ECLI:NL:PHR:2026:145

ECLI:NL:PHR:2026:145

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 25/04087
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan VS. Twee middelen opgeëiste persoon en één middel OM. Middelen opgeëiste persoon gaan over (1) mogelijkheid dat in strafzaak doodstraf zal worden opgelegd en in dat kader door Amerikaanse autoriteiten gegeven garanties en (2) onzekerheid over strafbare feiten die zullen worden ten laste gelegd (specialiteitsbeginsel). Beide middelen falen vanwege feit dat het niet aan uitleveringsrechter, maar aan minister van Justitie en Veiligheid, is om hierover te oordelen. Middel OM slaagt. Klaagt terecht over oordeel van rechtbank dat niet uitgeleverd kan worden voor ‘accessory after the fact of murder’ omdat feit naar Nederlands recht geen strafbedreiging van meer dan een jaar kent. Rechtbank heeft miskend dat accessoire uitlevering (art. 2 Uitleveringsverdrag NL-VS) wel mogelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft beslissing rechtbank dat uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op ‘accessory after the fact of murder’, tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/04087 U

Zitting 3 februari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) op [geboortedatum] 1991,

hierna: de opgeëiste persoon

1. Inleiding

De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak van 30 oktober 2025 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika “ter strafvervolging van de feiten zoals vermeld in de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] ” toelaatbaar verklaard en de uitlevering ontoelaatbaar verklaard “voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] ”.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon en door het openbaar ministerie. Namens de verdachte heeft J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, twee middelen van cassatie voorgesteld. Verder heeft [Officier van Justitie] , plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland, namens het openbaar ministerie één middel van cassatie voorgesteld.

De middelen van de opgeëiste persoon houden verband met de – volgens de steller van het middel bestaande – onzekerheid over de strafbare feiten die aan de opgeëiste persoon zullen worden ten laste gelegd (middel 2), de mogelijkheid dat in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon de doodstraf zal worden gevorderd en opgelegd en de in dat kader door de Amerikaanse autoriteiten gegeven garanties (middel 1). Het middel van het openbaar ministerie ziet op de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering voor ‘accessory after the fact of murder’.

2. De zaak

Uit de stukken die de verzoekende staat heeft overgelegd volgt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op haar ex-vriend, tevens vader van haar dochter. Haar moeder en een kennis zijn medeverdachten. De opgeëiste persoon zou de kennis hebben aangezet tot de moord, die op 18 augustus 2021 plaatsvond. Na de moord zou de opgeëiste persoon in verhoren meerdere keren hebben gelogen en informatie hebben achtergehouden. Op 8 maart 2025 is de opgeëiste persoon met haar dochter naar Nederland vertrokken.

Op 4 april 2025 is de opgeëiste persoon in [plaats] aangehouden naar aanleiding van een voorlopig aanhoudingsverzoek (“Request for the Provisional Arrest”) van de VS van 4 april 2025.

Op 2 juni 2025 hebben de autoriteiten van de VS Nederland verzocht om uitlevering van de opgeëiste persoon ter strafvervolging. De uitlevering wordt verzocht voor een drietal feiten, te weten (1) ‘accessory before the fact of murder’, (2) ‘conspiracy to commit murder’ en (3) ‘accessory after the fact of murder’. Het (vertaalde) uitleveringsverzoek houdt onder meer in:

“ [opgeëiste persoon] wordt gezocht om te worden berecht door de 7e Circuit Court in [plaats] , South Carolina . Op 26 maart 2025 heeft een rechter van de Magistrate Court van [plaats] een arrestatiebevel uitgevaardigd in zaaknummer […] , waarin [opgeëiste persoon] wordt beschuldigd van het volgende misdrijf:

Tenlastelegging 1: Medeplichtigheid aan moord, in strijd met de wet van South Carolina , titel 16, hoofdstuk 1, artikelen 40 en 50, waarop een maximumstraf van de doodstraf staat indien de autoriteiten van South Carolina besluiten een afzonderlijke strafprocedure in te leiden op grond van de wet van South Carolina , titel 16, hoofdstuk 3, artikel 20(B). Indien de autoriteiten van South Carolina besluiten geen afzonderlijke procedure in te leiden, is de maximale gevangenisstraf voor dit misdrijf levenslange gevangenisstraf zonder mogelijkheid tot vervroegde vrijlating. Volgens de jurisprudentie van het Hooggerechtshof van South Carolina komt een persoon die veroordeeld is voor medeplichtigheid aan moord echter niet in aanmerking voor de doodstraf. In ieder geval zal het zal het Openbaar Ministerie van het 7e Circuit geen afzonderlijke procedure starten om de doodstraf in deze zaak te eisen.

Op 28 maart 2025 heeft een rechter van de Magistrate Court van [plaats] een arrestatiebevel uitgevaardigd in zaaknummer […] , waarin [opgeëiste persoon] wordt beschuldigd van het volgende misdrijf:

Tenlasteleg 1: Medeplichtigheid aan moord, in strijd met de wet van South Carolina , titel 16, hoofdstuk 1, artikel 55, waarop een maximale gevangenisstraf van vijftien jaar staat.

Op 28 maart 2025 heeft een rechter van de Magistrate Court van [plaats] een arrestatiebevel uitgevaardigd in zaaknummer […] , waarin [opgeëiste persoon] wordt beschuldigd van het volgende misdrijf

Tenlastelegging 1: Samenzwering tot moord, in strijd met de wet van South Carolina , titel 16, hoofdstuk 17, artikel 410, waarop een maximale gevangenisstraf van vijf jaar staat.

De Verenigde Staten verzoeken om de uitlevering van [opgeëiste persoon] voor de strafbare feiten waarvan zij in de bovengenoemde arrestatiebevelen wordt beschuldigd. Deze arrestatiebevelen blijven geldig en uitvoerbaar. Indien [opgeëiste persoon] wordt uitgeleverd, is het 7th Circuit Solicitor's Office voornemens een aanklacht in te dienen op basis van de aanklachten in de arrestatiebevelen in de zaken […] , […] en […] .”

Bij het verzoek tot uitlevering is gevoegd een “Affidavit” van de Assistant Solicitor [betrokkene 1] van het [plaats] Solicitor’s Office van 22 april 2025, dat is beëdigd door een rechter bij het (7th) Circuit Court South Carolina , waarin het verzoek nader wordt onderbouwd. De (Nederlandse vertaling van de) toelichting houdt onder meer een samenvatting van de feiten in en voorts:

“PROCEDUREEL VERLEDEN VAN DE ZAAK

Het beschuldigingsproces

(…)

24. Hoewel wetshandhavingsinstanties in de Staat van South Carolina het kantoor van de relevante procureur niet moeten raadplegen op het moment van het verkrijgen van het/de aanhoudingsbevel(en), kunnen wetshandhavingsinstanties dit wel doen. In deze zaak van de Staat van South Carolina versus [opgeëiste persoon] heeft het kantoor van de procureur van het 7th Circuit het bewijsmateriaal doorgenomen en bevestigt dat, als [opgeëiste persoon] wordt uitgeleverd aan de Verenigde Staten, het kantoor van de procureur van het 7th Circuit een tenlastelegging zal nastreven op basis van de beschuldigingen die het voorwerp vormen van de aanhoudingsbevelen

met de nummers […] , […] en […] .

DE BESCHULDIGINGEN EN RELEVANTE AMERIKAANSE WETGEVING

25. Op 26 maart 2025 heeft de [rechter] van de bevoegde rechtbank van [plaats] een aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor de aanhouding van [opgeëiste persoon] met nummer […] waarin [opgeëiste persoon] wordt beschuldigd van medeplichtige door aansporing van moord. Op 28 maart 2025 heeft [rechter] aanvullende aanhoudingsbevelen uitgevaardigd voor de aanhouding van [opgeëiste persoon] met nummers […] en […] waarin [opgeëiste persoon] wordt beschuldigd van respectievelijk medeplichtige door steun achteraf aan moord, en samenzwering om moord te plegen.

26. De aanhoudingsbevelen met de nummers […] , […] en […] beschuldigen [opgeëiste persoon] van het volgende:

• medeplichtige door aansporing van moord met schending van titel 16, hoofdstuk 1, sectie 40 en 50 van de South Carolina Code of Laws. (Onderwerp van […] ). Sectie 40 bepaalt dat, indien veroordeeld, moet de gedaagde worden gestraft op de voorgeschreven manier voor de bestraffing van de hoofdmisdadiger. In dit geval is de hoofdmisdrijf moord. De maximale straf voor moord is de dood als de autoriteiten in South Carolina kiezen om een afzonderlijke veroordelingsprocedure te initiëren onder Titel 16, hoofdstuk 3, sectie 20(B) van de South Carolina Code of Laws. Als de autoriteiten in South Carolina kiezen om deze afzonderlijke procedure niet te initiëren, is de maximale vrijheidsstraf voor dit misdrijf levenslange gevangenisstraf zonder de kans op vrijlating. Echter, in de zaak State v. Bixby, besloot het hooggerechtshof van South Carolina dat een persoon die is veroordeeld van medeplichtige door aansporing van moord niet in aanmerking komt voor de doodstraf. Bixby is op dit moment het overheersende precedent in South Carolina . In elk geval zal het kantoor van de procureur van het 7th Circuit geen afzonderlijke procedure initiëren om de doodstraf in deze zaak na te streven.

• Medeplichtige door steun achteraf aan moord met schending van Titel 16, hoofdstuk 1, sectie 55 van de Soutli Carolina Code of Laws. (Onderwerp van […] ). De maximale vrijheidsstraf voor dit misdrijf is vijftien jaar.

• Samenzwering om moord te plegen. Titel 16, sectie 410 van de South Carolina Code of Laws. De maximale vrijheidsstraf voor dit misdrijf is vijf jaar. (Onderwerp van […] ).”

Als bewijsstuk B zijn bij de Affidavit de aanhoudingsbevelen gevoegd. Deze houden onder meer in (in de Nederlandse vertaling):

Aanhoudingsbevel […] :

“Tijdens de maanden voor de moord van het [slachtoffer] op 18 augustus 2021 (binnen de stadsgrenzen van [plaats] in [plaats] ) heeft de gedaagde [opgeëiste persoon] [medeverdachte 1] geadviseerd, ingehuurd of anderszins aangezet om het [slachtoffer] te vermoorden. (…)”

Aanhoudingsbevel […] :

“ [opgeëiste persoon] heeft de misdrijf van medeplichtige door steun achteraf aan moord begaan door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te helpen bij het verbergen van de identiteit van de dader(s) in de moord van [slachtoffer] op 18 augustus 2021, in de stad [plaats] /County van [plaats] , SC. (…)”

Aanhoudingsbevel […] :

“ [opgeëiste persoon] heeft de misdrijf van samenzwering gepleegd halverwege 2021 waarbij ze heeft gecommuniceerd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om een onwettige handeling te plegen tegen [slachtoffer] die resulteerde in zijn moord op 18 augustus 2021 in de stad [plaats] /County van [plaats] South Carolina .”

Op 14 augustus 2025 heeft de rechtbank het na het onderzoek ter terechtzitting van 31 juli 2025 gesloten onderzoek heropend. De rechtbank achtte zich onvoldoende ingelicht om een oordeel over het uitleveringsverzoek te kunnen vormen omdat op dat moment onvoldoende vast zou staan dat de doodstraf niet zou worden opgelegd in deze zaak. De officier van justitie is toen de opdracht gegeven om nadere informatie op te vragen bij de Amerikaanse autoriteiten waaruit zou moeten blijken dat de doodstraf niet zal worden opgelegd aan de opgeëiste persoon, ook als uiteindelijk andere varianten van de verdenking ten laste gelegd of bewezen verklaard worden.

Ter terechtzitting van 16 oktober 2025 heeft de officier van justitie in het geding gebracht een Diplomatic Note van de Amerikaanse autoriteiten van 16 september 2025. Deze houdt onder meer in:

“Om de uitlevering van [opgeëiste persoon] wordt verzocht wegens de volgende strafbare feiten: medeplichtigheid vóór het feit bij moord, medeplichtigheid na het feit bij moord, en samenzwering tot het plegen van moord. Op grond van de wetgeving van South Carolina is [opgeëiste persoon] niet onderworpen aan de doodstraf voor een van de hierboven genoemde strafbare feiten. In het bijzonder haar medeplichtigheid ná het feit bij moord en samenzwering tot het plegen van moord zijn volgens de wet uitgesloten van de doodstraf. Voorts heeft het Hooggerechtshof van South Carolina in de zaak State v. Bixby, 373 S.C. 74 (9 april 2007) geoordeeld dat een verdachte die is veroordeeld wegens medeplichtigheid vóór het feit bij moord niet in aanmerking voor de doodstraf komt. Aangezien volgens de wetgeving van de verzoekende staat de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht niet met de doodstraf worden bestraft, is ingevolge artikel 7 van de Bijlage geen garantie vereist. Echter, ter wille van het verzoek van Nederland om nadere waarborgen, geeft de Verenigde Staten bij dezen, met verwijzing naar artikel 7 van de Bijlage, de volgende garantie:

De doodstraf zal niet aan [opgeëiste persoon] worden opgelegd, of, indien om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, zal de doodstraf, indien opgelegd, niet worden uitgevoerd.”

In de uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank vastgesteld dat de feiten (1) en (2) naar Nederlands recht te zien als vormen van deelneming aan moord en feit (3) als het verlenen van hulp aan een dader na het misdrijf. De rechtbank heeft de uitlevering voor ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ (feiten 1 en 2) toelaatbaar geoordeeld en de uitlevering voor ‘accessory after the fact of murder’ (feit 3) ontoelaatbaar verklaard.

3. De cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld

In het eerste middel wordt betoogd dat art. 8 Uitleveringswet (hierna: Uw) is geschonden doordat de rechtbank de uitlevering heeft toegestaan terwijl de verzoekende staat de opgeëiste persoon zal willen vervolgen voor feiten waarop in de staat South Carolina de doodstraf is gesteld. Volgens de steller van het middel bevat de Diplomatic Note niet de garanties zoals die door de rechtbank zijn verzocht en zijn de gegeven garanties onvoldoende om ervan uit te kunnen gaan dat de doodstraf niet zal worden opgelegd.

Het tweede middel klaagt over een schending van art. 18 lid 3 Uw. De rechtbank zou de inhoudelijke verschillen tussen het Request for the Provisional Arrest en het Request for Extradition niet in zijn oordeel hebben meegenomen. Vanwege de verschillen tussen die twee documenten kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld welke strafbare feiten de procureur in South Carolina aan de opgeëiste persoon ten laste zal leggen, zodat ook onvoldoende zeker is of de doodstraf opgelegd zal worden.

De relevante overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover relevant voor de middelen van de opgeëiste persoon, het volgende overwogen:

1.1 Het verzoek tot uitlevering

Bij Diplomatic Note van 2 juni 2025 heeft de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Nederland een gewaarmerkt verzoek doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging (hierna: het uitleveringsverzoek).

Blijkens het uitleveringsverzoek wordt de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’, zoals omschreven in de Affidavit (beëdigde verklaring) van 22 april 2025 van [betrokkene 1] , Asisstant Solicitor.

(…).

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Voormeld verzoek is vergezeld van het volgende:

- Een authentiek afschrift van door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven aanhoudingsbevelen met nummer […] d.d. 26 maart 2025, met nummer […] d.d. 28 maart 2025 en met nummer […] d.d. 28 maart 2025;

- De Affidavit (beëdigde verklaring) van 22 april van [betrokkene 1] , Assistant Solicitor van het kantoor van de openbare aanklager van [plaats] (hierna: Affidavit) met daarin een uiteenzetting van de feiten, met bijlagen waaronder de vereiste stukken met betrekking tot de identiteit van de opgeëiste persoon en een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften.

De overige stukken

In het uitleveringsdossier zijn voorts de volgende stukken opgenomen:

(…)

- een e-mail van de officier van justitie, verstuurd op donderdag 16 oktober 2025, met als bijlage aanvullende informatie van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika d.d. 16 september 2025.

2. Het onderzoek ter zitting

(…).

Het standpunt van de opgeëiste persoon

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich verzet tegen toelaatbaarverklaring van de uitlevering en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

De aanvullende informatie die de ambassade van de Verenigde Staten heeft afgegeven biedt onvoldoende garantie dat de doodstraf niet zal worden opgelegd. Formeel gezien kan bij gebrek aan het overleggen van de gehele interstatelijke correspondentie, niet worden vastgesteld aan wie de vragen zijn gesteld en daardoor ook niet of er antwoord is gegeven door de daartoe bevoegde instantie. Bovendien is niet bekend wie de ‘diplomatic note’ heeft opgesteld nu deze niet met naam en toenaam is ondertekend. De State South Carolina is op geen enkele wijze gebonden aan deze niet verifieerbare verklaring. De consulaire verklaring bindt enkel de ambassade in Nederland en niet de Verenigde Staten van Amerika. Het blijft daarom onduidelijk of de verklaring daadwerkelijk rechtskracht heeft in de Verenigde Staten van Amerika. Met de reactie van de ambassade zijn de zorgen niet weggenomen dat de procureur na uitlevering toch andere feiten ten laste gaat leggen zonder aanvullende toestemming aan Nederland te vragen. De uitlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook niet worden toegestaan, omdat de doodstraf nog steeds kan worden opgelegd. De garanties zijn onvoldoende. Daarnaast kan niet worden uitgeleverd omdat de opgeëiste persoon asiel heeft aangevraagd in Nederland en er nog geen eindbeslissing in deze procedure is genomen.

(…).

3. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering

Inleiding

De Uitleveringswet (hierna: UW) kent diverse gronden om een uitlevering te weigeren. In multilaterale en bilaterale verdragen zijn daarnaast veelal nog aanvullende gronden opgenomen. De opgeëiste persoon kan zich in de uitleveringsprocedure rechtstreeks beroepen op die bepalingen. In Nederland kent men echter een strikte scheiding tussen de bevoegdheden van de uitleveringsrechter enerzijds en de minister anderzijds. Het is aan de uitleveringsrechter om te oordelen over de toelaatbaarheid van de uitlevering, terwijl de minister dient te beslissen of het verzoek wordt ingewilligd (waarbij hij overigens wel is gebonden aan het oordeel van de uitleveringsrechter tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering). Dit brengt met zich dat niet alle weigeringsgronden die de UW en de verdragen kennen zijn onderworpen aan het oordeel van de uitleveringsrechter. De uitleveringsrechter is - voor zover dit niet reeds uit de UW volgt - enkel bevoegd om over weigeringsgronden te oordelen, indien daarvoor geen beoordeling van de politieke situatie en rechtspleging in de verzoekende staat nodig is die toegang tot voor de rechter gesloten informatiebronnen vereist, er niet onderhandeld hoeft te worden over eventueel aanvullende garanties en er geen afwegingen moeten worden gemaakt waarbij beleidskeuzes een rol spelen. Het toetsingskader van de uitleveringsrechter is derhalve vele malen beperkter dan dat van de minister. De uitleveringsrechter kan de minister in een advies bij de uitspraak echter wel over alle aspecten adviseren. De rechtbank zal vorenstaande als uitgangspunten nemen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Voor zover van belang zal zij naar aanleiding van de gevoerde verweren verder ingaan op de bevoegdheidsverdeling tussen enerzijds de minister en anderzijds de uitleveringsrechter.

Toepasselijke wetten en verdragen

Op het uitleveringsverzoek is naast de UW, het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) van toepassing.

(…).

Genoegzaamheid van de stukken

De rechtbank is van oordeel dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de vereisten van artikel 18 UW en artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag.

(…).

Garanties met betrekking tot het niet opleggen dan wel tenuitvoerleggen van de doodstraf

De rechtbank heeft in een eerder stadium van deze procedure, hoewel deze bevoegdheid blijkens de uitleveringswet strikt genomen enkel toekomt aan de minister, nadere informatie opgevraagd omtrent de mogelijkheid dat aan de opgeëiste persoon de doodstraf wordt opgelegd. Deze informatie is door de officier van justitie aangeleverd. Uit de door de officier van justitie ingebracht Diplomatic Note van 16 september 2025 blijkt dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd of, indien om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, de doodstraf niet zal worden tenuitvoergelegd. De rechtbank vindt de door de ambassade doorgegeven informatie afdoende en acht het om deze reden niet noodzakelijk om het onderzoek te heropenen.”

Het juridisch kader

Bij de bespreking van de middelen zijn de volgende bepalingen van belang:

- Art. 7 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag:

“1. Wanneer op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de verzoekende Staat doch niet krachtens het recht van de aangezochte Staat de doodstraf is gesteld, kan de aangezochte Staat aan de uitlevering de voorwaarde verbinden dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon wordt opgelegd of, indien de verzoekende Staat om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan voldoen, de voorwaarde dat de doodstraf, indien deze wordt opgelegd, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Indien de verzoekende Staat instemt met de uitlevering op de in dit artikel genoemde voorwaarden, moet hij die voorwaarden naleven. Indien de verzoekende Staat de voorwaarden niet aanvaardt, kan het uitleveringsverzoek worden geweigerd.

- Art. 9 lid 2 en lid 3 Uitleveringsverdrag:

“2. Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:

a. alle beschikbare gegevens betreffende de identiteit, de nationaliteit, en de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon;

b. een uiteenzetting van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd;

c. de wetsbepalingen houdende de wezenlijke elementen en de benaming van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht;

d. de wetsbepalingen houdende de straf die op het delict is gesteld;

e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.

3. Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:

a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, opgemaakt door een rechter of andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat; en

b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.”

- Art. 15 lid 1 aanhef en onder c en lid 2 aanhef en onder a en b Uitleveringsverdrag:

“1. De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, noch wordt hij door die Staat aan een derde Staat uitgeleverd, tenzij:

(…)

c. de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft ingestemd met zijn hechtenis, berechting of bestraffing ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, of met uitlevering aan een derde Staat. Met het oog hierop kan de aangezochte Staat de overlegging verlangen van in artikel 9 vermelde stukken of verklaringen, met inbegrip van door de uitgeleverde persoon afgelegde verklaringen met betrekking tot het desbetreffende feit.

2. Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd in de loop van de procedure op wettelijke wijze wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbare feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving:

a. is gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het verzoek tot uitlevering en de stukken ter ondersteuning daarvan; en

b. op dat feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving een zelfde maximumstraf is gesteld als of een lagere maximumstraf is gesteld dan op het feit waarvoor die persoon was uitgeleverd.”

- Art. 8 Uw:

“Indien, naar het recht van de verzoekende staat, de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, wordt de opgeëiste persoon niet uitgeleverd, tenzij naar het oordeel van Onze Minister voldoende is gewaarborgd dat die straf, zo een veroordeling daartoe mocht volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd.”

- Art. 12 lid 1 en lid 2 onder a en b Uw:

“1. Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd.

2. Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde toestemming geven ten aanzien van:

a. strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon, krachtens het toepasselijke verdrag, aan de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan had kunnen worden uitgeleverd;

b. andere feiten, voor zover deze zowel naar het recht van de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan als naar dat van Nederland strafbaar zijn en de mogelijkheid van uitlevering daarvoor niet krachtens de artikelen 8-11 van deze wet is uitgesloten.”

- Art. 18 lid 3 Uw:

“3. Het verzoek moet vergezeld gaan van :

a. het origineel of een authentiek afschrift

hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,

hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,

een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan;

c. de tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften of, voorzover ongeschreven recht van toepassing is, een voor de beoordeling van het verzoek voldoende verklaring omtrent de inhoud van dat recht;

d. de gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon en - in geval van mogelijke twijfel daaromtrent - van zijn nationaliteit.”

Het beoordelingskader

Bij de bespreking van de middelen moet het volgende worden vooropgesteld. Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek bestaat een bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister). De uitleveringsrechter beoordeelt of aan bepaalde voorwaarden voor uitlevering uit het toepasselijke verdrag en de Uitleveringswet is voldaan en – indien de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard – adviseert de minister over het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg. De minister beslist uiteindelijk of een verzoek tot uitlevering wordt ingewilligd. Als de rechter tot de slotsom is gekomen dat de uitlevering ontoelaatbaar is, dient de minister zich evenwel aan dat oordeel van de rechter te houden.

De uitleveringsrechter oordeelt onder meer over weigeringsgronden die betrekking hebben op juridische kwesties, zoals de eis van dubbele strafbaarheid (art. 5 Uw). Tot het exclusieve domein van de minister behoren onder meer de weigeringsgronden die betrekking hebben op de doodstraf (art. 8 Uw) en het specialiteitsbeginsel (art. 12 Uw). Als het toepasselijke verdrag een weigeringsgrond bevat die ziet op een van deze punten, dan is het de minister die daarover heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter wel vrij om in het advies aan de minister in te gaan op weigeringsgronden die aan de minister zijn voorbehouden.

De bespreking van de middelen

Het eerste middel

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit een Diplomatic Note van 16 september 2025 de garantie volgt dat ‘de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon zal worden opgelegd of, indien om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, de doodstraf niet zal worden tenuitvoergelegd’. Volgens de steller van het middel waarborgt deze garantie niet voldoende dat de doodstraf niet zal worden opgelegd. In dat verband merk ik allereerst op dat art. 7 Uitleveringsverdrag niet de eis stelt dat bij voorbaat zekerheid wordt gegeven dat de doodstraf niet zal worden opgelegd, maar wel dat gegarandeerd wordt dat deze – indien opgelegd – niet ten uitvoer zal worden gelegd. In zoverre voldoet de gegeven garantie dus aan de tekst van art. 7 Uitleveringsverdrag. Belangrijker is echter, en daar stuit de klacht op af, dat uit art. 8 Uw volgt dat het aan de minister is om te beoordelen of in de onderhavige zaak voldoende waarborgen bestaan dat de doodstraf niet zal worden opgelegd of niet ten uitvoer zal worden gelegd. Dat betekent dat, zoals de rechtbank ook heeft onderkend, deze kwestie niet ter beoordeling staat van de uitleveringsrechter en ook in cassatie niet met succes over de door de Amerikaanse autoriteiten gegeven garanties kan worden geklaagd.

Het tweede middel

Wat betreft het tweede middel is het volgende van belang. De rechtbank heeft geoordeeld dat aan de eisen van art. 18 Uw en art. 9 lid 2 en lid 3 Uitleveringsverdrag is voldaan en heeft de verschillende door de verzoekende staat overgelegde stukken in zijn vonnis opgesomd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat niet aan de eisen van art. 18 lid 3 Uw is voldaan, omdat de rechtbank niet heeft meegenomen dat er inhoudelijke verschillen bestaan tussen het Request for the Provisional Arrest en het Request for Extradition. Ik merk op dat het voorliggende uitleveringsverzoek van de VS in de eerste plaats wordt beheerst door het Uitleveringsverdrag, dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de Uw. De stelling dat de rechtbank het verzoek tot voorlopige aanhouding in ogenschouw had moeten nemen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering, vindt geen steun in het recht. Art. 9 lid 3 Uitleveringsverdrag vereist – in min of meer vergelijkbare bewoordingen als art. 18 lid 3 Uw – dat een verzoek strekkende tot vervolgingsuitlevering wordt vergezeld van een (kopie) van een bevel tot aanhouding. Aan die eis is in het onderhavige geval voldaan. De Amerikaanse autoriteiten hebben bij het uitleveringsverzoek van 2 juni 2025 namelijk de aanhoudingsbevelen (“Arrest Warrants”) van 26 en 28 maart 2025 gevoegd (zie hiervoor onder randnummer 2.5). Het verzoek tot voorlopige aanhouding waarop de steller van het middel doelt (zie hiervoor onder randnummer 2.2) dateert van vóór het uitleveringsverzoek en maakt daarvan geen deel uit. Voor zover er verder wordt geklaagd dat het onduidelijk zou zijn voor welke feiten wordt uitgeleverd, merk ik op dat de rechtbank mijns inziens voldoende concreet heeft vastgesteld om welke feiten het gaat. De rechtbank heeft op basis van de Affidavit van 22 april 2025 immers vastgesteld dat verzocht wordt om uitlevering voor ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ en de uitlevering toelaatbaar verklaard voor de feiten zoals in de aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] , te weten de daarin beschreven ‘accessory behore the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’.

Ik lees de toelichting zo dat de steller van het middel voornamelijk bedoelt te klagen dat het onvoldoende zeker is of de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten niet voor andere strafbare feiten vervolgd zal worden dan die genoemd staan in het uitleveringsverzoek. Volgens de steller van het middel impliceert punt 24 van de bij het uitleveringsverzoek gevoegde Affidavit (hiervoor onder 2.4 opgenomen) dat de procureur een grote vrijheid heeft om de opgeëiste persoon te vervolgen voor andere strafbare feiten dan genoemd in de aanhoudingsbevelen, terwijl het specialiteitsbeginsel vereist dat vaststaat voor welke feiten kan en mag worden uitgeleverd. Voor zover de betreffende opmerking in de Affidavit al zo moet worden gelezen, geldt dat een eventuele vervolging voor andere feiten wordt gereguleerd door art. 15 lid 2 Uitleveringsverdrag. Op grond daarvan kan de opgeëiste persoon na een wettelijke wijziging van de tenlastelegging worden vervolgd of berecht voor een ander strafbaar feit dan waarvoor is uitgeleverd als dat feit, kort gezegd, is gebaseerd op dezelfde feiten als het feit waarvoor werd uitgeleverd en dit nieuwe feit hetzelfde of een lagere maximumstraf kent. Een klacht die hierop betrekking heeft, kan bij de uitleveringsrechter echter nergens toe leiden omdat ook de beoordeling van een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel, zoals dat is opgenomen in art. 15 Uitleveringsverdrag (en art. 12 Uw), ter beoordeling staat van de minister en niet van de uitleveringsrechter. Het is ook aan de minister om op dit punt eventueel extra garanties te verzoeken. Het voorgaande is slechts anders indien blijkt dat de opgeëiste persoon door de uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een dreigende flagrante inbreuk op door artikel 6 lid 1 EVRM en/of artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) gewaarborgde rechten, en na de uitlevering voor hem of haar met betrekking tot die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR openstaat. Dat daarvan sprake is, is aangevoerd noch gebleken.

De middelen van de opgeëiste persoon falen.

4. Het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld

Met het middel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering ter strafvervolging voor zover het gaat om ‘accessory after the fact of murder’ ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat dit feit naar Nederlands recht geen strafbedreiging van meer dan één jaar kent. Dit oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een verkeerde rechtsopvatting omdat op grond van art. 2 lid 5 Uitleveringsverdrag accessoire uitlevering mogelijk is.

De relevante overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot de eis van dubbele strafbaarheid heeft de rechtbank als volgt overwogen:

3.5 Dubbele strafbaarheid

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag en artikel 5, eerste lid, UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien het feit krachtens het recht van zowel de verzoekende staat als Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan één jaar.

De opgeëiste persoon wordt in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika is op deze feiten een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar gesteld.

De feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 47, 48 en 49 jo. artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten enige vorm van deelneming aan moord, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Gelet hierop is ten aanzien van deze feiten voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW.

Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard.

(…).

Conclusie

Gelet op vorenstaande overwegingen en het feit dat ook overigens niet is gebleken van een beletsel voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, zal de rechtbank de uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaren voor de feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Voor het feit ‘accessory after the fact of murder’ zal de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar verklaren.”

Het juridisch kader

De relevante bepalingen luiden als volgt:

- Art. 2 lid 2 aanhef onder a en lid 5 Uitleveringsverdrag:

“2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden:

a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar;

(…).

5. Wanneer uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, kan zij tevens worden toegestaan voor andere feiten die anders, uitsluitend ten gevolge van de werking van het tweede lid, niet tot uitlevering zouden kunnen leiden.”

- Art. 5 lid 1 aanhef en onder a Uw:

“1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:

a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd”

De bespreking van het middel

De rechtbank heeft overwogen dat ‘accessory after the fact of murder’ naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als hulp aan een dader na een misdrijf (art. 189 Sr) en wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Volgens de rechtbank is, gelet op die strafbedreiging, niet voldaan aan de eis uit het Uitleveringsverdrag dat alleen wordt uitgeleverd als het gaat om een feit waaraan een strafminimum van in ieder geval één jaar is verbonden. Daarbij verwijst de rechtbank naar art. 2 lid 2 aanhef en onder a Uitleveringsverdrag en art. 5 Uw. Zoals de steller van het middel terecht aangeeft, miskent de rechtbank hiermee dat (‘accessoire’) uitlevering op grond van art. 2 lid 5 Uitleveringsverdrag in de onderhavige zaak wél mogelijk is. Op grond van die bepaling kan worden uitgeleverd voor een feit dat op zichzelf niet aan het strafminimum van één jaar voldoet, als tegelijkertijd wordt uitgeleverd voor een of meer andere feiten waarvoor uitlevering wel is toegestaan. Aangezien daarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan ook de uitlevering voor ‘accessory after the fact of murder’ toelaatbaar worden verklaard.

Het middel slaagt. Omdat de rechtbank de uitlevering ten aanzien van dit feit slechts ontoelaatbaar heeft verklaard vanwege de hoogte van de strafdreiging naar Nederlands recht, kan de Hoge Raad mijns inziens op grond van art. 31 lid 8 Uw zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk vernietigen, doen wat de rechtbank had behoren te doen en de verzochte uitlevering ook ten aanzien van ‘accessory after the fact of murder’ (aanhoudingsbevel […] ) toelaatbaar verklaren.

5. Slotsom

De twee middelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het middel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] , tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?