PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03816 B
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager.
1. Inleiding
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (RK 24/017647), heeft bij beschikking van 3 september 2024 het klaagschrift van klager ex art. 552a Sv tot opheffing van het beslag op een motorboot van het merk Cobalt 242 Bo Rider met [registratieteken] , met last tot teruggave aan klager, gegrond verklaard en de teruggave van de motorboot bevolen aan verzekeringsmaatschappij [A] te [plaats] .
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
In het middel wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank het beklag van klager gegrond te verklaren, maar teruggave van de motorboot te bevelen aan een ander dan klager zonder dat blijkt dat die ander schriftelijk om teruggave heeft verzocht.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“ Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp: een motorboot van het merk Cobalt 242 Bo Rider, [registratieteken] .
Door klager is aangevoerd dat hij niets weet van dat de boot afkomstig zou zijn van diefstal. Hij heeft de boot overal gecontroleerd en ook laten controleren door een erkend bedrijf. Hij heeft de boot ook op zijn naam kunnen zetten en heeft € 35.000,00 betaald. Klager geeft aan meerdere stukken te kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij de eigenaar van boot is. Namens klager wordt aangevoerd dat ten aanzien van klager sprake is van derdenbescherming, als de boot daadwerkelijk is gestolen. Klager heeft een de boot ter goede trouw gekocht en heeft een reële prijs betaald. Klager moet daarom worden gezien als belanghebbende.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet. Het dossier bevat stukken dat de boot gestolen is, tevens bevat het stukken waaruit blijkt dat de verzekeringsmaatschappij [A] nu de wettelijke eigenaar is in verband met het afwikkelen van de schade. Uit het dossier komt geen enkele stelling naar voren dat klager de boot ter goede trouw heeft gekocht. De officier van justitie verzoekt het inbeslaggenomen goed terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, dus aan de verzekeringsmaatschappij.
Beoordeling
Gelet op het standpunt van de officier van justitie dat er geen strafvorderlijk belang is bij voortduring van het beslag, ligt – primair – teruggave aan de beslagene in de rede. Gelet op de door [A] in het geding gebrachte stukken, moet echter een ander dan beslagene als rechthebbende worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat klager in dit verband onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt de rechtmatige eigenaar te zijn van de boot en dat hij te goeder trouw de boot heeft gekocht. De rechtbank oordeelt dan ook dat geen sprake is van derdenbescherming. De boot moet worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.
Het beklag wordt dan ook gegrond verklaard, in die zin dat het beslag wordt opgeheven, de boot niet toekomt aan klager, maar teruggaat naar de verzekeringsmaatschappij.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en beveelt teruggave van de boot aan [A] te [plaats] .”
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 3 september 2024 vermeldt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:
“De rechter deelt mede dat aan de orde is het namens klager ingediende klaagschrift gericht tegen onder klager ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen goed, te weten; een motorboot van het merk Cobalt 242 Bo Rider, [registratieteken] .
De rechter vermaant de klager oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
De verdachte voert het woord en voert – zakelijk weergegeven – aan:
Dat de boot afkomstig zou zijn van diefstal zegt mij niets. Ik heb de boot overal laten controleren, ook door een erkend bedrijf. Ik heb de boot op mijn naam kunnen zetten en ik heb er € 35.000,00 voor betaald. Ik heb meerdere stukken, die ik nu kan overleggen, waaruit blijkt dat ik de eigenaar ben. De rechter vertelt mij dat het niet de bedoeling is nu nog nieuwe stukken toe te voegen aan het dossier en houdt mij voor dat de verzekeraar [A] stelt nu eigenaar van de boot te zijn geworden in verband met het afwikkelen van de schade. Daar ben ik het niet mee eens. Ik kan meerdere bewijsstukken overleggen waaruit blijkt dat ik de eigenaar ben. Ik vind het niet terecht dat u deze stukken niet meer bij de procedure wilt betrekken. Mijn laatste spaargeld heb ik uitgegeven aan de boot.
De raadsvrouw voert het woord en voert – zakelijk weergegeven – aan:
Ten aanzien van mijn cliënt is sprake van derdenbescherming als de boot daadwerkelijk is gestolen. Hij heeft de boot te goeder trouw gekocht en heeft een reële prijs betaald. Klager moet daarom worden gezien als belanghebbende. Ook zijn er meerdere partijen die kunnen verklaren dat mijn cliënt de boot te goeder trouw heeft gekocht. Ik zie geen reden om te twijfelen aan de herkomst van de boot zodat mijn cliënt moet worden aangemerkt als redelijkerwijs belanghebbende van de boot.
De officier van justitie voert het woord en voert – zakelijk weergegeven – aan:
Ik verzet mij tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager. Het belang van strafvordering verzet zich daartegen. Het dossier bevat stukken waaruit blijkt dat de boot gestolen is en dat de verzekeringsmaatschappij [A] nu de wettelijke eigenaar is in verband met het afwikkelen van de schade. Het dossier biedt geen steun aan de stelling dat klager de boot ter goede trouw heeft gekocht. Ik verzoek het in beslag genomen goed terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, dus aan de verzekeringsmaatschappij.”
Verder merk ik op dat het als reactie op het klaagschrift ingediende verweerschrift van de officier van justitie van 3 augustus 2024 onder meer het volgende inhoudt:
“In casu is de vraagstelling m.b.t. het klassieke beslag dus:
- Verzet het belang van strafvordering in de zaak tegen klager tegen teruggave van de klassiek in beslag genomen goederen?
Gelet op de stand van zaken van het onderzoek verzet het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van het in beslag genomen goed. Echter, naar het oordeel van het OM zal het betreffende goed niet teruggegeven dienen te worden aan de klager.
Eindconclusie
Immers, het OM stelt zich op het standpunt dat de klager in dit geval niet kan worden aangemerkt als redelijkerwijs rechthebbende omdat de klager geen aanspraak kan maken op derdenbescherming (zoals geregeld in het BW). Naar het oordeel van het OM is de aangever de rechtmatige eigenaar en redelijkerwijs rechthebbende. Gelet op het voorgaande is het OM van oordeel dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden en dat de boot teruggegeven zou moeten worden aan de aangever.”
In het geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast. De wet kent voor wat betreft de beklagprocedure van art. 552a Sv niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan degene die een klaagschrift strekkende tot teruggave heeft ingediend.
Voor wat betreft het belang van strafvordering geldt dat dit zich verzet tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Daarbij geldt dat op grond van art. 116 lid 1 Sv het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen doet teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het wettelijk systeem ligt daarmee besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van het beklag te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de verzochte teruggave verzet, de beklagrechter, zonder zelf in een beoordeling op dit punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen.
Nu de rechtbank uit hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de officier van justitie van oordeel is dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, dient de teruggave van de inbeslaggenomen motorboot te worden gelast aan de beslagene (te weten klager), tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Uit de overwegingen van de rechtbank volgt dat het “gelet op de door [A] in het geding gebrachte stukken”, [A] als redelijkerwijs rechthebbende aanmerkt. Dit oordeel van de rechtbank wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan.
In de toelichting op het middel werpen de stellers van het middel op dat (i) in het geval het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, als hoofdregel tot teruggave aan de beslagene en aldus klager dient te worden overgegaan en dat dit slechts uitzondering lijdt in het geval iemand anders zich ook heeft gemeld en schriftelijk heeft verzocht om teruggave omdat deze voor wat betreft de eigendomsrechtelijke positie sterkere papieren heeft dan de beslagene en (ii) uit de beschikking en het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer niet volgt dat deze verzekeringsmaatschappij in een klaagschrift – en daarmee schriftelijk – om teruggave heeft verzocht, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan. Tot slot (iii) benoemen de stellers van het middel dat in een dergelijk geval het klaagschrift van klager ongegrond had moeten worden verklaard.
Ik volg de stellers van het middel voor wat betreft dat laatste. In het geval het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert en de rechtbank van oordeel is dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt, dient het beklag van klager ongegrond te worden verklaard. In het geval deze redelijkerwijs rechthebbende zelf een klaagschrift heeft ingediend, kan door de rechtbank dat beklag gegrond worden verklaard en kan de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan deze redelijkerwijs rechthebbende worden gelast. Van een dergelijk klaagschrift is in onderhavige zaak niet gebleken.
Gelet daarop heeft de rechtbank het beklag dan ook ten onrechte gegrond verklaard en heeft het ten onrechte de teruggave van de inbeslaggenomen motorboot bevolen aan de redelijkerwijs rechthebbende [A] . Het middel klaagt daarover terecht.
Uit het gegeven dat de rechtbank in haar beslissing de teruggave van de motorboot heeft gelast aan een ander dan de klager, te weten het door de rechtbank als redelijkerwijs rechthebbende aangemerkte [A] , leid ik af dat het gegrond verklaren van het beklag op een kennelijke misslag berust. De rechtbank moet de bedoeling hebben gehad het beklag van klager ongegrond te verklaren, zodat de Hoge Raad deze fout via het partieel vernietigen en opnieuw rechtdoen kan herstellen. Voor wat betreft de door de rechtbank gegeven last tot teruggave geef ik in overweging de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen.
3. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad:
- de beslissing van de rechtbank zal vernietigen voor zover het beklag gegrond is verklaard en de rechtbank de teruggave van de motorboot aan [A] heeft gelast;
- het beklag ongegrond zal verklaren; en
- het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG