PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01557
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 12 april 2024 (parketnummer 22-002538-22) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2022 (parketnummer 10-155172-14). Bij dat vonnis is de verdachte bij verstek wegens 1. “een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren” en 2. “oplichting, meerdere malen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 28 dagen vervangende hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel komt op tegen de afwijzing van een aanhoudingsverzoek en bevat de klacht dat uit de beslissing van het hof niet, althans niet zonder meer volgt dat het hof de namens de verdachte aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde reden niet aannemelijk heeft geoordeeld en niet blijkt dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2024 houdt, voor zover van belang, in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,
adres: [a-straat 1] te [plaats] (België),
is niet ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter doet mededeling van een email bericht van de raadsman van de verdachte mr. [betrokkene 2] , advocaat te [plaats] , d.d. 11 april 2024, inhoudende het verzoek tot aanhouding. Ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd dat de verdachte heeft aangegeven geen dagvaarding te hebben ontvangen omdat hij op het bekende adres aan de [a-straat] sinds 21 juni 2023, na een uithuiszetting, niet meer verblijft en daar is uitgeschreven, hij pas op 11 april 2024 door de raadsman op de hoogte is gesteld van de zitting van heden, hij thans werkzaam is in het buitenland en niet in de gelegenheid is om heden in persoon bij de behandeling van de zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Voorts deelt de raadsman van de verdachte in dit email bericht mede dat hij heden niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd is de verdediging te voeren.
De voorzitter doet voorts mededeling van een email van de advocaat-generaal aan de raadsman d.d. 11 april 2024, met bijlagen, waarin de advocaat-generaal op voorhand aangeeft ter terechtzitting van heden zich te verzetten tegen aanhouding van de zitting. Ter onderbouwing heeft de advocaat-generaal aangevoerd – verkort weergegeven – dat uit de stukken blijkt dat de verdachte, tijdig en op juiste wijze is opgeroepen.
De raadsman en de advocaat-generaal zijn per email van 11 april 2024 bericht dat het hof heden ter zitting een beslissing zal nemen op het verzoek tot aanhouding van de zaak.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
Desgevraagd wordt de advocaat-generaal in de gelegenheid gebracht te reageren op het verzoek van de raadsman:
Ik verzoek u de emailwisseling aan het dossier toe te voegen. Zoals ik reeds in deze mailwisseling bekend heb gemaakt, verzet het Openbaar Ministerie zich tegen aanhouding van de zaak. De verdachte is opgeroepen voor de zitting op het door hem aangegeven GBA-adres in België. Ook zijn raadsman is tijdig op de hoogte gesteld van de datum van de zitting en zij hebben samen ruim de tijd gehad elkaar op de hoogte te stellen. Het is een hele oude zaak en een dergelijke handelwijze is in eerste aanleg ook als strategie gebruikt. In het aanhoudingsverzoek stelt de raadsman dat het adres van zijn cliënt sinds juli 2023 veranderd is. Uit het SKDB blijkt dat de verdachte in februari 2024 nog formeel ingeschreven stond op het bij ons reeds bekende adres in België. De verdachte heeft zich daar dus niet uitgeschreven en ook geen ander adres bij ons bekend gemaakt. Wel heeft de verdachte bij het instellen van het hoger beroep het advocatenkantoor van de raadsman als postadres opgegeven. Het is aan de verdachte om een nieuw adres door te geven en aan zijn raadsman om te zorgen dat de informatie zijn cliënt bereikt. De raadsman is reeds sinds 30 januari 2024 op de hoogte van de zitting en op 21 februari 2024 is aan hem een oproep voor de zitting uitgestuurd. Ik blijf bij het standpunt dat ik tegen aanhouding van de zaak ben.
De voorzitter merkt op:
De dagvaarding is uitgereikt aan het Openbaar Ministerie omdat het een adres in het buitenland betrof, waarna er een afschrift naar het opgegeven adres in [plaats] is verstuurd. Er is een afschriftverplichting, waaraan op 9 april 2024 is voldaan.
Desgevraagd verklaart de advocaat-generaal nader:
Er is inderdaad op 9 april 2024 een afschrift verstuurd naar het kantoor van de raadsman. Maar deze was al langere tijd op de hoogte van de zitting.
De voorzitter reageert als volgt:
U bedoelt daarmee te zeggen dat, ondanks dat er aan de afschrifttermijn niet voldaan lijkt te zijn, het belang van de verdachte niet geschaad is omdat het postadres samenvalt met het adres van het advocatenkantoor en de raadsman reeds bekend was met de datum van de zitting?
De advocaat-generaal reageert:
Dat is juist.
Het gerechtshof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst af het verzoek tot aanhouding. Het hof stelt op grond van de stukken vast, dat de raadsman van de verdachte in januari 2024, en uiterlijk op 22 februari 2024 op de hoogte moet zijn geweest van deze zitting. Het hof constateert dat de afschrift verplichting niet tijdig is nagekomen, maar dat hierbij het belang van de verdachte niet geschaad is. Er is op 22 februari 2024 tijdig een afschrift verstuurd naar het bij het openbaar ministerie bekende adres van de verdachte in het buitenland. Het is de taak van de verdachte om een wijziging van zijn adres door te geven. Nu het hof vast stelt dat de raadsman reeds van de zitting afwist, zijn kantoor als postadres van de verdachte fungeerde en hij reeds op de hoogte was van het kennelijk gewijzigde adres in het buitenland, is het aan de raadsman te communiceren met zijn cliënt over de zittingsdatum.
Desgevraagd wordt de advocaat-generaal in de gelegenheid gebracht een standpunt in te nemen:
Nu er geen grieven bekend zijn, dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.”
De e-mailcorrespondentie tussen de raadsman, de advocaat-generaal en het hof voorafgaand aan de terechtzitting van 12 april 2024 houdt, voor zover van belang, in:
“Van: [betrokkene 1]
Verzonden: donderdag 11 april 2024 14:59
Aan: straf griffie (Hof [plaats] )
Onderwerp: SPOED SPOED verzoek aanhouding zitting 12-04-2024 10.50 uur [verdachte] (22-002538-22) [D20230784_I49821409]
Urgentie: Hoog
[…]
Edelachtbare heer, vrouwe,
In opgemelde zaak verzoek ik u de zitting die gepland staat op 12 april 2024 te 10.50 aan te houden. Ik verzoek u om aanhouding omdat client aangeeft geen dagvaarding te hebben ontvangen en pas hedenmiddag door mij op de hoogte is gesteld van deze zitting. Hij is thans werkzaam in het buitenland en is niet in de gelegenheid om morgen in persoon te verschijnen. Hij wil wel graag in persoon de feiten, omstandigheden van het geval en zijn persoonlijke omstandigheden toelichten.
Volledigheidshalve merk ik op dat client mij niet gemachtigd heeft om zonder hem als zijn advocaat op te treden. Ik zal dan morgen ook niet ter zitting verschijnen.
Graag spoedig van u vernemend.
Met vriendelijke groet,
namens mr. [betrokkene 2] ,
[betrokkene 1]
Secretariële ondersteuning
[…]
Van: " [betrokkene 3] (Ressortsparket [plaats] )"
Datum: donderdag, 11 april 2024 16:49
Aan: "' [e-mailadres] "'
CC: " [betrokkene 3] (Ressortsparket [plaats] )"
Onderwerp: FW: SPOED SPOED verzoek aanhouding zitting 12-04-2024 10.50 uur [verdachte] (22-002538-22) [D20230784_I49821409]
Geachte raadsvrouwe,
Hierbij mijn reactie zoals ik deze ook aan het hof heb doen toekomen.
Uit bijgaande akte blijkt dat verdachte is opgeroepen voor de zitting per brief van 22 februari 2024 op het GBA-adres in België. Op die datum heeft ook een OM-betekening plaatsgevonden. Zie bijlage 1.
De betekening heeft op juiste wijze en tijdig (30 dagen-termijn voor België) plaatsgevonden. Het derhalve is onwaarschijnlijk dat verdachte pas gisteren de oproep heeft ontvangen. Bij appelakte is het opgegeven postadres van verdachte uw kantoor in [plaats] vermeld. Deze week is een afschrift van de dagvaarding naar dit adres gegaan. Zie bijlage 2. U bent op 30 januari 2024 op de hoogte gesteld van de zitting en uw secretaresse is akkoord gegaan. Op 21 februari 2024 is aan u een oproep voor de zitting uitgestuurd. Zowel u als verdachte hebben ruim de tijd gehad elkaar op de hoogte te stellen van de datum van de zitting en de zaak met elkaar te bespreken. Gelet op voorgaande verzet het OM zich tegen aanhouding van de zaak Daarbij weegt mee dat de zaak inmiddels heel oud is, er in eerste aanleg ook meermalen aanhoudingsverzoeken zijn gedaan, verdachte telkens niet op zitting komt en deze handelswijze een strategie lijkt om de zaak te vertragen. Met vriendelijke groet, [betrokkene 3] (AG)
[…]
Van: Mr. [betrokkene 2] I [betrokkene 2] Advocaten
Aan: [betrokkene 3] (AP [plaats] )
Cc: straf griffie (Hof [plaats] )
Onderwerp: Re: Fwd: FW: SPOED SPOED verzoek aanhouding zitting 12-04-2024 10.50 uur [verdachte] (22-002538-22) [D20230784_I49821409]
Datum: donderdag 11 april 2024 21:46:07
Bijlagen: image002.png
Edelgrootachtbare heer/vrouwe,
Bijgaand nog een korte reactie/aanvulling op het eerder gedane verzoek tot aanhouding van de zitting.
Het eerder opgegeven adres van cliënt in [plaats] aan de [a-straat] is sinds 21 juni 2023 niet meer het verblijfadres van cliënt. Hij is op die datum daar uitgeschreven na een uithuiszetting.
Ik kan me niet herinneren dat er met mij gesproken is over de planning van de inhoudelijke behandeling. Dat er met het secretariaat een datum in de agenda is gereserveerd zou goed kunnen. In december heb ik nog contact gehad met een administratief medewerker van het hof waarbij ik juist nog aangaf dat ik niet beschik over een actueel verblijfadres van cliënt.
Pas gister heb ik cliënt voor het eerst gesproken. Hij heeft geen oproep via de officiële route ontvangen. Cliënt verblijft thans voor zijn werk voor [A] in [plaats] Frankrijk.
De verdediging blijft derhalve bij het eerder gedane verzoek tot aanhouding van de zitting.
Zoals opgemerkt ben ik – anders dan dit verzoek – niet verder gemachtigd door cliënt. Om die reden zal ik dus ook niet ter terechtzitting verschijnen.
Erop vertrouwende u hiermee voor nu voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik.
Met vriendelijke groet,
mr. [betrokkene 2]
Advocaat”
In zijn recente uitspraak van 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1815, heeft de Hoge Raad nog eens uiteengezet hoe de rechter een aanhoudingsverzoek moet beoordelen. Dat beoordelingskader luidt als volgt:
“2.3. Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt. Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).”
De niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen raadsman van de verdachte heeft de dag voorafgaand aan de terechtzitting per e-mail een aanhoudingsverzoek gedaan en ter onderbouwing van dat verzoek aangevoerd dat de verdachte heeft aangegeven (i) geen dagvaarding te hebben ontvangen omdat hij, na een uithuiszetting, sinds 21 juni 2023 niet meer verblijft op het adres in België waarnaar de oproeping is verzonden en sinds die datum daar is uitgeschreven, (ii) hij pas op 11 april 2024 – aldus één dag voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep – door de raadsman op de hoogte is gesteld van de terechtzitting en (iii) hij thans werkzaam is in het buitenland en als gevolg daarvan niet in de gelegenheid is ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Het hof heeft het verzoek tot aanhouding afgewezen. In dat verband heeft het hof vastgesteld dat de raadsman van de verdachte in januari 2024 – en uiterlijk op 22 februari 2024 – op de hoogte moet zijn geweest van de datum van de zitting, dat een door het hof aangenomen afschriftverplichting niet tijdig is nagekomen maar dat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad, dat op 22 februari 2024 tijdig een afschrift van de dagvaarding naar het bij het openbaar ministerie bekende adres van de verdachte in het buitenland is gestuurd en dat het de taak van de verdachte is om een wijziging van zijn adres door te geven. Nu het hof heeft vastgesteld dat de raadsman van de verdachte reeds van de zitting afwist, zijn kantoor als postadres van de verdachte fungeerde en hij reeds op de hoogte was van het kennelijk gewijzigde adres van de verdachte in het buitenland, is het hof van oordeel dat het aan de raadsman was om te communiceren met zijn cliënt over de zittingsdatum.
Allereerst merk ik op dat uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat ook een vóór de terechtzitting, door een niet-gemachtigd raadsman gedaan aanhoudingsverzoek geldt als een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting waarop de strafrechter ter terechtzitting dient te beslissen.
In de motivering van het hof ligt, zo meen ik, niet besloten dat het van oordeel is dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Voor wat betreft de bij randnummer 2.5 onder (i) genoemde omstandigheid, inhoudende dat de verdachte stelt geen dagvaarding te hebben ontvangen, merk ik op dat het hof heeft overwogen dat op 22 februari 2024 tijdig een afschrift naar het bij het openbaar ministerie bekende adres van de verdachte in het buitenland is gestuurd en dat het aan de verdachte is om eventuele adreswijzigingen door te geven. Daarmee lijkt het hof niet van oordeel dat de door de verdachte aangevoerde omstandigheid – te weten dat hij vanwege een gedwongen verhuizing het afschrift van de dagvaarding niet heeft ontvangen – niet aannemelijk is geworden, maar legt het hof de oorzaak voor het niet ontvangen van dat afschrift in de sfeer van de verdachte.
Het hof was dan ook gehouden om de door de Hoge Raad geformuleerde belangenafweging te maken. Uit de motivering van het hof kan ik echter niet afleiden dat een afweging is gemaakt tussen enerzijds het aanwezigheidsrecht van de verdachte en anderzijds het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting, zodat ’s hofs overwegingen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet kunnen dragen. De overwegingen van het hof dat het aan de verdachte is om een wijziging van zijn adres door te geven en het (in de gegeven omstandigheden) aan de raadsman is om met de verdachte te communiceren over de zittingsdatum volstaan daartoe in mijn optiek niet.
Het middel slaagt.
3. Afronding
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG