PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01387
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23002619-23), na gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 september 2023, veroordeeld wegens:
- in de zaak met parketnummer 15-308171-21 (zaak A): 1. “poging tot doodslag” en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”;
- in de zaak met parketnummer 15-307679-21 (zaak B): “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”;
- in de zaak met parketnummer 15-247662-20 (zaak C): “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en
- in de zaak met parketnummer 10-277676-21 (zaak D): 1. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, 2. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en 3. “handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.
Daarvoor heeft het hof een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 22 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zijn naast de algemene voorwaarden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals in het arrest omschreven, die bovendien dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. Verder heeft het hof aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opgelegd. Een eveneens aan de orde zijnde vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee maanden is door het hof afgewezen. Tot besluit heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.S. Nan, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dit middel ziet op de onder parketnummer 15-308171-21 (zaak A) als feit 1 bewezenverklaarde poging tot doodslag.
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft A. van Kernebeek, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie ingediend. Dit middel heeft betrekking op de terzake parketnummer 15-308171-21 (zaak A) deels toegewezen vordering van de benadeelde partij.
2. Het namens de verdachte voorgestelde middel
Het namens de verdachte voorgestelde middel bevat de klacht dat het hof het verweer strekkende tot noodweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Meer in het bijzonder richt het middel zich tegen het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als verdediging, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moeten worden beschouwd.
De relevante delen van het arrest en het proces-verbaal van de zitting
Ten laste van de verdachte is onder parketnummer 15-308171-21 (zaak A) als feit 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 14 november 2021 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van hel leven te beroven, met een mes in de hartstreek, en in de arm van die voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
Deze bewezenverklaring steunt onder andere op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“Bewijsmiddelen
Ten aanzien van parketnummer 15/308171-21 (zaak A), feit 1 primair (…):
1. Een proces-verbaal van aangifte van 20 november 2021. in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 13-16.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 20 november 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van aangever.
Ik had op 14 november 2021 een keukenmes meegenomen uit bescherming. Ik droeg het mes in een tas op mijn buik. Bij [a-straat] zag ik jongens aankomen. De langste jongen kwam er toen bij (het hof begrijpt: de [verdachte] ) en pakte [getuige 1] vast. Hij sloeg hem toen een paar keer op zijn kaak. Hij sloeg met twee handen met zijn vuisten. Ik wilde loskomen maar de jongen met bontkraag hield me vast. Ik zag dat de langste jongen een mes tevoorschijn haalde. Ik zag toen dat de lange jongen mij met het mes in mijn hart stak. De jongen trok het mes uit mij en wilde me nog een keer steken. Ik hield mijn hand voor mijn hart. Ik zag toen dat de lange jongen mij nog twee keer stak. De steek ging in mijn arm.
V: Aan aangever wordt de politiefoto getoond van [verdachte] .
A: Dit is de jongen die mij heeft gestoken, 100% zeker.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 50-5 7.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 15 november 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]
We zagen 5 jongens die op ons stonden te wachten. Er kwamen er nog 2 bij op een scooter. Deze jongens sprongen van de scooter af en sprongen op mij en begonnen op mij in te slaan. De langste jongen met de beugel (het hof begrijpt: de [verdachte] ) begon mij vast te pakken en als eerste te slaan. Hij sloeg twee keer met zijn vuist en trok aan mijn haren en duwde mij tegen een winkel aan.
Ik had mijn hoofd een beetje omlaag omdat ik klappen kreeg. Ik weet niet op wie hij zijn arm had gelegd. Toen [slachtoffer] zijn hand op de arm zette begon de man [slachtoffer] ineens te steken. Ik zag dat de man [slachtoffer] twee keer stak. Het mes zat in een hoes onder zijn broek.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 59-61.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:
Wij verbalisanten toonden [getuige 1] vervolgens een afbeelding van cameratoezicht Formerend, cameralocatie [a-straat] [plaats] Wij hoorden hem zeggen dat de langste jongen geheel in het zwart links op de foto degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken, en dat de jongen met de bontkraag [slachtoffer] bij zijn armen vast heeft gehouden. Hij verklaarde dat de jongen in het zwart eerst hem wilde steken waarop [slachtoffer] de arm van de jongen weg sloeg, waarop de jongen hem stak.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 2 februari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 195-196.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 2 februari 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 2] :
In de avond van 14 november 202 liep ik door de [b-straat] te [plaats] . Ik zag en hoorde op enig moment dat er een ruzie gaande was op de hoek van de [c-straat] met de [b-straat] . Ik zag dat er meerdere jongens met elkaar aan het duwen en slaan waren. Ik zag vervolgens op een gegeven moment dat een lange jongen van onder zijn jas met zijn rechter hand een glimmend voorwerp tevoorschijn haalde. Ik meende te zien dat dit een groot mes was. Het was in ieder geval een glimmend voorwerp. Ik zag dat deze lange jongen vervolgens een stekende beweging maakte naar een andere jongen die tegenover hem stond.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 29 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 190-194.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de op 29 november 2021 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 3] .
Ik was Op 14 november 2021 in de avond aan het werk als bezorger bij [A] . Ik zag een jongen op de grond liggen, die werd gereanimeerd door de politie. Dat was voor [B] . Ik ken die jongen als [slachtoffer] . Ik had hem eerder op de avond ook gezien. Hij was met een groepje vrienden. Ze waren mij aan het treiteren. [getuige 1] zei tegen mij: Leeg je zakken. [slachtoffer] , zijn broertje [betrokkene 1] , [getuige 1] (naar het hof begrijpt: [getuige 1] ) was er ook bij en nog meer jongens. Toen kwam ik [verdachte] (naar het hof begrijpt: de verdachte) tegen. Ik zei tegen hem dat dat die jongens mij wilden beroven. [verdachte] vroeg waar deze jongens waren. Ik zei dat ik ze voor het laatst bij de [d-straat] had gezien. Toen zag ik dat [verdachte] daar heen liep. Toen reed ik weer door de stad en kwam [verdachte] weer tegen. Hij zei dat hij de jongens niet had gevonden en vroeg aan mij of ik wilde kijken waar ze waren. Op [a-straat] waren [verdachte] en [medeverdachte 1] (haar het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en een vriend van hun. Ik kwam die jongens tegen. Ik ben teruggegaan naar [verdachte] en [medeverdachte 1] en heb ze verteld waar die jongens waren.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 143.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Ik, [verbalisant 1] , weet wat de identiteit is van de personen die door [verbalisant 5] in het proces-verbaal waarin hij camerabeelden beschrijft worden opgesomd. Namelijk:
BE1: [getuige 1] (vriend slachtoffer)
BE2: [verdachte]
BE3: [medeverdachte 1]
BE4: [medeverdachte 2]
BE5: [slachtoffer]
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 23 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 127-142.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
BE2, BE3 en BE4 liepen naar [a-straat] . Terwijl zij daar waren kwam een fietskoerier [a-straat] opgereden. De fietskoerier stond vervolgens ongeveer vier minuten stil, direct naast BE2, BE3 en BE4. Kennelijk hadden zij contact met elkaar. Ongeveer twee minuten later fietste de fietskoerier weer [a-straat] op. De fietskoerier maakte kennelijk wederom contact met BE2, BE3 en BE4. Terwijl hij op hun af fietste maakte hij een gebaar met zijn rechterhand. Hij fietste vervolgens direct langs BE2, BE3 en BE4, die in de richting van de fietskoerier keken. Direct nadat de fietskoerier langs ze fietste, liepen BE2, BE3 en BE4 richting de [e-straat] en [c-straat] . De fietskoerier draaide om, passeerde BE2, BE3 en BE4 en fietste verder in de richting van de [e-straat] en [c-straat] . Bij het passeren keken BE2, BE3 en BE4 in de richting van de fietskoerier. Terwijl zij weg liepen van [a-straat] had een van hun een capuchon op. Op het moment dat zij de [c-straat] in liepen, hadden BE2 en BE4 hun capuchon op gedaan. BE2 had tevens een mondkapje op en handschoenen aan.
Van hetgeen zich vervolgens afspeelde in de [c-straat] had ik geen beeld. Echter, binnen ongeveer de drie minuten nadat B2, BE3 en BE4 de [c-straat] in waren gelopen, vond de vechtpartij en/of steekpartij plaats.
Vechtpartij/steekpartij:
BE1 werd door BE2 naar achteren geduwd, de [c-straat] uit. Zij kwamen daardoor in de [b-straat] terecht. Bij het duwen stapte BE1 naar achteren. BE2 hield zijn arm gestrekt naar BE1, ter hoogte van zijn keel. Terwijl BE2 zijn arm gestrekt had naar de keel van BE1, kwam BE5 vanuit de [c-straat] in beeld. BE5 liep op BE1 en BE2 af. BE5 werd daarvan weerhouden door BE3. BE3 hield namelijk met een arm de rechterarm van BE5 vast. BE2 sloeg vervolgens meerdere keren naar en op BE 1. Bij een van de klappen zag ik het hoofd van BE1 naar achteren gaan. BE1 stapte herhaaldelijk naar achteren en weg van BE2. BE2 bleef echter op BE1 afgaan. BE3 en BE4 liepen achter hun aan en om hun heen. Op het moment dat BE2 kortstondig stopte met vechten, maakte BE4 een flying kick naar BE1. Het gevecht verplaatste zich vervolgens naar de [c-straat] , uit beeld. Tijdens het vechten ging de capuchon van BE2 af, waardoor zijn bos krullen (en gezicht) duidelijk in beeld kwam.
Ongeveer vijf tot acht seconden nadat zij uit beeld waren verdwenen de [c-straat] in, kwam BE5 de [c-straat] weer uit gerend. Hij rende weg van de groep. Hij rende door de [b-straat] in de richting, van de [f-straat] . BE3 rende achter hem aan.
BE5 liep naar het terras van de mij ambtshalve bekende [B] . BE (naar het hof begrijpt 5) ging zitten aan een terrastafel. Vijf minuten later kwam een politiewagen en kort daarna werd door de politieagenten gestart met het reanimeren van BE5.
(…)
12. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 15 november 2021, dossierpagina’s 211-216.
Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Op 14 november 2021 in [plaats] ontstond een gevecht. Ik voelde dat ik in mijn been werd gestoken. Ik heb terug gestoken.”
Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte voor het onder parketnummer 15-308171-21 (zaak A) als feit 1 bewezenverklaarde, voor zover voor de bespreking van het middel van belang:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Zaak A feit 1
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Nadat de verdachte door aangever met een mes in zijn been was gestoken, heeft hij, enkel en alleen om zichzelf tegen deze aanval te verdedigen, de verdachte met een mes gestoken. Deze verdediging was in overeenstemming met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, aldus de raadsman die een en ander uitvoerig uiteen heeft gezet in zijn pleitnota.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van het beroep op noodweer, omdat de verdachte bij de confrontatie als eerste fysiek geweld toepaste en zijn gedragingen daarmee in de kern als aanvallend getypeerd moeten worden.
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat van noodweer sprake is als het begane feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Een beroep op noodweer kan volgens de rechtspraak van de Hoge Raad niet worden aanvaard als de gedraging van de verdachte, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging”, maar - naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).
Ten aanzien van de feitelijke gang van zaken overweegt het hof als volgt.
Terecht heeft de raadsman naar voren gebracht dat bij het vaststellen van de feitelijke gang van zaken (uiterst) problematisch is dat er wisselende verklaringen zijn afgelegd dan wel dat er in een later stadium uitdrukkelijk teruggekomen wordt op eerder afgelegde verklaringen door verschillende aangevers, getuigen dan wel verdachten. Dat leidt het hof er met de rechtbank toe deze verklaringen met behoedzaamheid te beoordelen. Het hof zal om deze reden - net als de rechtbank - enkel die verklaringen voor het bewijs gebruiken, welke in voldoende mate worden ondersteund door overig objectief en betrouwbaar geacht bewijsmateriaal, te weten de bewegende beelden, de resultaten van het DNA onderzoek op de nabij de plaats delict aangetroffen hoes van een mes en de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Tegen deze achtergrond acht het hof de verklaring van aangever [slachtoffer] (verder [slachtoffer] ) in zijn aangifte van 20 november 2021 en de verklaringen van [getuige 1] (verder [getuige 1] ) van 15 en 22 november 2021, dat de verdachte als eerste fysiek geweld heeft gebruikt, een mes (uit een hoes) heeft getrokken en met dat mes [slachtoffer] heeft gestoken betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.
Op basis van de ter terechtzitting in hoger beroep afgespeelde bewegende beelden, de resultaten van het DNA onderzoek, de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] alsmede bovengenoemde verklaringen van de aangever en [getuige 1] stelt het hof de volgende gang van zaken vast.
Vroeg in de avond van 14 november 2021 had de verdachte in [plaats] een confrontatie met een groepje jongeren waartoe [slachtoffer] behoorde. [slachtoffer] is vervolgens naar zijn ouderlijk huis gegaan en heeft een keukenmes bij zich gestoken. Later op de avond hebben beide groepjes jongeren elkaar bewust opnieuw opgezocht en getroffen in het centrum van [plaats] . Het groepje van [slachtoffer] bestond op dat moment naast [slachtoffer] uit zijn broertje [betrokkene 1] , [getuige 1] en [betrokkene 2] . Het groepje van de verdachte bestond behalve uit de verdachte uit zijn broer [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Bij deze tweede confrontatie was het de verdachte die als eerste fysiek geweld gebruikte en wel tegen [getuige 1] . De verdachte duwde [getuige 1] naar achteren, heeft hem meerdere keren geslagen en bleef uithalen, ook toen [getuige 1] achterwaarts bewoog. Ook kreeg [getuige 1] een flying kick te incasseren. [slachtoffer] die zijn vriend te hulp wilde komen, werd tegengehouden. Op enig moment wist [slachtoffer] los te komen en heeft hij de verdachte met een mes in zijn been gestoken om zijn vriend te hulp te schieten. Vervolgens heeft de verdachte met een groot mes in het hart en de rechteronderarm van [slachtoffer] gestoken.
Evenals de rechtbank komt het hof tot de conclusie dat de verdachte [slachtoffer] met het door hem zelf meegenomen mes heeft neergestoken. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat op de en nabij de plaats delict en op de route die de verdachte na het steekincident heeft gelopen, een hoes van een mes is aangetroffen met daarop DNA-sporen die matchen met de verdachte alsmede de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] die een min of meer gelijkluidende beschrijving van het mes van de verdachte geven en de omschrijving van [getuige 1] over het geluid dat gepaard ging met het uit de hoes trekken van het mes door de verdachte. Voorts draagt aan deze conclusie de verklaring van de (onafhankelijke) [getuige 2] bij, inhoudende dat de verdachte een mes onder zijn kleding vandaan haalde. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte dat hij geen eigen mes bij zich had en slechts het mes van [slachtoffer] heeft opgeraapt om daarmee te steken.
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toe komt, omdat in de confrontatie met het groepje van aangever de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als verdediging, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moeten worden beschouwd.
Vanaf het moment waarop de verdachte met een groot mes in zijn broek verhaal ging halen, door tezamen met zijn broer en vriend op zoek te gaan naar aangever, waren zijn handelingen gericht op een confrontatie. Op het moment dat de twee groepjes jongeren elkaar daadwerkelijk troffen, was het de verdachte die als eerste fors fysiek geweld gebruikte (jegens [getuige 1] ), waarna ook de broer van de verdachte zich zeer agressief tegen [getuige 1] keerde. Dit maakt dat van een noodweersituatie geen sprake is geweest. Het enkele feit dat in vervolg op het door de verdachte en zijn broer toegepaste geweld tegen [getuige 1] aangever de verdachte met een mes in zijn been stak, waartegen de verdachte zich vervolgens naar eigen zeggen verdedigd heeft, maakt dit niet anders.
Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer is daarom niet voldaan, om welke reden het verweer van de raadsman wordt verworpen.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd aan de hand van zijn in het dossier gevoegde pleitnotities. Uit die pleitnotities volgt dat namens de verdachte een beroep op noodweer(exces) is gedaan.
