feiten voor samenloop van deze twee feiten maximaal achttien jaar gevangenisstraf kon worden opgelegd.Met een gevangenisstraf van vijftien jaar – vóór de vermindering met zes maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn – is het hof mitsdien ergens tussen de naar eigen zeggen gebruikelijke bandbreedte voor enkelvoudige doodslag en de maximum wettelijke duur voor het bewezenverklaarde tezamen uitgekomen. Ervan uitgaande dat voor beide feiten samen in beginsel een hogere straf zou worden opgelegd dan de vijftien jaar die het hof alleen al voor feit 1 als uitgangspunt had genomen, is dit bovendien een strafverlaging. Dat betekent dat het hof de in beginsel passend geachte gevangenisstraf wel degelijk heeft gematigd, waarbij in ieder geval de verminderde toerekenbaarheid van de doodslag aan de verdachte is genoemd als factor die in zijn voordeel is meegewogen. Aangezien het hof daarmee heeft uitgelegd waarom het op een gevangenisstraf zoals opgelegd is uitgekomen, is van innerlijke tegenstrijdigheid van de motivering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, wat mij betreft, geen sprake.

De in het vierde middel opgenomen klacht dat de hoge leeftijd van de verdachte zou maken dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de opgelegde straf proportioneel is, treft evenmin doel. Voor zover in het middel wordt aangevoerd dat het hof rekening had moeten houden met de noodzaak tot behandeling van de verdachte na afloop van de uitgezeten gevangenisstraf, voortvloeiend uit zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, miskent het dat het hof een langdurige behandeling niet noodzakelijk heeft geacht. In het middel wordt verder gesteld dat het hof het verbod op onmenselijke behandeling van art. 3 EVRM wordt geschonden, maar dit wordt verder op geen enkele manier toegelicht, zodat ik hier verder niet op in zal gaan. Voor zover in het middel nog redenen worden genoemd waarom de straf niet proportioneel zou zijn, verwijs ik naar hetgeen ik hiervoor heb geschreven over de vrijheid van de rechter bij de straftoemeting, de eisen die worden gesteld aan de strafmotivering en de toetsing daarvan door de Hoge Raad.

De derde deelklacht van het derde middel, over de door het hof ambtshalve toegepaste strafvermindering voor overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, behoeft geen bespreking, omdat de verdachte daarbij geen belang heeft. In cassatie kan namelijk niet met vrucht worden geklaagd over het oordeel omtrent de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte dan wel diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. In zo’n geval moet immers worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Uit het arrest blijkt dat de behandeling in hoger beroep op tegenspraak is geweest, terwijl uit de pleitnota voor het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 noch uit het proces-verbaal van diezelfde terechtzitting volgt dat door of namens de verdachte verweer is gevoerd ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.

Het derde en het vierde middel falen in al hun onderdelen.

6. Het vijfde middel

Het vijfde middel bevat de klacht dat de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, bedoeld in artikel 38z Sr, onbegrijpelijk is, omdat die maatregel volgens de steller van het middel bedoeld is voor “langdurig toezicht na detentie”, terwijl het hof zou hebben overwogen dat de verdachte na terugkeer in de maatschappij “te oud is voor een reëel recidiverisico”. Een en ander zou de oplegging van de maatregel innerlijk tegenstrijdig maken.

Over de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking heeft het hof in het bestreden arrest overwogen:

“Op te leggen straf en maatregel

(…)

TBS en/of GVM

Over de persoon van de verdachte zijn er meerdere rapporten uitgebracht. Ook zijn in eerste aanleg en in hoger beroep tijdens de behandeling op de terechtzitting gedragsdeskundigen gehoord.

In het multidisciplinair onderzoek van 15 februari 2022 hebben de gedragsdeskundigen [deskundige 5] (psychiater), [deskundige 6] (GZ-psycholoog) en [deskundige 7] (forensisch milieuonderzoeker) gerapporteerd over de verdachte. In het rapport wordt geconcludeerd dat een langer durende klinische behandeling, gevolgd door een eveneens langer durend toezicht, noodzakelijk wordt geacht om de hardnekkige persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte te kunnen bewerken. Hierbij wordt door de deskundigen een voorwaardelijk kader, zoals een terbeschikkingstelling met voorwaarden, als voldoende beschermend en haalbaar ingeschat.

Gelet op het bepaalde in artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan aan een verdachte slechts een tbs met voorwaarden worden opgelegd als de gevangenisstraf die wordt opgelegd niet meer dan vijf jaren bedraagt. Nu het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat het een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden passend en geboden acht, is een veroordeling mede tot de door de voornoemde deskundigen geadviseerde maatregel geen mogelijkheid.

Voorts overweegt het hof dat blijkens de meest recent opgemaakte rapporten, te weten van prof. dr. mr. [deskundige 1] (psychiater) d.d. 18 juni 2024 en drs. [deskundige 2] (klinisch psycholoog) d.d. 24 juni 2024, het recidiverisico als laag wordt ingeschat, mits voorzien wordt in adequaat risicomanagement. Met de deskundigen gaat het hof ervan uit dat het risico dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt laag is en pas onder specifieke omstandigheden met een lange aanloop kan oplopen, voornamelijk in het geval dat de verdachte een nieuwe partnerrelatie aangaat, opnieuw financiële problemen krijgt en daar dan niet adequaat mee omgaat. Dat die specifieke omstandigheden zich in de toekomst zullen voordoen, nadat de verdachte de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten, is thans niet voorzienbaar, maar - gelet op zijn leeftijd - is die kans niet uitermate groot. Daarbij relateert [deskundige 1] dat het actuele recidiverisico zeer laag is, nu de verdachte gedetineerd is, hij geen partnerrelatie heeft en zijn schulden worden afgebouwd.

Ook de reclassering schat het recidiverisico in haar advies van 19 juli 2024 als laag in. Zowel laatstgenoemde gedragsdeskundigen als de reclassering adviseren om aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op te leggen.

Het hof volgt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] en de reclassering, en maakt deze tot de zijne.

Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of de door de rechtbank opgelegde tbs met dwangverpleging ook in hoger beroep moet worden opgelegd door het hof of dat volstaan kan worden met de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Volgens de wettekst van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de tbs met dwangverpleging bevelen indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. Er moet sprake zijn van dusdanig gevaar voor ernstige recidive dat maakt dat dwangverpleging geboden is.

Het hof heeft hiervóór overwogen dat het op grond van de conclusies van de gedragsdeskundigen uitgaat van een laag recidiverisico, dat onder specifieke omstandigheden met een lange aanloop kan oplopen, voornamelijk in het geval van een partnerrelatie en financiële problemen. De concrete situatie rondom de verdachte maakt dat hij niet, in ieder geval niet op korte termijn, een nieuwe partnerrelatie zonder toezicht daarop zal aangaan en in de financiële problemen zal komen. De verdachte wordt immers veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en is op het moment dat hij eventueel kan terugkeren in de maatschappij al aanzienlijk op leeftijd, hetgeen risico verlagend is, mede gezien de lange aanloop naar het bewezenverklaarde handelen van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat bij dit lage recidiverisico en de omstandigheden zoals die in onderhavige zaak gelden oplegging van tbs met dwangverpleging niet vereist is. Het hof zal daarom niet overgaan tot het opleggen van een tbs met dwangverpleging. Het hof gaat er op basis van de adviezen van de gedragsdeskundigen van uit dat voor het beperken van het recidiverisico kan worden volstaan met het opleggen van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Nu het hof de gevangenisstraf aan de verdachte heeft opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, is aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr voldaan. Met deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte na afloop van de gevangenisstraf onder toezicht te stellen teneinde dreigende recidive te kunnen signaleren en daarop te kunnen acteren. De problematiek van de verdachte blijft zeer waarschijnlijk de rest van zijn leven aanwezig, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de gevangenisstraf passend en geboden zijn. Het hof zal daarom tot de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking overgaan, zodat - indien aangewezen - na afloop van de gevangenisstraf en op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter, na beoordeling van de op dat moment actuele situatie, de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden bevolen.”

De hiervoor geciteerde overwegingen van het hof houden in dat uit de meest recente deskundigenrapportages, van [deskundige 1] en [deskundige 2] , en uit de reclasseringsrapportage volgt, dat het risico op recidive door de verdachte als laag wordt ingeschat, mits wordt voorzien in “adequaat risicomanagement”. Het hof heeft deze bevindingen en conclusies gevolgd en tot de zijne gemaakt. Vanwege de inschatting van de kans op herhaling als laag heeft het hof gemeend dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van tbs met dwangverpleging niet eist. In het gegeven dat de problematiek van de verdachte zeer waarschijnlijk de rest van zijn leven aanwezig blijft, heeft het hof wel aanleiding gezien voor oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Ik begrijp deze overwegingen zo dat het hof het voor het voorkomen van recidive, gelet op de bij de verdachte vastgestelde psychische problematiek, niet nodig acht een tbs met verpleging van overheidswege op te leggen, maar wel de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking. Bepalend daarbij is dat de omstandigheden waaronder recidive zou kunnen plaatsvinden, het delictscenario, na afloop van de detentie goed te controleren zijn met die laatste maatregel. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende redenering acht ik niet innerlijk tegenstrijdig of anderszins onbegrijpelijk.

Het vijfde middel is eveneens tevergeefs voorgesteld.

7. Afronding

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?