4. Verklaringen getuigen
Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] :
A: Ik ben bij de DIP begonnen in 2001 als beleidsadviseur.
V: Waarom bent u bij de DIP vertrokken?
A: Ik heb met verschillende ministers gewerkt, ik weet hoe zij denken en wat zij proberen te doen. Met minister [verdachte] had ik het gevoel dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. Door de jaren heen zag ik telkens dat we echter alleen zijn mensen moesten helpen. Ik was vanaf 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen.
Op een gegeven moment heb ik aangegeven dat ik niet kon werken op de manier dat [medeverdachte 3] wilde. Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat het niet goed ging. Ik ben toen gaan klagen. Ik moest bijvoorbeeld ook een advies schrijven terwijl ik de stukken niet had ingezien. Ik kreeg toen geen projecten meer en werd in de hoek gezet.
Als ik weigerde een positief advies uit te geven, kon [medeverdachte 3] dit zelf ook doen, want hij wist ook hoe het moest. [medeverdachte 3] zei mij dan, stuur mij alle stukken en dan zou hij het zelf wel doen. In het algemeen stelde [medeverdachte 3] dan een positief advies op als ik het niet wilde doen. Hij was de enige persoon die dit kon doen, naast mij. Ik heb nooit positieve adviezen opgesteld als de zaken niet klopten, maar [medeverdachte 3] wel.
Soms zag ik ook adviezen die alleen [medeverdachte 3] tekende, dat snapte ik dan niet. De adviezen moesten eigenlijk getekend worden door het gehele managementteam. Soms vroeg ik bijvoorbeeld ook aan [betrokkene 20] over een zaak en dan zei zij dat zij er niets vanaf wist en dat ik [medeverdachte 3] moest vragen. [medeverdachte 3] werkte dus ook soms apart van het managementteam.
O: Aan de getuige werd een brochure van de DIP getoond (D-325), voor de uitgifte van een optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden.
V: Wat kunt u hierover vertellen?
A: Dit is een korte versie van het beleid dat gold toen ik bij de DIP werkte. De aanvrager moet die zeven genoemde punten indienen. We kijken dan of het past binnen het overheidsbeleid en binnen het ROP qua locatie. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpachten moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering zou krijgen. We wilden grondspeculatie voorkomen, daarom had ik dit beleid ook opgesteld.
V: Hoe was de relatie tussen [medeverdachte 3] en minister [verdachte] ?
A: [medeverdachte 3] bepaalde alles binnen het DIP gebeurde. Ik weet wel dat zij een goede afstemming hadden. Ik kan bijvoorbeeld de conclusie trekken over snelheid van de toestemming van de minister. Normaal gesproken, bij een positief advies, duurde het minimaal een week om de toestemming van de minister te krijgen. Bij [medeverdachte 3] gebeurde dit echter nog op dezelfde dag soms binnen een paar uur. Daarvoor moest [medeverdachte 3] wel close zijn met de minister en weten hoe zijn schema was, want ministers zijn erg druk.
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 1] :
V: In hoeverre waren er vergaderingen omtrent aanvragen of projecten met betrekking tot commerciële terreinen tussen de DIP en [verdachte] ?
A: Er waren vergaderingen, maar ik als teamcoördinator was daar niet bij, Er waren vergaderingen tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] . [medeverdachte 3] was een liaison tussen het bureau van de minister en de DIP. [medeverdachte 3] was heer en meester bij de DIP, alles moest via hem. Af en toe waren er ook vergaderingen tussen de minister en het managementteam, maar meestal alleen met [medeverdachte 3] . Deze vergaderingen vonden plaats op het bureau van de minister.
Het duurt normaal gesproken lang om het akkoord van de minister te krijgen. Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen. Maar een minister is erg druk, dus je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.
Soms schreef [verdachte] echter aan het DIP "gaarne advies", dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Hierop staat echter al dat de minister akkoord geeft, dus hij wilde hier geen advies over.
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] :
De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. Als er niet “akkoord conform” zou staan zouden we negatief adviseren gezien het gebrek aan informatie. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst.
V: Zijn er voorwaarden verbonden om een positief advies/Ministeriele Beschikking met karakter van 'SPOED' te kunnen uitgegeven?
A: Op zich niet, maar als we wisten dat de minister het op dat moment wou doet onze administratie de stempel van SPOED erop. Maar nogmaals, snel voor ons is een week. Dezelfde dag is ook met SPOED niet normaal.
V: Dus zo'n SPOED stempel komt op instructie van de minister?
A: Ja hij is de enige die dat aan ons kon vragen.
(…)
Proces-verbaal 1ste verhoor getuige [betrokkene 8] :
Op 1 december 2018 ben ik directeur geworden bij de DIP. Ik wil het over commerciële erfpacht hebben. Toen ik binnen kwam bij de DIP in 2018 ben ik gaan inventariseren. Ik kreeg een lijst met gevallen waarmee wij bezig zijn om terreinen in te trekken. Ik vroeg mij af waarom men terreinen wilde intrekken. Men vertelde mij dat veel van de terreinen niet op de juiste wijze waren gegeven aan personen. De terreinen waren leeg en er werd niet gebouwd. Dat heet 'het speculeren van terreinen'. Men wil het hebben om door te verkopen. Bij de DIP vertelden ze mij dus dat het plat was en de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie ze het wilden geven. Het ging allemaal om geld. Opvallend is dat er steeds bepaalde namen terugkomen. Dan heb ik het over de familie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Vroeger kon je een briefje sturen naar de minister. Op diezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. In het verleden werd niet aan de optievoorwaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen.
O: In een folder van het DIP met de naam 'optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden' staat het volgende over de optieverlening:
Verzoeker dient allereerst een verzoek te richten aan de minister van Onderwijs, Sociale zaken en Infrastructuur door tussenkomst van de directeur van de Directie Infrastructuur en Planning ter verkrijging van het recht van erfpacht.
V: Kunt u eens uitleggen wat hiermee bedoeld wordt en hoe dit gaat?
A: Klopt. Het verzoek, de aanvraagbrief, voor een terrein moet naar de minister van Infrastructuur. De directeur van de DIP krijgt ook de aanvraagbrief. Met tussenkomst bedoelen ze dat als ik (het Hof begrijpt: als directeur van de DIP) een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [verdachte] ) werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur.
Proces-verbaal 2e verhoor getuige [betrokkene 8] :
Het valt mij op dat op dit formulier door de minister handgeschreven staat dat hij akkoord is. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen "gaarne advies", want je weet nog niet of alles klopt wat wordt of is aangeleverd en of het wel klopt met het ROP. Hij kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan, gaarne advies.
(…)
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 4] :
V: Wie had u gecontacteerd/benaderd om als consultant/agent te fungeren voor [medeverdachte 2] ?
A: [medeverdachte 2] zelf. Zij zei tegen mij dat zij een terrein te [locatie 1] had dat zij wilde verkopen.
V: Wanneer precies begon u met [betrokkene 15] en/of [betrokkene 16] te onderhandelen voor de verkoop van de aandelen van [medeverdachte 2] in [betrokkene 5] ?
A: Al vóór juni 2015 was ik hiermee begonnen.
V: Vraag aan u of u hierop blijft volharden dat u al in juni 2015 opzoek ging naar een koper.
A: Ik kan me herinneren dat ik door [medeverdachte 2] al in juni/juli 2015 werd benaderd en zij tegen mij zei dat zij een optie op een terrein had. Zij zei tegen mij dat dit terrein te [locatie 1] ligt.
(…)
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] :
In de MB staat appartementencomplex met winkels maar in de brief van de architect wordt gesproken over een carwash. Dat is niet de bestemming waarvoor de optie is uitgegeven. Dat zou een probleem zijn. Een carwash is geen appartementencomplex en de bestemming is heel belangrijk. De bouwtekening moet dus gaan om een appartementencomplex met winkels. Dit zou niet worden goedgekeurd. Het bedrijf heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden omdat de bestemming niet klopt.
(…)
5. Verklaringen van (mede)verdachten
(…)
Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
A: Ik ben gaan werken als lid van het managementteam van de DIP. Ik weet niet meer precies wanneer dit was, misschien in 2012. Ik had wekelijks contact met [verdachte] , indien dit nodig was, over commerciële erfpachtterreinen. Ik schreef hier documenten over die [verdachte] ontving, en we hadden ook persoonlijk contact hierover.
Als de aanvraag bij de DIP kwam, moest gekeken worden of er een terrein beschikbaar was. Er lagen echter veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank.
V: Dus er was een achterstand bij de erfpachtuitgifte voor commerciële terreinen?
A: Ja.
V: Was er een bepaalde procedure voor het oppakken van deze verzoeken, bijvoorbeeld first in en first out?
A: Nee, voor de overheid was het van belang dat de private sector projecten ging uitvoeren.
O: Op dit formulier staat dat naast dit formulier ook een verzoekschrift aan de minister moet worden gericht, door tussenkomst van de DIP, waarin verschillende gegevens dienen te worden aangeleverd, zoals de wijze van financiering.
V: Is dit aangeleverd in het geval van [betrokkene 21] ?
A: Nee. Als de minister zijn akkoord heeft gegeven, zoals is gebeurd zoals u ziet op D-330 (Het Hof begrijpt: Het aanvraagformulier bij de DIP van [betrokkene 21] d.d. 10 december 2014), dan wordt de aanvraag gewoon in behandeling genomen. Na de optie dient de aanvrager namelijk ook al aan al deze voorwaarden te voldoen, dus dan komt dat gewoon later. Deze vereisten staan hier alleen op om alleen serieuze aanvragen te ontvangen.
O: Minister [verdachte] accordeerde de brief met de volgende handgeschreven tekst: "DIR DIP, Akkoord […] , Gaarne uw medewerking"
V: Wat kunt u over deze accordering verklaren?
A: Dat geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: 'geef ze een optie'.
Proces-verbaal 5e verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
A: Ik heb het advies (Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015) opgemaakt. Dat kunt u zien aan achter het veld Team/Unit mijn initialen staan. Dus MT/FFA. Ik heb eentje ondertekend en de andere voorzien van mijn paraaf. Het advies met mijn handtekening wordt naar de minister verzonden.
V: Is het de normale gang van zaken dat de Chief of Staff van een bureau van minister u kan verzoeken en/of instrueren wat te doen met betrekking tot de uitgifte en/of wijziging van terreinen?
A: Onder geen beding accepteer ik instructies van een Chief of Staff. Ik leg verantwoording af aan mijn minister. Ik hou mij scherp aan die regels. Voor mij geld de accordering van de minister op de brief die jullie mij gisteren hebben laten zien. Dus dat hij akkoord ging met de aanvraag voor een stuk terrein voor [betrokkene 6] .
V: Waarom in dit geval wel dat […] in […] voor het bedrijf van [medeverdachte 2] gewijzigd moest worden en door u gewijzigd werd?
A: Dat heb ik al een antwoord op gegeven. Ik volg alleen instructies van de minister. In dit geval was hij akkoord gegaan met een optie voor [betrokkene 6] .
A: Het is niet gebruikelijk dat er spoed op dat stuk (Het Hof begrijpt: de brief van 22 januari 2015) wordt geplaatst.
A: Als u zijn accordering op de aanvraagbrief leest: "DIR DIP akkoord […] gaarne uw medewerking" is dat voor mij een duidelijke instructie.
V: Kan de optiehouder/verzoeker onmiddellijk een afschrift van de MB in handen krijgen nadat de minister de MB had ondertekend?
A: Bij de DIP zeker niet. Totdat zij aan hun betalingsplicht hebben voldaan en het bewijs bij de DIP hebben ingediend, kunnen zij over een exemplaar gaan beschikken.
V: U zegt bij de DIP zeker niet. Kan de MB wel door een andere instantie worden verschaft?
A: Dat kan altijd. In ieder geval als de verzoeker het via een ander instantie zou hebben
gekregen, voordat aan de betalingsplicht werd voldaan, zal deze MB niet voorzien zijn van de nodige leges en zegels.
V: Hoe kwam het dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat om een terrein van de overheid te krijgen het jaren duurde?
A: Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister kan je een conclusie trekken.
Proces-verbaal 11e verhoor verdachte [medeverdachte 3] :
O: U verklaarde eerder over een stempel met SPOED.
V: Weet u wie of welke afdeling deze stempel zette?
A: Als er een stuk vanuit de DIP vertrekt dan moet de stempel gezet zijn bij de DIP, door de postregistratie. Als er spoed gevraagd is dan zetten zij de stempel erop.
V: Wie heeft de bevoegdheid om te beslissen dat er een Spoed stempel op komt?
A: Als ik bijvoorbeeld benaderd word dat het Spoed is dan geef ik dat door aan de postregistratie.
V: Wie kan u vragen om die stempel te plaatsen?
A: Het kan afkomstig zijn van het Bureau van de minister of van de minister [verdachte] zelf.
A: Toen ik bij de DIP kwam, werkte [getuige 1] tegen. Daarmee bedoel ik dat hij de opdrachten niet uitvoerde. Op een gegeven moment was de sfeer zo slecht dat ik bepaalde werkzaamheden heb overgenomen van hem.
V: Welke opdrachten voerde hij niet uit?
A: De aanvragen met de accordering van de minister.
(…)
Proces-verbaal 5e verhoor verdachte [betrokkene 9] :
V: Wat kunt u over de nieuwe brief met akkoord van de minister, genoemd in uw verzoekbrief van 14 januari 2015 verklaren?
A: Het zou een verzoek van de minister zijn geweest om het in te trekken.
A: Ik had blijkbaar instructies van de minister gekregen om deze brief op te stellen en naar [medeverdachte 3] te sturen.
V: Aan de hand waarvan heeft u deze brief d.d. 14 januari 2015 opgemaakt?
A: Aan de hand van instructies van de minister.
V: Op wiens verzoek/opdracht heeft u deze brief aan [medeverdachte 3] opgesteld en verstuurd?
A: Op verzoek van de minister [verdachte] .
Ik heb tegen jullie gezegd dat ik telkens voor toestemming vroeg om een handeling uit te voeren. Ik deed niets op mijzelf. Minister [verdachte] was degene die mij toestemming gaf.
Proces-verbaal 9e verhoor verdachte [betrokkene 9] :
O: Met betrekking tot de 2e aanvraagbrief (Het Hof begrijpt: van [betrokkene 6] ) voor een commercieel terrein aan de [b-straat] nummer […] d.d. 15 maart 2014.
A: Ik kan verklaren dat [verdachte] de brief had ondertekend. Ik had de brief aan hem voorgesteld en hij heeft het ondertekend.
A: Hij bekijkt ze (e ta wak nan) omdat hij zijn handtekening plaatste. Indien ik een notitie heb geschreven en indien ik geen notitie heb geschreven, is omdat er dingen waren die besproken moesten worden hoe het opgepakt moest worden en dan wordt er een notitie geschreven als we samen waren. Dus hij was weldegelijk op de hoogte. Hij heeft ze ondertekend. Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.
V: Op grond waarvan schreef u uw notities dan op?
A: Omdat ik het naar hem toe had genomen. Dus aan de hand van wat wij discussiëren plaatste hij dan zijn handtekening.
V: Wat allemaal discussiëren en bespreken jullie dan over?
A: Het geval van [medeverdachte 2] bracht ik dan bij hem naar voren. "Hoe wil je het dan afhandelen?” “Moet het terug naar de DIP?” “Wat voor notities moet geschreven worden?” “Wat moeten ze ermee doen bij de DIP.” Ik kon geen instructies aan de DIP geven omdat ik die bevoegdheid niet had. En hij is degene die de handtekening plaatste.
O: Volgens [verdachte] heeft hij nooit met [dochter medeverdachte 2] noch [medeverdachte 2] over de inhoud van de deze aanvraagbrief van 15 maart 2014 gesproken.
V: Klopt wat [verdachte] verklaart?
A: Nee, omdat hij op de hoogte was. Hij had toen zelfs de opmerking gegeven dat: "Nu zet zij haar dochter".
V: Waarom had hij de opmerking gegeven: "Nu zet zij haar dochter"?
A: Omdat hij de naam van de dochter van [medeverdachte 2] op de brief had gezien. Zij had de brief ondertekend.
Ik heb die brief (Het Hof begrijpt: de brief van 14 januari 2015) opgesteld en ondertekend. Ik heb deze brief met een bijlage gestuurd en die bijlage moet voorzien zijn van een akkoord van de minister.
V: Heeft u die brief gezien?
A: Natuurlijk, want indien de DIP alleen deze instructiebrief heeft gekregen, dan zou de DIP de bijlage moeten aanvragen. Ik ben zeker van dat die brief bestaat anders zou ik die niet als bijlage in deze instructiebrief hebben vermeld
V: Werd deze instructiebrief en de bijlage, met name het verzoek voor wijziging, met [verdachte] besproken?
A: Natuurlijk, want hij heeft het ondertekend.
V: Wat werd er dan allemaal daarover besproken?
A: Dat die van terrein veranderd werd.
A: Want hij moest de instructie ondertekenen voor wijziging van terrein. Hij had de bevoegdheid. Ik niet.
V: In hoeverre heeft u gesprekken gehouden met [verdachte] over wijziging van het terrein […] in […] voor [medeverdachte 2] ?
A: Ik had aan hem voorgelegd wat de wensen waren van [medeverdachte 2] om het terrein te wijzigen en ik ben er zeker van dat hij de verzoekbrief die als bijlage werd gevoegd, ondertekend heeft.
O: Had u aan [verdachte] voorgelegd wat de wensen van [medeverdachte 2] waren aangaande de
wijziging?
A: Ja, want hij heeft die bijlage ondertekend.
V: Dus met andere woorden, moeten wij hierbij begrijpen dat [verdachte] door middel van of via u, op de hoogte was dat [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] was?
A: Natuurlijk”
Ik schets eerst bij wijze van context kort de gang van zaken rondom het verlenen van de optierecht-/erfpachtrechten, waarna ik toekom aan de beoordeling van derde klacht.
Zaaksdossier [betrokkene 6]
Wat betreft de rechtspersoon [betrokkene 6] , van welk bedrijf [medeverdachte 2] sinds 22 januari 2014 de aandelen in handen had (bewijsmiddel 1.6) is op 15 november 2014 een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht opgemaakt. Deze komt op 29 december direct bij de verdachte binnen en wordt nog diezelfde dag met opschrift “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” doorgestuurd naar de DIP (bewijsmiddel 1.12). De verdachte wist, zo blijkt uit de verklaring van de Chief of Staff van de verdachte ( [betrokkene 9] ), dat [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] was; over een eerdere aanvraagbrief van [betrokkene 6] die ingediend was door de dochter van [medeverdachte 2] heeft hij tegen [betrokkene 9] gezegd "Nu zet zij haar dochter" (bewijsmiddel 5.12). Op 14 januari 2015 stuurt [betrokkene 9] een wijzigingsbrief aan [medeverdachte 3] , inhoudende dat [medeverdachte 3] het akkoord van de minister op de aanvraagbrief van [betrokkene 6] van 29 december 2014 als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015 (bewijsmiddel 1.14). Uit de verklaring van [betrokkene 9] blijkt dat hij aan de verdachte de wensen van [betrokkene 6] tot wijziging het perceelnummer had voorgelegd en dat de verdachte de verzoekbrief, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd, daartoe had geaccordeerd (bewijsmiddel 5.12, zie ook bewijsmiddel 5.11). Binnen een paar dagen werd door [medeverdachte 3] een brief opgesteld waarin hij aan de minister schrijft dat de minister hem op 29 december heeft geïnstrueerd om [betrokkene 6] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein waarvoor zij een aanvraag heeft ingediend (bewijsmiddel 1.15). Deze brief komt op 23 januari 2015 samen met de concept ministeriële beschikking bij de minister binnen en op deze brief wordt vervolgens een spoedstempel geplaatst; zo’n stempel kan alleen op instructie van de minister daarop worden gezet (bewijsmiddelen 4.3 en 5.7). Vier dagen later, op 27 januari 2015, ondertekent de minister de brief (bewijsmiddel 1.15) en de conceptbeschikking (bewijsmiddel 1.16). Weer een paar dagen later, op 30 januari 2015, verkoopt [medeverdachte 2] middels de share purchase agreement (verder: SPA) het bedrijf voor Afl. 555.000,- (bewijsmiddel 1.17; vijfenvijftigmaal de originele prijs die zij voor de aandelen in dit bedrijf had betaald, zie bewijsmiddel 1.6). De SPA is erop gebaseerd dat de rechtspersoon de aangevraagde optie reeds heeft verkregen.
De koper van de aandelen, [betrokkene 12] , heeft vervolgens de kosten voor de leges, verlengingen, administratiekosten aan de DIP betaald (bewijsmiddel 4.15). Zij is ook degene geweest die de uiteindelijke erfpachtovereenkomst, die geacht wordt te zijn ingegaan op 1 december 2016, heeft getekend (bewijsmiddel 1.18). Gevraagd naar haar koop van de aandelen in [betrokkene 6] heeft zij verklaard dat de reden hiervoor was dat deze rechtspersoon een optierecht op het terrein had verkregen, anders had zij nooit zo’n hoge prijs betaald voor de aandelen. De familie van [medeverdachte 2] werkte volgens Rios samen met de verdachte toen hij als minister fungeerde (bewijsmiddel 4.15).
Zaaksdossier [betrokkene 5]
Wat betreft de rechtspersoon [betrokkene 5] , blijkt uit de bewijsmiddelen een soortgelijke gang van zaken. Deze rechtspersoon is op 30 september 2015 opgericht door [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 1.19); haar werkneemster [betrokkene 14] is aangesteld als directeur (bewijsmiddel 1.20). Al vóór de oprichting van deze rechtspersoon is namens [J] een aanvraag voor een erfpachtrecht bij de minister ingediend. Op 7 augustus 2015 is deze aanvraag ingekomen bij de minister en op 14 augustus 2015 is deze door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord […] , gaarne uw medewerking” (bewijsmiddel 1.21). [medeverdachte 3] heeft 30 oktober 2015 de concept beschikking ten behoeve van [betrokkene 5] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft hij dat de directeur van [betrokkene 5] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten (bewijsmiddel 1.22). Op diezelfde dag heeft de minister de Ministeriële Beschikking ondertekend (bewijsmiddel 1.23). [medeverdachte 2] heeft kort daarop, te weten op 11 november 2015, via een SPA al haar aandelen in [betrokkene 5] verkocht voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Bij de SPA is een kopie van de ondertekende ministeriële beschikking van 30 oktober 2015 gevoegd (bewijsmiddel 1.24), terwijl [betrokkene 5] nog niet aan de betalingsplicht had voldaan (bewijsmiddel 1.25) en dus nog niet over de kopie van de beschikking hoorde te beschikken. Ook blijkt dat [medeverdachte 2] al ruim voor het moment van het verlenen van het optierecht bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie (bewijsmiddel 4.21).
Vervolgens worden de kosten voor de optieverlening op 19 november 2015 aan de DIP betaald (bewijsmiddel 1.25) door de nieuwe eigenaren van [betrokkene 5] (bewijsmiddel 4.23). Op 18 februari 2016 wordt een businessplan van [betrokkene 5] ingediend waarin wordt aangegeven dat het voornemen bestaat een carwash te ontwikkelen op het terrein waarop de optie ziet (bewijsmiddelen 1.26 en 1.27). Op 24 maart 2016 komt bij de verdachte een brief binnen die is ondertekend door [medeverdachte 3] en waarin staat dat er geen bezwaren bestaan tegen het verlenen van het recht van erfpacht op de percelen met als bestemming het optrekken, hebben en exploiteren van een appartementengebouw annex winkels en dat [betrokkene 5] voldaan heeft aan de voorwaarden (bewijsmiddel 1.28). [getuige 1] heeft hierover verklaard dat de discrepantie in beoogde bestemming had moeten leiden tot afwijzing van de aanvraag (bewijsmiddel 4.24). Op 1 april 2016 is echter de erfpachtovereenkomst, die als bestemming het exploiteren van een appartementengebouw annex winkels vermeldt, ondertekend door de minister en de werkneemster van [medeverdachte 2] , [betrokkene 14] (bewijsmiddel 1.29).
De beoordeling van de derde deelklacht
Deze deelklacht houdt – zoals reeds aangegeven – in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat i) de verdachte wetenschap heeft gehad van de oplichtingshandelingen van zijn medeverdachte(n) en ii) de omstandigheid dat door [medeverdachte 3] en/of DIP niet werd onderzocht of de aanvragen voldeden aan de voorwaarden die daarvoor golden.
Volgens het Hof heeft de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] (en de vennootschappen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , waarvan [medeverdachte 2] aanvankelijk de aandelen hield), het Land Aruba opgelicht, waarvan zowel [medeverdachte 2] (via winst bij de doorverkoop van optie/ erfpachtrechten) als de verdachte (via giften van [medeverdachte 2] ) voordeel hebben gehad. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het Hof de wetenschap van de verdachte van de oplichtingshandelingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , alsmede van de omstandigheid dat ten aanzien van de aanvragen van [medeverdachte 2] niet werd onderzocht of zij voldeden aan de voorwaarden, wel degelijk uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, zodat de klacht faalt. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een zeer gecoördineerde praktijk van het opzettelijk voortrekken door de minister en zijn [medeverdachte 3] van de aanvragen van [medeverdachte 2] , waarbij de rest van de DIP steeds buiten spel werd gezet omdat door de accordering vooraf door de minister het toetsen aan voorwaarden zinloos was geworden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan dit handelen worden aangemerkt als gericht op verwezenlijking van een gezamenlijk plan om het land Aruba opzettelijk op te lichten. Dit betekent dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de handelingen die de medeverdachten hebben verricht. Gezien het hiervoor opgenomen overzicht van de relevante feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.
Wat betreft verdachtes wetenschap van de handelingen van [medeverdachte 2] wijs ik in het bijzonder op de navolgende uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden. [betrokkene 12] , die [betrokkene 6] van [medeverdachte 2] heeft gekocht, heeft verklaard dat de hele familie van [medeverdachte 2] samen met de verdachte werkte toen hij als minister fungeerde. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte wist de dat [medeverdachte 2] achter de aanvraag van [betrokkene 6] zat. Dit blijkt uit de voornoemde verklaring van zijn Chieff of Staff ( [betrokkene 9] ) dat de verdachte tegen hem heeft gezegd (met betrekking tot de aanvraag van 15 maart 2014): "Nu zet zij haar dochter" (bewijsmiddel 5.12). Daarnaast blijkt dat steeds zodra [medeverdachte 2] zicht had op de verlening van de optiebeschikking, zij de aandelen in de rechtspersonen met enorme winst verkocht middels de share purchase agreement (verder: SPA). Bij deze SPA betreffende [betrokkene 5] was een kopie van de ministeriële beschikking waarbij het optierecht werd verleend als bijlage gevoegd, terwijl, zo heeft het Hof vastgesteld, deze op dat moment nog niet door de DIP was verstrekt en het dus niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] deze van of in opdracht van de verdachte alvast heeft gekregen.
Wat betreft verdachtes wetenschap van de handelingen van [medeverdachte 3] wijs ik erop dat de aanvragen zeer snel werden behandeld en goedgekeurd en voorzien van een speciale instructie door de verdachte (“akkoord conform”). [getuige 1] heeft verklaard dat de instructie “akkoord conform” de DIP geen ruimte gaf om aan het beleid te toetsen (bewijsmiddel 4.3) en dat hij op een gegeven moment aan de kant is gezet, omdat hij weigerde positieve adviezen op te stellen, terwijl hij de stukken nog niet had ingezien. In zo’n geval kon [medeverdachte 3] alsnog een positief advies opstellen en dat heeft hij ook gedaan. Ook tekende [medeverdachte 3] soms adviezen in zijn eentje, terwijl deze eigenlijk door meer personen moesten worden getekend. Verder bepaalde [medeverdachte 3] alles binnen de DIP en had hij een goede afstemming met de verdachte. Normaal gesproken duurde het na een positief advies minimaal een week voordat de verdachte akkoord gaf, maar bij [medeverdachte 3] gebeurde dit soms op dezelfde dag, aldus [getuige 1] (bewijsmiddel 4.1). Ook zijn er vergaderingen geweest tussen [medeverdachte 3] en de verdachte (bewijsmiddel 4.2). Getuige [betrokkene 8] heeft verklaard dat de minister advies aan de DIP behoort te vragen en niet direct akkoord kan geven, omdat hij enkel de beschikking heeft over de aanvraagbrief en niet over aanvullende stukken (bewijsmiddel 4.6 en 4.7). [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij persoonlijk contact met de verdachte had over de documenten die hij hem stuurde. Deze [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat de voornoemde aantekening voor hem een duidelijke instructie was en dat de minister hier in feite mee zei “geef ze een optie”. (bewijsmiddel 5.5). Op de vraag hoe het komt dat [medeverdachte 2] zo snel aan een terrein kwam, terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordde [medeverdachte 3] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.” (bewijsmiddel 5.6). Uit de bewijsoverwegingen van het Hof blijkt voorts dat het uit de door de verdediging overgelegde lijst van alle aanvragen uit de periode 2009-2017 afleidt dat slechts op zes van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord […] ” werd geplaatst en in vijf gevallen: “akkoord […] tekening”.
De vierde deelklacht
Deze deelklacht luidt dat de in de bewezenverklaring genoemde handelingen van de verdachten mede hebben mede bestaan uit gedragingen die zijn verricht nadat tot afgifte van de beschikkingen is overgegaan, zodat deze niet kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van oplichting, Het gaat om het deel van de bewezenverklaring dat [medeverdachte 2] de percelen nimmer zelf heeft ontwikkeld en dat de verdachte en [medeverdachte 3] nimmer hebben gecontroleerd of onderzocht of aan de genoemde voorwaarden werd voldaan.
De stellers van het middel merken terecht op dat voor een veroordeling voor oplichting een causaal verband moet bestaan tussen de oplichtingshandelingen en de afgifte van, in dit geval, de beschikkingen waarin de (opties op) erfpachtrechten zijn verleend. De oplichtingshandelingen moeten dus voorafgaand aan de afgifte zijn verricht. Toch faalt de klacht. Het controleren of de aanvragen aan de voorwaarden voldeden, had moeten gebeuren voordat de aanvragen werden toegekend. Het verzuim dit te doen, ligt dus vóór de afgifte van de beschikkingen. Dat [medeverdachte 2] de percelen nimmer zelf heeft ontwikkeld, is slechts een bevestiging van de bedrieglijke indruk die zij bij indiening van de aanvragen, en dus voor de afgifte van de beschikkingen, heeft gewekt, namelijk dat zij de percelen zelf ging ontwikkelen. De bij de aanvragen aangekondigde gedetailleerde businessplannen met een schetsontwerp zijn nooit voorafgaand aan de optieverlening opgesteld en dus ook niet ingediend. De bewezenverklaring is op dit punt niet onvoldoende met redenen omkleed noch onbegrijpelijk.
De vijfde deelklacht
Deze klacht houdt in dat het Hof ten aanzien van het bewezenverklaarde een aantal verklaringen van [getuige 1] heeft gebezigd, terwijl deze getuige slechts werkzaam is geweest bij de DIP tot april 2014; zijn verklaringen kunnen dus niet redengevend zijn voor de rest van de bewezenverklaarde periode (deze klacht ziet op zowel de onder 1, 2 als 4 bewezenverklaarde feiten).
Wat betreft de redengevendheid van bewijsmiddelen geldt dat enkel wanneer de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden overduidelijk niet redengevend kunnen zijn voor een bewezenverklaring in cassatie wordt ingegrepen. Dat is in deze zaak niet het geval. Hoewel [getuige 1] in april 2014 en dus nog voordat de eerste van de in de bewezenverklaring genoemde aanvragen bij de DIP waren binnengekomen, is vertrokken, meen ik dat de verklaring van [getuige 1] wel degelijk redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Hieruit blijkt immers dat het toetsen van aanvragen onder het ministerschap van de verdachte in sommige gevallen niet meer mocht plaatsvinden en dat hij, nu hij weigerde om op deze wijze te werken, aan de kant is gezet en dat [medeverdachte 3] wel de adviezen opstelde die [getuige 1] niet had willen opstellen. Ook blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] dat een hechte relatie bestond tussen de verdachte en [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] het voor het zeggen had bij de DIP. Bovendien is aan [getuige 1] ook gevraagd naar de gang van zaken rondom de verlening van de beschikking aan [betrokkene 5] . Kennelijk zijn aan hem de ministeriële beschikking en de stukken die [betrokkene 5] ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft ingediend, voorgelegd en is hem gevraagd naar zijn oordeel over de gang van zaken. Zijn antwoord dat de beschikking noemt dat de aanvraag ziet op een appartementencomplex, terwijl de stukken die zijn ingediend door de architect zien op een carwash en dat dit niet zou moeten worden goedgekeurd (zie bewijsmiddel 4.24), is redengevend voor de bewezenverklaring.
De zesde deelklacht
Deze klacht houdt in dat het Hof, naast de verklaring van [getuige 1] , ook andere bewijsmiddelen heeft gebezigd die niet redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring, omdat zij omstandigheden behelzen die (ruim) voor de bewezenverklaarde periode hebben plaatsgevonden.
Het gaat blijkens de toelichting op het middel om bewijsmiddel 1.4, 2.1, 2.2, 4.9, 10 en 17. Ik geef deze bewijsmiddelen hieronder weer (met weglating van voetnoten):
“1.4 Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 8 februari 2013 namens [M] :
[plaats] , 8 Februari, 2013
Aan de Minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu
Betreft: aanvraag commercieel terrein voor Horeca projecten
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein voor Horeca projecten aan de [b-straat] perceel nummer […] .
Deze terreinen zijn bestemd voor Horeca activiteiten.
Te zijner tijd zal de ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[betrokkene 11]
Directeur
[M]
Ondertekend door [betrokkene 11]
Met stempel: “Ing.: 10 MAR 2014”
Met opschrift: “Dir Dip, akkoord […] , gaarne uw medewerking” en “10-maart-2014”. Handtekening van (het Hof begrijpt: de minister ROII, [verdachte] ) [verdachte] .
(…)
Proces-verbaal relatie [medeverdachte 2] en diverse verdachten:
In een inbeslaggenomen computer uit de woning van [verdachte] kwam naar voren dat [medeverdachte 2] , samen met haar familie, bestaande uit haar [dochter medeverdachte 2] , haar broer [broer medeverdachte 2] en zijn familie, samen met [verdachte] en zijn familie, tussen 12 en 18 mei 2010 naar Miami reisden en in New York waren. Uit onderzoek naar de opgevraagde reisgegevens bleek dat [verdachte] en zijn gezin en [medeverdachte 2] en haar dochter tussen 12 en 18 mei 2010 naar en van Miami reisden. Zij zaten namelijk op dezelfde vlucht met de vlieglijn American Airlines. Hierna bleek dat allen op dezelfde vlucht, m.u.v. [verdachte] die een dag eerder naar Aruba terugreisde, op 18 mei 2010 met de American Airlines naar Aruba terugreisden. In de computer werden meerdere foto's aangetroffen waarop de [verdachte] en zijn gezin samen met [medeverdachte 2] , haar dochter en [broer medeverdachte 2] staan afgebeeld in Manhattan te New York.
Uit een in de woning van [verdachte] inbeslaggenomen telefoon vermoedelijk in gebruik bij [echtgenote verdachte] , bleek dat van 5 t/m 12 oktober 2013 [verdachte] en zijn gezin, [medeverdachte 2] en haar familie, op vakantie waren op een cruiseschip genaamd ' […] '. Op foto's van deze cruise in deze telefoon waren [echtgenote verdachte] en [medeverdachte 2] te zien. Uit opgevraagde reisgegevens bleek ook dat zij in die periode reisden naar en van Miami. In de contactlijst van deze telefoon stond [medeverdachte 2] /6900990 ingedeeld onder de groep 'vrienden'.
(…)
Proces-verbaal relaas zaaksdossier [betrokkene 6] :
[verdachte] is lid van de politieke partij ‘Arubaanse Volks Partij (AVP)’.
Aanvraag terrein d.d. 8 februari 2013
De verzoekbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij 'ingekomen': 10 maart 2014. Er was geen datum bij 'verzonden' gestempeld en geen volgnummer 'IIR' ingevuld. Dit was de enige stempel op de brief. De
aanvraag was niet voorzien van stempels van DIP en/of BID.
Op 2 oktober 2019 bij de huiszoeking te [c-straat 1] , zijnde de woning van [medeverdachte 2]
, werd de originele en identieke versie van de aanvraagbriefd.d. 8 februari 2013 van [betrokkene 6] aangetroffen en in beslag genomen.
In het beslag van de DIP werd geen kopie van de aanvraagbrief d.d. 8 februari 2013 van [betrokkene 6] , ondertekend door [betrokkene 11] , aangetroffen. Ook werd geen document bij de DIP aangetroffen, gelinkt met deze aanvraagbrief.
Aanvraag optierecht d.d. 15 maart 2014
De aanvraagbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij 'ingekomen': 11 november 2014. Er was geen datum van 'verzonden' gestempeld en geen volgnummer 'IIR' genoteerd. De aanvraag was niet voorzien van stempels van DIP en/of BID.
Uit onderzoek in het beslag van de DIP naar specifiek de aanvraagbrief d.d. 15 maart 2014
van [betrokkene 6] ondertekend door [dochter medeverdachte 2] werd geen kopie en/of origineel van deze brief
aldaar aangetroffen. Ook werd geen document bij de DIP aangetroffen dat gelinkt was met deze aanvraagbrief.
Aanvraag d.d. 15 november 2014
De aanvraagbrief was voorzien van een stempel van het bureau van de MROII met daarin een datumstempel bij ‘ingekomen’: 29 december 2014. De datum van ‘verzonden’ was ook 29 december 2014. De brief werd bij het bureau van MROII handmatig geregistreerd met volg(registratie)nummer: IIR/4592-2014.
Aantreffen MB d.d. 27-1-2015
Bij haar verhoor overhandigde [betrokkene 22] aan het onderzoeksteam een afschrift van de MB d.d. 27 januari 2015 en de aanbiedingsbrief aan [betrokkene 6] met kenmerknummer 217-A, beiden getekend door [verdachte] . Deze MB was niet voorzien van leges, plakzegels en dienststempels van de DIP.
Aanbetaling verkoop
Uit onderzoek bij [bank 1] bleek dat op 28 januari 2015 een bedrag van Awg. 10.000,- op de [rekeningnummer 2] van [medeverdachte 2] werd gestort. Dit bedrag werd door [betrokkene 12] overgemaakt met als omschrijving 'aanbetaling op factuur'.
Betaling verkoop
Op 30 januari 2015 werd door [betrokkene 12] de bedragen Awg. 330.000,- en Awg. 150.000,-
overgemaakt naar de [rekeningnummer 3] bij de [bank 2] .
Contante betaling verkoop
Uit onderzoek bij [bank 1] bleek dat [betrokkene 12] op 3 februari 2015, middels een cheque
nummer […] ten name van [betrokkene 22] , Awg. 65.000,- liet opnemen.
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] van 10 september 2020:
Ik werkte 6 jaar voor [medeverdachte 2] . Ik heb vanaf 2010 tot 2016 voor haar gewerkt. Ik was een soort ‘personal assistent’ van [medeverdachte 2] .
Ik zag al het gedoe met terreinen. Ik noemde het 'terreinenfeest' (fiesta di tereno). ‘Terreinen feest’ in die zin van dat ik documenten ophaalde waarin ik zag dat bepaalde meters vermeld stonden. Verder stond ook vermeld over hoeveel terreinen beschikbaar waren en voor hoeveel ze verkocht konden worden. Ik moet zeggen dat ik zelf geld zag binnenkomen. Ik heb ook zelf geld weggebracht. Het was namelijk een feest waarbij niet alleen [medeverdachte 2] betrokken was maar ook meerdere mensen. Het grootste huis waar ik geweest was, was namelijk die van deze meneer, [verdachte] . Ik had namelijk een enveloppe met geld daar voor hem gebracht. De reden waarom ik dit zeg is omdat je geen document in een enveloppe stopt, in vieren vouwt en dichtmaakt. Het was namelijk een best wel dikke enveloppe. Ik zei van toen 'oké, er is een feest maar ik ben niet uitgenodigd.'
Het terrein dat aan mij werd gezegd dat ik deel zou nemen en dat mij geïllusioneerd heeft, was dat dat ten zuiden van Superfood lag. Het betrof een vrijwel groot terrein. Ik werd door [medeverdachte 2] benaderd met het verzoek om een bedrijf op mijn naam te richten. Ik vroeg aan haar wat dat was. [medeverdachte 2] zei van nee, dat het een bedrijf is dat zij met spoed moest oprichten. Ik zei van 'oke, spoed, in welke zin? Wat is het?'. Zij antwoordde mij dat ik gewoon het bedrijf voor haar moest oprichten en klaar. Ik zei van 'nee, ik moet worden uitgelegd wat het precies inhoudt. Ik werd 25% door [medeverdachte 2] aangeboden. Het zou dan 25% van de winst zijn. Maar op dat moment had ik mij bedacht dat als ik eigenaar ben van een bedrijf moest ik de helft daarvan krijgen. Ik heb hierna niets meer van haar gehoord. Het was in dezelfde periode dat de 'terreinen feest' gaande was. Dat was in de periode 2013-2014. Ja, want het was hetzelfde terrein waarvan gezegd werd dat ik een deel van zou krijgen. Ik weet dat dat terrein zeker verkocht werd. Tevens was ik op dat terrein geweest. Het was dat ene ten zuiden-oosten van […] . Als ik me niet vergis, staat de kledingwinkel […] nu daarop.
Tevens herinner ik mij dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ veel in het kantoor genoemd werd. Ik herinner mij dat [medeverdachte 2] aangaf dat zij een bouwbedrijf moet oprichten om terreinen te verkopen want anders zou het terrein niet verkocht worden. In zeer korte tijd werd het terrein verkocht. Iemand heeft [betrokkene 6] of [betrokkene 5] opgericht. Als ik me niet vergis, heeft [betrokkene 14] een van ze opgericht. [betrokkene 14] vroeg mij wat het was en wat zij moest doen.
(…) Ik herinner mij ook dat later, als ik me niet vergis, een tweede terrein verkocht werd. Ik moest toen op verzoek van [medeverdachte 2] een enveloppe naar het huis van [verdachte] brengen. Het was duidelijk dat geld daarin zat. De vrouw nam het over.
O: Oké, zo meteen komen we terug op dat gedeelte. Wij willen nog even over de eerste verkoop van het terrein van […] . Je werd voor datzelfde terrein benaderd en verzocht om een bedrijf op te richten.
V: Klopt dat?
A: Ja, want dat terrein werd ik door [medeverdachte 2] beloofd dat als zij het zou verkopen dat bepaalde zaken geregeld zouden worden. Voor datzelfde terrein werd aan mij gevraagd om een bedrijf op te richten.
V: Hoe kwam zij aan dat terrein?
A: Nou ja, door documenten bij [verdachte] op te halen. Ik heb zelf persoonlijk zo’n 5 keren bij het Bestuurskantoor geweest om documenten op te halen.
V: Wat voor documenten ging je ophalen?
A: Het waren handtekeningen. Je hebt wel de kennis dat het om documenten gingen die te maken hadden met terreinen. Je zag namelijk de stempel en de handtekening van [verdachte] . [medeverdachte 2] stuurde mij om deze documenten te gaan ophalen. Ik zag dat de documenten wat over meter en kilometer inhielden. Vandaar kon ik concluderen dat de documenten over terreinen gingen. Het kan meer zijn maar het zijn drie keren waarvan ik zeker van ben dat het over terreinen gingen.
V: Waar bij het Bestuurskantoor ging je precies om die documenten op te halen? Ging jij direct naar [verdachte] ?
A: [medeverdachte 2] stuurde mij naar het Bestuurskantoor, bij de assistente om deze documenten op te halen. Ik weet de naam van de assistente echter niet. Het was in ieder geval een vrouw. Of wacht eventjes. (Opmerking verbalisanten: De getuige bleef stil. De getuige bleef nadenken) [betrokkene 13] . [betrokkene 13] correct? Ja. Zien jullie wel. Terwijl ik het verhaal vertel, komen de namen tevoorschijn. [betrokkene 13] , dat is haar naam. [betrokkene 13] en [medeverdachte 2] hadden regelmatig telefonische contacten met elkaar.
V: Wat allemaal had de dochter van [medeverdachte 2] , [dochter medeverdachte 2] , precies aan
jou gevraagd dat zij moest weten?
A: Zij vroeg aan mij wat zij als directeur van een bedrijf dat haar moeder had opgericht, allemaal inhield en of zij het geld dat op de rekening van de het bedrijf kon gebruiken. (…) Later kwam ik, tijdens een gesprek met haar, te weten dat zij directeur was van [betrokkene 6] .
O: We gaan even terug naar het huis van [verdachte] .
A: Ja, er moest een tweede terrein verkocht zijn. De reden waarom ik dit zeg, is dat ik door [medeverdachte 2] verzocht werd om een enveloppe naar het huis van [verdachte] weg te brengen. Ik vroeg aan haar waar hij woont. Zij legde mij het een en ander uit maar toen ik in de straat was, belde ik haar op. [medeverdachte 2] legde mij toen precies uit waar ik moest rijden om bij het huis te komen. Daar aangekomen, kwam een vrouw naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote van [verdachte] was. Zij was gekleed in huiskleding. Ik gaf die enveloppe aan haar en reed weg.
[medeverdachte 2] zei alleen tegen mij om het thuis bij de minister af te leveren. Het was een enveloppe zo dik als een hamburger. Dus logischerwijze zou je gaan denken dat het geld was dat daarin zat.
V: Waaraan koppel jij de enveloppe die je naar het huis van [verdachte] moest brengen? In de zin, had het te maken met de verkoop van een terrein of iets anders?
A: Ja. Want toen het dienstmeisje tegen mij zij dat een ander verkocht werd, vroeg ik aan haar of zij er zeker van was. Zij antwoordde mij van ja, want aan haar werd een reis naar haar land beloofd.
Zodoende nadat het dienstmeisje tegen mij zei dat een ander verkocht werd, werd ik door [medeverdachte 2] gevraagd of ik haar een gunst kon doen. [medeverdachte 2] zei: 'Bo por hiba e enveloppe aki na cas di meneer, na minister [verdachte] ?’ (Kan je deze enveloppe naar het huis van meneer, bij minister [verdachte] brengen?'. Vrije vertaling […] ). Ik zei tegen haar van oke, waar moest ik het brengen. Zij legde mij uit waar, dus in de buurt van [a-straat] . Een vrouw kwam naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote was want een dienstmeisje zou niet zo gekleed zijn. De vrouw nam het geld en liep terug naar binnen.
V: Hoe weet jij dat in de enveloppe geld zat?
A: Want die enveloppe was echt dik gevouwen. Dikker dan een hamburger. Die enveloppe was een lichtbruine en gevouwen. Je moet rekening houden dat een stapel geld
een soort etui vorm krijgt. Als je dat in een enveloppe zet en vouwt, wordt het wat dikker.
De envelop was ook met elastiekjes omwikkeld. Ik hield het vast in mijn hand en was ongeveer 7cm. De enveloppe had ongeveer de lengte en breedte van onze bankbiljetten. Ik was buiten in de auto met [medeverdachte 2] aan de lijn. Ik toeterde maar niemand kwam naar buiten. Toen ik iemand binnen het huis zag bewegen, verzocht ik aan [medeverdachte 2] om de persoon op te bellen dat ik buiten was.
Ik probeerde de enveloppe met inhoud wel met mijn handen op en neer te buigen die dan wat boog. Tevens rook het naar nieuwe bankbiljetten. Het had geld moeten zijn.
V: Met wie allemaal is/was [medeverdachte 2] goed bevriend?
A: [betrokkene 11] . Hij was eentje die haar heel veel thuis bezocht.
V: Met wie nog meer was [medeverdachte 2] bevriend die bij haar thuis op bezoek kwam?
A: Het was meer [betrokkene 11] die bij haar op bezoek kwam. [medeverdachte 2] is niet de type persoon die vrienden heeft.
V: Wat kan je over de relatie tussen [medeverdachte 2] en de AVP verklaren?
A: [medeverdachte 2] wordt betaald om goed van het partij AVP op de radio te praten. Dus je wordt betaald om het volk te kopen en te overtuigen voor mij te stemmen. Dus telkens als er een gat is, moet je ervoor zorgen dit via de radio dicht te maken. Dus als oproeper moet je ongeacht wat gebeurde ervoor zorgen dat je het volk overtuigt om voor AVP te stemmen. Dat deed zij ook. Zij verdedigde de politieke partij tegen alles.
A: [betrokkene 13] belde [medeverdachte 2] heel veel thuis op.
V: Wat was dan het onderwerp van de gesprekken tussen [betrokkene 13] en [medeverdachte 2] ?
A: Terreinen.
V: Heeft deze twee bedrijven, [betrokkene 6] en [betrokkene 5] , werkzaamheden op Aruba gedaan?
A: Nee. Zij werden blijkbaar opgericht met het doel die terreinen te verkopen. Dit werd namelijk door [medeverdachte 2] geuit, dus dat zij een constructiebedrijf moest oprichten om terreinen te verkopen. Ik werd ook benaderd om dit te doen.
V: Wat voor deskundigheid, kennis en ervaring in de constructie van projecten met commerciële en/of toeristische doeleinden en investeringsmiddelen beschikte [medeverdachte 2] , [dochter medeverdachte 2] en [betrokkene 14] als eigenaar en directeur van de bedrijven [betrokkene 6] en [betrokkene 5] om projecten op de verzochte terreinen destijds te gaan
ontwikkelen?
A: Geen enkel kennis en/of ervaring. Geen van de drie want [betrokkene 14] is een gepensioneerde.
Zij weet niets over constructie en/of commercieel. [dochter medeverdachte 2] was een simpele student op school. [medeverdachte 2] heeft ook geen kennis over projecten met een bepaald doel. Zij heeft geen kennis of deskundigheid om een commercieel winkelgebouw voor toeristen te bouwen.
O: Over die twee keren dat je het document bij het Bestuurskantoor bracht en kort daarna ondertekend terugkreeg.
V: Hoe wist je dat het document door [verdachte] ondertekend werd?
A: Ik wist dat het document op dat moment ondertekend werd omdat ik hiervoor bij het
Bestuurskantoor moest blijven wachten. Ik had de enveloppe met documenten niet geopend maar ik wist al van vooraf dat het document over terrein ging. Ik bleef toen ongeveer 10 minuten op het document wachten. Aan de hand van de eerdere keren dat ik documenten bij het bestuurskantoor wegbracht die daarna door [verdachte] ondertekend werden, trok ik mijn conclusie dat die 2 keren ook documenten aangaande terreinen op dat moment ondertekend werden door [verdachte] .
(…)
10. Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [medeverdachte 1] :
Ik heb bedrijven: [R] , [S] , [T] , [B] , [A] , [G] . Ik ontwikkel een beetje bij sinds ongeveer 30 jaar. Er zijn dingen in ontwikkeling en er zijn dingen ontwikkeld. In ontwikkeling zijn [B] , [E] en [D] .
[T] is het moederbedrijf, daarvan ben ik 100% eigenaar, daaronder hangen al die bedrijven die ik genoemd heb [A] , [B] , [E] etc.
V: Hoe zou je je relatie en/of band met [verdachte] beschrijven?
A: Onze band is sterk geworden door het fietsen. Als je alle projecten ziet die ik ontwikkeld heb is dat een succesvol bedrijf. En hij is een vakman. Als ik zie wat hij in 8 jaar hier heeft gebouwd, dan vind ik dat mooi. We wisselen vaak ideeën uit hoe je iets moet bouwen. Hij beschouwde me als adviseur.
V: Hoeveel aanvragen voor commerciële terreinen heeft u gedaan?
A: Ik doe constant aanvragen, bij verschillende regeringen. Altijd verzoeken gedaan.
(…)
O: In deze periode dat [verdachte] minister was is het dus wel gelukt.
A: Ja eindelijk ja.
A: In de periode daarvoor kreeg ik geen antwoord op mijn aanvragen.
O: Wij, verbalisanten, tonen je de volgende tabel. Het betreft de onderzoekresultaten tot zover van de bedrijven die een commercieel terrein hebben gekregen en waar jij de eigenaar van bent.
V: Wat kan je hierover verklaren?
A: [A] klopt ja, [B] , klopt. [C] was alleen een optie he. [E] heb ik overgenomen van een ander en ik ben bezig bij DOW met een bouwvergunning.
(…)
17.Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 12 juli 2010 namens [A] N.V.:
Juli 12, 2010
Aan de Minister van Infrastructuur
Excellentie,
De ondergetekende, [betrokkene 23] , handelende als directeur van de naamloze vennootschap [A] N.V. nader te noemen [A] een zustermaatschappij van [R] N.V., nader te noemen [R] , richt zich tot u met het verzoek in aanmerking te komen voor de verkrijging van het recht van erfpacht op een perceel domeingrond gelegen aan de [b-straat] ., zoals op bijgaande situatietekening aangegeven.
Herhaaldelijke keren is door [R] een verzoek ingediend aan de Ministerie van Sociale Zaken en Infrastructuur om v.n. domeingrond te verkrijgen om voor verdere investeringen en ontwikkeling van dezelfde zonder ooit enige reactie te krijgen nog van de Minister nog van DIP, dit verzoek is v.n. om;
• Ruimte te maken om het huidige project van [S] af te ronden.
Ruimte te krijgen om kantoor ruimtes voor de administratie van [S] winkel centrum, souveniers en toekomstige investeringen.
• Ruimte voor opslag van materieel en materiaal t.b.v [S] winkel centrum en souvenirs te bergen
Op genoemde perceel wenst [A] een commerciele pand te bouwen en te exploiteren bestaande kantoor, winkel ruimte, opslag ruimte, bar_ annex restaurant [A] N.V. wenst namens haar Holding maatschappij hiermede een verdere ontwikkeling van haar commerciële activiteiten op het eiland in te spelen.
[T] N.V. is de moeder maatschappij van [R] N.V., [S] [T] N.V., [A] N.V., en [B] N.V. voor bovengenoemde bedrijven is er geen kantoor ruimte nog opslag ruimte beschikbaar reden waarom redden waarom het verzoek is gedaan op dit perceel daar de ontplooing van [R] en [S] [T] dicht in de omgeving van dit perceel bevinden.
De ondergetekende is t.a.t. bereid u persoonlijk nader in te lichten, indien nodig, en wacht uw positieve beschikking op het onderwerpelijke verzoek af.
Hoogachtend,
[betrokkene 23]
namens [A] N.V.”
De stellers van het middel miskennen mijns inziens met hun klacht volledig dat ook omstandigheden die voor de bewezenverklaarde periode liggen context kunnen verschaffen over het bewezenverklaarde en dus, in combinatie met het overige deel van het bewijsmiddel waarin deze omstandigheden worden genoemd of de andere bewijsmiddelen, redengevend kunnen zijn daarvoor. Dat sommige data die voorkomen in de gewraakte bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde periode liggen, doet dus niet af aan het feit dat deze bewijsmiddelen in hun totaliteit en in onderlinge samenhang met de andere bewijsmiddelen bezien redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring. De klacht faalt.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
3. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft beraadslaagd op grond van de tenlastelegging. Bewezen (onder 3) is namelijk dat de omkoping heeft bestaan uit het doen van een betaling voor de aanleg/bouw van een gym, terwijl ten laste is gelegd dat deze betaling is gedaan voor de aanleg/bouw van een sportschool. Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat is betaald voor de koop en levering van een apparaat, hetgeen niet onder de beschrijving bouw van een gym kan worden geschaard.
De volgende bewijsmiddelen zijn bij de bespreking van dit middel van belang (met weglating van voetnoten):
“12. Proces-verbaal relaas zaaksdossier [medeverdachte 1] :
(…)
Vectra Gym
Gedurende de eerste huiszoeking werd achter de woning van [verdachte] een complete ingerichte gymruimte geconstateerd.
In het digitale beslag uit de woning van [verdachte] werd in de laptop, een niet getekende offerte, nummer E14599 d.d. 1-12-2016, voor het bedrag van USD 11.054 op naam van [verdachte] aangetroffen. Het betrof een Vectra-VX 48 gymmachine.
In het beslag van de containers, waar de administratie van het kantoor [S] werd bewaard, werd een bankoverschrijvingsformulier in de filedoos ' [G] Bank Dec 2016' aangetroffen. Het betrof een overmaking d.d. 13-12-2016 van de bankrekening van [G] bij [bank 1] naar het bedrijf [U] in Amerika, voor het bedrag van USD 11.054,00. Deze overmaking was de betaling van factuur E14599 voor een Vectra VX-48 gymmachine.
De gegevens omtrent gym - en sport materialen over de periode van december 2016 tot en met 1 februari 2017 werden bij de Douane via een vordering bevraagd en verkregen. Uit de verstrekte gegevens bleek dat een Vectra Gym VX-48 werd geïmporteerd via het bedrijf [R] van [medeverdachte 1] .
(…)
14. Proces-verbaal 10e verhoor [verdachte] :
O: Wij tonen u een factuur van 1 december 2016 van een gymapparaat van
$ 11.054,00 in uw naam. Dit gymapparaat is aangetroffen in uw gym.
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Dit gaat over de Vectra gym.”
De uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter en moet in cassatie – behoudens het geval waarin deze onverenigbaar is met de bewoordingen daarvan – worden geëerbiedigd. Nu “gym” synoniem is voor sportschool is van dergelijke onverenigbaarheid geen sprake. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat het apparaat waarvan het Hof heeft vastgesteld dat het door [medeverdachte 1] is betaald, is aangetroffen in de gym van de verdachte. Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het Hof dit wel degelijk onder de beschrijving “aanleg/bouw van een gym” kon scharen. De klacht faalt evident.
4. Het derde middel
Het derde middel klaagt ten aanzien van de onder 5 bewezenverklaarde verduistering ten eerste dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte een geldbedrag van de in de bewezenverklaring genoemde stichting onder zich heeft gehad. Ten tweede klaagt het over het oordeel van het Hof dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd (de verkiezingscampagne van [verdachte] ) nu niet is gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof.
Ten laste van de verdachte is onder 5 het volgende bewezenverklaard:
“Verduistering
dat hij in de periode van 01 januari 2015 tot en met 01 januari 2016 te Aruba, opzettelijk een geldbedrag, toebehorende aan de stichting [Q] , welk geldbedrag verdachte als (feitelijk) beleidsbepaler/beheerder, en (uiteindelijk) belanghebbende van die Stichting, onder zich heeft, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, namelijk:
- Een cheque d.d. 9 juni 2015 uitgeschreven ten behoeve van [P] a AWG 11.375,50.”
Het Hof heeft ten aanzien van de verduistering de volgende bewijsmiddelen gebezigd (met weglating van voetnoten):
“22. Geschrift, zijnde een notariële akte “oprichting stichting [Q] ” d.d. 17 maart 2009:
OPRICHTING
Heden, zeventien maart tweeduizend negen, verscheen voor mij, notaris in Aruba, de getuigen: [betrokkene 24] , [betrokkene 25] en [betrokkene 27] .
De comparanten verklaarden te zamen van hun vermogen af te zonderen een bedrag van Afl. 100,= en daarmede een stichting in het leven te roepen.
De stichting draagt de naam “ [Q] ”.
De stichting stelt zich ten doel: het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van [verdachte] .
De stichting tracht haar doel te bereiken door het op degelijke en rechtmatige wijze bijeenbrengen en administreren en beheren van voornoemde fondsen teneinde deze voor bovengenoemd doel aan te wenden.
Waarvan akte, in minuut opgemaakt, is verleden te Aruba, en ondertekend door comparanten, de getuigen en de notaris.
23. Proces-verbaal relaas zaaksdossier [Q] :
Uit de administratie van de stichting van [verdachte] (het Hof begrijpt: stichting [Q] bleek dat er op 9 juni 2015 een cheque ad Awg. 11.375,50 is uitgeschreven ten behoeve van [P] (hierna: [P] ).
De cheque is kennelijk uitgeschreven door de voorzitter van [Q] , [betrokkene 9] , want de handtekening komt onder andere overeen met de handtekening die hij onder zijn verhoren heeft gezet. In de administratie van de stichting [Q] is ook een e-mail aangetroffen van het reisbureau [P] aan [betrokkene 13] , de secretaresse van minister [verdachte] met daarin een reisschema voor [echtgenote verdachte] . Dit betreft de echtgenote van [verdachte] . Haar reis zou kennelijk op 11 juni 2015 beginnen met een vlucht naar Nederland. Op 21 juni 2015 zou ze via Parijs doorvliegen naar Martinique en vier dagen daarna met een tussenstop op Guadeloupe naar Miami. Op 28 juni 2015 was de terugvlucht naar Aruba gepland. Hoewel de mail aan de secretaresse van het bureau van de minister was gericht en de betaling door de stichting van [verdachte] is gedaan, is niet gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof.
24. Proces-verbaal 8ste verhoor verdachte [betrokkene 9] :
V: Wat kunt u over [Q] verklaren?
A: Deze stichting wordt gebruikt door de minister om zijn campagne te voeren. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] gevraagd om met al de administratie en bankaangelegenheden rond te stichting te attenderen, waaronder cheques uitschrijven. Dat was tussen 2013 en 2017.
V: Wat is het doel van deze stichting?
A: Het doel is de politieke campagne van [verdachte] te ondersteunen.
V: Wat heeft [verdachte] u verteld/uitgelegd wat uw taak zal zijn als voorzitter?
A: Hij gaf aan mij aan dat indien iets betaald moest worden, dit door mij en [betrokkene 28] op zijn instructies moest gebeuren.
O: Met toegang tot de rekening van [Q] bedoelen wij niet het alleen uitschrijven van cheques, maar ook zicht op de bankrekening, stortingen en alle activiteiten rond/tot de bankrekening.
V: Tot hoever was uw bevoegdheid hieromtrent?
A: Mijn bevoegdheid was beperkt tot het uitschrijven van cheques. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] geïnstrueerd voor het uitschrijven van cheques. Deze cheques moeten voorzien zijn van mijn handtekening en die van [betrokkene 28] , anders werd de cheque niet uitbetaald.
V: Wie gaf opdracht tot betalingen via de bankrekening?
A: Minister [verdachte]
O: In de administratie van de stichting zagen wij een cheque uitgeschreven aan [P] voor het bedrag van Awg. 11.375,50 (No.000162) d.d. 9 juni 2015. Wij tonen u Bijlagen 3a en 3b.
V: Wie heeft deze cheque uitgeschreven?
A: Ik zie mijn handtekening en die van [betrokkene 28] . Het handschrift op de cheque is van mij.
V: Wie heeft de opdracht gegeven om deze cheque uit te schrijven?
A: [verdachte] .
25. Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 28] :
V: Wie gaf opdracht tot betalingen van de bankrekening?
A: Het akkoord tot betaling ging altijd via [verdachte] . [verdachte] gaf de opdracht aan [betrokkene 29] dat iets betaald moest worden en als er een verzoek tot betaling bij [betrokkene 29] terecht kwam moest hij er eerst mee naar [verdachte] voor accordering voor de betaling.”
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaarde verduistering het volgende overwogen:
“10.3 Feit 5 (verduistering) inzake zaaksdossier [Q]
Het Hof neemt de volgende bewijsoverwegingen van het Gerecht over en maakt deze tot de zijne:
Ten aanzien van de verdenking ter zake van verduistering zij vooraf het volgende opgemerkt. De tenlastelegging lijkt in te houden dat verdachte wordt verweten meerdere geldbedragen van de stichting [Q] te hebben verduisterd. In de tenlastelegging is evenwel één geldbedrag, in de vorm van een cheque uitgeschreven ten behoeve van [P] ter waarde van AWG. 11.375,50, gespecificeerd. Uit de inhoud van het requisitoir volgt dat de tenlastelegging zo moet worden gelezen dat aan verdachte uitsluitend het verwijt wordt gemaakt de hiervoor genoemde cheque te hebben verduisterd. Het Gerecht zal daar dan ook bij de beoordeling van de tenlastelegging van uitgaan.
De Stichting [Q] is op 17 maart 2009 opgericht. Uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel volgt dat de stichting als doelstelling heeft:
“Het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van de heer [verdachte] .”
Met ingang van 1 mei 2015 waren de bestuursleden van de stichting: [betrokkene 29] [betrokkene 9] (president/voorzitter), [betrokkene 28] (secretaris) en [betrokkene 27] (penningmeester).
Uit de administratie van de stichting is gebleken dat de voorzitter van de stichting, [betrokkene 9] , op 9 juni 2015 een cheque ter waarde van AWG. 11.375,50 heeft uitgeschreven ten behoeve van [P] . Ook is uit die administratie gebleken dat deze cheque bedoeld was voor het boeken van een reis van de vrouw van verdachte naar onder andere Nederland, Martinique en Miami.
De raadsman heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van de evenbedoelde cheque. Zijn betoog steunt op de volgende verweren:
- indien wordt aangenomen dat verdachte de ultimate benificary owner was van de stichting [Q] behoorden de gelden van de stichting toe aan verdachte en kan geen sprake zijn van verduistering;
- indien niet wordt aangenomen dat verdachte de ultimate benificary owner was van de stichting kan evenmin sprake zijn van verduistering, omdat verdachte geen bestuurder was van de stichting, niet namens de stichting kon handelen en verdachte de gelden van de stichting dus niet anders dan door misdrijf onder zich had;
- de wederrechtelijkheid ontbreekt, omdat verdachte een rekening-courant had met de stichting en het verzilveren van de cheque moet worden gezien als het verrekenen met door verdachte ten behoeve van de stichting gemaakte kosten.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Uit het dossier volgt naar het oordeel van het Gerecht genoegzaam dat verdachte de feitelijk beheerder/uiteindelijk belanghebbende was van de stichting. Onder meer uit de verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 28] blijkt dat verdachte, hoewel hij geen bestuurder was van de stichting, feitelijk de zeggenschap had over de stichting.
[betrokkene 9] verklaarde hierover, voor zover relevant:
“Deze stichting wordt gebruikt door de minister om zijn campagne te voeren. [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] gevraagd om met al de administratie en bankaangelegenheden rond te stichting te attenderen, waaronder cheques uitschrijven.”
…
“Hij (het Gerecht begrijpt: verdachte) gaf aan mij aan dat indien iets betaald moest worden, dit door mij en [betrokkene 28] op zijn instructies moest gebeuren.”
…
“ [betrokkene 28] en ik werden door minister [verdachte] geïnstrueerd voor het uitschrijven van cheques”
In de verklaring van [betrokkene 28] kan eveneens steun worden gevonden voor de vaststelling dat verdachte feitelijk de beheerder was van de stichting. Zij verklaarde, voor zover relevant:
“Het akkoord tot betaling ging altijd via [verdachte] (het Gerecht begrijpt: [verdachte] ). [verdachte] gaf de opdracht aan [betrokkene 29] dat iets betaald moest worden en als er een verzoek tot betaling bij [betrokkene 29] terecht kwam moest hij er eerst mee naar [verdachte] voor accordering voor de betaling.”
Ten aanzien van de ten laste gelegde cheque heeft [betrokkene 9] verklaard dat verdachte hem opdracht heeft gegeven om de cheque uit te schrijven. Daarmee staat, mede gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen, naar het oordeel van het Gerecht voldoende vast dat verdachte als feitelijk beheerder van de stichting opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van de cheque aan [P] .
De raadsman heeft aangevoerd dat als wordt aangenomen dat verdachte de feitelijk beheerder/begunstigde van de stichting was, de gelden van de stichting toebehoorden aan verdachte. Deze opvatting van de raadsman vindt geen steun in het recht. Anders dan de raadsman lijkt te menen kan het privévermogen van een uiteindelijk belanghebbende van een stichting niet gelijk worden gesteld, of worden vermengd, met het vermogen van de stichting. Daarbij speelt bij een stichting een gewichtige rol dat de gelden van een stichting zijn bedoeld om te worden aangewend voor het stichtingsdoel, zoals omschreven in de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Het Gerecht verwerpt daarom dit verweer van de raadsman.
Het verweer van de raadsman dat verdachte de gelden niet (anders dan door misdrijf) onder zich had, slaagt evenmin. Het bestanddeel ‘anders dan door misdrijf’ moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4573). Uit de eerder aangehaalde verklaringen van [betrokkene 9] en [betrokkene 28] blijkt immers dat verdachte instructies en opdrachten gaf voor betalingen van de stichting. Verdachte heeft het goed onder zich gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, vertegenwoordigd werd door haar voorzitter, [betrokkene 9] . Die overdracht is niet een door verdachte begaan misdrijf. Het verweer faalt derhalve.
Het Gerecht dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte zich de cheque ten behoeve van [P] wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarover overweegt het Gerecht als volgt. Verdachte heeft de opdracht gegeven de cheque uit te laten schrijven. Het Gerecht stelt vast dat de bestemming van deze cheque, het laten boeken van een pivéreis voor de vrouw van verdachte, zich niet verdraagt met de doelstelling van de stichting: Het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van [verdachte] . Niet gesteld, noch is aannemelijk geworden dat de reis van de vrouw in enige relatie staat tot deze doelstelling. Het Gerecht is aldus van oordeel dat deze betaling buiten het stichtingsdoel valt en dat verdachte het stichtingsvermogen naar eigen inzicht heeft besteed.
De stelling van verdachte dat hij kosten heeft gemaakt ten behoeve van de stichting en dat met de betreffende cheque de door hem gemaakte kosten zijn verrekend, is naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende controleerbaar. Uit het door [betrokkene 30] opgemaakte financieel rapport zou volgens de verdediging moeten blijken dat verdachte huurpenningen ten behoeve van de stichting heeft voorgeschoten. Een onderbouwing met (bijvoorbeeld) kwitanties ontbreekt echter. Evenmin is in de administratie van [Q] terug te vinden dat de stichting geld schuldig is/was aan verdachte. Bij deze stand van zaken houdt het Gerecht het ervoor dat een vordering van de stichting op verdachte niet aannemelijk is geworden, zodat ook het verweer van de raadsman met betrekking tot het ontbreken van de wederrechtelijkheid van het toe-eigenen wordt verworpen.
Gelet op al het vorenstaande komt het Gerecht tot de conclusie dat verdachte als uiteindelijk belanghebbende van de stichting een geldbedrag, in de vorm van een cheque ter waarde van AWG. 11.375,50, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.”
De stellers van het middel klagen ten eerste dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte het geldbedrag van de stichting [Q] onder zich heeft gehad door – zoals het Hof zou hebben overwogen – het in opdracht van de verdachte uitschrijven van een cheque ten behoeve van een ander door de beheerder van de aan die stichting toebehorende gelden. De bewezenverklaring is daarmee onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel.
Uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat:
- in 2009 de stichting [Q] is opgericht met als doel het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne van de verdachte;
- betalingen via de bankrekening van de stichting vooraf moesten zijn geaccordeerd door de verdachte;
- de bevoegdheid van de voorzitter van de stichting beperkt was tot het uitschrijven van cheques op instructie van de verdachte;
- op 9 juni 2015 door de voorzitter van de stichting in opdracht van de verdachte een cheque van Awg. 11.375,50 is uitgeschreven ten behoeve van [P] (hierna: [P] ) en
- in de administratie van deze stichting een e-mail afkomstig van reisbureau [P] en gericht aan de secretaresse van de verdachte is aangetroffen met daarin een reisschema voor de echtgenote van de verdachte vanaf 11 juni 2015 betreffende een rondreis via Nederland, Martinique, Guadeloupe en Miami.
Het Hof heeft – gelet op zijn bewijsoverwegingen – uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte geen bestuurder was van de stichting, maar wel feitelijk de zeggenschap over de stichting had en dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van een cheque ten behoeve van [P] . Verder heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte deze cheque onder zich heeft gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, werd vertegenwoordigd door haar voorzitter. Daarbij gaat het Hof er kennelijk van uit dat de verdachte de cheque onder zich heeft gekregen, doordat de voorzitter de cheque na het uitschrijven daarvan aan de verdachte heeft overgedragen. Het Hof overweegt immers:
“Verdachte heeft het goed onder zich gekregen door een rechtshandeling van de stichting, die daarbij, althans formeel, vertegenwoordigd werd door haar voorzitter, [betrokkene 9] . Die overdracht is niet een door verdachte begaan misdrijf.”
Dat het Hof ervan uitgaat dat de cheque aan de verdachte is overgedragen, acht ik niet onbegrijpelijk, nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het uitschrijven van de cheque (en dus niet heeft gekozen voor betaling via een overmaking vanaf de bankrekening van de stichting) en deze cheque bestemd was voor de betaling van een kennelijke privéreis van de echtgenote van de verdachte. Daarmee faalt de eerste klacht.
De tweede klacht over het oordeel van het Hof dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd (de verkiezingscampagne van [verdachte] ) nu niet is gebleken dat het een politiek noodzakelijke reis betrof, faalt ook. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de cheque in opdracht van de verdachte is uitgeschreven voor een reis van de echtgenote van de verdachte. Nu niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat de reis van de echtgenote in enige relatie stond tot de doelstelling van de stichting, namelijk de verkiezing van de verdachte, kon het Hof – mede gelet op het reisschema – oordelen dat de geldbedragen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij waren bestemd. Van omkering van de bewijslast is geen sprake.
Het middel faalt.
5. Slotsom
De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Voor het eerste middel ligt een dergelijke afdoening niet in de rede, omdat dit middel gaat over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG