ECLI:NL:PHR:2026:138

ECLI:NL:PHR:2026:138

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 01-02-2026
Zaaknummer 23/03291
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening appel. Hof heeft ten onrechte de juistheid in het midden gelaten van de bijzondere omstandigheden waarmee de verdachte zijn beroep op de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding heeft onderbouwd. Conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep en terugwijzing naar het hof.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/03291

Zitting 3 februari 2026

CONCLUSIE

M.E. van Wees

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 18 augustus 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002801-22) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Het cassatieberoep is op 23 augustus 2023 ingesteld namens de verdachte. B.J.P. van Gils, advocaat in Tilburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat de verdachte op 8 januari 2021 door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (parketnr. 96-238491-19) bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”.

De aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken houden in dat de mededeling van dat vonnis aan de verdachte op 19 augustus 2022 in persoon is uitgereikt en dat tegen het vonnis door de raadsman van de verdachte op 8 december 2022 hoger beroep ingesteld.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

“De raadsman deelt mede:

Er heeft zich een probleem voorgedaan bij het gerechtsgebouw te Tilburg. Aangezien het gerechtsgebouw in verband met corona was gesloten, heeft mijn cliënt de brief in de postbus gedaan. Hij is er toen vanuit gegaan dat hij tijdig heeft laten weten hoger beroep te willen instellen. Op 19 augustus 2022 heeft een inspecteur van de politie de mededeling van de uitspraak met parketnummer 96­238491-19 aan mijn cliënt uitgereikt. Deze brief is mijn cliënt helaas kwijtgeraakt.

Op 6 december 2022 is hij naar mij toegekomen, waarna ik op 8 december 2022 namens mijn cliënt hoger beroep heb ingesteld. Hij was niet bij de zitting in eerste aanleg aanwezig en had eerder niet het geld om een advocaat te kunnen betalen. Mijn cliënt was in de veronderstelling dat het allemaal wel goed zou komen. Later kwam hij er pas achter dat er iets verkeerd was gegaan. Ik vraag u de termijn verschoonbaar te achten.

De verdachte verklaart:

Ik ben niet goed met papieren, ik kan dat allemaal niet bijhouden. Ik ben alleenstaand dus ik heb geen vrouw of kinderen die mij hierbij kunnen helpen.

De voorzitter deelt mede:

Uit de akte van uitreiking blijkt dat op 19 augustus 2022 de mededeling van de uitspraak in de zaak met parketnummer 96-238491-19 aan u in persoon is uitgereikt. Ik zie dat u al eerder met justitie in aanraking bent gekomen. U kunt Nederlands lezen, maar u vindt de taal nog wel moeilijk, begrijp ik.

De raadsman deelt mede:

Mijn cliënt heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij tijdig appel zou hebben ingesteld. In een andere zaak, de zaak met parketnummer 96-256464-20, heeft mijn cliënt wel tijdig hoger beroep ingesteld.

De voorzitter deelt mede:

Het moet in beide zaken op de goede manier gebeuren. In de andere zaak stelt u wel tijdig beroep in, en in deze zaak niet. Hoe komt dat?

De raadsman deelt mede:

Mijn cliënt stelt zich op het standpunt dat er iets mis is gegaan met de zaak die op 8 januari 2021 te Breda heeft gediend, de zaak met parketnummer 96-256464-20.

De voorzitter zegt dat die zaak niet de zaak betreft die nu aan de orde is.

De advocaat-generaal voert het woord:

Het is heel vervelend dat het is misgegaan, maar we zijn hier heel streng in. Dat de verdachte niet zo goed is in papieren, is geen reden om de termijn verschoonbaar te achten. De verdachte heeft in deze zaak te laat hoger beroep ingesteld.”

Het hof heeft de niet-ontvankelijkheid als volgt gemotiveerd:

“Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Bij vonnis van de politierechter van 8 januari 2021 is de verdachte veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde. De mededeling van deze einduitspraak is op 19 augustus 2022 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen tegen dat vonnis van de politierechter hoger beroep instellen. Hij heeft echter hoger beroep ingesteld op 8 december 2022. Verdachte voert aan dat hij niet goed is met papieren. Dit is echter geen omstandigheid die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Nu het hoger beroep eerst na het verstrijken van die termijn is ingesteld, namelijk op 8 december 2022, en niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.”

In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde gang van zaken omtrent het instellen van het hoger beroep door de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft en dat gelet daarop de motivering van het hof niet de beslissing kan dragen waarbij de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens wordt gesteld dat hier sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de verdachte niet zijn toe te rekenen omdat er sprake was van een situatie waarin door verstrekte ambtelijke informatie bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat het door hemzelf ingestelde beroep – middels een machtiging aan de griffier die hij in de brievenbus van het gerechtsgebouw in Tilburg heeft gedaan – tijdig was ingesteld.

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan (i) binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip begint of (ii) een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld of (iii) een situatie waarin de verdachte die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, in strijd met art. 366, vierde lid Sv niet een schriftelijke vertaling van de in die bepaling bedoelde mededeling in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen. Met het oog op de rechtszekerheid die is vereist met betrekking tot de rechtsgeldigheid van het aanwenden van een rechtsmiddel, is het noodzakelijk om scherpe en vaste grenzen te trekken. Dat geldt ook in gevallen waarin dat op het eerste gezicht wellicht onbillijke consequenties kan hebben.

Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de mededeling van het vonnis op 19 augustus 2022 aan de verdachte in persoon is uitgereikt en het heeft vervolgens met juistheid overwogen dat de verdachte volgens de wet gedurende veertien dagen tegen dat vonnis van de politierechter hoger beroep kon instellen, waarna het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verdachte na het verstrijken van die termijn, namelijk op 8 december 2022, hoger beroep heeft ingesteld. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de door de verdachte aangevoerde omstandigheid “dat hij niet goed is met papieren” geen omstandigheid is die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt en dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

Dat oordeel acht ik ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft niet gerespondeerd op hetgeen de raadsman van de verdachte omtrent het instellen van het hoger beroep heeft aangevoerd – te weten dat de verdachte aangezien het gerechtsgebouw te Tilburg in verband met corona was gesloten, ‘de brief’ (volgens de steller van het middel “een schriftelijke machtiging aan de griffier”) in de postbus heeft gedaan, dat hij er vanuit is gegaan dat hij tijdig heeft laten weten hoger beroep te willen instellen, dat hij in de veronderstelling verkeerde “dat het allemaal wel goed zou komen” en dat hij er pas later achter kwam dat er iets verkeerd was gegaan – terwijl hetgeen door de raadsman is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een duidelijk en gemotiveerd verweer inhoudende dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden, waardoor het hof verplicht was bij de verwerping daarvan die beslissing in dit verband met meer redenen te omkleden dan het heeft gedaan. Door slechts de door de verdachte aangevoerde omstandigheid “dat hij niet goed is met papieren” bij zijn beoordeling te betrekken heeft het hof immers de juistheid in het midden gelaten van hetgeen de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd, waarmee de mogelijkheid is open gebleven dat omstandigheden meebrengen dat het verzuim om het hoger beroep tijdig in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Aan het voorgaande kan overigens niet afdoen dat het hoger beroep had moeten worden ingesteld bij de griffie van de rechtbank te Breda, en evenmin dat de raadsman niet heeft aangevoerd op welke datum de verdachte de brief in de postbus zou hebben gedaan.

Het middel is terecht voorgesteld.

3. Afronding

Het middel slaagt.

Ambtshalve wijs ik op het volgende. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Indien de Hoge Raad mij volgt en het middel laat slagen, kan deze termijnoverschrijding na terugwijzing bij het hof aan de orde worden gesteld.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?