ECLI:NL:PHR:2026:144

ECLI:NL:PHR:2026:144

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 25/00078
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Caribische zaak. Onderzoek Avestrus. Actieve ambtelijke omkoping en witwassen. Eerste middel komt met vijftal deelklachten op tegen bewezenverklaring van ambtelijke omkoping van voormalig minister. Tweede middel klaagt over bewezenverklaarde witwassen. Middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 24/02922 C en 25/00080 C.

Uitspraak

2. Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] :

Ik was teamcoördinator bij de DIP.

[verdachte] was close met de minister. [verdachte] wilde alleen goede terreinen en hij kreeg ze ook. Het zijn goedkope terreinen, zeker als je het vergelijkt met het kopen van terreinen op de vrije markt.

3. Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] :

V: Bent u op de hoogte van aanvragen erfpachtterrein in relatie tot [verdachte] ? Wat kunt u daarover verklaren?

A: Ja zeker. Het is een naam die vaak klonk binnen de gangen van DIP toentertijd.

V: Wat werd er gezegd?

A: Hij kreeg alles, van woningbouwpercelen tot commerciële percelen. Alles, hij was ook ambtenaar van […] dus hij liep constant in ons gebouw. Dus het was ook raar. Ik heb zelf aanvragen in relatie tot hem meegemaakt.

V: Wat kunt u verklaren over de relatie van [verdachte] met [medeverdachte 1] ?

A: Heel close met de minister. Je kon het zien. Je zag het ook in de aanvragen, we moesten medewerking verlenen aan de aanvragen van [verdachte] . En het was duidelijk voor ons dat hij adviseur was van de minister. Het was een dichte relatie.

O: Wij tonen u een aanvraag van [C] N.V.

A: Ah ja die percelen tegenover de cruiseterminal. Weer een duidelijke instructie van de minister “akkoord conform”. Ja, dat is [verdachte] . Ik zei al, hij kreeg alles. Ja….. mensen worden snel rijk zo. Prime location. Een normale burger kan nooit zoveel terreinen krijgen en dan op die locaties.

O: Het valt ons op dat sommige namen vaak voorkomen in relatie tot commerciële erfpacht.

A:Ja zeker. Vooral [verdachte] . Dat was het gesprek van het jaar.

4. Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [betrokkene 1] :

A: Ik ben gaan werken als lid van het managementteam van de DIP. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, misschien in 2012. Ik had wekelijks contact met [medeverdachte 1] , indien dit nodig was, over commerciële erfpachtterreinen. Ik schreef hier documenten over die [medeverdachte 1] ontving, en we hadden ook persoonlijk contact hierover.

Als de aanvraag bij de DIP kwam, moest gekeken worden of er een terrein beschikbaar was. Er lagen echter veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank.

V: Dus er was een achterstand bij de erfpachtuitgifte voor commerciële terreinen?

A: Ja.

5. Proces-verbaal 9e verhoor verdachte [medeverdachte 1] :

O: Wij willen het met u hebben over [verdachte] .

V: Wat kunt u over hem vertellen?

A: Het is een goede vriend van mij. We trainen samen. Ik zie hem als een broer.

O: Hij was in de periode dat u minister was als ambtenaar ter beschikking gesteld aan uw bureau.

V: Waarom heeft u hem voor die baan uitgekozen?

A: Voor zijn adviezen en voor IT.

6. Proces-verbaal 1ste verhoor [verdachte] :

Ik heb bedrijven: [H] , [H] , [I] , [B] , [A] , [G] . Ik ontwikkel een beetje bij sinds ongeveer 30 jaar. Er zijn dingen in ontwikkeling en er zijn dingen ontwikkeld. In ontwikkeling zijn [B] , [E] en [D] .

[I] is het moederbedrijf, daarvan ben ik 100% eigenaar, daaronder hangen al die bedrijven die ik genoemd heb [A] , [B] , [E] etc.

V: Hoe zou je je relatie en/of band met [medeverdachte 1] beschrijven?

A: Onze band is sterk geworden door het fietsen. Als je alle projecten ziet die ik ontwikkeld heb is dat een succesvol bedrijf. En hij is een vakman. Als ik zie wat hij in 8 jaar hier heeft gebouwd, dan vind ik dat mooi. We wisselen vaak ideeën uit hoe je iets moet bouwen. Hij beschouwde me als adviseur.

V: Hoeveel aanvragen voor commerciële terreinen heeft u gedaan?

A: Ik doe constant aanvragen, bij verschillende regeringen. Altijd verzoeken gedaan.

(…)

O: In deze periode dat [medeverdachte 1] minister was is het dus wel gelukt.

A: Ja eindelijk ja.

A: In de periode daarvoor kreeg ik geen antwoord op mijn aanvragen.

O: Wij, verbalisanten, tonen je de volgende tabel. Het betreft de onderzoekresultaten tot zover van de bedrijven die een commercieel terrein hebben gekregen en waar jij de eigenaar van bent.

V: Wat kan je hierover verklaren?

A: [A] klopt ja, [B] , klopt. [C] was alleen een optie he. [E] heb ik overgenomen van een ander en ik ben bezig bij […] met een bouwvergunning.

7. Proces-verbaal 3e verhoor [verdachte] :

O: Woensdag heeft u met ons gesproken over de optie op erfpachtgrond bij de cruise terminal die u verkocht heeft.

V: Hoe heet het bedrijf dat de optie heeft aangevraagd?

A: [C]

V: Kunt u ons vertellen hoe de verkoop gegaan is?

A: Ik was bezig met het project, ik ben benaderd door de mensen en ze hebben een aanbod gedaan. Ik heb daarover nagedacht en ik heb het aangenomen en verkocht.

V: Was u de enige aandeelhouder van [C] ?

A: Ik was enig aandeelhouder van [C] ja.

O: In dit document (het Hof begrijpt: de overeenkomst aandelenoverdracht van 6 juli 2015, bijlage 13 bij het verhoor) staat dat de aandelen verkocht worden door [J] aan [K] ( [betrokkene 2] ) , maar dat hij moet betalen aan [L] .

V: Waarom?

A: [L] is volgens mij de offshore in Curaçao. Maar ik ben de eigenaar van allebei (het Hof begrijpt: [L] en [J]).

O: In deze overeenkomst (het Hof begrijpt: de leningsovereenkomst tussen [J] en [L]) staat dat de 2,4 miljoen op 31 december 2025 terugbetaald moet zijn.

V: Bent u dat van plan?

A: Nee, beide bedrijven zijn van mij.

8. Proces-verbaal verhoor [verdachte] als getuige bij de rechter-commissaris:

U, rechter-commissaris, vraagt mij wat mijn werkzaamheden waren toen ik adviseur van [medeverdachte 1] was toen hij minister was.

Mij werd om advies gevraagd als ontwikkelaar. Het klopt dat ik voor 40 uur (het Hof begrijpt: per week) op de loonlijst stond. Per week werkte ik 3 a 10 uur.

Het klopt dat ik in de periode 2012-2018 voor [A] , [C] en [B] aanvragen heb ingediend voor erfpachtrechten. [D] heb ik aangevraagd, maar dat is nooit voltooid.

9. Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende de verklaring van de [verdachte] :

Het klopt dat mijn bedrijven tijdens de periode dat [medeverdachte 1] Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening was verschillende opties op erfpachtrechten en erfpachtrechten van [medeverdachte 1] verstrekt hebben gekregen.

[A] N.V. heeft op 12 juli 2010 een aanvraag erfpachtrecht op een commercieel perceel ingediend. Op 22 oktober 2010 is de optie verkregen, op 1 februari 2012 is het erfpachtrecht verstrekt, op 1 oktober 2015 is de bestemming op verzoek gewijzigd en is het op 1 oktober 2012 verzochte erfpachtrecht op een tweede commercieel perceel versterkt.

[B] N.V. heeft op 9 juli 2014 een aanvraag erfpachtrecht op een commercieel perceel ingediend. Op 14 juli 2015 is de optie verkregen en op 1 november 2016 is het erfpachtrecht verstrekt.

[D] N.V. heeft op 14 november 2014 een aanvraag erfpachtrecht op een commercieel perceel ingediend. Op 21 oktober 2015 is de optie verkregen.

[E] N.V. heeft op 1 november 2016 het erfpachtrecht op een commercieel perceel verstrekt gekregen.

[C] N.V. heeft op 10 december 2012 een aanvraag erfpachtrecht op een commercieel perceel ingediend. Op 8 augustus 2014 is de optie verkregen en op 1 mei 2015 is het erfpachtrecht verstrekt.

10. Proces-verbaal relaas zaaksdossier [verdachte] :

Hekwerk

In een bij de woning van [medeverdachte 1] inbeslaggenomen iMac (beslagcode PAR14.06.03.001) werd een email (het Hof: e-mail van 31 augustus 2014, Beslagdossier, map 1, p. 21) aangetroffen betreffende een hekwerk. Deze email was gestuurd door [medeverdachte 1] naar het bedrijf [F] in Miami. In de e-mail stond dat een aanbetaling van USD 5000,- voor het laten maken van het hekwerk, via het bedrijf [H] overgemaakt zou worden. De tekeningen en afmetingen van het hekwerk waren als bijlagen bij de e-mail toegevoegd. Hierin werd geconstateerd dat de tekeningen van het hekwerk veel gelijkenis hadden met het hekwerk van [medeverdachte 1] zijn woning te [a-straat 1] .

De gegevens van [verdachte] en van zijn bedrijven werden via een vordering bevraagd bij [O] . Uit de verstrekte gegevens bleek dat via [G] een hekwerk werd geïmporteerd namens [medeverdachte 1] en bij hem thuis te [a-straat 1] werd afgeleverd.

In de administratie van [G] in de filedoos ' [G] 2015 Bankstukken' werd een bank overschrijvingsformulier d.d. 4 februari 2015 op naam van [F] aangetroffen. Het betrof een overschrijving van de bankrekening van [G] bij [bank 1] voor een bedrag van USD 3.000,- met de omschrijving 'Fence panels invoice 27226', getekend door [verdachte] .

De bankgegevens van [verdachte] en van zijn bedrijven werden ook via een vordering bevraagd en verkregen. Hieruit bleek dat de volgende betalingen werden verricht aan [F] via de bankrekening van [G] NV bij [bank 1] :

Stortingen van gelijkwaardige bedragen voor of na deze betalingen aan [F] werden niet waargenomen op de bankrekening van [G] . Indien een koers van 1.80 voor de dollar wordt gehanteerd, dan was de betaling van 9 september 2014 ad Awg. 9000, precies USD 5000. Hieruit bleek dat dit de aanbetaling was die [medeverdachte 1] noemde in zijn email naar [F] . De betaling van Awg. 5400 van 4 februari 2015, komt qua datum en invoice nummer, weer overeen met het aangetroffen overschrijvingsformulier voor USD 3000.

[M]

Het bedrijf [M] verstrekte een offerte op naam van [medeverdachte 1] voor het aanleggen van de voortuin en dripsysteem van [medeverdachte 1] zijn woning te [b-straat] (voormalig [a-straat 1] ). Het totaalbedrag van de offerte was Awg. 25.201,64. Tevens werden drie cheques verstrekt, uitgegeven door [A] NV aan [M] en ondertekend door [verdachte] namelijk:

- cheque 120, Awg. 18.000,00 d.d. 2/12/2015

- cheque 129, Awg. 3.000,00 d.d. 15/3/2016

- cheque 135, Awg. 4.201,64 d.d. 19/05/2016

De som van de cheques was precies het bedrag van de offerte, zijnde Awg. 25.201,64.

Vectra Gym

Gedurende de eerste huiszoeking werd achter de woning van [medeverdachte 1] een complete ingerichte gymruimte geconstateerd.

In het digitale beslag uit de woning van [medeverdachte 1] werd in de laptop, een niet getekende offerte, nummer E14599 d.d. 1-12-2016, voor het bedrag van USD 11.054 op naam van [medeverdachte 1] aangetroffen. Het betrof een Vectra-VX 48 gymmachine.

In het beslag van de containers, waar de administratie van het kantoor [H] werd bewaard, werd een bankoverschrijvingsformulier in de filedoos ' [G] Bank Dec 2016' aangetroffen. Het betrof een overmaking d.d. 13-12-2016 van de bankrekening van [G] bij [bank 1] naar het bedrijf [N] in Amerika, voor het bedrag van USD 11.054,00. Deze overmaking was de betaling van factuur E14599 voor een Vectra VX-48 gymmachine.

De gegevens omtrent gym - en sport materialen over de periode van december 2016 tot en met 1 februari 2017 werden bij de Douane via een vordering bevraagd en verkregen. Uit de verstrekte gegevens bleek dat een Vectra Gym VX-48 werd geïmporteerd via het bedrijf [H] van [verdachte] .

11. Proces-verbaal 6e verhoor [verdachte] :

Het apparaat, de Vectra, is direct bij [medeverdachte 1] afgeleverd.

12. Proces-verbaal 10e verhoor verdachte [medeverdachte 1] :

O: Wij tonen u een factuur van 1 december 2016 van een gymapparaat van

$ 11.054,00 in uw naam. Dit gymapparaat is aangetroffen in uw gym.

V: Wat kunt u hierover verklaren?

A: Dit gaat over de Vectra gym.

13. Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optie) van 8 augustus 2014:

Gelezen het verzoekschrift d.d. 10 december 2012 t.n.v. de naamloze vennootschap [C] N.V.

Heeft besloten:

Aan de naamloze vennootschap [C] het recht van optie te verlenen op een perceel domeingrond gelegen aan de noordzijde van de [c-straat] , beschreven in het DLV Veldwerk no. […] kavel […] .

Ondertekend door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling Infrastructuur en Integratie op 8 augustus 2014.

14. Geschrift, zijnde een overeenkomst tot vestiging van erfpacht van 1 mei 2015:

De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba , ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie

en

De naamloze vennootschap [C] N.V. (contractant)

komen overeen

Verlening en aanvaarding van de erfpacht

1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan

Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen.

2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op twee percelen domeingrond, t.w.:

a. het perceel domeingrond, groot zevenhonderdtwee-en zestig (762 m2), kadastraal bekend als Land Aruba , Eerste Afdeling Sectie G, nummer 315; en

b. het perceel domeingrond, groot ongeveer driehonderdachten zestig (368 m2), nader omschreven in DLV veldwerknr. 20140297 kavel no. 2

aldus overeengekomen op 1 mei 2015

(ondertekend door het Land Aruba (het Hof begrijpt: door minister van ROII, [medeverdachte 1]) en contractant (het Hof begrijpt: [betrokkene 3] namens [C])

15. Geschrift, zijnde een “Agreement And Deed Containing A Transfer of Shares” van 6 juli 2015, gesloten tussen [J] en [K] N.V.:

The undersigned:

I. [J] , domiciled in Panama, to be named "Seller" hereinafter.

and

[…] . [K] NV, to be named "Buyer" hereinafter.

Seller holds 100 issued shares each with a nominal value of Afl. 100,-, numbers 1 through 100, in the corporation [C] N.V.

Pursuant to the agreement of May 1, 2015 (see Appendix 1) between the Corporation and the Country of Aruba , represented by the Minister of Regional Planning, Infrastructure and Integration, the Country of Aruba will grant to the Corporation the long lease for two Parcels of land.

Seller and Buyer now wish to confirm and sell out in writing the purchase agreement and the transfer of the shares.

The purchase price of the shares amounts to AWG 2,400,000 or the equivalent in United States Dollars with conversion at the official rate of USD 1.00 USD = AWG 1.79. The amount shall be transferred to:

Bank account no: [rekeningnummer 1] with the [bank 2] N.V.

Beneficiary: [L]

[plaats] , Curacao

Bank details: [bank 2] N.V.

[d-straat] z/n Curacao

Thus agreed upon on July 6, 2015.

(het Hof begrijpt: ondertekend door seller and buyer)”

Verder bevat het vonnis van het Hof met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverwegingen (met weglating van verwijzingen naar dossierpagina’s):

“8.1 Feit 1: actieve omkoping

In de ten laste gelegde periode was [medeverdachte 1] minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening. In die hoedanigheid was hij eindverantwoordelijk voor de uitgifte van erfpachtrechten.

De verdachte en [medeverdachte 1] onderhielden in die periode een vriendschappelijke relatie met elkaar. Daarnaast onderhielden zij een zakelijke relatie met elkaar: de verdachte werd aangesteld als adviseur van [medeverdachte 1] nadat hij in 2009 aantrad als minister.

De verdachte heeft met aan hem gelieerde rechtspersonen aanvragen ingediend voor het verkrijgen van (commerciële) erfpachtrechten. In een aantal gevallen heeft dat geleid tot (een optie op) een overeenkomst tot vestiging van erfpacht tussen het Land Aruba en de verdachte en/of een aan hem gelieerde rechtspersoon.

Op grond van het (financieel) onderzoek door de politie en uit verklaringen van de verdachte en de [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte diverse betalingen heeft verricht voor [medeverdachte 1] .

Giften

[F]

Vast staat dat [medeverdachte 1] op 31 augustus 2014 een e-mail heeft gestuurd naar het bedrijf [F] (hierna: [F] ) over de aankoop van een hekwerk voor zijn woning. In de e-mail schreef [medeverdachte 1] dat hij een aanbetaling aan [F] zou doen van USD 5.000,- via het bedrijf [H] , een bedrijf van [verdachte] .

Het Hof stelt voorts vast dat uit de bankgegevens van [G] N.V. – een ander bedrijf van [verdachte] – blijkt dat die aanbetaling op 9 september 2014 is gedaan door middel van een bankoverschrijving van een bedrag van Afl. 9.000,- (omgerekend ongeveer USD 5.000) naar [F] .

Op 4 februari 2015 wordt door [verdachte] via zijn bedrijf [G] nog een bedrag van USD 3.000,- (omgerekend ongeveer Afl. 5.400,-) aan [F] overgemaakt voor het hekwerk van [medeverdachte 1] .

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] het geld contant aan [verdachte] heeft terugbetaald. Deze stelling acht het Hof ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

Het Hof stelt eerst vast dat de verdachten wisselend hebben verklaard. Zo heeft [verdachte] aanvankelijk verklaard dat [medeverdachte 1] het hekwerk rond zijn huis bij [F] heeft gekocht, maar dat [medeverdachte 1] zijn eigen zaken regelt en dat hij [medeverdachte 1] alleen heeft geattendeerd op dat bedrijf. Pas als [verdachte] wordt geconfronteerd met de e-mail die [medeverdachte 1] naar [F] heeft gestuurd, verklaart [verdachte] dat [medeverdachte 1] hem geld heeft gegeven, dat dit geld is gestort op de bankrekening van zijn bedrijf, waarna het geld is overgemaakt naar [F] . Daarnaast heeft [medeverdachte 1] aanvankelijk verklaard dat hij alleen geld aan [verdachte] heeft gegeven om de aanbetaling te doen en dat hij de rest van de betaling zelf heeft gedaan bij [F] in Miami, hetgeen niet overeenkomt met de bevindingen in het dossier dat via de bankrekening van het bedrijf van [verdachte] na de aanbetaling nog een geldbedrag naar [F] is overgemaakt ten behoeve van het hekwerk voor [medeverdachte 1] .

Pas ter terechtzitting in eerste aanleg is door de verdediging een (financieel) rapport overgelegd, dat in hoger beroep is aangevuld. In deze rapporten staat – kort samengevat – dat de contante geldbedragen (Afl. 10.000,- en Afl. 11.416,50) die op 22 januari 2015 op de rekening van [A] N.V. zijn gestort, afkomstig zijn van [medeverdachte 1] ter dekking van de aanbetaling van Afl. 9.000,- en een vooruitbetaling van het bedrag van Afl. 5.400,-, alsmede de transportkosten van het hekwerk ter hoogte van in totaal Afl. 8.016,95.

Het Hof stelt voorop dat de betalingen aan [F] zijn overgeschreven vanaf de bankrekening van [G] , zodat niet valt in te zien waarom de contante geldbedragen die volgens de verklaring van de verdachte van [medeverdachte 1] afkomstig zouden zijn, zouden zijn gestort op de bankrekening van een ander bedrijf van [verdachte] , namelijk [A] .

Het Hof constateert voorts dat de inhoud van het rapport in een schril contrast staat met de eerdere verklaringen van de verdachten. Zo komt het moment waarop de contante geldbedragen zijn gestort niet overeen met de eerder genoemde verklaringen van de verdachten, waarbij het Hof ook in aanmerking neemt dat de verdachten ook op geen enkel moment bij de Landsrecherche hebben verklaard dat [medeverdachte 1] een deel van het bedrag van het hekwerk en de volledige transportkosten vooruit heeft betaald. Daar komt nog bij dat de gestorte contante geldbedragen op de bankrekening van [A] niet overeenkomen met het totale bedrag dat door [G] is betaald voor het hekwerk en de transportkosten, terwijl het verschil tussen deze bedragen zelfs nog groter is als in aanmerking wordt genomen dat de door de verdediging overgelegde facturen à Afl. 1.151,90 en Afl. 1.523,92 blijkens hun inhoud niet zien op het transport van het hekwerk.

Voorts acht het Hof de verklaringen van getuige [medeverdachte 2] – de administratief medewerkster van [verdachte] – ten aanzien van de betalingen aan [F] onbetrouwbaar. Zo heeft zij bij de Landsrecherche verklaard dat [medeverdachte 1] het geld voor het hekwerk contant aan [verdachte] heeft gegeven en dat [verdachte] ook had gezegd dat dat geld afkomstig was van [medeverdachte 1] , terwijl zij aanvankelijk heeft verklaard dat [verdachte] nooit heeft gezegd dat contant geld dat gestort moest worden afkomstig was van [medeverdachte 1] . Daar komt bij dat zij zowel bij de Landsrecherche als de rechter-commissaris slechts heeft verklaard over één betaling, terwijl ook zij op geen enkel moment naar voren heeft gebracht dat [medeverdachte 1] een deel vooruit zou hebben betaald. In tegendeel, zij heeft bij de Landsrecherche juist verklaard dat zij de transportkosten achteraf heeft berekend en dat deze daarna door [medeverdachte 1] contant zijn betaald waarna dat bedrag vervolgens is gestort, terwijl ook daarvoor in het dossier geen enkele ondersteuning te vinden is. Gelet op het vorenstaande schuift het Hof de verklaringen van [medeverdachte 2] als ongeloofwaardig terzijde.

Tot slot weegt het Hof mee dat deze gang van zaken – het via de bankrekening van een bedrijf van een vriend aankopen van goederen en vervolgens in contanten terugbetalen – bevreemding opwekt, die zeer dringend vraagt om een aannemelijke verklaring. De verdachten hebben die uitleg niet gegeven. Zo heeft [verdachte] bij de Landsrecherche eerst verklaard dat hij niet weet waarom ervoor is gekozen om de aanbetaling via zijn bedrijf te doen en dat hij het geld heeft overgemaakt omdat [medeverdachte 1] hem dat ‘gewoon’ had gevraagd om te doen. Ook [medeverdachte 1] heeft bij de Landsrecherche verklaard dat hij het niet normaal vindt om iemand contant geld te geven die dan vervolgens zijn rekening betaalt, en dat hij normaal gesproken zijn eigen rekeningen betaalt. Gelet hierop acht het Hof de verklaring van de verdachten – die pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht – dat het om een bijzondere betaling ging, namelijk een Swift-betaling, en [medeverdachte 1] die betaling niet zelf kon doen omdat hij ‘niet met banken werkt’, niet aannemelijk geworden.

Gelet op het vorenstaande is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] de geldbedragen van USD 5.000,- en USD 3.000,- voor het hekwerk in zijn tuin contant aan [verdachte] heeft betaald. Het Hof concludeert dan ook dat deze betalingen door (het bedrijf van) [verdachte] aan [F] moeten worden aangemerkt als giften van [verdachte] aan [medeverdachte 1] .

[M]

Vast staat dat [verdachte] een offerte van [M] op naam van [medeverdachte 1] heeft betaald voor het aanleggen van de voortuin en het dripsysteem van de woning van [medeverdachte 1] . Het totaalbedrag van de offerte was Afl. 25.201,64. De betaling vond plaats door middel van drie cheques, uitgegeven door [A] en ondertekend door [verdachte] .

Uit het dossier blijkt dat op de data waarop de betreffende cheques zijn verzilverd contante geldbedragen, gelijk aan de waarde van de cheques, zijn gestort op de bankrekening van [A] .

Het Hof overweegt als volgt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] het geld contant aan [verdachte] heeft terugbetaald. Deze stelling acht het Hof ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

Het Hof stelt eerst vast dat de verdachten wisselend hebben verklaard. [medeverdachte 1] heeft aanvankelijk verklaard dat hij zelf met contant geld heeft betaald bij [M] . Pas als hij wordt geconfronteerd met de cheques van [A] aan het bedrijf [M] , verklaart hij dat hij geld aan [verdachte] heeft gegeven om te betalen. Volgens [verdachte] heeft [medeverdachte 1] het geld aan hem gegeven of heeft [medeverdachte 1] het geld zelf op het kantoor van [verdachte] gebracht. Als [verdachte] vervolgens wordt gevraagd hoe dat is gegaan en waarom het geld van [medeverdachte 1] op de rekening van [A] wordt gestort, verklaart hij dat de administratie het geld per ongeluk heeft gestort. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] verklaard dat de vrouw van [medeverdachte 1] het contante geld naar het kantoor van [verdachte] heeft gebracht. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de verklaring van getuige [medeverdachte 2] , die heeft verklaard dat zij contant geld heeft ontvangen van de vrouw van [medeverdachte 1] voor de betaling van [M] . Het Hof hecht geen geloof aan deze verklaring, nu [medeverdachte 2] deze verklaring pas bij de rechter-commissaris naar voren heeft gebracht, terwijl zij bij haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij – los van de betaling van het hekwerk van [medeverdachte 1] – geen wetenschap heeft van andere betalingen door het bedrijf van [verdachte] voor [medeverdachte 1] . Daarbij valt ook op dat [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over slechts één storting/cheque. Bovendien heeft [verdachte] bij de Landsrecherche aanvankelijk zelf verklaard dat de vrouw van [medeverdachte 1] nooit bij hem op kantoor is geweest. Gelet op het vorenstaande schuift het Hof de verklaring van de verdachten dat de vrouw van [medeverdachte 1] het contante geld op het kantoor van [verdachte] heeft gebracht als ongeloofwaardig terzijde.

Daarnaast weegt het Hof mee dat de verdachten geen aannemelijke verklaring hebben gegeven voor de gang van zaken rondom de betaling aan [M] .

Zo heeft [medeverdachte 1] bij de Landsrecherche verklaard dat hij niet weet waarom hij de betaling van de offerte van [M] via (het bedrijf van) [verdachte] heeft gedaan. Dit klemt te meer nu de woning van [medeverdachte 1] zéér dichtbij [M] is gelegen, terwijl het kantoor en de woning van [verdachte] verder weg zijn. Dit roept de vraag op waarom niet direct bij [M] is betaald. De verklaring van [medeverdachte 1] , die hij pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, dat zijn vrouw in die periode erg werd lastig gevallen op straat en daarom niet naar [M] kon gaan, acht het Hof – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – ongeloofwaardig.

Ook [verdachte] heeft op geen enkel moment een aannemelijke verklaring gegeven waarom het contante geld dat [medeverdachte 1] zou hebben gegeven of gebracht niet is gebruikt om de offerte van [M] te betalen, maar op rekening van zijn bedrijf is gestort. Zo heeft hij bij de Landsrecherche eerst verklaard dat de administratie het misschien per ongeluk heeft gestort op de bankrekening van [A] , terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij achteraf van de administratie heeft gehoord dat zij ervoor hebben gekozen om het zo te doen. Het komt het Hof echter volstrekt ongeloofwaardig voor dat een groot contant geldbedrag bij het kantoor van [verdachte] wordt gebracht voor het betalen van de offerte van [medeverdachte 1] en dat de administratie – op eigen houtje en tot driemaal toe – het geld vervolgens op de bankrekening van het bedrijf van [verdachte] stort, om daarna een cheque op te maken, die ook steeds door [verdachte] wordt ondertekend, waarna alle drie de keren iemand naar [M] is gegaan om de offerte van [medeverdachte 1] met die cheques te betalen, zonder dat [verdachte] daar wetenschap van heeft gehad.

Gelet op het vorenstaande is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] de offerte van [M] à Afl. 25.201,64 voor het aanleggen van zijn voortuin en een dripsysteem contant aan [verdachte] heeft betaald. Het Hof concludeert dan ook dat de betalingen door (het bedrijf van) [verdachte] aan [M] moeten worden aangemerkt als giften van [verdachte] aan [medeverdachte 1] .

Vectra gym

Vast staat dat de offerte van de Vectra gym op naam van [medeverdachte 1] staat, dat deze door [medeverdachte 1] is uitgekozen, dat de Vectra gym in januari/februari 2017 direct bij [medeverdachte 1] thuis is afgeleverd en dat deze in oktober 2019 tijdens de doorzoeking in diens woning door de politie is aangetroffen. Het Hof stelt verder vast dat [verdachte] de factuur met betrekking tot de Vectra gym à USD 11.054,- via de bankrekening van zijn bedrijf [G] heeft betaald.

Het Hof overweegt als volgt.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben beiden verklaard dat [verdachte] de Vectra gym heeft betaald en dat hij daar ook de eigenaar van is, maar dat [medeverdachte 1] de Vectra gym voor [verdachte] in bewaring heeft, omdat de daarvoor bestemde ruimte in de woning van [verdachte] te klein bleek te zijn.

Het Hof hecht geen geloof aan de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] met betrekking tot het eigenaarschap van de gym en neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking.

[verdachte] heeft verklaard dat hij een klein apparaat voor krachttraining in zijn gym had, dat dat voor hem voldoende was, omdat hij meer van het fietsen en rennen is, maar dat [medeverdachte 1] , die meer van de krachttraining is, het apparaat voor krachttraining in de gym van [verdachte] veel te klein en ouderwets vond. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] – die volgens [verdachte] op dat moment overigens een nagenoeg lege gymruimte had - een groot apparaat voor krachttraining uitgekozen (de Vectra gym) dat door [verdachte] is betaald. Nog afgezien van het feit dat het Hof zeer onaannemelijk voorkomt dat [verdachte] de Vectra gym voor zijn eigen gymruimte heeft gekocht – voor een bedrag van ruim USD 11.000,00 - zonder rekening te houden met de afmetingen van het apparaat, terwijl dit blijkens de verklaring van [verdachte] véél te groot was voor zijn eigen gymruimte en het bovendien wel paste in de gymruimte in de woning van [medeverdachte 1] , waar het ook direct is afgeleverd, blijkt uit de verklaring van [verdachte] dat hij – zeer kort nadat de Vectra gym bij [medeverdachte 1] was afgeleverd – niet meer naar de gymruimte van [medeverdachte 1] is gegaan, hetgeen er ook op duidt dat [verdachte] de Vectra gym niet voor zichzelf maar voor [medeverdachte 1] heeft gekocht.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben bovendien tegenstrijdige verklaringen afgelegd op de vraag wat zij hadden afgesproken met betrekking tot de Vectra gym. Zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat is besloten om de Vectra gym bij hem thuis te zetten tot [verdachte] zijn gymruimte had uitgebreid, hetgeen niet meer is gebeurd. [verdachte] heeft daarentegen van meet af aan verklaard dat de Vectra gym naar één van de woningen van zijn kinderen zal worden verplaatst als die woning klaar is en dat [medeverdachte 1] destijds heeft voorgesteld om de Vectra gym (tijdelijk) bij hem thuis neer te zetten. Daarbij valt op dat [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de woningen van zijn kinderen thans – en dus ruim zeven jaar later – nog slechts ‘tot’ 70 procent af zijn, wat afdoet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring.

Voornoemde omstandigheden maken het ongeloofwaardig dat [medeverdachte 1] de Vectra gym slechts in bewaring heeft genomen voor [verdachte] . Het Hof hecht geen waarde aan de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , inhoudend dat [medeverdachte 1] de gym zou uitkiezen “zodat [verdachte] deze kon kopen”, respectievelijk dat de gym bij [verdachte] thuis zou worden geplaatst, reeds omdat deze verklaringen niets inhouden over het eigenaarschap van de Vectra. Daarnaast zijn deze verklaringen afgelegd op een zodanig laat tijdstip in de procedure, en ook zo vaag, dat zij de indruk wekken te zijn afgelegd om, zonder in harde leugens te vervallen, de zaak toch zoveel mogelijk een wending te geven ten voordele van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Reden waarom het Hof deze verklaringen onbetrouwbaar acht. Het Hof merkt de Vectra gym daarom aan als een gift van [verdachte] aan [medeverdachte 1] .

Oogmerk

Het Hof neemt de volgende bewijsoverwegingen van het Gerecht over en maakt deze – hierna cursief weergegeven - tot de zijne:

Een ‘omkoper’ is, op grond van artikel 2:128 Wetboek van Strafrecht van Aruba , slechts strafbaar indien hij een gift of belofte doet met het oogmerk om de ambtenaar ergens toe te bewegen, dan wel, indien hij een gift of belofte doet naar aanleiding van iets dat de ambtenaar heeft gedaan. Het gaat om het naaste doel van de dader.

Artikel 2:128 lid 1, aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht van Aruba ziet niet alleen op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar om zo een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (vgl., met betrekking tot artikel 177 (oud) van het Wetboek van Strafrecht van Nederland, HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318). Bij de beantwoording van de vraag of de betreffende ambtenaar ‘in strijd met zijn plicht’ iets heeft gedaan of nagelaten kan mede van belang zijn of de ambtenaar integer heeft gehandeld, neutraal te werk is gegaan en aan anderen geen persoonlijke voorkeurspositie heeft toegekend (vgl., met betrekking tot artikel 177 (oud) Sr, HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:641)

Uit het dossier blijkt dat verdachte verspreid over de periode 2010-2017 met aan hem gelieerde rechtspersonen aanvragen en wijzigingsverzoeken heeft ingediend ten aanzien van erfpachtrechten. In diezelfde periode heeft verdachte, zoals hiervoor overwogen giften gedaan aan [medeverdachte 1] , de ambtenaar die eindverantwoordelijk was voor de uitgifte van erfpachtrechten. Deze giften kunnen qua aard en omvang redelijkerwijs niet worden aangemerkt als gebruikelijke giften tussen vrienden. Het Gerecht kan op grond van het dossier weliswaar niet vaststellen of verdachte die giften telkens deed met betrekking tot een concrete door [medeverdachte 1] geleverde of te leveren tegenprestatie. Verdachte heeft zijn giften gedaan ten tijde van zijn aanvragen, die ook -uiteindelijk- voor hem aanzienlijke bedragen konden opbrengen en hebben opgebracht. Het Gerecht stelt vast dat het niet anders kan zijn dat deze giften zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de minister welwillend tegenover de diverse aanvragen zou staan. Met andere woorden: om zijn relatie met de Minister te 'smeren', zijn aanvragen soepel te laten verlopen en een streepje voor op andere aanvragers te verkrijgen of te wel teneinde een voorkeursbehandeling te verkrijgen. En zo is het ook gegaan: de minister heeft de diverse aanvragen van betrokkene ook geaccordeerd met als gevolg dat de 'omkoper' zich aanzienlijk heeft verrijkt.

Omdat de giften steeds de strekking hadden om een voorkeurspositie te verwerven, handelde [medeverdachte 1] , als ambtenaar, bij het aannemen daarvan steeds in strijd met zijn plicht.

Gelet op het vorenstaande is het Gerecht van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan actieve omkoping van een ambtenaar, terwijl die ambtenaar handelde in strijd met zijn plicht.”

Het middel valt uiteen in de volgende vijf deelklachten.

i) Het Hof heeft niet beraadslaagd op grond van de tenlastelegging, terwijl (daarnaast) uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat een gym is aangelegd;

[…] ) het vonnis/de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde is innerlijk tegenstrijdig en of onbegrijpelijk;

iii) het Hof heeft bewijsmiddelen gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor het bewezenverklaarde;

iv) het oordeel van het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat door de verdachte betalingen zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de minister hem een voorkeursbehandeling zou geven, is onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd en

v) uit de bewijsvoering, mede gelet op het gevoerde verweer, kan niet blijken dat de verdachte optierechten/erfpachtovereenkomsten door middel van omkoping heeft verkregen.

De eerste deelklacht

De stellers van het middel menen dat het Hof door bewezen te verklaren dat de omkoping heeft bestaan uit het doen van een betaling voor de aanleg van een gym, terwijl ten laste is gelegd dat deze betaling is gedaan voor de aanleg/bouw van een sportschool, niet heeft beraadslaagd op grond van de tenlastelegging. Bovendien kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat is betaald voor de koop en levering van een apparaat, hetgeen niet onder de beschrijving bouw van een gym kan worden geschaard.

De uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en moet in cassatie – behoudens het geval waarin deze onverenigbaar is met de bewoordingen daarvan – worden geëerbiedigd. Nu “gym” een synoniem is voor sportschool is van dergelijke onverenigbaarheid geen sprake. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het apparaat waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het door [verdachte] is betaald, is aangetroffen in de gym van [medeverdachte 1] . Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het Hof dit wel degelijk onder de beschrijving “aanleg/bouw van een gym” kon scharen. De klacht faalt evident.

De tweede deelklacht

De stellers van het middel menen dat het arrest innerlijk tegenstrijdig dan wel onbegrijpelijk is, omdat het Hof enerzijds bewezen heeft verklaard dat het handelen van de verdachte gericht is geweest op (onder meer) “het verstrekken, dan wel wijzigen van (opties op) commerciële erfpachtrechten door de Minister van Infrastuctuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening aan verdachte of aan een aan hem gelieerde vennootschap”, terwijl het Hof anderzijds zich heeft verenigd met hetgeen het Gerecht in eerste aanleg heeft overwogen/geoordeeld, te weten “dat niet kan worden vastgesteld of de verdachte telkens giften heeft gedaan met betrekking tot een concrete door de minister geleverde of te leveren tegenprestatie”.

Art. 2:128 lid 1 SrA luidt als volgt:

“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:

a. hij die een ambtenaar zelf of een ander een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om de ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

b. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.”

Uit de hierboven weergegeven wettekst valt af te leiden dat ‘omkoping’ twee varianten kent, namelijk omkoping vooraf en omkoping achteraf. De eerste variant wordt beschreven in art. 2:128 lid 1 aanhef en onder a SrA. Voor deze variant is het voldoende dat een gift of belofte wordt gedaan dan wel een dienst wordt verleend of aangeboden met het oogmerk een ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten. Of de ambtenaar deze tegenprestatie ook werkelijk levert, is irrelevant voor de strafbaarheid. Art. 2:128 SrA betreft in zoverre een zuiver formeel (geformuleerd) delict. Specifiek wat betreft deze variant van omkoping blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad, zoals het Hof terecht heeft overwogen, dat deze niet enkel ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar om zo een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. De tweede variant van omkoping wordt beschreven in art. 2:128 lid 1 aanhef en onder b SrA. Bij deze zogenoemde omkoping achteraf gaat het om een gift of belofte die wordt gedaan dan wel een dienst die wordt verleend of aangeboden ten gevolge of naar aanleiding van een eerder doen of nalaten van de ambtenaar in kwestie.

Het Hof heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte verspreid over de periode 2010-2017 met aan hem gelieerde rechtspersonen aanvragen en wijzigingsverzoeken heeft ingediend ten aanzien van erfpachtrechten en in diezelfde periode giften – die gezien hun aard en omvang redelijkerwijs niet kunnen worden aangemerkt als gebruikelijke giften tussen vrienden – heeft gedaan aan de minister, die eindverantwoordelijk was voor de uitgifte van deze erfpachtrechten. Het Hof heeft vervolgens met het Gerecht geoordeeld dat, hoewel het op grond van het dossier niet kan vaststellen of de verdachte de giften telkens deed met betrekking tot een concrete door [medeverdachte 1] geleverde of te leveren tegenprestatie, de giften zijn gedaan ten tijde van zijn aanvragen, die ook – uiteindelijk – grote bedragen konden opbrengen en hebben opgebracht en dat het niet anders kan zijn dan dat de giften zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de minister welwillend tegenover diverse aanvragen zou staan. Mijns inziens heeft het Hof hiermee beoogd tot uitdrukking te brengen dat, hoewel niet telkens een concrete gift kan worden gelinkt aan een concrete geleverde of te leveren tegenprestatie, wel blijkt dat alle giften verband houden met het doel de minister te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en naar aanleiding van hetgeen door deze minister in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan. Dit leidt het Hof af uit de omstandigheid dat de giften zijn gedaan in de periode waarin door de betreffende minister moest worden beslist op aanvragen en wijzigingsverzoeken die waren ingediend door de verdachte, terwijl die giften gezien hun aard en omvang redelijkerwijs niet kunnen worden aangemerkt als gebruikelijke giften tussen vrienden en de toewijzing van de aanvragen veel geld kon opbrengen en heeft opgebracht. Van de door de stellers van het middel gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is bij deze lezing geen sprake.

De derde deelklacht

De stellers van het middel voeren aan dat een deel van de bewijsmiddelen (1, 4, 6, 8, 9 en 13) die het Hof heeft gebezigd niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat deze betrekking hebben op gedragingen die door de verdachte zijn begaan of op omstandigheden die zich hebben voorgedaan (ruim) voor de bewezenverklaarde periode.

Wat betreft de redengevendheid van bewijsmiddelen geldt dat enkel wanneer de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden overduidelijk niet redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring in cassatie wordt ingegrepen. Dat is in deze zaak niet het geval. Dat sommige data die voorkomen in de gewraakte bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde periode liggen, doet niet af aan het feit dat deze bewijsmiddelen in hun totaliteit bezien redengevend zijn voor de bewezenverklaarde omkoping.

De vierde deelklacht

De stellers van het middel menen (kort gezegd) dat het oordeel van het Hof dat het niet anders kan zijn dan dat door de verdachte betalingen zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de minister hem een voorkeursbehandeling zou geven onbegrijpelijk is, in het bijzonder omdat de verdediging het volgende heeft aangevoerd.

- Bewijs ontbreekt dat de verdachte tegenprestaties heeft verlangd voor de betalingen die hij heeft gedaan.

- Niet blijkt dat de minister zich actief met de behandeling van de aanvragen heeft bemoeid; de minister heeft iedere aanvraag voor een optie voor akkoord getekend en doorgestuurd naar de dienst infrastructurele projecten (verder: DIP) die de aanvraag vervolgens inhoudelijk heeft beoordeeld, zodat de verdachte niet is voorgetrokken.

- Uit het dossier blijkt verder ook niet dat de verdachte een streepje voor kreeg op andere aanvragers, ook niet uit de verklaring van [getuige 1] .

- In de jaren voorafgaand aan het verlenen van de aanvragen heeft geen andere persoon of onderneming een aanvraag ingediend voor hetzelfde perceel als de percelen waarop de aanvragen van de verdachte betrekking hadden.

- Uit het dossier blijkt niet dat de aanvragen ‘soepel’ zijn verlopen, zoals het Gerecht in eerste aanleg heeft overwogen; veelal werden de opties pas na jaren verstrekt.

Het Hof heeft, zoals reeds besproken, overwogen dat de verdachte in dezelfde periode als waarin namens aan hem gelieerde rechtspersonen aanvragen en wijzigingsverzoeken zijn ingediend ten aanzien van (opties op) commerciële erfpachtrechten giften heeft gedaan aan de minister, die in die hoedanigheid eindverantwoordelijk was voor de uitgifte van erfpachtrechten. Deze giften kunnen volgens het Hof qua aard en omvang redelijkerwijs niet worden aangemerkt als gebruikelijke giften tussen vrienden en de toewijzing van de aanvragen kon veel geld opbrengen. Tegen deze achtergrond kan het volgens het Hof niet anders zijn dan dat de giften zijn gedaan om te bewerkstelligen dat de minister welwillend tegenover de diverse aanvragen zou staan.

In het oordeel van het Hof ligt besloten dat de verdachte het voor een veroordeling voor omkoping vereiste oogmerk bezat. Dit oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk en hierin ligt ook de weerlegging van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, besloten. Ik wijs er in dit verband op dat voor zover hetgeen door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, erop neerkomt dat niet blijkt dat de verdachte werkelijk is voorgetrokken, dit niet relevant is voor de vraag of de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk tot omkoping als bedoeld in art. 2:128 lid 1, aanhef en onder a, SrA.

De vijfde deelklacht

De stellers van het middel klagen dat uit het vonnis van het Hof, mede in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, niet zonder meer kan volgen dat de door [E] , [D] , [B] , [A] en [C] verkregen optie-/erfpachtovereenkomsten door middel van omkoping zijn verkregen.

De stellers van het middel brengen naar voren dat door de verdediging ten aanzien van deze projecten (beknopt weergegeven) het volgende is aangevoerd.

- Voor [E] heeft niet de verdachte, maar een ander een optie/erfpacht aangevraagd. De verdachte heeft de aandelen pas gekocht en verkregen nadat het recht van erfpacht door de verkoper was verkregen.

- Dit geldt ook voor [D]. Bovendien is onbetwist aangevoerd dat het optierecht wel is toegekend, maar dat daarbij de voorwaarde is gesteld dat van [D] een bijdrage in de kosten van verplaatsing van de rioolleiding wordt verwacht en dat de rechter in een bodemprocedure heeft vastgesteld dat de overheid nalatig was geweest en dat aan [D] een schadevergoeding toekwam.

- Een gebrek in de bewijsvoering doet zich ook voor inzake de in de bewezenverklaring genoemde N.V.’s [B] en [A]; er zijn namelijk geen specifieke overwegingen gewijd aan de toekenning van deze vergunningen.

- Wat betreft [C] is aangevoerd dat ieder bewijs voor omkoping ontbreekt, dat de verdachte al vele jaren bezig was met de omgeving van de cruiseterminal en in de ontwikkeling van het terrein een pioniersrol heeft vervuld. Hij heeft ook een haalbaarheidsstudie laten verrichten. Tussen het verlenen van het optierecht op 8 augustus 2014 en het tekenen van de erfpachtovereenkomst op 5 mei 2015 heeft [betrokkene 2] (namens [K]) de verdachte een aanbod gedaan de aandelen van [C] over te nemen. Het is ook deze [betrokkene 2] geweest die de legeskosten voor het verlenen van het recht van erfpacht heeft betaald en ervoor heeft gezorgd dat het recht van erfpacht niet alleen betrekking had op het perceel van 762 vierkante meter, maar ook op een perceel van 368 vierkante meter; bij het verkrijgen van dit laatste perceel had de verdachte geen aandeel. Volgens de stellers van het middel blijkt uit de bewijsvoering derhalve niet dat verdachte door de verkoop van [C] een groot financieel voordeel heeft gehaald.

Voor de bespreking van deze klacht is van belang dat het Hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte met zijn giften aan de toenmalige Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening, in het bijzonder beoogde:

“(A)

het verstrekken, dan wel wijzigen van (opties op) commerciële erfpachtrechten door de Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening aan verdachte of aan een aan hem gelieerde vennootschap, waaronder [A] NV en/of [C] NV en/of [E] NV en/of [B] NV en/of [D] N.V

en/of

(B)

het verkrijgen en verwerven van een voorkeursbehandeling door voormelde Minister en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en voormelde Minister waarin laatstgenoemde niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief kon zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot hem als in het geval dat hij die giften niet had gedaan.”

Zoals onder randnummer 2.10 van deze conclusie al is aangegeven, is voor een veroordeling voor omkoping als bedoeld in art. 2:128 lid 1 SrA niet vereist dat door het Hof precies kan worden vastgesteld welke gift in verband staat met welke tegenprestatie. Het gaat erom dat kan worden vastgesteld dat de verdachte de giften heeft gedaan met het oogmerk om een voorkeursbehandeling te krijgen om er zo voor te zorgen dat zijn aanvragen werden goedgekeurd. Het oordeel van het Hof dat dit het geval is, acht ik – zoals ik bij de bespreking van de tweede deelklacht al heb aangegeven – niet onbegrijpelijk.

Voor de bewezenverklaring heeft het Hof van belang geacht dat de verdachte met aan hem gelieerde rechtspersonen aanvragen heeft ingediend voor het verkrijgen van (commerciële) erfpachtrechten en dat dit in een aantal gevallen heeft geleid tot (een optie op) een overeenkomst tot vestiging van erfpacht tussen het Land Aruba en de verdachte en/of een aan hem gelieerde rechtspersoon. Dat in sommige gevallen iemand anders dan de verdachte de aanvragen formeel heeft ingediend, doet in het geheel niet af aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie ten aanzien van het bewezenverklaarde oogmerk tot omkoping. De bedrijven stonden immers alle op naam van de verdachte toen de vergunningen werden verleend. Dat het Hof verder heeft overwogen dat de omkopingshandelingen ten gevolge hebben gehad dat diverse aanvragen van de verdachte zijn geaccordeerd met als gevolg dat hij zich aanzienlijk heeft verrijkt, is in zoverre ook niet van belang voor de bewezenverklaring; ook zonder het intreden van dit gevolg is immers sprake van een voltooide omkoping. Deze overweging ziet op de ernst van het feit, die later van belang is voor de strafoplegging. Dat de verdachte de aandelen van [E] pas in een later stadium heeft verkregen (uit de pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte maak ik op dat op 7 juli 2015 via een niet getekende letter of intent afspraken zijn gemaakt over de overname van [E] en dat op 17 november 2015 de holding van de verdachte de aandelen heeft gekocht), is ook niet van belang voor de bewezenverklaring. De afgifte van het erfpachtrecht heeft immers plaatsgevonden toen de verdachte de aandelen reeds in handen had (op 11 oktober 2017 om precies te zijn, zie bewijsmiddel 6) en is gevolgd op de reeks giften die de verdachte aan de minister heeft gedaan.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich in de periode van 6 juli 2015 tot en met 28 maart 2017 te Aruba schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Ten laste van de verdachte is onder “2. Witwassen” bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 6 juli 2015 tot en met 28 maart 2017 te Aruba , zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte een voorwerp, te weten een geldbedrag:

voorhanden gehad

terwijl hij wist dat dat geldbedrag, middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk de (actieve) omkoping van de toenmalig Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening ( [medeverdachte 1] ) (genoemd onder feit 1), te weten:

het geldbedrag van USD 1.329.711,51 op de (bank)rekening van De [L] aangehouden bij de [bank 2] te Curaçao met [rekeningnummer 2] .”

De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die reeds zijn weergegeven onder randnummer 2.3 van deze conclusie.

Het vonnis van het Hof bevat met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde de volgende bewijsoverwegingen:

“8.2 Feit 2: witwassen

Het Hof neemt de volgende bewijsoverwegingen van het Gerecht over en maakt deze tot de zijne:

Uit de bewijsmiddelen, in samenhang bezien met de overwegingen ten aanzien van feit 1, blijkt dat verdachte uit de omkoping van [medeverdachte 1] groot financieel voordeel heeft behaald. Zo heeft verdachte één van zijn bedrijven ( [C] N.V.) verkocht nadat hij een optierecht op domeingrond had verkregen. Het geldbedrag (USD 1.329.711,51) dat voor de aandelen in [C] is betaald, heeft verdachte geparkeerd op een bankrekening bij de [bank 2] in Curaçao.

Het onmiddellijk verwerven of voorhanden krijgen van een opbrengst uit eigen misdrijf kan niet onder alle omstandigheden worden aangemerkt als witwassen. Wanneer het gaat om opbrengsten die onmiddellijk van eigen misdrijf afkomst zijn, moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat het geldbedrag, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd

Het geldbedrag dat in de tenlastelegging is genoemd, is een geldbedrag dat middellijk afkomstig is uit het onder 1 bewezen verklaarde gepleegde misdrijf. Als ‘voorwerp’ dat onmiddellijk uit misdrijf afkomstig is, moet in het onderhavige geval worden aangemerkt het optie-/erfpachtrecht op domeingrond. Verdachte heeft een omzettingshandeling verricht door het optierecht, middels de verkoop van een aandelenoverdracht, te verkopen aan een derde. Deze omzettingshandeling maakt dat de ‘eigen misdrijf’-jurisprudentie van de Hoge Raad niet van toepassing is en dat aldus geen sprake is van de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

Het Gerecht is aldus van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.”

Het middel borduurt voort op hetgeen in de toelichting op het eerste middel is aangevoerd. Ik zal dat, voor zover relevant, daarom betrekken bij de bespreking van het tweede middel. Het komt erop neer dat volgens de stellers van het middel niet kan blijken dat de verdachte door omkoping een optie-/erfpachtrecht heeft verkregen en dat hij deze vervolgens weer heeft verkocht (althans de aandelen van de N.V. die deze rechten bezat, heeft overgedragen) voor het bedrag dat in de bewezenverklaring wordt genoemd. Verder wordt aangevoerd dat er door de verdediging op is gewezen dat de aanvraag ten behoeve van [C] N.V. dateert van voor de bewezenverklaarde periode en dat niet blijkt dat de minister een rol heeft gehad bij het verlenen van de vergunning. Tot slot wordt aangevoerd dat de bewijsmiddelen slechts blijkt dat het geldbedrag waarvoor de aandelen zijn verkocht, zal worden overgemaakt naar het in de bewezenverklaring genoemde rekeningnummer, maar niet dat dit ook werkelijk is gebeurd.

Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte aanvragen heeft ingediend voor erfpachtrechten voor onder meer [C] N.V. (bewijsmiddel 8), dat de teamcoördinator van de DIP heeft verklaard dat zij medewerking moesten verlenen aan de aanvragen van de verdachte, waaronder de aanvraag voor [C] N.V. (bewijsmiddel 3), dat de verdachte naar eigen zeggen constant aanvragen deed waar hij geen antwoord op kreeg, maar in de periode dat [medeverdachte 1] minister was wel succes had met zijn aanvragen (bewijsmiddelen 6 en 13), dat de verdachte middels aan hem gelieerde bedrijven meerdere geschenken aan de minister heeft gedaan (bewijsmiddel 10) en dat de aandelen van [C] N.V. na het verlenen van de erfpachtrechten aan deze N.V. op 6 juli 2015 door [J] zijn verkocht aan [K] N.V. voor het in de bewezenverklaring genoemde bedrag en dat is overeengekomen dat dit bedrag zou worden gestort op een bankrekening in Curaçao ten name van [L] (bewijsmiddel 15; zowel [J] Investment als [L] zijn bedrijven van de verdachte, zie bewijsmiddel 7).

Wat mij betreft, is het oordeel van het Hof dat het in de bewezenverklaring genoemde bedrag middellijk afkomstig is uit de omkoping tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. Uit het voorgaande kon het Hof immers afleiden dat de verdachte door middel van geschenken de minister heeft omgekocht en dat dit ertoe heeft geleid dat de aanvragen zijn goedgekeurd door de minister en dat hij als gevolg daarvan erfpachtrechten voor [C] N.V. heeft verkregen die hij tegen een hoge winst heeft doorverkocht (via een aandelenoverdracht).

Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, zoals weergegeven onder randnummer 2.18, vierde gedachtestreepje, van deze conclusie, verandert hieraan niets. In de eerste plaats is datgene feitelijk van aard en is een inhoudelijke beoordeling daarvan in cassatie niet mogelijk. Verder meen ik dat zelfs als wordt aangenomen dat de verdachte een pioniersrol heeft vervuld en een haalbaarheidsstudie heeft verricht met betrekking tot het terrein waarop hij de (optie op) het commerciële erfpachtrecht heeft verkregen, dit niet afdoet aan de uit de bewijsconstructie blijkende omkopingshandelingen van de verdachte en dus ook niet aan de bewezenverklaring. Ook het argument dat het recht van erfpacht niet alleen betrekking had op het perceel van 762 vierkante meter, maar ook op een perceel van 368 vierkante meter (zie bewijsmiddel 14) en dat de verdachte bij verkrijging van dit laatste perceel geen rol heeft gespeeld, brengt geen verandering in het voorgaande. Het gaat erom dat de verdachte op het moment van het verlenen van de erfpacht nog eigenaar van [C] N.V. was en dat hij ervoor en ook daarna omkopingshandelingen heeft verricht die verband hielden met het verlenen van de erfpachtrechten op beide percelen. Of tussentijds [betrokkene 2] , namens [K] , enige rol heeft gespeeld bij de aanvraag is, wat hier verder ook van zij, niet relevant voor het hier aan de orde zijnde strafrechtelijke verwijt dat de verdachte wordt gemaakt.

De klacht dat niet blijkt dat de medeverdachte (de minister) enige rol bij het beoordelen en/of verlenen van het optierecht of erfpachtrecht heeft gespeeld, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 3) blijkt immers dat de minister “weer een duidelijke instructie” heeft gegeven inzake de aanvraag van [C] N.V. Anders dan de stellers van het middel, meen ik verder dat de omstandigheid dat de aanvraag dateert van voor de bewezenverklaarde periode niets afdoet aan de bewezenverklaring van witwassen. Voor die bewezenverklaring is slechts van belang wanneer de verdachte het geldbedrag dat in relatie staat tot de verleende aanvraag, voorhanden heeft gehad.

Tot slot wordt geklaagd dat uit bewijsmiddel 15 slechts kan volgen dat het bedrag zal worden overgemaakt naar het in de bewezenverklaring genoemde rekeningnummer, maar niet dat dit ook werkelijk is gebeurd. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de stellers van het middel geen enkel argument aanvoeren waarom het Hof uit dit bewijsmiddel niet heeft mogen afleiden dat die overeengekomen betaling vervolgens daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verder wijs ik erop dat uit de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde pleitnota blijkt dat ook de verdediging aanneemt dat de bedragen door de verdachte zijn ontvangen. Erkend wordt immers dat het geld is gestort op een bankrekening van [L] , terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit een bedrijf van de verdachte is.

4. Slotsom

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?