Het middel
Ter onderbouwing van het middel wordt aangevoerd dat de bewezenverklaarde gedraging van de verdachte een reactie was op de daaraan voorafgaande aanval van het slachtoffer op de verdachte, door de verdachte met een mes in zijn been te steken. Het enkele feit dat sprake was van een gezochte confrontatie tussen enerzijds de groep van de verdachte en anderzijds de groep van het slachtoffer, of dat de verdachte daarbij als eerste fysiek geweld heeft gebruikt, kan volgens de steller van het middel in de gegeven omstandigheden niet in de weg staan aan een geslaagd beroep op noodweer.
Het juridisch kader
Volgens art. 41 lid 1 Sr is niet strafbaar “hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.”
Bij de bespreking van het middel is verder relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over noodweer(exces), HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, heeft overwogen:
“Verdediging van specifieke rechtsgoederen
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.”
In het algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad hiermee tot uitdrukking heeft gebracht dat een beroep op art. 41 Sr alleen kan slagen als de verdachte bij het plegen van het feit handelde met een ‘verdedigingswil’. Dat wil zeggen dat de wederrechtelijke aanranding de reden moet zijn voor het gedrag van de verdachte. De door de Hoge Raad gebruikte term “bedoeling” suggereert dat het gaat om een subjectieve voorwaarde, dat wil zeggen een interne gerichtheid van de verdachte op het verdedigen van het aangevallen rechtsgoed. De verdachte moet daarbij, zo formuleert Jansen, “zuivere motieven hebben” en de situatie niet misbruiken om de aanvaller “te grazen te nemen”. Ontbreekt deze verdedigingswil, dan is dit een zelfstandige grond om het beroep op noodweer te verwerpen en is het niet meer nodig om te onderzoeken of aan de overige voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer is voldaan.
Dat het gaat om een zelfstandige verwerpingsgrond, brengt echter ook mee dat het beroep op noodweer faalt als wél aan alle andere eisen van art. 41 Sr is voldaan en enkel de verdedigingswil ontbreekt. Jansen onderscheidt twee situaties waarin de verdedigingswil los van de andere voorwaarden voor noodweer een rol kan spelen. Ten eerste de situatie dat er weliswaar een aanranding door het slachtoffer plaatsvond, maar de verdachte dat (nog) niet wist. Ten tweede het geval dat de aanvaller de aanranding wel kende, maar een andere reden had voor zijn gedrag tegen het slachtoffer, zoals het hiervoor genoemde misbruik van de situatie.
In deze laatste situatie komt de focus dan geheel te liggen op de vaststelling van het bestaan of ontbreken van de verdedigingswil. In de aangehaalde overweging van de Hoge Raad worden de ‘verdedigende’ gedraging en de ‘aanvallende’ gedraging weergegeven als elkaar uitsluitende alternatieven. Mocht komen vast te staan dat sprake was van een dergelijke aanval, dan zal dit dus ook moeten leiden tot verwerping van het beroep op noodweer. Op welke van die aspecten, verdediging dan wel aanval, de nadruk komt te liggen, kan afhangen van de plaats die men de verdedigingswil toekent bij de beoordeling van een beroep op noodweer: is het een positief vereiste dat voor een geslaagd beroep op noodweer altijd aannemelijk dient te worden of is het een uitzonderlijke reden om een beroep op noodweer af te wijzen? Als dat laatste het geval is, zal eerder de nadruk liggen op de vraag of sprake is van een aanval. Van Varsseveld neemt aan dat de verdedigingswil geen vereiste is, maar alleen als verwerpingsgrond in beeld komt als de gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm aanvallend is. Arendse constateert ook dat in de rechtspraak van de Hoge Raad vaak de vraag aan de orde is of sprake is van een aanval. Daaruit leidt zij af dat de verdedigingswil geen positief vereiste is, maar dat die wordt vermoed aanwezig te zijn als sprake is van een ‘noodweersituatie’. Pas wanneer blijkt dat de gedraging in de kern aanvallend was, kan die aan een beroep op noodweer in de weg staan.
Verder kan volgens de Hoge Raad het ontbreken van verdedigingswil dan wel het karakter van een aanval, hetzij volgen uit de bedoeling van de verdachte, hetzij uit de uiterlijke verschijningsvorm. Voor het vaststellen van de bedoeling van de verdachte zal van belang zijn wat de verdachte daar zelf over heeft verklaard tegen politie en justitie of tegen anderen. Maar de bedoeling kan ook uit andere feiten en omstandigheden worden afgeleid, die de verklaring van de verdachte ook kunnen weerspreken. Wanneer andere bronnen over de bedoeling van de verdachte ontbreken, dan kan de rechter terugvallen op de uiterlijke verschijningsvorm. Arendse en Van Varsseveld menen in navolging van hun uitgangspunt dat de verdedigingswil geen positief vereiste is, zoals gezegd, dat de vraag naar de bedoeling van de verdachte in de regel pas aan de orde komt als diens gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm aanvallend is. De verdachte kan dan ‘het vermoeden’ dat de bedoeling aanvallend was, weerleggen.
Naar mijn mening geven deze auteurs inderdaad de gang van zaken in de rechterlijke beoordelingspraktijk weer, maar ik vraag me af of daaruit kan worden afgeleid dat het hebben van een verdedigingswil geen positief vereiste is. Gelet op de consequenties van het ontbreken van die wil, is niet goed voorstelbaar dat die niet steeds vereist moet zijn voor een geslaagd beroep op noodweer. Een andere vraag is of de aanwezigheid van die wil steeds expliciet moet worden vastgesteld of dat die vaststelling besloten kan liggen in motivering dat aan alle andere vereisten voor noodweer is voldaan. Bij het aannemen van een wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zal al snel, op grond van de uiterlijke verschijningsvorm, kunnen worden aangenomen dat bij de verdachte een verdedigingswil bestaat. Het is ook nauwelijks voorstelbaar dat een beroep op noodweer geen grondslag vindt in de verklaring van de verdachte (“Hij begon!”).
Aan de vaststelling dat de verdedigingswil ontbreekt, zullen wel de nodige eisen moeten worden gesteld. Daarbij zal vaak verder moeten worden gekeken dan naar de directe aanleiding voor het bewezenverklaarde gedrag. Zoals hiervoor vermeld, kan die directe aanleiding immers ook een (wederrechtelijke) aanranding zijn, terwijl uit andere omstandigheden desalniettemin kan worden afgeleid dat de verdedigingswil ontbrak. Zo nodig zullen dus vaststellingen moeten worden gedaan over het tijdsverloop van verschillende incidenten en over het moment waarop en de context waarin de verdachte de bewezenverklaarde handelingen heeft verricht. In hun motivering dienen rechters ook aandacht te besteden aan de stellingen van de verdachte die afdoen aan de feiten waarop zij hun oordeel baseren. Als het gaat om het oordeel over het bestaan van een verdedigingswil, wil ik verder nog wijzen op de standaardoverweging van de Hoge Raad waar die zegt dat de wil ontbreekt als de gedraging “naar de kern bezien” als aanvallend moet worden gezien. Daaruit leid ik af dat ook als het gedrag van de verdachte elementen van verdediging in zich draagt, toch kan worden aangenomen dat de verdedigingswil ontbreekt als het in overwegende mate gaat om een aanval.
De Hoge Raad noemt bovendien in de geciteerde standaardoverweging als voorbeeld van een gedraging die als aanvallend moet worden gezien, gedrag dat is gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Ik wijs hier op een vijftal arresten van Hoge Raad waarin de vraag naar het bestaan van verdedigingswil aan de orde was gedurende een zodanige confrontatie of gevecht.
De casus in HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5376 was dat de verdachte samen met een ander een woningoverval pleegde met gebruikmaking van een vuurwapen en een honkbalknuppel. Op een gegeven moment raakte een van de bewoners in een worsteling met de medeverdachte en de bewoner stak deze daarbij verschillende keren. De verdachte schoot de bewoner neer. De verdediging stelde dat verdachte schoot om een einde te maken aan het insteken op de medeverdachte. Het hof achtte dit motief echter niet aannemelijk omdat de verdachte dit niet had verklaard en het motief ook niet anderszins naar voren was gekomen. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en vooral ook feitelijk van aard.
In HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2175 was sprake van een vechtpartij waarbij de verdachte, samen met anderen, het slachtoffer heeft geschopt terwijl die op de grond lag. Op een gegeven moment zat het slachtoffer op een van zijn aanvallers, waarna de verdachte het slachtoffer met zijn voet heeft weggeduwd. Naar eigen zeggen was dit om degene die onder lag te beschermen tegen onmiddellijk dreigend gevaar. Het hof honoreerde dit beroep op noodweer niet. De Hoge Raad overwoog dat het hof kennelijk niet aannemelijk heeft geacht dat sprake was van een voor de onderliggende persoon onmiddellijk dreigend gevaar waartegen een noodzakelijke verdediging door de verdachte geboden was. Daarin lag als het oordeel van het hof besloten dat de door de verdachte als "afrollen" aangeduide handelwijze moest worden beschouwd als aanvallend en gericht op deelneming aan het gevecht en niet als verdedigend.
In de zaak die ten grondslag lag aan HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043 werd vastgesteld dat de verdachte achter een eerste persoon aanliep en grof geweld pleegde tegen een tweede persoon. Het oordeel dat dit gedrag van de verdachte een aanvallend karakter had, achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Het hof had namelijk ook vastgesteld dat de verdachte, voordat hij achter de eerste persoon is aangerend, zelf was gestoken door een ander lid van het groepje waartoe beide personen behoorden, dat op het moment dat de verdachte achter de eerste persoon aanrende sprake was van een aanval door de eerste persoon op een medeverdachte, en dat daarna de tweede persoon op de verdachte en de medeverdachte af is komen rennen. De Hoge Raad miste voldoende nauwkeurige feitelijke vaststellingen.
Dan noem ik nog HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:633. Tijdens een drugsdeal bevonden en twee kopers en twee verkopers, waaronder de verdachte, zich in een auto. Beide kampen hadden vuurwapens bij zich. Tussen hen ontstond onenigheid en vrijwel gelijktijdig zetten zij een worsteling in, waarbij het vuurwapen van een van de kopers per ongeluk afging. De inzittenden verlieten, al dan niet vechtend, de auto. De kopers en de verdachte begonnen vervolgens praktisch gelijktijdig op elkaar te schieten. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat de gewelddadige gedragingen van beide kanten niet kunnen worden opgevat als verdediging. Volgens de Hoge Raad was dit terecht. In die vaststellingen lag namelijk mede besloten dat het hof de gebeurtenissen heeft opgevat als een samenhangend geheel van elkaar in een escalatie snel opvolgende gedragingen waarbij niet aannemelijk is geworden dat die gedragingen uitsluitend of in overwegende mate het gevolg waren van het afgaan van het pistool.
In HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:291 had het hof geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend moesten worden gezien. Dit oordeel achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Een van de gebruikte bewijsmiddelen hield namelijk in dat de stekende en zwaaiende bewegingen met een mes door de verdachte in de richting van het slachtoffer, direct volgden op de harde klap van het slachtoffer met een boksbeugel tegen het hoofd van de verdachte en dat deze verder plaatsvonden in een situatie van door hen beiden over en weer gepleegde geweldshandelingen.
Uit de laatste twee arresten (2.19 en 2.20) zou kunnen worden afgeleid dat het enkele feit dat dat men deelneemt aan een gevecht waarin het geweld zich opstapelt, nog niet betekent dat de verdedigingswil ontbreekt. In die arresten werd immers relevant geacht of het gevecht is begonnen door een handeling waartegen enige verdediging gerechtvaardigd is. Dat geldt ook voor het onder 2.18 beschreven arrest, waarin de Hoge Raad miste dat over dat aspect vaststellingen waren gedaan.
In de onder 2.16 en 2.17 beschreven zaken was steeds sprake van een conflict dat duidelijk was begonnen met (dreigend) geweld van (onder andere) de verdachte, terwijl zich tijdens die confrontatie een situatie voordoet die lijkt op een aanranding door het latere slachtoffer. Aan deze arresten kan ik echter weinig afleiden over de betekenis van die aanranding voor het vaststellen van de verdedigingswil bij de latere verdachte. In het onder 2.17 genoemde arrest betrok de Hoge Raad in zijn redenering dat de verdachte op dat moment niet handelde ter afwending van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ander. Daaruit zou ik in dit geval echter niet (a contrario) willen concluderen dat als zich tijdens een gevecht wel een noodweersituatie voordoet, zonder meer moet worden aangenomen dat de daaropvolgende handeling getuigt van een verdedigingswil. De Hoge Raad gebruikt de vaststelling dat geen sprake was van een noodweersituatie namelijk niet op zichzelf redengevend voor het ontbreken van de verdedigingswil, maar leidt daaruit enkel af wat het oordeel van het hof is geweest.
Uit het onder 2.16 besproken arrest kan naar mijn mening niet de (tegenovergestelde) conclusie worden getrokken dat dat de verdedigingswil zonder meer ontbreekt als zich een noodweersituatie voordoet tijdens een door de verdachte geïnitieerd gevecht. Het cassatiemiddel had namelijk slechts betrekking op de feitelijke vaststelling van het hof. De Hoge Raad heeft dit arrest overigens ook niet expliciet in de sleutel gezet van het ontbreken van de verdedigingswil.
De bespreking van het middel
Het middel keert zich niet tegen de vaststellingen van het hof dat de verdachte als eerste geweld heeft gebruikt, dat dit gericht was tegen [getuige 1] / [getuige 1] en dat de verdachte met het mes dat hij zelf bij zich had het slachtoffer in de borst en de arm heeft gestoken. Wel meent de steller van het middel dat het hof niet secuur genoeg de feiten en omstandigheden heeft vastgesteld dat “het ‘op enig moment’ nodig was voor [slachtoffer] om los te komen en verzoeker te helpen om [getuige 1] te helpen”. Dit onderdeel van het middel faalt alleen al omdat het hof in het geheel niet heeft vastgesteld dat het handelen van het slachtoffer nodig was om [getuige 1] te helpen. Het hof heeft slechts de handelingen en motieven van het slachtoffer vastgesteld, maar niet de vraag beantwoord naar de noodzaak van die handelingen. Het lijkt erop dat het hof bewust verre is gebleven van de vraag in hoeverre het slachtoffer bij het steken van de verdachte uit noodweer handelde.
Meer inhoudelijk lijkt het middel te betogen dat de gedragingen van de verdachte vanaf het moment dat het slachtoffer met een mes in het been van de verdachte stak, niet (langer) als aanvallend kunnen worden beschouwd, maar juist als verdedigend moeten worden aangemerkt. Met het steken in het been van de verdachte zou zich binnen de al aan de gang zijnde confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer een nieuwe omstandigheid hebben voorgedaan die maakt dat vanaf dat moment van een nieuwe aanval kan worden gesproken, maar dan vanuit het slachtoffer op de verdachte. Die nieuwe aanval leverde een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte gerechtigd was zich te verdedigen, zo begrijp ik het middel.
Zoals als ik hiervoor heb uiteengezet, lees ik in de rechtspraak van de Hoge Raad niet dat een dergelijke verdedigingswil zonder meer ontstaat bij de verdachte die deelneemt aan een gevecht en als gevolg daarvan zelf wordt aangevallen. Ook bij over en weer gepleegde geweldshandelingen en zelfs bij elkaar in een escalatie snel opvolgende gedragingen kan sprake blijven van een aanval. Van belang kan dan wel zijn wat de aanleiding is geweest voor het gevecht. Wat dat betreft houden de vaststellingen van het hof in deze zaak onder meer in dat de groep van de verdachte en de groep van het slachtoffer elkaar bewust hebben opgezocht, dat zowel de verdachte als het slachtoffer was bewapend met een tevoren meegebracht mes en dat de verdachte als eerste “fors fysiek geweld” heeft gebruikt tegen een persoon uit de groep van het slachtoffer. Deze persoon was [getuige 1] , een vriend van het slachtoffer. Dit geweld heeft volgens het hof bestaan uit het door de verdachte naar achteren duwen, meerdere keren slaan van en blijven uithalen naar [getuige 1] , ook toen [getuige 1] naar achteren bewoog. Van een andere persoon uit de groep van de verdachte kreeg [getuige 1] ook een zogenoemde ‘flying kick’.
Dat hiermee sprake was van een aanval door de verdachte staat dan wel vast. De vraag kan echter worden gesteld of daarmee de verdedigingswil komt te ontbreken voor iedere daaropvolgende handeling van de verdachte of dat zich ontwikkelingen kunnen voordoen die zodanig ver verwijderd zijn van (de aard van) het gevecht en waarop de verdachte niet bedacht hoefde te zijn, zodat dat deze handelingen niet meer voortvloeien uit de oorspronkelijke ‘bedoeling’. Gedacht zou kunnen worden aan ontwikkelingen die geen verband houden met de oorspronkelijke aanval of voortkomen uit personen op wie de aanval, ook in voorwaardelijke zin, geen betrekking had. Ook zou gedacht kunnen worden aan geweld tegen anderen dan degene die bij het gevecht zijn betrokken of aan een onevenwichtigheid in het over en weer gepleegde geweld. Ten slotte zal van belang zijn of het gevecht steeds doorliep of dat daarin een pauze voorkwam waardoor aanval dan wel verdediging (over en weer) op enig moment geen sprake meer is, zodat bij daaropvolgende handelingen opnieuw zal moeten worden bezien met welke intentie de betrokkenen handelden.
Dergelijke omstandigheden heeft het hof echter niet vastgesteld. Het hof heeft slechts geconcludeerd dat het slachtoffer, die [getuige 1] te hulp wilde schieten, aanvankelijk werd tegengehouden, maar op enig moment toch los wist te komen en de verdachte in zijn been heeft gestoken. Hierna, aldus de overwegingen van het hof, heeft de verdachte het slachtoffer in zijn hart en rechteronderarm gestoken. Daarmee houden de handelingen van het slachtoffer en de verdachte verband met het door de verdachte begonnen gevecht. De aanval was volgens de vaststellingen van het hof bovendien al vanaf het begin gericht tegen de groep waarvan ook het slachtoffer deel uitmaakte. Verder zie ik geen onevenwichtigheid in het geweld, waarbij zowel het slachtoffer als de verdachte gebruikmaakte van een door hemzelf van tevoren bij zich gestoken mes.
Het middel faalt.
3. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
Het middel namens de benadeelde partij is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot schadevergoeding op de grond dat sprake is van een mate van eigen schuld van de benadeelde partij. In het verlengde daarvan komt het middel ook op tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor een lager bedrag dan namens de benadeelde partij was verzocht. Beide oordelen zouden getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd zijn.
Ik stel voorop dat de benadeelde partij volgens art. 437 lid 3 Sv in cassatie alleen kan opkomen tegen een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft. Voor zover het middel zich richt tegen de opgelegde schadevergoedingsmaatregel moet het daarom buiten bespreking blijven.
In eerste aanleg heeft de benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces gevoegd. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken volgt dat deze in totaal € 28.537 bedroeg. Hiervan werd € 16.037 gevorderd voor materiële schade en € 12.500 voor immateriële schade. Door de rechtbank is de vordering integraal toegewezen, als gevolg waarvan de vordering in hoger beroep opnieuw in zijn geheel aan de orde was.
Het hof heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 21.402,75, bestaande uit € 12.027,75 voor geleden materiële en € 9.375,00 voor geleden immateriële schade. Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen over de vordering van de benadeelde partij, voor zover van belang voor de bespreking van het middel:
“Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ( zaak A feit 1)
(…)
De advocaat van de benadeelde partij heeft het hof verzocht de vordering wederom in zijn geheel toe te wijzen, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering in zijn geheel wordt toegewezen met toekenning van wettelijke rente en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, primair vanwege het beroep op noodweer, subsidiair vanwege de onevenredige belasting van het strafproces. Het vaststellen van het aandeel eigen schuld van de benadeelde partij is te complex. Mocht het hof de vordering toch toewijzen dan verzoekt de raadsman het bedrag met 50% te matigen. De schadepost voor studievertraging is eveneens te complex om in het kader van deze strafzaak af te doen. De benadeelde heeft de afgelopen tijd vaak vastgezeten en ook dit zal van invloed zijn geweest op de opgelopen studievertraging, aldus de raadsman.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit daggeld voor de ziekenhuisopnames en vergoeding voor geleden studievertraging, rechtstreeks voortvloeit uit het in zaak A onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit. Anders dan de raadsman van de verdachte heeft bepleit is niet sprake van een dusdanige complexiteit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Met betrekking tot de gestelde studievertraging heeft de benadeelde met de verklaring van [betrokkene 3] , zorgcoördinator van [school] , van 21 juni 2022 voldoende onderbouwd dat de studievertraging een rechtstreeks gevolg is van de steekpartij. De raadsman heeft zijn stelling dat de studievertraging mede een gevolg is van de detentie van de benadeelde daarentegen in het geheel niet onderbouwd.
Verder komt het hof vergoeding van de gevorderde immateriële schade billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof echter wel gebleken dat de benadeelde partij ook zelf schuld droeg aan het incident, omdat hij net als de verdachte zelf bewapend met een mes de confrontatie heeft gezocht.
Alles afwegende acht het hof het redelijk gelet op deze eigen schuld van de benadeelde de ontstane materiële en immateriële schade voor 75% aan de verdachte en voor 25% aan de benadeelde toe te rekenen.
De verdachte is daarom tot vergoeding van 75% van de gevorderde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.”
Bij de bespreking van het middel is art. 6:101 lid 1 BW relevant, waarvan de tekst als volgt luidt:
“Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.”
In de toelichting op het middel worden in wezen twee argumenten aangedragen voor de stelling dat het oordeel van het hof over de eigen schuld van de benadeelde partij geen stand kan houden. Ten eerste zou de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot noodweer maken dat van eigen schuld van de benadeelde partij geen sprake kan zijn. Ten tweede wordt betoogd dat het feit dat in de strafzaak tegen de benadeelde partij is geoordeeld dat hem voor het steken in het been van de verdachte een succesvol beroep op noodweer toekomt, eigen schuld van de benadeelde partij zou uitsluiten.
Met de eigen schuld waar het hof en de steller van het middel aan refereren, wordt gedoeld op de civielrechtelijke regel die is neergelegd in het aangehaalde art. 6:101 lid 1 BW. Ingevolge die bepaling wordt de schadevergoedingsplicht van de aansprakelijke verminderd op de grond dat ook omstandigheden die aan de benadeelde kunnen worden toegerekend tot (het ontstaan van) de schade hebben bijgedragen. De vraag of van eigen schuld van de benadeelde in die zin kan worden gesproken, komt derhalve pas aan de orde nadat is vastgesteld dat de wederpartij jegens de benadeelde aansprakelijk is voor geleden schade. Bij art. 6:101 lid 1 BW gaat het er aldus om of een deel van de door de benadeelde geleden schade, ondanks de aansprakelijkheid van de wederpartij, voor rekening van de benadeelde hoort te blijven.
De beoordeling of van eigen schuld van de benadeelde sprake is, houdt een causaliteitsafweging in, waarbij een condicio sine qua non-verband tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade de absolute ondergrens vormt. Het dient op zijn minst zo te zijn dat zonder de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden de schade niet zou zijn ingetreden, althans dat er minder schade zou zijn. Bij ontbreken van een dergelijk verband kan een beroep op art. 6:101 lid 1 BW niet slagen. Met het bestaan van een condicio sine qua non-verband is de eigen schuld van de benadeelde echter niet gegeven. In de literatuur wordt wel aangenomen dat ook volgens de in art. 6:98 BW bedoelde toerekeningsleer een oorzakelijk verband dient te bestaan tussen de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden en de schade. In lijn daarmee dient de schade in zodanig verband met de aan de benadeelde toe te rekenen omstandigheden te staan dat de schade de benadeelde mede als een gevolg van die omstandigheden kan worden toegerekend.
De veronderstelling in het middel dat de verwerping van het namens de verdachte gevoerde noodweerverweer betekent dat er dus geen aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheden kunnen zijn die mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade, is onjuist. In de verwerping van het verweer van de verdachte strekkende tot noodweer ligt enkel besloten dat het door de benadeelde partij steken in het been van de verdachte geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding opleverde waartegen de verdachte gerechtigd was zich te verdedigen. Dit verweer zag dus op de vraag of het handelen van de verdachte al dan niet onrechtmatig was. De verwerping van dit verweer staat niet in de weg aan het oordeel van het hof dat voorafgaand aan dit handelen door de verdachte door de benadeelde partij gedragingen zijn verricht die mede hebben geleid tot het ontstaan van de schade waarvoor hij vergoeding heeft gevorderd. Die heeft het hof daarin gezien dat de benadeelde partij zelf ook bewapend met een mes de confrontatie heeft gezocht, hetgeen het heeft vertaald naar een toerekening van de ontstane schade aan de benadeelde voor 25%. Dat heeft op zijn beurt geleid tot afwijzing van 25% van de vordering. Gelet op wat onder randnummers 3.6 en 3.7 is vooropgesteld getuigt dat oordeel mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij dat evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd voor.
Ook de klacht dat eigen schuld van de benadeelde partij niet aan de orde kan zijn omdat hem in zijn eigen strafzaak een geslaagd beroep op noodweer toekomt voor het steken in het been van de verdachte, treft geen doel. Die klacht strandt reeds daarop dat dat een oordeel betreft van een rechtbank in een andere strafzaak, waarin [slachtoffer] verdachte was, van latere datum dan het arrest in de onderhavige zaak. Dat oordeel kan geen beletsel vormen voor het oordeel van het hof in de voorliggende zaak dat sprake is van enige mate van eigen schuld van de benadeelde partij in het kader van de beoordeling van de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding. In deze zaak heeft het hof niet geoordeeld dat de benadeelde partij zich gerechtvaardigd kan beroepen op noodweer. Evenmin ligt dat besloten in de vaststellingen van het hof, aangezien het niet heeft geoordeeld dat het door de verdachte gedane beroep op noodweer voor het steken in het hart en de arm van de benadeelde partij daarop afstuit dat noodweer in reactie op noodweer niet mogelijk is.
Tot slot merk ik nog op dat het subsidiaire verzoek van de steller van het middel aan de Hoge Raad om in het voordeel van de benadeelde partij de billijkheidscorrectie toe te passen ten aanzien van de verdeling van de schade, de aard van de cassatieprocedure miskent. Daarmee wordt immers gevraagd aan de Hoge Raad om als feitenrechter op te treden.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Afronding
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG