PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03808
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 22 september 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002146-22) wegens 1. “mishandeling” en 2. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Het hof heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals bepaald in het arrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel klaagt over de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van een tweetal getuigen, te weten [aangever] en [getuige 1] , over de onder 1 ten laste gelegde mishandeling.
3. Het verzoek van de verdediging
Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal is in hoger beroep op 10 oktober 2022 een rolzitting georganiseerd. Het proces-verbaal houdt daarover het volgende in:
“(…)
De voorzitter deelt mede dat deze rolzitting is bedoeld om te inventariseren welke bezwaren er bestaan tegen het vonnis en hoeveel tijd nodig is voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
De voorzitter deelt mede dat de raadsman van verdachte voorafgaand aan de zitting heeft laten weten dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. De raadsman van verdachte heeft tevens verhinderdata overgelegd, aan de hand waarvan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van verdachte gepland is.
(…)”
De behandeling van de zaak is vervolgens op de terechtzittingen van 20 januari 2023 en 23 mei 2023 geschorst wegens respectievelijk verhindering van de raadsman en ziekte van de verdachte.
Tijdens de terechtzitting van 8 september 2023 is de zaak inhoudelijk behandeld en heeft de raadsvrouw van de verdachte gepleit overeenkomstig haar aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die – voor zover hier relevant – het volgende inhoudt:
“Mishandeling
Vrijspraak
Ten aanzien van de mishandeling heb ik wat meer opmerkingen.
- Cliënt ontkent dat hij [aangever] geslagen heeft.
- [getuige 1] ziet een ‘schermutseling’ en hij zag dat cliënt iets in het water gooide. Wat hij concreet mee bedoelt met schermutseling wordt niet duidelijk.
- [getuige 2] verklaart dat zij een woordenwisseling hoorde en dat zij cliënt een zag beweging maken alsof hij iets weggooide.
- Aangeefster verklaart: ‘Ik voelde dat hij met de vlakke hand tegen mijn achterhoofd en mijn linkeroor kwam. Dit deed mij erg pijn’. Er zitten twee foto’s in het dossier.
Voldoende steunbewijs voor aangifte?
Het is merkwaardig dat getuigen [getuige 1] en [getuige 2] het gooien wel duidelijk hebben waargenomen, maar dat zij dan niet een klap tegen het hoofd hebben gezien. De enige die Verklaart over het slaan/stompen is [aangever] . Ter ondersteuning van die verklaring laat zij twee foto’s opnemen in het dossier.
Onvoldoende steunbewijs
Het letsel kan een andere oorzaak hebben dan een geweldshandeling en biedt dus onvoldoende steun voor de aangifte. Eerst wil ik al zeggen over dat rode oor dat ik echt betwijfel in hoeverre er nou echt sprake is van een verkleuring, aangezien de foto op blz. 6 een heel andere belichting heeft dan de foto op blz. 5. Bovendien, het rode oor – als dat er al is – kan ook door andere oorzaken zijn veroorzaakt, bijvoorbeeld door kou of stress. Als de persoon van mijn cliënt - een getraind vechter en kickbokser - een klap had uitgedeeld, dan had het letsel er vermoedelijk wel heftiger uitgezien.
Gelukkig voor aangeefster is dat niet het geval, maar daarmee kan ook niet worden uitgesloten dat het “letsel” is ontstaan door een andere oorzaak. Het letsel past wat mij betreft niet zonder meer bij de verklaring van aangeefster, want het lijkt me sterk dat een oor na één klap er dan zo uitziet.
Daarnaast, als we kijken naar andere steun voor de aangifte dan het letsel, de getuigenverklaring van [getuige 1] , die door de politierechter is gebezigd voor het bewijs, is onvoldoende specifiek voor de tenlastegelegde mishandeling. Hij ziet een ‘schermutseling’, wat dat dan ook moge wezen. Hij ziet wél dat cliënt de telefoon in het water gooit, maar hij zou dan niet zien dat cliënt aangeefster slaat. Dat is toch merkwaardig. Als je een zwaai met de arm, die een telefoon het water ingooit, kunt waarnemen, dan zou je toch zeggen dat diezelfde ogen ook een zwaai met de arm, die tegen het hoofd van aangeefster aanslaat, zou moeten kunnen waarnemen?
Alternatief scenario
Stel dat het oor wel rood is en dat dat komt door een handeling van cliënt, is dit niet door een handeling waarbij cliënt opzet had op het toebrengen van pijn, immers, cliënt verklaart dat hij het oor van aangeefster mogelijk heeft geraakt toen hij haar telefoon afpakte. Ook in dat scenario kan het rode oor zich hebben gemanifesteerd, maar in dat geval heeft client geen opzet gehad. Ook in dit scenario past de verklaring van [getuige 1] , aangezien hij het heeft over een schermutseling; hij kan gezien hebben dat cliënt probeerde de telefoon van aangeefster af te pakken. Hij ziet immers een schermutseling en daarna ziet [getuige 1] dat cliënt iets in het water gooide.
(…)
Voorwaardelijk verzoek
Als u komt tot een bewezenverklaring waarbij de verklaring van aangeefster en [getuige 1] voor het bewijs worden gebruikt, dan doe ik het voorwaardelijke verzoek om [aangever] en [getuige 1] als getuige te horen. Zij hebben allebei een belastende verklaring afgelegd, waarbij het belang van de verdediging in beginsel moet worden verondersteld. Ik merk op dat ik aangeefster onder andere nader zou willen bevragen over de door haar genoemde geweldshandeling en ik zou [getuige 1] onder andere nader willen bevragen over waar hij stond tijdens zijn waarneming, wat hij vanaf daar wél en niet heeft gezien/heeft kunnen zien en wat hij bedoelt met schermutseling.”
Het proces-verbaal van de zitting houdt – voor zover hier van belang – nog in:
“De voorzitter merkt op, zakelijk weergegeven:
Waarom heeft u dit voorwaardelijke verzoek niet eerder ingediend?
De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:
Vrijspraak was hoe dan ook aangewezen.”
4. De bewijsvoering door het hof
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 1 maart 2022 te [plaats] [aangever] heeft mishandeld door deze [aangever] eenmaal tegen het oor te slaan;”
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte (pagina 1 tot en met 4 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
Op 1 maart 2022 liep ik over de [a-straat] in [plaats] . Op enig moment zag ik een auto in het weiland staan, er lagen twee mensen rechts van de auto. Het betrof een man en een vrouw die seks met elkaar hadden. Ik riep naar de man en de vrouw: “He, doe normaal, het is vakantie, er lopen hier kinderen”. Ik zag dat de man in mijn richting liep. Ik hoorde dat de man nog steeds schreeuwde. Ik zag dat de man mij met zijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat zijn vlakke hand tegen mijn achterhoofd en mijn linkeroor kwam. De man die u zojuist heeft aangehouden is de man die mij heeft geslagen.
2. Het proces-verbaal aanhouding verdachte, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 11 en 12 van het politiedossier):
Op dinsdag 1 maart 2022 hielden wij op de locatie [a-straat] , [plaats] , als verdachte aan:
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
(…)
3. De volgende eigen waarneming van het hof:
Op pagina 5 van het politiedossier is foto 1 opgenomen, waarop de linkerkant van het hoofd van aangeefster zichtbaar is. Het hof ziet dat haar linkeroor rood is. Op pagina 6 van het politiedossier is foto 2 opgenomen, waarop de rechterkant van het hoofd van aangeefster zichtbaar is. Het hof ziet dat haar rechteroor niet rood is. Beide foto’s zijn op 1 maart 2022 ten behoeve van de aangifte gemaakt.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige (pagina 7 tot en met 8 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Op dinsdag 1 maart 2022 liep ik op de [a-straat] in [plaats] . Ik zag toen een witte personenauto de dijk afrijden een weiland in. Toen ik dichterbij kwam zag ik een man en een vrouw naast de auto liggen. Ze lagen te wippen. Ik hoorde een vrouw die achter mij liep roepen: “je gaat hier toch niet liggen wippen” of iets wat hier op leek. Ik hoorde de man die lag te wippen iets roepen van: “loop door. Ik werk er ook hard voor”. Ik zag toen de man naar boven de dijk oplopen op de vrouw af. Ik zag dat hij door zijn gedrag nogal dreigend overkwam. Het leek of er een schermutseling gaande was.”
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“De advocaat-generaal heeft gevorderd de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Ten aanzien van de onder 1 tenlastegelegde mishandeling merkt de advocaat-generaal op dat de aangifte van het slachtoffer, de verklaring van [getuige 1] waarin hij spreekt van een ‘schermutseling’ en de foto’s van de oren van het slachtoffer, waarbij het linkeroor rood is en het rechteroor niet, voldoende zijn voor een bewezenverklaring. Verdachte heeft ten aanzien van de onder 2 tenlastegelegde vernietiging van een goed een bekennende verklaring afgelegd.
De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Er is onvoldoende steunbewijs in het dossier aanwezig voor de aangifte van het slachtoffer. De foto’s waarin het linkeroor rood is en het rechteroor niet geven een vertekend beeld omdat de belichting verschillend is bij deze foto’s. Ook kan het rode oor een andere oorzaak hebben, zoals de kou of stress. Daarnaast zou er sprake zijn geweest van meer letsel als verdachte het slachtoffer daadwerkelijk geslagen zou hebben. Het andere steunbewijs, de verklaring van [getuige 1] , is onvoldoende specifiek om als steunbewijs te dienen voor de aangifte van mishandeling. Hij spreekt enkel van een ‘schermutseling’, terwijl hij wel tot in detail kan beschrijven hoe verdachte de telefoon in het water gooide.
Subsidiair, indien bewezenverklaard kan worden dat verdachte het slachtoffer heeft geraakt, ontbrak bij verdachte opzet op het toebrengen van pijn bij het slachtoffer. Verdachte wilde immers de telefoon van het slachtoffer afpakken, waarbij hij haar mogelijk geraakt kan hebben. Daarbij kan hij niet bewust de aanmerkelijke kans hebben geaccepteerd dat dit handelen pijn bij het slachtoffer teweeg zou brengen. De kans is namelijk niet aanmerkelijk dat iemand pijn zal ondervinden door het wegpakken van een telefoon die bij het oor wordt gehouden. Bovendien had verdachte een ander doel voor ogen met zijn handelen, het wegpakken van de telefoon, waardoor er geen sprake is van het bewust aanvaarden van een mogelijke aanmerkelijke kans.
(…)
Het hof acht de tenlastegelegde feiten bewezen. Het hof is van oordeel dat het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Aangeefster heeft als volgt verklaard: Ik zag dat de man mij met zijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat zijn vlakke hand tegen mijn achterhoofd en mijn linkeroor kwam. Dit deed mij erg pijn. Dit vindt ondersteuning in de foto’s van de oren van het slachtoffer waarbij het linkeroor rood is maar het rechteroor niet en verder in de verklaring van [getuige 1] die spreekt over een ‘schermutseling’ . Hieruit leidt het hof af dat verdachte het slachtoffer tegen haar oor geraakt heeft. Daarmee is het verweer verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder I tenlastegelegde.
(…)”
5. De beslissing van het hof op het verzoek
Het hof heeft de onder 1 ten laste gelegde mishandeling bewezen verklaard en vervolgens het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [aangever] en [getuige 1] op de volgende gronden afgewezen:
“De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten behoeve van het horen van getuigen indien het hof overgaat tot een veroordeling. Zij verzoekt in dat geval tot het horen van het slachtoffer [aangever] en de [getuige 1] door de raadsheer-commissaris. Beiden hebben een voor verdachte belastende verklaring afgelegd, waardoor het verdedigingsbelang kan worden verondersteld. Het slachtoffer wenst zij nadere vragen te stellen over de genoemde geweldshandeling en [getuige 1] over waar hij stond tijdens de handeling, wat hij precies wel en niet heeft kunnen zien en waar hij precies op doelt met ‘schermutseling’.
Het verzoek dient, anders dan het door de verdediging veronderstelde verdedigingsbelang, getoetst te worden aan het noodzakelijkheidscriterium. Dit aangezien er niet binnen twee weken na het instellen van het hoger beroep een appelschriftuur is ingediend, waarin een verzoek is neergelegd of de mogelijkheid om in een later stadium een verzoek in te dienen is voorgehouden.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek af. Gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging en de voorhanden processtukken die voldoende duidelijk zijn ontbreekt de noodzaak tot het horen van de getuigen. Het hof acht het horen van de getuigen niet noodzakelijk met oog op de volledigheid van het onderzoek.
Bovendien had in een eerder onderzoeksfase verzocht moeten worden tot het horen van de getuigen. Door het verzoek pas bij de zitting ter inhoudelijke behandeling in te dienen levert strijd op met de procesorde. Dat in voldoende mate de mogelijkheid heeft bestaan tot het indienen van onderzoekswensen blijkt uit het onderstaande. Op 20 mei 2022 is de zaak, in aanwezigheid van de raadsvrouw, behandeld door de politierechter. Op 23 mei 2022 is door de gevolmachtigde hoger beroep ingesteld waarbij geen appelschriftuur met mogelijke onderzoekswensen is ingediend. Dit is ook niet in een later stadium gebeurd. In hoger beroep is de zaak op 10 oktober 2022 op een rolziting behandeld, waarbij de raadsvrouw onderzoekswensen moest opgeven maar heeft volstaan met een toelichting op het doel van het hoger beroep. Vervolgens is de zaak op verzoek van de verdediging aangehouden op 20 januari 2023 en 23 mei 2023 wegens respectievelijk verhindering van de raadsman en ziekte van de verdachte. Daarbij heeft telkens de verdediging per e-mail contact gelegd, maar geen onderzoekswensen ingediend. Ook in aanloop naar de inhoudelijke behandeling op 8 september 2023 zijn door de verdediging geen verzoeken ingediend. De raadsvrouw heeft gevraagd naar de reden waarom zij pas aan het slot van haar pleidooi in hoger beroep voor het eerst met de (voorwaardelijke) onderzoekswensen is gekomen, daarvoor geen aannemelijk verklaring gegeven. Het hof is van oordeel dat de rechtspraak van het EHRM (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland)) en in navolging daarvan de Hoge Raad over het horen van belastende getuigen onder deze omstandigheden niet in de weg staan aan de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek.
Bij deze stand van zaken oordeelt het hof dat het voorwaardelijke verzoek moet worden afgewezen.”
6. Het juridische kader
Uit de (post-)Keskin-rechtspraak van de Hoge Raad volgt (kort gezegd) dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd.
De rechter kan het verzoek om zo’n belastende getuige op te roepen en te horen niettemin afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het oproepen en horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (‘manifestly irrelevant or redundant’) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde op de terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.
De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te horen, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van het verzoek.
Indien de verdediging geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om een Keskin-getuige te horen, dient de rechter na te gaan of de procedure voldoet aan het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. De rechter zal daarbij (kort samengevat) acht moeten slaan op (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen kan onder meer – als daarvoor geen gegronde reden bestaat – het late stadium waarin een verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging wordt gedaan een rol spelen.
De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met ‘the overall fairness of the trial’ als bedoeld in art. 6 EVRM. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd. Tegelijkertijd kan het belang bij een cassatieklacht over de afwijzing van het verzoek tot het horen van een Keskin-getuige ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks die afwijzende beslissing – voldoet aan het recht op een eerlijk proces.
7. De bespreking van het middel
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [aangever] heeft mishandeld door haar tegen haar linkeroor te slaan. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op onder meer een verklaring van [aangever] en een verklaring van de [getuige 1] . Daarmee is aan de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan. Het gaat hier onmiskenbaar om verklaringen met een belastende strekking. De getuigen zijn in afwezigheid van de verdediging door de politie gehoord en de verdediging heeft nadien niet alsnog de kans gekregen het ondervragingsrecht uit te oefenen. Het hiervoor weergegeven (post-)Keskin-kader is aldus van toepassing op het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van deze getuigen.
De verdediging wenste [aangever] onder andere te horen over de door haar genoemde geweldshandeling van de verdachte en [getuige 1] onder andere te vragen waar hij stond tijdens zijn waarneming, wat hij vanaf daar wél en niet heeft gezien/heeft kunnen zien en wat hij bedoelt met ‘schermutseling’. Ik meen dat dit verzoek moet worden begrepen in het licht van het daaraan voorafgaande vrijspraakverweer van de verdediging. Dat verweer hield onder meer in dat in de verklaring van ooggetuigen, waaronder die van [getuige 1] , niets wordt gezegd over een klap op het oor van [aangever] , maar dat deze juist inhouden dat de verdachte een beweging maakte alsof hij iets weggooide, hetgeen strookt met de door de verdachte geschetste alternatieve verklaring dat hij de telefoon die [aangever] bij haar oor hield heeft afgepakt en weggegooid.
Het hof heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium en het verzoek vervolgens afgewezen op de grond dat de noodzaak tot het horen van de getuigen ontbreekt, gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging en “de voorhanden processtukken die voldoende duidelijk zijn”. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de (post-)Keskin-rechtspraak in dit geval niet in de weg staat aan de afwijzing van het verzoek. Daartoe heeft het hof overwogen dat het verzoek in een eerdere onderzoeksfase had moeten worden gedaan en dat het late stadium waarin het verzoek is gedaan – bij de zitting ter inhoudelijke behandeling – in strijd is met de procesorde. Het hof heeft daarbij betrokken dat de raadsvrouw geen aannemelijke verklaring had voor het late tijdstip waarop het verzoek is gedaan en dat in voldoende mate de mogelijkheid heeft bestaan tot het eerder indienen van onderzoekswensen, zoals bij appelschriftuur, op de rolzitting, of in het e-mailcontact dat de verdediging met het hof heeft gehad over de aanhouding van de behandeling van de zaak.
Met de stellers van het middel meen ik dat het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het horen van de getuigen ontbreekt gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging, niet zonder meer begrijpelijk is. Aan het verzoek is, in samenhang bezien met het gevoerde vrijspraakverweer, immers ten grondslag gelegd dat de verdachte betwist dat hij [aangever] een klap heeft gegeven en dat de verdediging [aangever] en ooggetuige [getuige 1] daarover wenst te bevragen. De verklaringen van [aangever] en [getuige 1] zijn door het hof voor het bewijs gebruikt, terwijl de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld om het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuige uit te oefenen. Daarmee doet zich hier het geval voor waarin het belang bij het oproepen en horen van de getuigen moet worden voorondersteld.
Voor zover het hof met zijn oordeel dat de noodzaak tot het horen van de getuigen tevens ontbreekt met het oog op “de voorhanden processtukken die voldoende duidelijk zijn” heeft bedoeld te zeggen dat het (opnieuw) horen van [aangever] en [getuige 1] voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, acht ik dat oordeel evenmin begrijpelijk. De bewezenverklaring van het hof, in het bijzonder het oordeel dat de verdachte [aangever] een klap heeft gegeven, steunt immers in overwegende mate op haar aangifte, terwijl de verdachte die klap nadrukkelijk ontkent. Het hof heeft voorts de getuigenverklaring van [getuige 1] redengevend geacht. Die verklaring noemt weliswaar een ‘schermutseling’, maar spreekt niet expliciet van een klap. De redengevendheid hiervan is door de verdediging dan ook betwist. Daarbij komt dat de verdediging het ondervragingsrecht ook ten aanzien van deze belastende getuige (nog) niet heeft kunnen uitoefenen. De verklaring van [aangever] dat de verdachte een klap heeft gegeven vindt volgens het hof tot slot steun in de foto’s van haar oren, waarop het hof heeft waargenomen dat haar linkeroor rood is. De verdediging heeft die laatste bevinding in twijfel getrokken en in dat kader naar voren gebracht dat de belichting op de foto’s afwijkt. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het oor ook rood van de kou of stress kan zijn geweest en bovendien past in het scenario van de verdachte dat [aangever] een telefoon tegen haar oor hield en hij die telefoon heeft afgepakt. Dit alles overziend meen ik niet dat de vermeende klap door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al in zoverre buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het horen van de getuigen voor de bewijsvoering ‘manifestly irrelevant or redundant’ is.
Het oordeel van het hof dat de verdediging in strijd met de goede procesorde pas in een laat stadium met het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [aangever] en [getuige 1] is gekomen, kan de afwijzing van dat verzoek evenmin dragen. Daarbij merk ik op dat hier zich niet de situatie voordoet als omschreven in HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519, rechtsoverweging 3.4, waarin de verdediging expliciet daarnaar gevraagd (uitdrukkelijk) heeft aangegeven niet een verzoek te doen, dan wel niet heeft gereageerd op de uitdrukkelijke vraag of zij nog onderzoekswensen had. Het hof heeft in de voorliggende zaak weliswaar overwogen dat de verdediging op de rolzitting van 10 oktober 2022 onderzoekswensen “moest opgeven”, maar uit het proces-verbaal van die zitting maak ik op dat de verdediging daar niet uitdrukkelijk is gevraagd naar eventuele onderzoekswensen en evenmin expliciet heeft aangegeven geen verzoeken te doen.
Het gaat hier aldus om de situatie waarin de verdediging niet eerder uit eigen beweging gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden die de wet biedt om een ondervragingsgelegenheid te bewerkstelligen, terwijl daarvoor geen gegronde reden bestond. Zoals hiervoor weergegeven, biedt die enkele omstandigheid geen grond voor afwijzing van het verzoek. Een en ander kan wél meewegen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Het hof heeft in zijn overwegingen er echter geen blijk van gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Ook hierover klaagt het middel terecht.
8. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 2 oktober 2025 is overschreden. Gelet de hoogte van de aan de verdachte opgelegde taakstraf kan in beginsel evenwel worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien de Hoge Raad zou besluiten de bestreden uitspraak te casseren, zal de rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen over deze schending van de redelijke termijn in de cassatiefase moeten oordelen. Ambtshalve heb ik geen overige gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G