PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02922 C
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij vonnis van 12 juli 2024 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens 1 “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd” en 3 “aan een ambtenaar een gift doen met het oogmerk om hem te bewegen om in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00078 C en 25/00080 C. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, negen middelen van cassatie voorgesteld.
2. De bewezenverklaringen en bewijsoverwegingen
Nu de bewijsvoering van de bewezenverklaarde omkoping samenhangt met die van de eveneens bewezenverklaarde oplichting en in de schriftuur wordt geklaagd over de bewezenverklaring van zowel oplichting (middel 1 tot en met 5) als omkoping (middel 6 tot en met 9), geef ik voorafgaand aan de bespreking van de middelen de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en de bewijsoverwegingen van het Hof weer. De bewijsmiddelen zal ik, voor zover nodig, citeren voorafgaand aan de bespreking van de afzonderlijke cassatiemiddelen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Feit 1 (oplichting)
zij op tijdstippen in de periode van 15 februari 2014 tot en met 31 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het land Aruba, heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:
Zaakdossier [A]
- de afgifte van een Ministeriele Beschikking waarbij een optierecht op twee percelen domeingrond gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] wordt verleend en
- een overeenkomst met [A] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] ,
Zaakdossier [B]
- de afgifte van een Ministeriele Beschikking waarbij een optierecht op het perceel kadastraal bekend als [K1] te [plaats] Beach wordt verleend en
- een overeenkomst met [B] tot vestiging van erfpacht op het perceel kadastraal bekend als [K1] te [plaats] Beach
hebbende zij, verdachte en/of haar medeverdachte(n), telkens met bovenomschreven oogmerk, zakelijk weergegeven, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid als volgt gehandeld:
- namens [A] en [B] is een aanvraag voor het verlenen van een optierecht en/of het verkrijgen van een erfpacht op genoemde percelen ingediend en
- namens [A] en [B] zijn stukken ingediend ter onderbouwing van deze aanvraag waarmee zij valselijk de indruk hebben gewekt dat zij, [verdachte] , zelf als eigenaar van [A] en [B] een project op de genoemde percelen wilde ontwikkelen en
- door medeverdachte [betrokkene 1] en/of de directie infrastructuur & Planning (DIP) werd niet onderzocht of deze aanvragen voldeden aan de voorwaarden zoals omschreven in het destijds geldende beleid, zoals omschreven in de brochure "optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden" die daarvoor door de DIP was opgesteld en
- door [medeverdachte 1] werd niet onderzocht of getoetst of deze aanvragen voldeden aan genoemde voorwaarden voor de optieverlening en/of erfpachtvestiging en werden deze aanvragen op dezelfde dag of zeer korte na binnenkomst van de aanvragen geaccordeerd door [medeverdachte 1] en ter verdere afhandeling naar medeverdachte [betrokkene 1] gestuurd en door medeverdachte [betrokkene 1] werd vervolgens medewerking verleend aan het akkoord gegeven door [medeverdachte 1] op genoemde aanvragen en een Ministeriele Beschikking voor een optierecht en/of een overeenkomst tot vestiging van erfpacht opgesteld met betrekking tot genoemde percelen en ter accordering en ondertekening aan [medeverdachte 1] voorgelegd, en
- door [medeverdachte 1] werd een Ministeriële Beschikking voor een optierecht verleend aan en een overeenkomst tot vestiging erfpacht aangegaan met [A] en [B] met betrekking tot genoemde percelen,
waardoor de aandelen in en de waarde van de bedrijven [A] en [B] van verdachte aanzienlijk stegen en/of waardoor verdachte aanzienlijk werd verrijkt terwijl verdachte nimmer de intentie had de projecten zelf uit te voeren en de percelen zelf te ontwikkelen en de percelen ook nimmer heeft ontwikkeld en medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] nimmer hebben onderzocht of aan genoemde voorwaarden werd voldaan,
en aldus doende heeft verdachte zich voorgedaan als een betrouwbare erfpachter, waardoor het land Aruba werd bewogen tot de afgifte bovengenoemde goederen;
Feit 3 (ambtelijke omkoping)
zij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016 te Aruba de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling Integratie en Infrastructuur, [medeverdachte 1] , een gift deed, namelijk een geldbedrag, zulks met het oogmerk om voormelde Minister te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, namelijk
- de afgifte van een Ministeriele Beschikking waarbij een optierecht op de percelen gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] werd verleend en
- het aangaan van een overeenkomst met [A] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] .”
Het Hof heeft in het vonnis de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
“Het strafrechtelijk onderzoek Avestrus betreft onder meer vermeende onregelmatigheden bij de uitgifte van optie- en erfpachtrechten tijdens het bewind van de andere verdachte [medeverdachte 1] , in diens voormalige hoedanigheid van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Milieu en later van Ruimtelijke Ontwikkeling, Integratie en Infrastructuur (hierna: ROII) in de periode 2009-2017. [medeverdachte 1] maakte deel uit van de Arubaanse Volkspartij (AVP). De verdenking zoals weergegeven in de tenlastelegging, gelezen tegen de achtergrond van het dossier, is dat hij tezamen en in vereniging met de aan de AVP gelieerde en hem goed bekende [verdachte] (en de vennootschappen [B] en [A] , waarvan [verdachte] de aandelen hield) het Land Aruba heeft opgelicht, in die zin dat in onderlinge afstemming, volgens een zelfde werkwijze waaraan zij ieder hun bijdrage leverden, als volgt is gehandeld. [medeverdachte 1] heeft (tegen een wettelijk vastgesteld, relatief zeer laag tarief) op aanvraag van de (lege) vennootschappen van [verdachte] opties op de uitgifte van zogeheten commerciële percelen verleend. Daarbij werd niet onderzocht of aan de daarvoor gestelde voorwaarden werd voldaan. Ook werden daarbij stukken ingediend waarmee door [verdachte] /haar vennootschappen de indruk werd gewekt zij de intentie hadden om zelf projecten op de desbetreffende percelen te ontwikkelen, terwijl het eigenlijke doel was om, zodra de opties waren verleend, de aandelen van de vennootschappen te verkopen.
Op die manier zou het Land zijn bewogen tot afgifte van de optie en later het recht van erfpacht, en zou – zoals bij de verkoop van de aandelen van de vennootschappen aan derden op basis van de werkelijke marktwaarde van de desbetreffende opties bleek - de waarde van die aandelen aanzienlijk zijn gestegen, waardoor [verdachte] aanzienlijk is verrijkt, van welke verrijking ook [medeverdachte 1] heeft geprofiteerd. Het resultaat van deze werkwijze, waarbij genoemde vennootschappen – als lege huls - tussen de minister als optieverlener en de feitelijke ontwikkelaars van de percelen werden gepositioneerd, is dat de werkelijke ontwikkelaars een aanzienlijk hoger bedrag voor de optie/erfpachtrechten hebben moeten betalen dan het geval was geweest zonder de tussenkomst van deze vennootschappen, gelden die niet aan de te ontwikkelen projecten zelf hebben kunnen worden besteed, maar in de zak van [verdachte] en [medeverdachte 1] zelf zijn gevloeid.
Uitgifteproces opties
Alvorens in te gaan op de concrete gang van zaken in de desbetreffende zaaksdossiers acht het Hof het dienstig om het uitgifteproces van optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [medeverdachte 1] als minister weer te geven.
Burgers en ondernemers die in aanmerking wensten te komen voor een erfpachtrecht op domeingrond moesten zich volgens artikel 4 Landsverordening uitgifte eigendommen (LUE), met een verzoekschrift wenden tot de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid. Ingevolge artikel 25a jo. 25c LUE werd een optie op een erfpachtrecht verleend onder de voorwaarden door de minister van Publieke Werken en Volksgezondheid in elk afzonderlijk geval te stellen. Het optierecht gaf de optiehouder het recht van eerste keuze om een erfpachtovereenkomst met het Land te sluiten voor een bepaald perceel. De betreffende minister, [medeverdachte 1] (na een herverdeling van portefeuilles), was op grond van de LUE eindverantwoordelijk en bevoegd om (commerciële) opties/erfpachtrechten op domeingrond uit te geven.
In 2006 is de Landsverordening Ruimtelijke Ontwikkeling (LRO) in werking getreden met als doel het gebruik van de grond en ruimte in Aruba beter te kunnen sturen. In deze Landsverordening werd de mogelijkheid geboden om een Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (ROP) in te voeren, waarin de overheid de gewenste ontwikkeling voor de komende 10 jaar aan kon geven. In 2009 is het eerste ROP vastgesteld.
Het Hof stelt vast dat noch in de LUE, noch in de LRO, noch in het ROP 2009 wordt voorgeschreven aan welke eisen moest worden voldaan om in aanmerking te komen voor een optie-/erfpachtrecht.
In de ambtsperiode van [medeverdachte 1] was de Directie Infrastructuur en Planning (hierna: DIP) als ambtelijke organisatie belast met het in behandeling nemen en het begeleiden van het proces rondom de uitgifte van opties/erfpachtrechten. In de brochure van de DIP staat dat aanvragers hun verzoek moeten richten aan de minister van Onderwijs, Sociale Zaken en Infrastructuur, [medeverdachte 1] (na wederom een herverdeling van portefeuilles), door tussenkomst van de directeur van de DIP. Verder wordt in deze brochure weergegeven dat in het verzoek tot het verlenen van een optie de volgende punten moeten worden geadresseerd:
1. een beschrijving van het project (op twee A4-tjes);
2. type project;
3. de grootte van het benodigde terrein;
4. locatie voorkeur;
5. gemoeide investering;
6. wijze van financiering;
7. eventuele schetstekeningen.
Deze voorwaarden stonden ook vermeld op het formulier optie/erfpacht van de DIP. Na verlening van de optie dienden volgens deze brochure binnen de eerste optietermijn van zes maanden de volgende documenten ter goedkeuring aan de Minister te worden overgelegd:
a. een situatie-indeling (‘lay-out’) van het project;
b. de gedetailleerde bouwtekeningen;
c. een haalbaarheidsstudie;
d. een specificatie van de investering die met het project gemoeid is;
e. een omschrijving van de wijze waarop de financiering van het project zal geschieden en authentieke bewijsstukken dat deze financiering gegarandeerd is;
f. een bouwtijdschema;
g. een Milieu Effecten Rapport;
h. een Social Economic Impact Assessment.
[getuige 8] , vanaf 2010 tot april 2014 als team coördinator Instellingen, Commercie, Toerisme, Recreatie en ‘Niet-verleenbaar’ (verder: ICTRN) bij de DIP belast met commerciële terreinen, heeft verklaard dat dit beleid is opgesteld om grondspeculatie te voorkomen. [getuige 8] heeft bij de rechter-commissaris over de pre-optiefase, dus de fase voorafgaand aan de optieverlening, verklaard dat de DIP in die fase nog niet heel streng is, maar dat dit wel een belangrijke fase is waarin serieuze en niet-serieuze aanvragers worden gefilterd.
[getuige 1] , van 2005 tot en met 2010 directeur van de DIP, heeft over deze brochure verklaard: “Het is eigenlijk een standaard beleid dat al jaren ingevoerd is, al in 2008. Het probleem is niet dat er geen beleid is, het probleem is dat men zich niet aan het beleid houdt.”
Het Hof concludeert dat er weliswaar beleid bestond met betrekking tot de punten die in de aanvraag van een optie moesten worden geadresseerd en de voorwaarden waaraan binnen de eerste optiefase moest worden voldaan, maar dat noch de LUE, noch de LRO, noch het ROP, noch het beleid terzake optie/erfpacht aanvragen regels bevatten over de wijze waarop bij de verlening van opties op de uitgifte van gronden in erfpacht de keuze wordt gemaakt tussen verschillende in aanmerking komende aanvragers.
Dat dit, zoals door [medeverdachte 1] is betoogd, en ook in genoemde brochure staat vermeld, zonder aanzien des persoons gebeurde op basis van een systeem van ‘first in, first out’, in die zin dat de eerste in aanmerking komende optie-aanvraag voor een bepaald terrein werd toegewezen indien aan de optievoorwaarden werd voldaan, is in het geheel niet aannemelijk geworden. Buiten het feit dat zich geen enkel document of andere verklaring in het dossier bevindt waaruit dat zou kunnen worden afgeleid, wordt dit weersproken door de hierna te bespreken verklaringen van [getuige 8] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waaruit volgt dat de minister in feite een discretionaire bevoegdheid had – en benutte - om tot optieverlening over te gaan aan de aanvrager van zijn keuze.
Dit blijkt ook uit een e-mailbericht van [betrokkene 3] , de Chief of Staff van [medeverdachte 1] , aan [verdachte] van 18 september 2014: “ [verdachte] , de terreinen die beschikbaar zijn: nummers [001 ] , [002] , [003] en [004] . Volgens mij is elk ongeveer 5.000m2. Ik heb tegen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] (Het Hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] ) gezegd om nummer [001 ] voor jou te houden. Laat me weten of dat goed is en begin je brief op te stellen en doe een officiële aanvraag bij DIP.” Het Hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] samenwerkten bij het reserveren van specifieke percelen voor specifieke personen en dat deze niet op basis van first in, first out op eerlijke wijze aan aanvragers werden toebedeeld.
In de praktijk bestonden er twee routes voor de indiening van optie/erfpachtaanvragen:
route 1: burgers/ondernemers vulden bij het kantoor van de DIP een aanvraagformulier voor een erfpachtrecht in;
route 2: burgers/ondernemers wendden zich met een aanvraagbrief direct tot (het kantoor van) de minister, die een notitie op de brief zette, deze ondertekende en de verzoekbrief vervolgens doorstuurde naar de DIP.
Volgens getuige [betrokkene 2] , directeur van de DIP sinds 2018, wordt in de brochure over het indienen van verzoeken om een erfpachtrecht aan de minister bedoeld met “tussenkomst van de directeur van de DIP” dat een aanvraag die bij de directeur van de DIP binnenkomt wordt doorverwezen naar de minister en dat de minister bij een aanvraag die bij hem het advies van de directeur van de DIP vraagt.
In het geval de DIP op een aanvraag positief adviseerde, werd een concept van de ministeriële beschikking (hierna: MB) opgesteld waarin de optie aan de aanvrager werd verleend, waarna deze door de DIP met een begeleidende brief ter ondertekening naar de minister werd gestuurd. Hoewel het volgens [betrokkene 1] niet gebruikelijk was om deze stukken met spoed naar (het bureau van) de minister te versturen, kon dat alleen op instructie van de minister.
Indien de minister de MB ondertekende, en daarmee de optie aan de aanvrager werd verleend, werd pas door de DIP aan de aanvrager een kopie van de MB verstrekt nadat de aanvrager de kosten van de optie had voldaan en het betalingsbewijs bij de DIP had ingediend. De MB werd dan voorzien van de nodige leges en zegels.
Het akkoord conform van de minister
In beide onderhavige zaken was sprake van rechtstreeks bij [medeverdachte 1] binnengekomen optie aanvragen, waarop [medeverdachte 1] de handgeschreven aantekening: “Dir DIP, akkoord cfm, gaarne uw medewerking” respectievelijk “akkoord cfm, gaarne uw medewerking” plaatste of liet plaatsen.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de aanvraagbrieven altijd doornam voordat hij deze ondertekende. [betrokkene 3] heeft dat ook verklaard: “Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.” [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat hij alles met [medeverdachte 1] besprak voordat hij iets uitvoerde. Hij handelt alleen op instructie van [medeverdachte 1] en geeft ook instructies van [medeverdachte 1] door aan [betrokkene 1] , de directeur van de DIP. Ook [betrokkene 4] , de secretaresse van [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat [betrokkene 3] alleen in opdracht van [medeverdachte 1] kon handelen als het over het aanvragen van terreinen ging. Tot slot wordt dit ook bevestigd door [betrokkene 1] , die heeft verklaard dat hij alleen instructies opvolgt van de minister.
[getuige 8] was van 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen. Hij heeft verklaard dat hij met minister [medeverdachte 1] het gevoel had dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. [getuige 8] : “Door de jaren heen zag ik telkens dat we alleen zijn mensen moesten helpen. Ik begon vragen te stellen waarom we weer precies deze mensen moesten helpen. Ik heb aangegeven dat ik niet kon werken op de manier die [betrokkene 1] wilde. Toen kreeg ik geen projecten meer en werd in de hoek gezet. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpacht moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering kon krijgen.
[getuige 8] heeft voorts verklaard dat het normaal gesproken lang duurde om het akkoord van de minister te krijgen, soms wel jaren. [getuige 8] : “Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen, maar je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.”
Over de manier waarop de minister bepaalde wie wel en wie niet in aanmerking kwam voor een optie verklaart [getuige 8] : “Als de minister aan de DIP schreef: gaarne advies, dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Stond er echter al dat de minister akkoord gaf, dan wilde hij geen advies. De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst. Voor mij betekende het een instructie. Ik kon wel toetsen, maar dat was heel moeilijk. Ik zou een contra advies kunnen uitbrengen, maar dat was eigenlijk onbegonnen werk.”
[betrokkene 1] had wekelijks contact met de minister over commerciële erfpachtterreinen. Hij heeft evenals [getuige 8] over de rol van [medeverdachte 1] verklaard dat als de minister “Dir DIP akoord cfm, gaarne uw medewerking” op de aanvraagbrief schreef, dit voor hem een duidelijke instructie was: “De accordering geeft aan dat de minister geen problemen heeft met deze aanvraag en hij zegt hiermee dat wij hiermee aan de gang moeten gaan. De minister zegt hiermee: ‘geef ze een optie’.” De aanvraag werd dan ook niet meer – zo blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] – getoetst aan de voorwaarden van de DIP in de pre-optiefase. [betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat er veel aanvragen voor commerciële terreinen op de plank lagen en dat er een achterstand was bij de erfpachtuitgifte van commerciële terreinen. Op de vraag hoe het kwam dat [verdachte] zo snel aan een terrein kwam terwijl het op Aruba algemeen bekend is dat het jaren duurde om een terrein te krijgen, antwoordt [betrokkene 1] : “Het is meer dan duidelijk. Als je naar al de stukken kijkt, de accordering/instructie van de minister, kan je een conclusie trekken.”
Alleen [betrokkene 1] en [getuige 8] konden een positief advies opstellen. Uit de verklaring van [getuige 8] blijkt dat hij op een gegeven moment aan de kant werd gezet, omdat [getuige 8] geen positief advies wilde geven als niet alle stukken aanwezig waren. [betrokkene 1] heeft daarover verklaard dat [getuige 8] de opdrachten van de minister niet wilde uitvoeren, waarmee hij de aanvraagbrieven bedoelt waarop de accordering van de minister stond. Volgens [getuige 8] stelde [betrokkene 1] in dat geval het positieve advies op, wat ook door [betrokkene 1] is bevestigd.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij bij zijn aantreden als directeur van de DIP in 2018 een lijst ontving van gevallen waarin men bezig was om terreinen in te trekken, omdat deze niet op de juiste wijze aan personen waren gegeven. Er werd met deze terreinen gespeculeerd. Men wilde deze hebben om door te verkopen. Hij kreeg bij DIP te horen dat men in het verleden “plat” was en dat de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie men ze wilden geven. Het ging allemaal om geld, aldus [betrokkene 2] . Het viel hem op dat daarbij steeds bepaalde namen terugkwamen, waaronder de familie [verdachte] . Je kon een briefje sturen naar de minister. Op dezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. Er werd niet aan de optievoorwaaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen. Het kan niet dat – zoals bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) gebeurde, dat direct akkoord werd gegeven en er geen advies werd gevraagd. Tenminste niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur. De minister weet niet of alles is ingeleverd, want hij krijgt alleen het aanvraagformulier. Normaal zou je zeggen: gaarne advies, want je weet nog niet of alles klopt. De minister kon niet akkoord geven want hij wist de details niet. Er had moeten staan: ‘gaarne advies’.”
Het Hof leidt uit de verklaringen van deze getuigen af dat de minister door middel van zijn geschreven “akkoord conform” op de aanvraagbrieven die rechtstreeks bij hem inkwamen, bepaalde welke aanvrager wel en welke niet in aanmerking kwam voor verlening van een optie, in welk geval niet of nauwelijks werd getoetst of de desbetreffende aanvragen al dan niet voldeden aan de volgens het beleid geldende voorwaarden. Ook leidt het Hof uit deze verklaringen af dat het, vanwege de achterstand in de behandeling van optie-aanvragen, uitzonderlijk was dat deze snel werden behandeld.
Illustratief is in dit verband ook de verklaring van [getuige 7] die een aanvraag voor een erfpachtrecht indiende bij de minister, welke aanvraag niet tot een optie heeft geleid:
“Bij mij staat alleen "gaarne uw medewerking", dat is bedrog in verkiezingstijd. “Gaarne uw medewerking is een truc, dat zegt niks”. Ik was hiermee naar de DIP gegaan en die jongen achter de balie zei: "Weet je hoeveel we van die hebben gezien." Ze lachten me ongeveer uit. Hij legde mij uit dat dit alleen wil zeggen dat zij moeten kijken of ze me kunnen helpen met de aanvraag. Op de aanvraag namens [A] staat "akkoord cfm, gaarne uw medewerking", dat woordje akkoord maakt het verschil.”
[medeverdachte 1] heeft steeds ontkend dat hij aan bepaalde personen een voorkeursbehandeling gaf. Naar eigen zeggen gaf hij op alle aanvragen/verzoeken die bij hem binnenkwamen akkoord en had bij hem iedereen een gelijke kans om een optie/erfpachtrecht te verkrijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging een lijst overgelegd met de verzoeken die in de periode 2009-2017 langs de minister zijn gegaan.
Het Hof acht deze verklaring van [medeverdachte 1] niet aannemelijk geworden en in strijd met de hierboven weergegeven bewijsmiddelen. Het Hof constateert aan de hand van de lijst dat de minister slechts op enkele initiële aanvraagbrieven voor opties, die rechtstreeks bij hem binnenkwamen, “akkoord conform” noteerde en voorzag van zijn handtekening. Zo werd blijkens die lijst in de periode 2009-2017 slechts op 6 van de in totaal 205 initiële optie-aanvragen de ministeriële mededeling “akkoord cfm” geplaatst en in 5 gevallen: “akkoord cfm tekening”. Op een aantal aanvraagbrieven vroeg de minister de DIP om advies en op de meeste aanvraagbrieven schreef hij: “dezerzijds geen bezwaar”. Het Hof laat hierbij de akkoorden op andere dan initiële optie-aanvragen buiten beschouwing, aangezien het in die gevallen blijkens de lijst veelal ging om kwesties waarin de DIP, anders dan bij de initiële optie aanvragen in de onderhavige gevallen, de minister na toetsing aan het vigerende beleid, vooraf positief had geadviseerd.
Het Gerecht in eerste aanleg heeft uit het feit dat op de aanvraagbrief van 8 april 2014 van [betrokkene 5] namens [C] N.V. eveneens de aantekening: ”akkoord cfm, gaarne uw medewerking” werd geplaatst, terwijl deze aanvraag niet heeft geleid tot verlening van een optierecht aan [C] , moet worden geconcludeerd dat aan die aantekening, in weerwil van hetgeen [getuige 8] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verklaard, niet zonder meer de betekenis kan worden ontleend dat [medeverdachte 1] opdracht gaf aan de DIP om een optierecht uit te geven. Het Hof ziet dit anders, omdat dat akkoord volledig kan worden verklaard door het feit dat de aanvraag van [betrokkene 5] plaatsvond in het kader van een door [verdachte] – als medepleger van de ten laste gelegde oplichting, ondernomen traject tot aanvragen van een optierecht op het terrein, en deze aanvraag voorts, blijkens het ontbreken van een verzenddatum alsook de stempels van de BID en/of DIP, door [medeverdachte 1] in het geheel niet is doorgestuurd naar de DIP en daardoor niet tot optieverlening kon leiden, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat het in dit geval de bedoeling was dat de vennootschap van [verdachte] het optierecht op het perceel zou krijgen in plaats van de vennootschap van [betrokkene 5] . Dit geldt temeer nu niet valt in te zien waarom [medeverdachte 1] – die naar eigen zeggen volgens het ‘first in, first out’ principe handelde – eerst de aanvraagbrief van [betrokkene 5] heeft ondertekend met akkoord conform, terwijl hij ongeveer vier weken later de vrijwel identieke aanvraagbrief van [B] voor hetzelfde perceel eveneens ondertekent met akkoord conform.
Ter beoordeling staat of de concrete gang van zaken bij de aanvragen van het optie/erfpachtrecht in de zaaksdossiers [B] en [A] , gekwalificeerd kan worden als oplichting van het Land. Het Hof overweegt hierover als volgt.
Zaaksdossiers [B] en [A]
[medeverdachte 1] en [verdachte] kennen elkaar al heel lang. [medeverdachte 1] is lid van de AVP en [verdachte] werd betaald om in haar radioprogramma de bevolking te overtuigen om voor de AVP te stemmen. Zij zijn in 2010 en 2013 ook samen met hun families op vakantie gegaan en zijn [verdachte] en de vrouw van [medeverdachte 1] een paar keer bij elkaar thuis geweest.
Dat [verdachte] goede contacten had met de minister en deze inzette om aan optierechten te komen blijkt ook uit de verklaring van [betrokkene 7] , de oprichter van [B] , inhoudend dat hij de eerste aanvraagbrief van [B] op verzoek van [verdachte] heeft ondertekend en dat [verdachte] ook de aanvraagbrief zou indienen omdat zij de persoon was die de contacten had met de minister. Daarnaast blijkt ook uit de Sale and Purchase agreement (SPA) tussen [verdachte] en de koper van de aandelen in [A] dat zij zijn overeengekomen dat [verdachte] zich – ná de verkoop van de aandelen – via haar contacten met de overheid en/of de minister zal inspannen om te assisteren en mee te werken aan het verkrijgen van de benodigde vergunningen en, indien nodig, een verlenging van het optierecht.
[medeverdachte 1] wist ook dat [verdachte] achter [B] en [A] zat. [betrokkene 3] , die de aanvragen van [verdachte] altijd met [medeverdachte 1] besprak, heeft dit met zoveel woorden verklaard. [betrokkene 3] heeft voorts verklaard dat er zowel aanhangers als andere personen bij hem op kantoor kwamen om te klagen over het feit dat er alweer terreinen aan de familie [verdachte] werden afgegeven, terwijl zij ook aanvragen hadden gedaan op bepaalde terreinen. Deze klachten heeft hij altijd doorgegeven aan de minister. Verder heeft [betrokkene 3] verklaard dat [medeverdachte 1] over de aanvraagbrief van [B] , vertegenwoordigd door de dochter van [verdachte] , zei: “Nu zet zij haar dochter”, terwijl [medeverdachte 1] ook heeft verklaard dat hij weet dat [betrokkene 6] de dochter is van [verdachte] .
[B]
De rechtspersoon [B] is op 2 mei 2013 opgericht door [betrokkene 7] . Hij was bij de oprichting enig aandeelhouder en directeur van die rechtspersoon. Nog vóór de oprichting van [B] , wordt [betrokkene 7] door [verdachte] benaderd om als directeur namens [B] een eerste aanvraagbrief te ondertekenen voor een terrein aan de Sazakiweg (met perceelnummer [K2] ) met als bestemming ‘horeca activiteiten’. Op 22 januari 2014 heeft [verdachte] alle aandelen in [B] van [betrokkene 7] gekocht voor – volgens de ‘share purchase agreement’ – AWG 10.000,-. Volgens [betrokkene 7] had [B] niets, geen enkele bezitting.
Nadat [verdachte] de enig aandeelhouder van [B] is geworden, komt op 10 maart 2014 de eerste aanvraagbrief van [B] rechtstreeks bij de minister binnen. Diezelfde dag wordt de aanvraagbrief door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord cfm, gaarne uw medewerking”. De originele brief, met handtekening van [medeverdachte 1] , maar zonder volgnummer en stempels, is aangetroffen bij een huiszoeking in de woning van [verdachte] . Daarnaast is (een kopie van) de brief niet in het beslag van de DIP aangetroffen. Het Hof leidt hieruit af dat deze brief niet naar de DIP is verzonden, en dus vanuit (het bureau van) de minister bij [verdachte] terecht is gekomen.
Een paar dagen later, op 15 maart 2014, wordt een tweede aanvraagbrief namens [B] opgemaakt, dit keer vertegenwoordigd door [betrokkene 6] , de toen 19-jarige dochter van [verdachte] . Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste aanvraagbrief, behalve dan dat hetzelfde perceel dit keer wordt aangevraagd voor het verkrijgen van een ‘commercieel terrein’ in plaats van ‘horeca activiteiten’.
In diezelfde periode, op 8 april 2014, wordt namens [C] , vertegenwoordigd door [betrokkene 5] , een aanvraagbrief opgemaakt voor hetzelfde perceel als de aanvragen van [B] . [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij mensen helpt bij het zoeken naar een terrein om op te bouwen. Hij heeft het bedrijf [C] opgericht voor een groep uit Curaçao. Zij waren bezig om een terrein van [verdachte] te kopen om daarop een winkelcentrum te ontwikkelen. [betrokkene 5] denkt dat de aanvraagbrief door de advocaat van [verdachte] is opgemaakt. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud en de opmaak van de aanvraagbrief die vrijwel identiek is aan de aanvraagbrieven van [B] . Het Hof leidt hieruit af dat [verdachte] niet alleen bezig was met het verkrijgen van een optie op het terrein middels [B] , maar ook middels [C] .
Hoewel de aanvraagbrief van [B] voor het perceel aan de [weg 1] nog niet bij de minister was ingekomen en [B] dus nog niet over een optie kon beschikken, wist [verdachte] op 7 oktober 2014 al dat [B] – en dus niet [C] – de optie op het perceel aan de [weg 1] zou krijgen. Op die datum wordt er namelijk een ‘non-disclosure agreement’ (hierna: NDA) tussen [B] en [C] door [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [verdachte] ondertekend. Uit de inhoud van deze overeenkomst blijkt dat het de bedoeling was van [verdachte] om de aandelen in [B] , dat over het optierecht op het perceel aan de [weg 1] zou beschikken, te verkopen aan [C] ( [betrokkene 5] ), zodat [C] de optie op het perceel in handen zou krijgen. [verdachte] kon de zekerheid dat [B] – niettegenstaande de gebruikelijke zeer lange wachttijden - op korte termijn zou beschikken over het optierecht alleen ontlenen aan de persoonlijke inmenging van de minister, die zijn akkoord gaf aan iedere aanvraag van de kant van [verdachte] terzake het perceel in kwestie.
Ook al vóór het sluiten van de NDA tussen [B] en [C] was [verdachte] in onderhandelingen met derden over de overdracht van aandelen in [B] . Op 25 september 2014 wordt namelijk een ‘Finder Fee Agreement’ (hierna: FFA) opgemaakt. Uit de inhoud van de FFA volgt dat het de bedoeling was dat [verdachte] haar aandelen in [B] , dat over het optierecht aan de [weg 1] zou beschikken, wilde verkopen aan een derde.
Op 11 november 2014 komt de tweede aanvraagbrief van [B] rechtstreeks bij de minister binnen. Deze brief wordt door de minister ondertekend en is voorzien van de notitie: “Dir DIP, akkoord cfm, gaarne uw medewerking”. Net als de eerste aanvraagbrief van [B] wordt ook deze aanvraagbrief – in tegenstelling tot de normale gang van zaken – niet ingeboekt en naar de DIP verstuurd.
Een paar dagen later, op 15 november 2014, wordt een derde aanvraagbrief namens [B] , vertegenwoordigd door [betrokkene 6] , opgemaakt. Deze aanvraagbrief is vrijwel identiek aan de eerste en tweede aanvraagbrief van [B] , behalve dan dat het perceel dit keer wordt aangevraagd voor ‘commerciële doeleinden gecombineerd met luxe appartementen’.
Kort daarna komt [getuige 6] , de uiteindelijke koper van de aandelen in [B] , in beeld. Zij was op zoek naar een commercieel terrein om daar een kledingwinkel op te bouwen. Via [betrokkene 11] komt zij terecht bij [B] , dat over een optie op het terrein zou beschikken. [getuige 6] heeft verklaard dat de onderhandelingen in december 2014 zijn begonnen en dat [B] haar bij de overdracht van de aandelen geen enkele beschrijving heeft gegeven van het project dat [B] van plan zou zijn geweest te ontwikkelen, het type project, de gemoeide investering, de wijze van financiering of eventuele schetstekeningen. Zij zegt letterlijk: “Nee, niks had dit bedrijf.” De getuige [betrokkene 11] heeft eveneens verklaard dat [verdachte] helemaal niets heeft gedaan om het (perceel) te ontwikkelen. “Dit is gewoon onzin”, aldus [betrokkene 11] .
Aan het einde van die maand, namelijk op 29 december 2014, komt de derde aanvraagbrief van [B] rechtstreeks binnen bij de minister. De minister heeft ook deze brief nog op dezelfde dag ondertekend en voorzien van de notitie: “Akkoord cfm, gaarne uw medewerking”. In tegenstelling tot de eerste en twee aanvraagbrief van [B] , die niet waren gevolgd door een concreet zicht op daadwerkelijke verkoop, wordt deze aanvraagbrief wel nog dezelfde dag door het bureau van de minister ingeboekt en naar de DIP verstuurd. Hieruit volgt dat de minister persoonlijk heeft beslist om eerst nadat [verdachte] een koper had gevonden, niet alleen zijn akkoord te geven, maar de aanvraag ook door te (laten) sturen naar DIP, zodat de optie zou worden verleend. Anders dan het beleid eiste, werden in de brief niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 8] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 1] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden.
Ongeveer twee weken later, op 14 januari 2015, stuurt [betrokkene 3] een wijzigingsbrief aan [betrokkene 1] , inhoudende dat [betrokkene 1] het akkoord van de minister op de (derde) aanvraagbrief van [B] als ingetrokken moet beschouwen en uitvoering moet geven aan de nieuwe brief en het akkoord van de minister van 14 januari 2015. Uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt dat hij aan [medeverdachte 1] de wensen van [B] tot wijziging van perceelnummer [K2] in [K1] had voorgelegd en dat [medeverdachte 1] de verzoekbrief daartoe had geaccordeerd, die als bijlage bij de wijzigingsbrief was gevoegd.
Door [betrokkene 1] wordt vervolgens binnen een paar dagen, op 22 januari 2015, een brief opgesteld, waarin [betrokkene 1] aan de minister schrijft dat de minister hem heeft geïnstrueerd om [B] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op het terrein aan de [weg 1] met perceelnummer [K2] . [betrokkene 1] biedt middels die brief de concept MB ten name van [B] aan de minister aan, waarin het optierecht op dat perceelnummer aan [B] wordt verleend. Voorts wordt in de brief vermeld dat het verzoek van [B] tot het bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet is overgenomen. Het Hof stelt vast dat de (concept) MB daarmee in overeenstemming is gebracht met de wensen van de koper van de aandelen in [B] , nu de koper alleen een commercieel terrein wilde hebben en niet een terrein om ook luxe appartementen te ontwikkelen. Verder wordt op de brief een spoedstempel geplaatst die alleen op instructie van de minister daarop kan worden gezet. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn een dag later verstuurd en bij het bureau van de minister ingekomen. De minister heeft de brief en de concept MB op 27 januari 2015 ondertekend.
Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 3.946,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 50,- per vierkante meter.
Drie dagen nadat de minister de MB heeft getekend, op 30 januari 2015, heeft [verdachte] middels een ‘share purchase agreement’ (hierna: SPA) al haar aandelen in [B] verkocht aan [getuige 6] voor een bedrag van Afl. 555.000,-. [getuige 6] zegt dat ze dat bedrag nooit zou hebben betaald als [B] niet de optie had gehad, maar dat “de hele familie van [verdachte] samen [werkte] met [medeverdachte 1] toen hij als minister fungeerde. Je wordt kwaad hierover omdat ik ook het recht heb om een terrein van de overheid te krijgen.” Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [B] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan en een kopie van de MB dus ook nog niet door de DIP was verstrekt. Het Hof leidt uit de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] af dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] deze kopie heeft gekregen van [medeverdachte 1] , dan wel [betrokkene 3] in opdracht van [medeverdachte 1] . Het bedrag van AWG 555.000,- is conform de afspraken in de SPA betaald aan [verdachte] en [D] (de bemiddelaar).
[betrokkene 6] is op 30 januari 2015 ontslagen als directeur van [B] . [getuige 6] werd op die datum directeur van [B] .
[getuige 6] heeft vervolgens in de optieperiode namens [B] stukken ingediend, waaronder verzoeken tot verlenging van de optieperiode. Deze verzoeken zijn door [medeverdachte 1] steeds geaccordeerd.
De overeenkomst tot erfpacht is door [medeverdachte 1] en [getuige 6] ondertekend.
Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [getuige 6] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [getuige 6] voldaan.
Zaaksdossier [A]
De rechtspersoon [A] is op 30 september 2015 opgericht door [verdachte] . Zij was bij de oprichting enig aandeelhouder en heeft haar werkneemster [betrokkene 12] aangesteld als directeur van [A] . Zij heeft verklaard dat [verdachte] haar had gevraagd om directeur voor haar te zijn, en had gezegd dat het niet moeilijk was en dat zij alleen mee moest naar de notaris om te tekenen. [betrokkene 1] meent zich te herinneren dat [betrokkene 12] een werkster is en hij herinnert zich aan [medeverdachte 1] te hebben gevraagd hoe het mogelijk was dat zij om een terrein kon vragen. Nog vóór de oprichting van [A] wordt namens [A] een aanvraag opgemaakt en ingediend voor een erfpachtrecht op een terrein te [plaats] .
Deze brief is op 7 augustus 2015 rechtstreeks bij de minister ingekomen en op 14 augustus 2015 door de minister ondertekend met de notitie: “Dir DIP, akkoord cfm, gaarne uw medewerking”.
Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat voorafgaand aan dit akkoord in ieder geval niet is onderzocht of de aanvragende partij wel bestond. Deze brief behelsde voorts slechts een verzoek om medewerking tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover de [plaats] Mall, bestemd voor commerciële doeleinden, en de aankondiging dat te zijner tijd een gedetailleerd businessplan met schetsontwerp zal worden ingediend. Anders dan het beleid eiste, werden ook in dit geval niet de zeven in het beleid genoemde punten voor de pre-optiefase geadresseerd, welke fase volgens [getuige 8] belangrijk was om de serieuze van de niet serieuze aanvragers te onderscheiden. Nu deze punten niet werden geadresseerd, is ook de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 1] zijn akkoord gaf, zonder enig onderzoek naar deze uit het beleid voortvloeiende voorwaarden.
Door [betrokkene 1] wordt op 30 oktober 2015 de concept MB ten behoeve van [A] naar de minister gestuurd. In de begeleidende brief schrijft [betrokkene 1] dat [betrokkene 12] in een gesprek heeft aangegeven dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. Hoewel er namens [A] geen stukken zijn ingediend waaruit enigszins de omvang van het project kan worden afgeleid, heeft [betrokkene 1] in de brief geschreven dat er op instructie van de minister twee percelen in optie worden toegekend. De brief en de bijgevoegde concept MB zijn met spoed naar het bureau van de minister verzonden. Op diezelfde dag zijn deze stukken bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd.
Art. I.3 van de MB vermeldt als te betalen optievergoeding het bedrag van Afl. 1.082,-, op grond van art. 25c van de LUE berekend naar 3% van de grondwaarde van Afl. 40,- per vierkante meter.
Nadat de minister de MB heeft getekend, heeft [verdachte] op 11 november 2015 middels een SPA al haar aandelen in [A] verkocht aan [betrokkene 13] voor een bedrag van Awg. 356.000,-. Als bijlage bij de SPA was een kopie van de MB gevoegd, terwijl [A] op dat moment nog niet aan de betalingsplicht had voldaan. Het bedrag van Awg. 356.000,- is conform de afspraken in de SPA op verschillende momenten aan [verdachte] en [D] (de bemiddelaar) betaald.
Uit de verklaringen van getuige [betrokkene 11] , bemiddelaar bij de verkoop van de aandelen in [A] , alsmede uit de getuigenverklaring van één van de uiteindelijke kopers/nieuwe aandeelhouder van [A] , [getuige 7] , volgt dat [verdachte] al bezig was met het verkopen van het bedrijf/de optie vanaf juni/juli 2015, in ieder geval vóór het moment dat [A] het optierecht had verkregen. Volgens [betrokkene 11] ging het initiatief voor de verkoop van de aandelen uit van [verdachte] . Verder leidt het Hof uit de verklaring van [getuige 7] af dat [verdachte] geen businessplan had en dat het de nieuwe aandeelhouders van [A] zijn die aan alle optievoorwaarden hebben voldaan.
Daarbij valt op dat de stukken die in de optieperiode namens [A] zijn ingediend, zien op het – conform de plannen van de koper van de aandelen – bouwen van een carwash, terwijl de aanvraag en de verleende optie zien op het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten. Uit de verklaring van [getuige 8] blijkt dat in dat geval niet is voldaan aan de voorwaarden, omdat de bestemming niet klopt. Desondanks wordt door [betrokkene 1] op 24 maart 2016 een brief naar de minister gestuurd, waarin staat dat [A] heeft voldaan aan de optievoorwaarden. In de bijlage heeft hij de concept overeenkomst tot erfpacht gevoegd, waarin eveneens als bestemming het ontwikkelen van luxe appartementen en winkelruimten is opgenomen. Diezelfde dag is de brief bij het bureau van de minister ingekomen en door de minister geaccordeerd.
De overeenkomst tot erfpacht is door [medeverdachte 1] en [betrokkene 12] op 1 april 2016 ondertekend.
Het project is uiteindelijk volledig uitgevoerd en betaald door [betrokkene 13] . Ook de kosten voor het verkrijgen van de optie en het erfpachtrecht zijn door [betrokkene 13] voldaan.
Vereenzelviging met rechtspersonen
De raadsvrouw heeft bepleit dat de rechtspersonen [A] en [B] aanvragen voor optie-erfpachten hebben ingediend en dat verdachte, vanwege goederen- en vennootschapsrechtelijke bepalingen, niet met die rechtspersonen mag worden vereenzelvigd. Dat wil volgens de raadsvrouw zeggen, zo begrijpt het Hof, dat de handelingen en gedragingen van de rechtspersonen niet (in strafrechtelijke zin) aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Het Hof overweegt als volgt.
Het is op zichzelf, zoals aangevoerd, juist dat het uitgangspunt is dat het identiteitsverschil tussen rechtspersonen en natuurlijke personen (bestuursleden, aandeelhouders e.d.) die bij die een rechtspersoon betrokken zijn of daarin belangen hebben, moet worden gerespecteerd. Het identiteitsverschil tussen de rechtspersoon en de natuurlijke persoon kan evenwel onder bijzondere omstandigheden worden genegeerd. De enkele omstandigheid dat een natuurlijk persoon volledige of overheersende zeggenschap heeft over het handelen van een rechtspersoon is daarvoor onvoldoende. Doch als evident is dat degene met die volledige of overheersende zeggenschap geen ander doel voor ogen had dan misbruik te maken van het identiteitsverschil, kan de rechtspersoon met de natuurlijke persoon worden vereenzelvigd.
Het Hof is van oordeel dat daar in de gevallen van [B] en [A] sprake van is en acht daartoe het volgende redengevend.
[verdachte] was ten tijde van het indienen van de aanvragen voor een commercieel erfpachtrecht 100% aandeelhouder van [B] en [A] . Vanaf het moment dat deze vennootschappen zijn opgericht tot het moment waarop de aanvragen bij de minister zijn ingediend, waren beide rechtspersonen leeg: zij hadden geen bezittingen of liquide middelen. Met andere woorden: de rechtspersonen hadden ten tijde van de aanvragen geen enkele financiële waarde en dus ook geen mogelijkheid om projecten te ontwikkelen. De bedrijfsactiviteiten waren tot het moment van de verkoop van de aandelen uitsluitend gericht op het verkrijgen van een optie-/erfpachtrecht. Daarbij heeft [verdachte] anderen aangesteld als directeur van haar vennootschappen om te verhullen dat zij de begunstigde was van de rechtspersonen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat ze “zou worden beschuldigd van corruptie”. Zo heeft [verdachte] haar 19-jarige dochter, [betrokkene 6] , als directeur van [B] aangesteld en haar werknemer, [betrokkene 12] , als directeur van [A] . Zowel [verdachte] als [betrokkene 6] en [betrokkene 12] hadden geen enkele kennis of ervaring met het ontwikkelen van projecten. Toen de rechtspersonen konden beschikken over het optierecht werden de aandelen zeer winstgevend verkocht aan derden. De verkoopprijs van de aandelen kwam hoofdzakelijk ten goede aan [verdachte] . [verdachte] , en dus niet de rechtspersonen [B] en [A] , heeft dus als aandeelhouder geprofiteerd van de waardestijging van de aandelen in de rechtspersonen als gevolg van het verkrijgen van optie-/erfpachtrechten. Zij heeft als natuurlijk persoon genoten van die winstgevende verkoop.
Het Hof is van oordeel dat dit duidt op een schijnconstructie. Verdachte heeft de rechtspersonen [B] en [A] misbruikt om door middel van oplichting in aanmerking te komen voor optie- en uiteindelijk erfpachtrechten. In de bewijsoverwegingen die volgen wordt overwogen dat zij in het bezit is gekomen van de optierechten door in samenwerking met de minister een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Zij heeft misleidend en frauduleus gehandeld en heeft de rechtspersonen gebruikt om zich daarachter te verschuilen. Dit maakt dat het Hof van oordeel is dat [verdachte] uitsluitend voor ogen had de rechtspersonen te gebruiken om haar frauduleuze handelen te verhullen en dat onder die omstandigheden het handelen van de rechtspersonen moet worden toegerekend aan degene die daar zeggenschap over had, in casu [verdachte] .
Ten aanzien van de omkoping
In samenhang bezien met hetgeen het Hof hierboven heeft overwogen, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan actieve omkoping van de minister in het zaakdossier [A] .
[getuige 2] heeft verklaard dat zij in opdracht van [verdachte] een envelop met geld heeft gebracht naar de woning van [medeverdachte 1] om deze te overhandigen aan diens echtgenote, [betrokkene 14] . Dat was na de verkoop van het tweede terrein, waarmee zij het terrein van [A] bedoelt. Zij heeft niet in de envelop gekeken, maar zij omschrijft de envelop als lichtbruin, gevouwen en omwikkeld met elastiekjes. Hij was ongeveer zeven centimeter dik en had de lengte en breedte van een bankbiljet. Daarnaast rook hij naar nieuwe bankbiljetten. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] daarop aanvullend verklaard dat zij er zeker van is dat er geld in de envelop zat, omdat ze die ochtend geld aan het tellen waren. Verder heeft zij verklaard dat zij [verdachte] heeft gebeld toen ze in de straat van de woning van [medeverdachte 1] reed, omdat zij niet precies wist waar de woning was. Toen zij iemand in de woning zag lopen, maar er niemand naar buiten kwam toen zij toeterde, heeft zij aan [verdachte] gevraagd om die persoon op te bellen om te zeggen dat ze voor de woning stond. Vervolgens is de vrouw van [medeverdachte 1] naar buiten gekomen en heeft [getuige 2] de envelop aan haar overhandigd.
De verdediging betwist het contact en de ontmoeting tussen [getuige 2] en de vrouw van [medeverdachte 1] niet, maar geeft een geheel andere lezing, namelijk dat [getuige 2] lootjes zou hebben opgehaald die de echtgenote van [medeverdachte 1] voor [verdachte] zou hebben meegenomen uit Miami.
Het Hof acht de verklaringen van [getuige 2] betrouwbaar. Zij heeft een aantal jaren voor [verdachte] gewerkt als een soort ‘personal assistent’. Haar verklaringen zijn consistent en op tal van punten zo gedetailleerd dat dit bijdraagt aan de betrouwbaarheid. Blijkens haar uitgebreide verklaring bij de Landsrecherche was zij goed op de hoogte van de zakelijke contacten van [verdachte] met betrekking tot de verkoop van terreinen. Zij noemt de periode waarin [verdachte] zich bezighield met de verkoop van terreinen het ‘fiesta di tereno’. Zo heeft zij verklaard over het veelvuldige telefonische contact over terreinen tussen [verdachte] en [betrokkene 4] , de secretaresse van [medeverdachte 1] , hetgeen wordt ondersteund door hun telefoongegevens. Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard over het contact dat [verdachte] had met [betrokkene 7] (de oprichter van [B] ) en was zij ervan op de hoogte wie de directeuren van [B] en [A] zijn. Verder heeft zij documenten die betrekking hadden op (het aanvragen van) erfpachtgronden ter ondertekening door de minister naar zijn bureau gebracht en opgehaald, welke documenten zij ook heeft gezien.
Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 2] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de telefoongegevens, waaruit blijkt dat [getuige 2] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [verdachte] , die direct daarna de vrouw van [medeverdachte 1] heeft opgebeld. Dat [getuige 2] later in haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij twee keer naar [verdachte] heeft gebeld, doet daar niet aan af, temeer nu de vrouw van [medeverdachte 1] niet heeft ontkend dat [getuige 2] op enig moment bij haar aan de deur is geweest en wel na haar terugkeer uit Miami. Daar komt bij dat [getuige 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht dat de vrouw van [medeverdachte 1] niet wist dat zij eraan kwam, omdat het heel lang duurde voordat de vrouw van [medeverdachte 1] naar buiten kwam, hetgeen overeenkomt met de duur van het gesprek tussen [verdachte] en de vrouw van [medeverdachte 1] .
Uit de bevindingen van de Landsrecherche blijkt ook dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de vrouw van) [medeverdachte 1] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [A] door [verdachte] . Op 11 november 2015 is er een ‘share purchase agreement’ gesloten met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [A] door [verdachte] aan [betrokkene 13] . Uit de bevindingen van de bankrekeningen van [verdachte] is gebleken dat twee dagen later op de Amerikaanse bankrekening van [verdachte] een voorschot wordt betaald van $ 40.000,-. Vrijwel onmiddellijk na het storten van dit bedrag wordt een bedrag van $ 24.000,- contant opgenomen van deze rekening van [verdachte] . De contante geldopname van een fors bedrag in november 2015 en het twee maanden later (op 21 januari 2016) overhandigen van een envelop met geld, past daarmee goed in de tijdlijn.
De verklaring van de vrouw van [medeverdachte 1] dat zij een envelop met lootjes aan [getuige 2] heeft meegegeven, past daarentegen niet in deze tijdlijn. Als de vrouw van [medeverdachte 1] lootjes in Miami had gekocht voor [verdachte] , dan zou dat in november/begin december 2015 moeten zijn geweest, want op dat moment was zij volgens de radexgegevens in Miami. [verdachte] heeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij lootjes inkocht in Miami en dat deze lootjes twee dagen voor de eerste trekking kunnen worden gekocht. Er zijn meerdere trekkingen per week. De meeste mensen kopen volgens [verdachte] een lot dat geldig is voor drie trekkingen. Ook de lootjes die door de raadsvrouw van [verdachte] ter terechtzitting zijn overgelegd, betreffen lootjes die voor twee of drie trekkingen, en daarmee twee of drie dagen, geldig zijn. Volgens [verdachte] kopen ook veel mensen een lot dat geldig is voor drie weken of een maand. Gelet op deze verklaring acht het Hof het niet aannemelijk geworden dat [verdachte] op 21 januari 2016 [getuige 2] naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd om lootjes op te halen, die de vrouw van [medeverdachte 1] ongeveer twee maanden eerder – toen zij in Miami was – zou hebben meegenomen. Het Hof wordt bovendien in die overtuiging gesterkt doordat [verdachte] bij de Landsrecherche stellig heeft ontkend dat zij [getuige 2] ooit naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd, en [verdachte] pas ter terechtzitting – en dus ná de verklaring van de vrouw van [medeverdachte 1] dat [getuige 2] bij haar woning is geweest om lootjes op te halen – overeenkomstig heeft verklaard.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] [getuige 2] naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de vrouw van [medeverdachte 1] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [A] .
Conclusie
Op grond van al het bovenstaande concludeert het Hof dat [medeverdachte 1] en [verdachte] , in nauwe en bewuste samenwerking, een werkwijze hebben opgezet waarbij aan het Land een valse voorstelling van zaken werd gegeven, waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten aan partijen die, anders dan werd voorgespiegeld, niet uit waren op ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de te verkrijgen optierechten, dit met het doel om er zelf beter van te worden.
[verdachte] , van wie ook [medeverdachte 1] wist dat zij geen ontwikkelaar was, deed zich met haar vennootschappen in strijd met de waarheid voor als zodanig. In werkelijkheid waren de aanvragende vennootschappen leeg en ontbraken ervaring, concrete plannen en mogelijkheden om de percelen in kwestie te ontwikkelen. Dat [verdachte] niet de bedoeling had om zelf de percelen in kwestie te (laten) ontwikkelen, maar er slechts op uit was om de optierechten te gelde te maken, blijkt onder meer uit het feit dat zij al voor de daadwerkelijke optieverleningen in gesprek was met potentiële kopers van de in optie te ontvangen percelen, aan wie zij zelfs de aanvragen met daarop het akkoord en de handtekening van [medeverdachte 1] kon laten zien. Het Hof leidt uit deze gang van zaken af dat [verdachte] al in een vroeg stadium van [medeverdachte 1] , wiens rol in dit proces cruciaal was, de verzekering, althans voldoende comfort, had gekregen dat de opties er wel zouden komen.
[verdachte] beschikte door haar goede band met [medeverdachte 1] , van wiens partij zij een prominent lid was, over rechtstreekse toegang tot de minister, bij wie zij haar aanvragen dan ook rechtstreeks liet indienen. [medeverdachte 1] rol bestond erin dat hij deze aanvragen van zijn goede bekende en partijgenote, niettegenstaande de achterstanden in de afhandeling van optie-aanvragen, nog op dezelfde dag, c.q. kort na die indiening, voorzag van zijn akkoord conform en zijn handtekening. Dit zodat iedere inhoudelijke tussenkomst van de DIP en daarmee de toetsing van de aanvragen van [verdachte] aan het geldende beleid werd omzeild. Hiermee bereikte hij dat ieder onderzoek naar de vraag of deze aanvragers konden worden beschouwd als serieuze partijen achterwege bleef.
In het vervolgtraject werden de concept MB’s die door [betrokkene 1] waren opgesteld op instructie van [medeverdachte 1] met spoed naar zijn bureau gestuurd, waarna deze door hem werden ondertekend en [verdachte] in strijd met de regels een kopie MB in handen kreeg gespeeld, die zij kon gebruiken om haar kopers (verder) te overtuigen. Door dit alles werd [verdachte] in de gelegenheid gesteld om haar vennootschappen tussen de optie verlenende overheid en de serieuze ontwikkelaars te schuiven en te profiteren van een aanzienlijke waardestijging van de aandelen van haar vennootschappen.
Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] (via de betaling door [getuige 2] ) hebben hiervan financieel voordeel genoten.
Door zo te handelen hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] het land opgelicht.
Dat de vennootschappen in kwestie na verkoop van de aandelen aan serieuze ontwikkelaars en na het vertrek van [verdachte] de ontwikkeling van de percelen ter hand hebben genomen, doet aan het bedrieglijk handelen van de verdachten niet af.
Land is een professionele partij
De raadsvrouw heeft verder nog als verweer gevoerd dat het Land als professionele partij de oplichting, voor zover daar sprake van zou zijn, had moeten doorzien.
In zijn algemeenheid geldt, naar vaste rechtspraak, dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van oplichting mede van belang is of het slachtoffer de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen (zie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279). Daarbij kan ook een rol spelen, zoals aangevoerd, de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer (zie: ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157) die ertoe had(den) moeten leiden dat het slachtoffer de gegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Het Hof overweegt dat het Land als professionele partij moet worden beschouwd en dat moet worden toegegeven dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot. Wat daarvan verder ook zij; er is in het onderhavige geval geen sprake van dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Land mag er immers op vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd. De verdachten hebben echter misbruik gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, zoals hiervoor is overwogen. Daarbij heeft [verdachte] andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Kortom, de verdachten hebben er naar het oordeel van het Hof alles aan gedaan om het Land te misleiden en, gelet op alle omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien.
Het verweer van de raadsvrouw faalt.
Het Land is niet benadeeld
De raadsvrouw heeft verder nog aangevoerd dat als wordt aangenomen dat verdachte een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven waardoor het Land is bewogen tot afgifte van een optie-/erfpachtrechten, niet kan worden gezegd dat het Land of een ander daardoor is benadeeld. Het Land, noch een ander, heeft immers (financieel) nadeel geleden door de uitgifte van het optie-/erfpachtrecht, aldus de raadsvrouw.
Anders dan de verdediging lijkt te menen beschermt de oplichtingsbepaling niet alleen het vermogen van degene die wordt opgelicht, maar ook het vertrouwen dat men mag en moet kunnen hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer en de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen (zie: HR ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157). Gelet hierop hoeft naar het oordeel van het Hof niet vast komen te staan dat het Land of een ander financieel nadeel heeft ondervonden als gevolg van de door verdachten gegeven onjuiste voorstelling van zaken. [verdachte] heeft in samenwerking met de minister op listige wijze een verkeerde voorstelling van zaken gegeven teneinde het Land te bewegen tot afgifte van een optie-/erfpachtrecht. Door aldus te handelen hebben de verdachten het vertrouwen dat men mag hebben in het maatschappelijk en economisch verkeer geschaad. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is hiermee het in de sleutel van de oplichtingsbepaling bedoelde “nadeel” gegeven. Het verweer wordt daarom verworpen.”
3. Het eerste middel
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 1 dat de verdachte het Land Aruba, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen heeft bewogen tot afgifte van een ministeriële beschikking en een overeenkomst.
Het middel valt in de toelichting daarop uiteen in twee deelklachten die ik achtereenvolgens zal bespreken.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het Hof dat het land Aruba door een onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde stukken onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de beschikkingen telkens zijn toebedeeld door de minister, deze daartoe een discretionaire bevoegdheid had en in verband daarmee de Dienst Infrastructurele Projecten (verder: DIP) dwingende instructies gaf, alsook dat de in de bewezenverklaring genoemde stukken reeds werden verleend ten gevolge van het door de minister ondertekenen van het concept van de ministeriële beschikking.
Gelet op zijn bewijsoverwegingen is het Hof van oordeel dat de verdachte in het bezit is gekomen van optie- en erfpachtrechten door in nauwe en bewuste samenwerking met de minister een onjuiste voorstelling van zaken aan het Land te geven. De stellers van het middel wijzen op de rol die de minister bij het verlenen van optie- en erfpachtrechten heeft gespeeld en zijn – naar ik begrijp – van mening dat ontoereikend is gemotiveerd dat de verdachte heeft bijgedragen aan oplichting van het Land door een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen.
Volgens het Hof heeft de verdachte gebruik gemaakt van een schijnconstructie, mede waardoor het Land is bewogen tot de afgifte van een tweetal optierechten aan partijen die – anders dan werd voorgespiegeld – niet uit waren op de ontwikkeling van de desbetreffende percelen, maar slechts op het te gelde maken van de verkregen optierechten. Volgens het Hof heeft de verdachte de (lege) rechtspersonen [B] en [A] misbruikt om ten nadele van de feitelijke ontwikkelaars van de percelen in aanmerking te komen voor optie- en uiteindelijk erfpachtrechten en heeft zij zich tezamen en in vereniging met in ieder geval de minister schuldig gemaakt aan oplichting van het Land Aruba met het doel om er zelf beter van te worden.
Voormelde bewijsoverwegingen berusten op de volgende vaststellingen door het Hof.
- [verdachte] had goede contacten met de minister en zette deze in om aan optierechten te komen;
- zij was ten tijde van het indienen van de aanvragen daarvoor 100% aandeelhouder van [B] en [A] ;
- vanaf het moment dat deze vennootschappen zijn opgericht tot het moment waarop de optieaanvragen bij de minister zijn ingediend, waren beide rechtspersonen leeg: zij hadden geen bezittingen of liquide middelen. Met andere woorden: de rechtspersonen hadden ten tijde van de aanvragen geen enkele financiële waarde en dus ook geen mogelijkheid om projecten te ontwikkelen;
- de bedrijfsactiviteiten waren tot het moment van de verkoop van de aandelen uitsluitend gericht op het verkrijgen van een optie-/erfpachtrecht, terwijl – zoals nog zal blijken – de optieaanvragen telkens de indruk wekten dat gewerkt werd aan de uitwerking van een gedetailleerd businessplan met een schetsontwerp;
- [verdachte] heeft anderen aangesteld als directeur van haar vennootschappen om te verhullen dat zij de begunstigde was van de rechtspersonen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat ze “zou worden beschuldigd van corruptie”. Zo heeft [verdachte] haar 19-jarige dochter, [betrokkene 6] , als directeur van [B] aangesteld en haar werknemer, [betrokkene 12] , als directeur van [A] . Zowel [verdachte] als [betrokkene 6] en [betrokkene 12] hadden geen enkele kennis of ervaring met het ontwikkelen van projecten;
- toen de rechtspersonen voldoende verzekerd waren van de verkrijging van het optierecht, zijn de aandelen zeer winstgevend verkocht aan derden. De verkoopprijs van de aandelen kwam hoofdzakelijk ten goede aan [verdachte] en niet aan de rechtspersonen [B] en [A] .
- [verdachte] heeft als aandeelhouder geprofiteerd van de waardestijging van de aandelen in de rechtspersonen als gevolg van het verkrijgen van optie- en latere erfpachtrechten via haar goede contacten met de minister en ook de minister daarvan laten profiteren door middel van giften.
Het oordeel van het Hof dat het land Aruba door een onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot afgifte van een tweetal optie- en later erfpachtrechten is daarmee naar mijn mening niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd. Daarmee faalt de eerste deelklacht.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht houdt in dat het Hof heeft miskend dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de minister bij het verlenen van een optierecht en het verlenen van een overeenkomst tot vestiging van erfpacht (als enige) het Land vertegenwoordigde, zodat niet kan worden vastgesteld dat het Land Aruba door de minister (als medepleger) is bewogen tot afgifte van de in de bewezenverklaring genoemde ministeriële beschikkingen en overeenkomsten.
De stellers van het middel gaan ervan uit dat de ministeriële beschikkingen reeds werden verleend met het door de minister ondertekenen van het concept daarvan. Dat de minister met die ondertekening blijk gaf met de optieverlening akkoord te gaan, moge zo zijn, maar dat betekent nog niet dat het Land reeds met de ondertekening overging tot afgifte van de ministeriële beschikking. Uit de beschrijving in het vonnis van het uitgifteproces voor optie-/erfpachtrechten tijdens het bewind van [medeverdachte 1] als minister blijkt dat met het ondertekenen van de ministeriële beschikking de optie werd verleend, maar dat pas door de DIP tot de afgifte van een kopie van deze beschikking aan de aanvrager werd overgegaan nadat de aanvrager de kosten van de optie had voldaan en het betalingsbewijs bij de DIP had ingediend, waarna de ministeriële beschikking werd voorzien van de nodige leges en zegels. Uit het vonnis van het Hof blijkt dat ook voor het verkrijgen van erfpachtrecht kosten moesten worden voldaan. Daaruit leid ik af dat met het ondertekenen van de overeenkomst door de minister dit recht nog niet werd verkregen en dat de minister ook in deze niet als enige het Land vertegenwoordigde. Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het tweede middel
Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 1 dat de verdachte (in vereniging) een valse hoedanigheid heeft aangenomen en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels heeft aangewend.
Het middel valt in de toelichting daarop uiteen in een drietal deelklachten die gezamenlijk kunnen worden besproken. In de eerste plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat naast de aanvraagbrieven andere stukken zijn ingediend door of namens de verdachte waarin zij de schijn heeft gewekt een betrouwbare erfpachter te zijn. De tweede en derde deelklacht bouwen hierop voort. In het kader van de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte met de optie aanvragen de indruk heeft gewekt dat zij zelf de percelen wilde ontwikkelen. De derde klacht luidt dat het enkele in strijd met het beleid en/of op grond van een voorkeursbehandeling afgeven van de opties en overeenkomsten niet het aannemen van een valse hoedanigheid, een listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels kan opleveren. Dit brengt mee dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte de ten laste van haar bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen (valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels) heeft toegepast. Hierdoor is sprake van grondslagverlating dan wel geeft het vonnis van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
Uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake art. 326 Sr (dat woordelijk overeenkomt met art. 2:305 SrA) blijkt onder meer het volgende:
“2.3.1.
Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken.
2.3.2.
Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende ‘promissory notes’ afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van ‘meer dan een enkele leugenachtige mededeling’ niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.
2.3.3.
Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het geval waarin de verdachte (met anderen) gebruik maakte van briefpapier van KPN teneinde een bank met een valse betaalopdracht te bewegen tot overboeking van een geldbedrag.
2.3.4.
Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.”
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang (met weglating van voetnoten):
“1.6 Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 22 januari 2014, overdracht aandelen in [B] aan verdachte [verdachte] :
THE UNDERSIGNED:
1. [betrokkene 7] hereinafter referred to as the “Seller”
2. [E] ., hereinafter referred to as “Seller”
AND
3. [verdachte] , born on [geboortedatum] 1956 in Aruba and hereinafter referred to as the "Purchaser".
a) Pursuant to article incorporation of [B] , the Company was incorporated on 2 May 2013 by the Sellers.
b) Seller 1 is the owner and holder of 60 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share
c) Seller 2 is the owner and holder of 40 of the issued and outstanding shares, each at a nominal value of AWG 100,00 per share
d) Purchaser wishes to acquire 100% of the shares in the Company Company, numbered 1 up to 100 (the "Shares");
The Sellers hereby sell the Shares to the Purchaser and the Purchaser hereby Purchases the Shares from the Sellers.
The transfer of the Shares is effected on 23 January 2014 ("the Closing Date").
Ondertekend op 22 januari 2014 door: [betrokkene 7] , [betrokkene 15] en [betrokkene 16] namens [E] . en [verdachte] .
[…]
Geschrift, zijnde een ‘Finder Fee Agreement’ d.d. 25 september 2014:
Date: September 25, 2014
[B] or one of her limited liability companies, incorporated and doing business worldwide, hereinafter called "the seller"
and
[betrokkene 8]
hereinafter "the finder"
Whereas:
The seller is interested in the sale of the long lease land, situated at [weg 1] cadastral known as Land Aruba 1- [K2] ,
The seller intended to sell the plot of land or option to be granted the plot of land.
Geschrift, zijnde een uittreksel uit de Kamer van Koophandel en Nijverheid van 26 september 2014:
In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid te ARUBA is sedert 6 MEI 2013 de zaak ingeschreven met de handelsnaam:
Rechtsvorm: VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID
Naam der vennootschap: [B]
Bestuurders: [betrokkene 6]
Datum infunctietreding: [geboortedatum] 2014
Geschrift, zijnde een ‘non-disclosure agreement’ van 7 oktober 2014, gesloten tussen [B] , [verdachte] , [C] en [betrokkene 5] :
Non-Disclosure Agreement
THIS AGREEMENT BETWEEN:
1. [B] N.V., a limited liability company, established and doing business in, Oranjestad, Aruba, and its associates, officers and representatives.
2. [verdachte] born in [geboorteplaats] and residing at [a-straat 1] , the holder of all shares in the issued capital of [B] N.V.
3. [C] , a limited liability company, established and doing business in, Oranjestad, Aruba, and its associates, officers and representatives.
4. [betrokkene 5] born in [geboorteplaats] and residing at [b-straat 1] , Aruba, the holder of all shares in the issued capital of [C] N.V.
WHEREAS [B] N.V. has obtained the option right
from the Government Aruba to enter into an agreement with the Government of Aruba to establish a right of long lease (erfpachtrecht) on the certain property located at [plaats] ;
WHEREAS THE SHAREHOLDER of [B] N.V,
Wishes to sell its shares.
Op 7 oktober 2014 ondertekend door:
- [B] N.V. vertegenwoordigd door [betrokkene 6] , directeur
- Shareholder [B] N.V., [verdachte]
- [C] vertegenwoordigd door [betrokkene 5] , directeur
- Shareholder [C] , [betrokkene 5]
Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 15 november 2014, namens [B] :
Oranjestad, 15 November,2014
Aan Zijne Excellentie,
Minister [medeverdachte 1]
Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
Betreft: aanvraag commercieel terrein.
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein aan de [weg 1] perceel nummer [K2] . Dit terrein is bestemd voor commerciële doeleinde gecombineerd met luxe appartementen.
Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde business plan indienen met een schetsontwerp.
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[betrokkene 6]
Directeur
[B]
Ondertekend door [betrokkene 6]
Met stempel: “Ing: 29 dec 2014
Verz.: 29 dec 2014
Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014”
Met opschrift: “Dir Dip, akkoord cfm, gaarne uw medewerking” en “29-dec-2014”. Handtekening van (het Hof begrijpt: de minister ROII, [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] .
[…]
Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] van 14 januari 2015:
Aan de directie van Directie Infrastructuur en Planning
t.a.v. [betrokkene 1] MT DIP
Ons kenmerk: IIR/4592-2014 Oranjestad, 14 januari 2015
onderwerp: verzoek tot intrekking eerder verzonden documentatie en aanbieding uitvoering van wijziging
met verzoek: intrekking van het eerder verzonden verzoek van [B] met akkoord ter uitvoering van de minister d.d. 29-12-2014, kenmerk nr. IIR/4592-2014, verzonden op 29-DEC-2014, en tevens de nieuwe brief en akkoord van de minister d.d. 14-JAN-2015 af te handelen, kenmerk nr. IIR/4592-2014.
Ondertekend op 14 januari 2015 door [betrokkene 3] , Chieff of Staff van Bureau van de minister van ROII.
Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 1] aan minister [medeverdachte 1] van 22 januari 2015:
Met stempel: “SPOED”
Met stempel: “Ing.: 23 jan 2015
Verz.: 27 jan 2015
Volgnr IIR/” (met opschrift:) “4592-2014”
Aan: de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
Onderwerp: erfpachtsaanvraag t.n.v. [B] . perceel gelegen te [plaats] .
Datum: 22 januari, 2015
Excellentie,
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . ( [B] ) heeft middels een schrijven van 15 november 2014 en middels een erfpachtaanvraagformulier gedateerd 22 december 2014 een perceel domeingrond aan de [weg 1] in erfpacht aangevraagd voor commerciële doeleinden en luxe appartementen.
U hebt mij op 29 december 2014 geïnstrueerd [B] de mogelijkheid te bieden tot het realiseren van haar plannen op een perceel domeingrond gelegen aan de [weg 1] , kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie [K1] .
Middels dit schrijven doe ik u een concept-optiebeschikking t.n.v. [B] toekomen, betreffende het perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie [K1] , gelegen aan de [weg 1] te [plaats] .
Anders dan door [B] verzocht, is de bestemming tot het moge bouwen van luxe appartementen op het bewuste perceel niet overgenomen.
het Managementteam van de Directie Infrastructuur en Planning
Met handtekening van [betrokkene 1] .
Opschrift: “Dir dip, akkoord cfm”, met handtekening van (het Hof begrijpt: handtekening van de minister van ROII, [medeverdachte 1]) [medeverdachte 1] op datum 27 januari 2015
Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optiebeschikking t.b.v. [B] ) d.d. 27 januari 2015:
Gelezen:
het verzoek van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . gedateerd 22 december 2014; het schrijven d.d. 15 november 2014 met het verzoek tot het verkrijgen van een perceel domeingrond kadastraal bekend als Land Aruba Eerste Afdeling Sectie [K1] .
Gelet op:
De instructie van de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie, gedateerd 14 januari 2015., n.a.v. het schrijven d.d. 15 november 2014 [betrokkene 6] , handelende als directeur van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] ..
HEEFT BESLOTEN:
Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . het recht van optie te verlenen op een perceel domeingrond gelegen te [plaats] aan de [weg 1] , Aruba Eerste Afdeling Sectie [K1] .
Ondertekend door de minister van ROII (het Hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) op 27 januari 2015.
Geschrift, zijnde een ‘share purchase agreement’ van 30 januari 2015, gesloten tussen verdachte [verdachte] als seller en [F] als purchaser en [D] als agent:
The undersigned,
1. [verdachte] , "Seller”
AND
2. [F] and [G] N.V. represented by its director and sole shareholder [getuige 6] ”Purchaser"
AND
2. [D] N.V. "Agent"
Whereas:
a. [B] , is company incorporated under the laws of Aruba hereinafter referred to as the (the "Company").
b. Seller is the owner and holder of all of the issued and outstanding shares each at a nominal value of AWG 100.- per share, numbered 1 up to 100 in the capital of the Company.
c. The Company had acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at [plaats] .
d. Purchaser wishes to acquiere 100% of the shares in the Company, numbered 1 up to 100.
e. The Seller have offered the shares in the Company to Purchases who whishes to purchase them from the Seller.
The transfer of the shares is effected on 30 January 2015.
The Purchase Price in the amount of AWG 555.000,- shall be paid by Purchaser to the Seller in the following manner:
- AWG. 10.000,- by means of a deposit into the Aruba Bank account in the name of the Seller
- AWG. 60.000,- in cash
- AWG 485.000,- by means of a deposit on the bank account number [rekeningnummer 1] held at Banco di Caribe in the name of [verdachte]
IN WITNESS WHEREOF the parties hereto have executed this Agreement in three copies in Aruba on 30 January 2015
Ondertekend door [verdachte] , [getuige 6] en [betrokkene 11] .
Geschrift, zijnde een overeenkomst van erfpacht (ongedateerd) gesloten tussen het Land Aruba en [B] :
1. De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
en
2. De naamloze vennootschap [B]
komen overeen:
Verlening en aanvaarding van de erfpacht
1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen.
2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op een perceel domeingrond, kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, [K1] , te [plaats] .
Deze overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 1 december 2016.
Ondertekend door [medeverdachte 1] namens het Land en [getuige 6] , namens [B]
Met name ten aanzien van [A]
Geschrift, zijnde een akte van oprichting van de rechtspersoon [A] d.d. 30 september 2015:
GEEFT MET VERSCHULDIGDE EERBIED TE KENNEN:
[betrokkene 12] ,
HET VOLGENDE
Bij akte op 30 september 2015 verleden voor [betrokkene 17] , notaris te Aruba, is door [verdachte] , opgericht een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, genaamd: “ [A] ”.
Vervolgens verklaarde de comparante:
- dat bij deze voor de eerste keer tot directeur der vennootschap wordt benoemd [betrokkene 12] ,
- dat eenhonderd (100) aandelen zijn geplaatst en zullen worden volgestort; en
- dat in het geplaatste kapitaal wordt deelgenomen door [verdachte] voornoemd voor eenhonderd (100) aandelen.
[…]
Geschrift, zijnde een aanvraagbrief voor een erfpachtrecht d.d. 20 augustus 2015 namens [A] :
Oranjestad,20 Augustus, 2015
Aan Zijne Excellentie
Minister [medeverdachte 1]
Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en
Integratie.
Betreft: aanvraag commercieel terrein tegenover [plaats] Mall
Zijne Excellentie,
Vriendelijk verzoek ik Uw medewerking tot mijn aanvraag tot het verkrijgen van een commercieel terrein in de buurt van de airport tegenover [plaats] Mall.
Dit terrein is bestemd voor commerciele doeleinde.
Te zijner tijd zal ondergetekende een gedetailleerde businessplan indienen met een schetsontwerp.
Met de hoogste waardering dank ik U bij voorbaat voor Uw aandacht aan mijn verzoek.
Met hoogachting,
[betrokkene 12]
Directeur
[A]
Ondertekend door [betrokkene 12] .
Opschrift: “Dir dip, akkoord cfm, gaarne uw medewerking” met handtekening (het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [medeverdachte 1] ”) en datum 14 augustus 2015
Stempel van Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie:
Ing.: 7 AUG 2015
Verz.: 14 AUG 2015
Stempel van Dir. Infrastruct. & Planning
Datum Ingek. AUG 18 2015
Geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 1] aan minister [medeverdachte 1] d.d. 30 oktober 2015:
Team/Unit: MT/FFA
Excellentie,
middels deze doe ik u een concept-optiebeschikking ten name van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . ( [A] ) voor het nodige toekomen.
[B] heeft middels een schrijven van 20 augustus 2015 een perceel domeingrond in erfpacht aangevraagd voor de bouw van een commercieel project. In een gesprek met [betrokkene 12] is het verzoek nader gespecificeerd waarbij is gebleken dat het zal gaan om een complex appartementen en winkelruimten. U hebt ook in uw instructies ter zake twee percelen aangegeven welke in optie kan worden verleend. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend als Land Aruba Sectie [T1] en [T2] .
Indien u zich kunt verenigen met de bijgevoegde concept-beschikking, ware deze te formaliseren en aan mij voor de verdere afhandeling te doen toekomen.
Ondertekend door (Het Hof begrijpt: [betrokkene 1] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA) [betrokkene 1] .
Opschrift: “Dir DIP, akkoord cfm.” met handtekening van (het Hof begrijpt minister van ROII: [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] met datum 30 oktober 2015.
Stempel: “SPOED”
Geschrift, zijnde een Ministeriële Beschikking van 30 oktober 2015, inhoudende een optiebeschikking ten behoeve van [A] :
MINISTERIELE BESCHIKKING VAN DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN INTEGRATIE
Gelezen:
het schrijven d.d. 20 augustus 2015 van [betrokkene 12] , handelende namens de [T1] met beperkte aansprakelijkheid [B] .
HEEFT BESLOTEN:
Aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . het recht van optie te verlenen op twee percelen domeingrond ter hoogte van [plaats] , kadastraal bekend als Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie [T1] en [T1] .
1. Het recht van optie wordt verleend tot het verkrijgen van het recht van erfpacht op vermelde percelen domeingrond met het doel het bouwen en hebben van appartementengebouw annex winkels.
3. Voor het hebben van het recht van optie is een bedrag van Afl. 1.082 verschuldigd, te voldoen binnen één maand na dagtekening van de beschikking.
Ondertekend op 30 oktober 2015 door (het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [medeverdachte 1] ”) [medeverdachte 1] .
Geschrift, zijnde een share purchase agreement d.d. 11 november 2015 betreffende de verkoop van de aandelen in [A] , gesloten tussen [verdachte] (verkoper) en [betrokkene 13] (koper):
SHARE PURCHASE AGREEMENT
The undersigned,
1. [verdachte] , hereinafter referred to as "Seller";
and
1. [betrokkene 13] , hereinafter referred to as the "Purchaser".
WHEREAS:
a. [A] (the "Company);
b. Seller is the owner and holder of the issued and outstanding shares, numbered 1 up to Including 100 in the capital of the Company, each at a nominal value of AWG 1,00 share ("Shares"). The Shares, represent 100% of the issued outstanding shares in the Company;
c. The Company has acquired the option from the government of Aruba to obtain the right of a long lease (recht van erfpacht) on the property located at [plaats] (the "option")
d. The Seller wishes to sell and transfer the Shares to the Purchaser and the Purchaser wishes to purchase and to accept ownership of the Shares.
Artikel 2 Purchase Price commission and mannser of payment
The purchase price for the Shares, which constitutes 100% of the shares in the Company, shall be a sum of AWG 356.000,00 ("the Purchase Price").
The Purchase Price shall be paid to the Seller by means of transfer to the following account (the "Account") (except for the payment of AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) mentioned at 2.4.1);
Bank: Branch Banking & Trust Company (BB&T)
Beneficiary: [verdachte]
Account no.: 240 481 049
Of the Purchase Price AWG 71.200,00 (US$ 40.000,00) shall be on the Account mentioned in article 2.2 upon execution of this agreement ('Purchase Price A”). Purchase Price A shall be made available to the Seller upon the execution here of and once the transfer has been perfected in accordance to article 9 of this agreement. Upon payment of Purchase Price A, 100% of the shares will be transferred to the Purchaser.
The remainder of the Purchase Price AWG 284.800,00 (US$ 160,000,00) ("the Purchase Price B") shall be partly paid on the account of the Seller mentioned in article 2.2. hereabove being AWG 200.800,00 (US$ 112.809,00) and the other part being AWG 84.000,00 (US$ 47,191,00) on the bankaccount of [D] when the Company obtains the right of long lease (recht van erfpacht) on the property located at [plaats] .
The Seller will make every effort through her contacts with the government and/or the Minister Involved to assist and collaborate with obtaining the necessary permits such as the building permit and (if necessary) an extension of the option right.
9. Effective date of the Transfer of the Shares
The transfer of the Shares will be effective as of the date of acknowledgement by the Company.
Ondertekend op 11 november 2015 door “seller” [verdachte] , title: sole shareholder en “purchaser” [betrokkene 13] .
Bijlage: de ministeriële beschikking van 30 oktober 2015, ondertekend door (het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [medeverdachte 1] ”) [medeverdachte 1] .
[…]
Geschrift, zijnde een verklaring van architectenbureau [H] van 28 januari 2016, opgesteld door [betrokkene 18] :
Stempel van de DIP: “FEB 18 2016”
Directie Infrastructuur en Planning
28 januari 2016
Betreft: Bouwkosten en -tijd project Carwash te [plaats]
Geachte heer/mevrouw,
Hierbij deel ik U mede dat de geprojecteerde bouwkosten voor het vermelde project Awg. 1.185.900,00 bedragen. Dit houdt in, de bouwkundige (gebouwen) en civiele (infrastructuur) kosten, gemoeid met het project.
De geprojecteerde bouwtijd bedraagt 12 maanden. De aanvang is op dit moment moeilijk aan te geven, gezien het project in de voorbereidingsfase (vergunningen) verkeert.
Vertrouwende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 18] , Meester-Architect
Geschrift, zijnde een businessplan van [A] voor het ontwikkelen van een carwash te [plaats] :
Stempel van de DIP: “FEB 18 2016”
[A] Business plan
[A] (DD) was founded in Aruba in 2015. It's young and ambitious and is planning for all intents and purposes to grow into the absolute market leader within its space in a timespan of six years, according to our estimates. At the inception of the operations the company is planning on relying on four revenue streams:
- Automatic car wash (CW)
- Automatic vacuum (VAC)
- Underbody treatment (UT)
- Real estate retail (RE)
(het Hof: in de bijgevoegde situatietekening blijkt dat de plannen zijn een carwash te ontwikkelen te [plaats])
Geschrift, zijnde de brief van [betrokkene 1] aan de minister van 24 maart 2016:
Aan: de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie
[medeverdachte 1]
Onderwerp: overeenkomst van erfpachtsverlening op twee percelen domeingrond gelegen aan de zuid-westzijde van de hoofdverkeersweg, ter hoogte van [plaats] , t.n.v. [B] .
Datum: 24 maart 2016
Excellentie,
Onder aanbieding van het verzoek tot het verkrijgen van een perceel in erfpacht t.n.v. [betrokkene 12] , d.d. 20 augustus 2015, handelende namens de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] ., bericht ik u geen bezwaren te hebben tegen de verlening van het recht van erfpacht op twee percelen domeingrond gelegen aan de zuid-westzijde van de hoofdverkeersweg van Oranjestad naar San Nicolas, ter hoogte van [plaats] , k.b.a. Land Aruba, Eerste Afdeling, Sectie [T1] en [T2] , groot resp. 812 en 991 m2, met als bestemming "...daarop optrekken, hebben en exploiteren van een appartementengebouw annex winkels, conform een door de Dienst Openbare Werken af te geven bouwvergunning".
Naar aanleiding van hel verzoek zoals hierboven vermeld is aan de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . het optierecht bij beschikking gekenmerkt DIP/6077-A d.d. 30 oktober 2015 verleend op twee percelen gelegen te [plaats] , teneinde haar in de gelegenheid te stellen het project voor te bereiden.
[B] . heelt inmiddels voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in genoemde beschikking en kan naar dezerzijdse mening overgegaan worden tot het aanbieden van de overeenkomst van erfpachtsverlening.
Indien u zich kunt verenigen met de inhoud van dit schrijven verzoek ik u de bijgevoegde concept-overeenkomst van erfpachtverlening te formaliseren en deze te retourneren voor de verdere afhandeling.
Ondertekend door (Het Hof begrijpt: [betrokkene 1] , mede gelet op de vermelding in de brief van MT/FFA) [betrokkene 1] .
Opschrift: “Dir DIP, akkoord cfm.” met handtekening van (het Hof begrijpt minister van ROII: [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] met datum 24 maart 2016.
Stempel: “Ing.: 24 MAR 2016”
Geschrift, zijnde een overeenkomst van erfpacht van 1 april 2016:
OVEREENKOMST TOT VESTIGING VAN ERFPACHT (COMMERCIEEL)
1. De publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba, ten deze vertegenwoordigd door de minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie;
2. De vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] . in deze vertegenwoordigd door [betrokkene 12] , hierna te noemen Contractant
Artikel 2
Verlening en aanvaarding van het recht van erfpacht
1. Land Aruba zal, met inachtneming van het verder in deze Overeenkomst bepaalde, aan Contractant, die dit zal aanvaarden, een recht van erfpacht verlenen.
2. Het recht van erfpacht wordt gevestigd op twee percelen domeingrond gelegen ter hoogte van [plaats] , kadastraal bekend als Land Aruba, sectie [T1] en [T2] .
Artikel 6
Bestemming
De in erfpacht uitgegeven percelen domeingrond mogen zonder nader verkregen toestemming van de Minister voor geen ander doel worden bestemd dan voor het daarop optrekken, hebben en exploiteren van een appartementengebouw annex winkels, conform een door de Dienst Openbare Werken af te geven bouwvergunning.
Artikel 22
Geldigheid van deze overeenkomst
1. Deze Overeenkomst wordt geacht te zijn ingegaan op 1 april 2016.
Ondertekend op 1 april 2016 door (het Hof begrijpt: minister van ROII, verdachte [medeverdachte 1] ) [medeverdachte 1] en contractant (het Hof begrijpt: [betrokkene 12] )
[…]
Proces-verbaal relatie [verdachte] en diverse verdachten:
In een inbeslaggenomen computer uit de woning van [medeverdachte 1] kwam naar voren dat [verdachte] , samen met haar familie, bestaande uit haar dochter [betrokkene 6] , haar [broer] en zijn familie, samen met [medeverdachte 1] en zijn familie, tussen 12 en 18 mei 2010 naar Miami reisden en in New York waren. Uit onderzoek naar de opgevraagde reisgegevens bleek dat [medeverdachte 1] en zijn gezin en [verdachte] en haar dochter tussen 12 en 18 mei 2010 naar en van Miami reisden. Zij zaten namelijk op dezelfde vlucht met de vlieglijn American Airlines. Hierna bleek dat allen op dezelfde vlucht, m.u.v. [medeverdachte 1] die een dag eerder naar Aruba terugreisde, op 18 mei 2010 met de American Airlines naar Aruba terugreisden. In de computer werden meerdere foto's aangetroffen waarop de [medeverdachte 1] en zijn gezin samen met [verdachte] , haar dochter en [broer] staan afgebeeld in Manhattan te New York.
Uit een in de woning van [medeverdachte 1] inbeslaggenomen telefoon vermoedelijk in gebruik bij [betrokkene 14] , bleek dat van 5 t/m 12 oktober 2013 [medeverdachte 1] en zijn gezin, [verdachte] en haar familie, op vakantie waren op een cruiseschip genaamd 'Oasis of the Seas'. Op foto's van deze cruise in deze telefoon waren [betrokkene 14] en [verdachte] te zien. Uit opgevraagde reisgegevens bleek ook dat zij in die periode reisden naar en van Miami. In de contactlijst van deze telefoon stond [verdachte] / [telefoonnummer 1] ingedeeld onder de groep 'vrienden’.
[…]
Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 3]:
A: Ik werk als consultancy om mensen te helpen bij het zoeken van een terrein om te bouwen. In casu heb ik het bedrijf [C] opgericht voor een groep uit Curaçao voor een terrein. Wij waren bezig met een terrein van [verdachte] .
V: Wat houdt in opzetting of opgezet?
A: Als iemand mij vraagt om een NV op te zetten om te gebruiken om een terrein te kopen dat ze tevens dat bedrijf konden gebruiken om het gebouw neer te zetten en ermee te kunnen werken.
V: Wat kunt u ons over deze schriftelijke overeenkomst "Non-Disclosure Agreement" verklaren?
A: Ik herken dit document. Ik heb dit document ondertekend als directeur en aandeelhouder van de NV [C] . Ik heb deze NV ook op mijn naam gezet voor de groep uit Curaçao. Deze groep wilde op dat terrein een shopping mall neerzetten. Maar dit project was niet doorgegaan. Uiteindelijk is de koop van de aandelen van het bedrijf [B] niet doorgegaan vanwege het geldbedrag dat de verkoper vroeg. Het bedrag was vrij hoog en de overheid wou daar nog geen asfaltweg voor leggen.
V: Welk terrein betrof het hier?
A: [I] naast [J] .
A: Voor 7 oktober 2014 heb ik [C] opgericht. We zouden dat samen doen om een shopping mall op dit terrein te bouwen. Met samen doen, bedoel ik samen met de groep uit Curaçao. Omdat ze geen lokalen zijn, heb ik een NV, [C] , geopend. Ik weet wel dat alles via haar advocaat ging. Met haar bedoel ik [verdachte] die aandeelhouder was van [B] .
O: Even terug naar de overeenkomst "Non-Disclosure Agreement" d.d. 7 oktober 2014 ondertekend door de directeur en aandeelhouder van [B] N.V., respectievelijk [betrokkene 6] en [verdachte] , en uw persoon als directeur en aandeelhouder van [C] .
V: Wie heeft dit document opgemaakt/opgesteld?
A: De advocaat van [verdachte] heeft dit document opgemaakt.
V: Naast dit document, welke andere documenten werden ondertekend die betrekking hadden met terrein nummer [K2] ?
A: Niet veel omdat de aankoop verder niet is doorgegaan. Ik herinner me de advocaat wou hebben dat...ze vond ons te langzaam dat we hiermee bezig waren. Ging allemaal te langzaam voor haar. Zij moest weten want volgens haar waren er meerdere kopers.
V: Met welke bedoeling zou de aandelen van [B] worden gekocht?
A: [C] zou het bedrijf zijn die het project gaat bouwen en ontwikkelen. Dit ( [B] ) was een schoon bedrijf toentertijd dat je gewoon 100% de shares (aandelen) kon overnemen.
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 3]:
V: Wie heeft deze aanvraagbriefd.d. 8 april 2014 opgemaakt?
A: Zoals ik al eerder aangaf, ik denk dat die brief door de advocaat (Het Hof begrijpt: van [verdachte] ) werd opgemaakt.
V: Waarom werd een aanvraagbrief aan de minister opgemaakt met het verzoek voor dat specifieke erfpachtterrein?
A: Ik denk dat deze brief een officiële aanvraag was dat we geïnteresseerd zijn op dat terrein.
V: Dus met andere woorden, u was al rond die datum van 8 april 2014, in contact geweest
met de advocaat regarderende de aankoop van [B] ?
A: Ik denk het wel.
[…]
Proces-verbaal verhoor [getuige 4] :
Ik werd door haar [verdachte] voorgelegd dat zij enkele bedrijven te koop had die over een terrein beschikken. Dit was die ene terrein gelegen op de [weg 1] , van [B] . Het was niet zover gekomen om verkocht te worden. Wat heeft plaatsgevonden was gewoon dat zij aangaf dat zij ene eigendom heeft, ene bedrijf, zij vroeg een totaal bedrag hiervoor en indien de verkoop met succes heeft plaatsgevonden wordt een commissie hiervoor betaald. Deze gesprekken vonden in ieder geval plaats voor de datum van de Finder Fee Agreement, d.d. 25 september 2014. Het bedrag dat zij voor dat ene terrein (op [weg 1] ) vroeg was te hoog.
V: Waarom had u zelf niet uw naam gebruikt en op het document vermeld?
A: Door mijn baan. Ik mocht dat niet doen. Ik werkte destijds bij de [naam 1] -bank.
Proces-verbaal verhoor [getuige 6] d.d. 15 april 2021:
Ik had het nieuws op de lokale markt verspreid dat ik opzoek was naar een commercieel terrein. Ik herinner me ook dat ik hierover met [betrokkene 11] had gesproken dat ik opzoek was naar een commercieel terrein. [betrokkene 11] was in die tijd bezig met het regelen van een businessplan voor mij. Ik herinner me dat [betrokkene 11] met een offerte van een terrein op een dag bij mij kwam. Het betrof het terrein waarop [I] werd gebouwd. [betrokkene 11] kwam bij mij en zei tegen mij dat dit terrein een optie heeft van een hoeveelheid vierkante m2. Ik zei tegen [betrokkene 11] dat ik met zijn offerte zal doorgaan want ik kan de aanvraagprijs betalen. De aangeboden vraagprijs voor het terrein was Afl. 600.000 voor de hoeveelheid m2. Volgens mij is dit terrein ongeveer 5264 m2.
O: Uit onderzoek is gebleken dat u de Share Purchase Agreement op 30 januari 2015 ondertekende.
A: Ja, dan zijn de onderhandelingen voor de aankoop van de optie op dit terrein in december 2014 opgestart.
V: Kwam tijdens de onderhandelingen naar voren dat de N.V. (het Hof begrijpt: VBA) een optie op het terrein?
A: Zeker, anders had ik het bedrag van Afl. 600.000,00 niet hebben betaald.
V: Welke bedrijf had de optie op dit terrein?
A: [B] , dat is wat ik had gekocht.
A: De hele familie van [verdachte] werkte samen met [medeverdachte 1] toen hij als minister fungeerde. Je wordt kwaad hierover omdat ik ook het recht heb om een terrein van de overheid te krijgen.
V: Had [B] c.q. [verdachte] toen als enig aandeelhouder, bij het overdragen van haar aandeelhouderschap aan u, de beschrijving van het project dat [B] zou doen, type van project, de gemoeide investering, wijze van financiering en eventuele schetstekeningen aan u overhandigd of ter beschikking gesteld?
A: Nee, niks had dit bedrijf.
O: Uit onderzoek kwam naar voren dat voor het bewerkstelligen van de verlengingen dergelijke, optiekosten, administratiekosten zegel en legeskosten bij de DIP betaald moesten worden.
V: Wie heeft voor deze kosten betaald?
A: Ik had alles betaald.
[…]
Proces-verbaal 2e verhoor getuige [betrokkene 11] :
V: Wie had u gecontacteerd/benaderd om als consultant/agent te fungeren voor [verdachte] ?
A: [verdachte] zelf. Zij zei tegen mij dat zij een terrein te [plaats] had dat zij wilde verkopen.
V: Wanneer precies begon u met [betrokkene 13] en/of Errol [getuige 7] te onderhandelen voor de verkoop van de aandelen van [verdachte] in [A] ?
A: Al vóór juni 2015 was ik hiermee begonnen.
V: Vraag aan u of u hierop blijft volharden dat u al in juni 2015 opzoek ging naar een koper.
A: Ik kan me herinneren dat ik door [verdachte] al in juni/juli 2015 werd benaderd en zij tegen mij zei dat zij een optie op een terrein had. Zij zei tegen mij dat dit terrein te [plaats] ligt.
[…]
Proces-verbaal verhoor [getuige 7] :
V: Wat is het verhaal achter [A] en wat was uw motivatie om [A] over te nemen?
A: Wij zochten een stuk grond op Aruba om een investering te doen op een centrale locatie. Ik ben vanaf begin 2015, februari – maart, actief gaan zoeken naar een stuk grond om te investeren. Dat viel samen met mijn partnerschap met [betrokkene 13] , die ik via mijn [advocaat] begin 2015 heb leren kennen. In september, oktober 2015 werd [A] aan ons gepresenteerd dat ze een 'optie' hadden op een stuk grond in erfpacht bij de airport.
V: Was er enige bouwstal op de gronden van [A] ?
A: Nee. De gronden hadden geen enkele bouwstal. Ze waren helemaal leeg. Wij hebben hierna een businessplan opgesteld. Wij moesten ook een 'performancebond' (bankgarantie) bij de bank plaatsen, wij hebben de bouwtekeningen gedaan. Kortom wij hebben het hele proces gedaan.
V: Had het bedrijf [A] dan geen eigen businessplan?
A: Nee.
V: Wie heeft het businessplan gemaakt?
A: Een contact van [betrokkene 13] in Miami. Wij hebben dat bij [betrokkene 11] ingeleverd die het heeft aangepast aan de normen en regels van Aruba. Ik denk dat het businessplan vanuit [betrokkene 11] aan [betrokkene 12] werd gegeven voor indiening.
V: In het ingediende businessplan staat dat het om een carwash ging. Klopt dat?
A: Ja dat klopt, dat was het eerste plan.
V: Van de aankoopprijs, wat was voor de optie op grond en wat voor het bedrijf?
A: De optie op grond maakte de waarde van het bedrijf. Het was een nieuw bedrijf en had verder geen waarde of andere baten dan de optie. De optie is de waarde.
V: Hoe is het geld betaald?
A: Wij hebben het geld per bank overgemaakt naar de eigenaar van de aandelen, [verdachte] .
V: Kunt u aangeven wat jullie precies op Aruba allemaal hebben moeten betalen voor wat betreft de overname van [A] op Aruba?
A: Alles aan de DIP, advocatenkosten, architecten, de indiening van de bouwtekening, accountantskosten en notariskosten.
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 8] :
In de MB staat appartementencomplex met winkels maar in de brief van de architect wordt gesproken over een carwash. Dat is niet de bestemming waarvoor de optie is uitgegeven. Dat zou een probleem zijn. Een carwash is geen appartementencomplex en de bestemming is heel belangrijk. De bouwtekening moet dus gaan om een appartementencomplex met winkels. Dit zou niet worden goedgekeurd. Het bedrijf heeft dus niet voldaan aan de voorwaarden omdat de bestemming niet klopt.
[…]
Proces-verbaal 9e verhoor verdachte [betrokkene 3] :
O: Met betrekking tot de 2e aanvraagbrief (Het Hof begrijpt: van [B] ) voor een commercieel terrein aan de [weg 1] nummer [K2] d.d. 15 maart 2014.
A: Ik kan verklaren dat [medeverdachte 1] de brief had ondertekend. Ik had de brief aan hem voorgesteld en hij heeft het ondertekend.
A: Hij bekijkt ze (e ta wak nan) omdat hij zijn handtekening plaatste. Indien ik een notitie heb geschreven en indien ik geen notitie heb geschreven, is omdat er dingen waren die besproken moesten worden hoe het opgepakt moest worden en dan wordt er een notitie geschreven als we samen waren. Dus hij was weldegelijk op de hoogte. Hij heeft ze ondertekend. Je gaat niets zo blindelings ondertekenen. Zeker hij niet.
V: Op grond waarvan schreef u uw notities dan op?
A: Omdat ik het naar hem toe had genomen. Dus aan de hand van wat wij discussiëren plaatste hij dan zijn handtekening.
V: Wat allemaal discussiëren en bespreken jullie dan over?
A: Het geval van [verdachte] bracht ik dan bij hem naar voren. "Hoe wil je het dan afhandelen?” “Moet het terug naar de DIP?” “Wat voor notities moet geschreven worden?” “Wat moeten ze ermee doen bij de DIP.” Ik kon geen instructies aan de DIP geven omdat ik die bevoegdheid niet had. En hij is degene die de handtekening plaatste.
O: Volgens [medeverdachte 1] heeft hij nooit met [betrokkene 6] noch [verdachte] over de inhoud van de deze aanvraagbrief van 15 maart 2014 gesproken.
V: Klopt wat [medeverdachte 1] verklaart?
A: Nee, omdat hij op de hoogte was. Hij had toen zelfs de opmerking gegeven dat: "Nu zet zij haar dochter".
V: Waarom had hij de opmerking gegeven: "Nu zet zij haar dochter"?
A: Omdat hij de naam van de dochter van [verdachte] op de brief had gezien. Zij had de brief ondertekend.
Ik heb die brief (Het Hof begrijpt: de brief van 14 januari 2015) opgesteld en ondertekend. Ik heb deze brief met een bijlage gestuurd en die bijlage moet voorzien zijn van een akkoord van de minister.
V: Heeft u die brief gezien?
A: Natuurlijk, want indien de DIP alleen deze instructiebrief heeft gekregen, dan zou de DIP de bijlage moeten aanvragen. Ik ben zeker van dat die brief bestaat anders zou ik die niet als bijlage in deze instructiebrief hebben vermeld
V: Werd deze instructiebrief en de bijlage, met name het verzoek voor wijziging, met [medeverdachte 1] besproken?
A: Natuurlijk, want hij heeft het ondertekend.
V: Wat werd er dan allemaal daarover besproken?
A: Dat die van terrein veranderd werd.
A: Want hij moest de instructie ondertekenen voor wijziging van terrein. Hij had de bevoegdheid. Ik niet.
V: In hoeverre heeft u gesprekken gehouden met [medeverdachte 1] over wijziging van het terrein [K2] in [K1] voor [verdachte] ?
A: Ik had aan hem voorgelegd wat de wensen waren van [verdachte] om het terrein te wijzigen en ik ben er zeker van dat hij de verzoekbrief die als bijlage werd gevoegd, ondertekend heeft.
O: Had u aan [medeverdachte 1] voorgelegd wat de wensen van [verdachte] waren aangaande de
wijziging?
A: Ja, want hij heeft die bijlage ondertekend.
V: Dus met andere woorden, moeten wij hierbij begrijpen dat [medeverdachte 1] door middel van of via u, op de hoogte was dat [B] van [verdachte] was?
A: Natuurlijk
[…]
Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [betrokkene 7] :
Nadat ik dit bedrijf, in 2012 of 2013, had opgericht, werd ik op een dag door [verdachte] benaderd die geïnteresseerd was om dit bedrijf van mij te kopen. Dit bedrijf had niets, geen enkele bezittingen. Ik had toen mijn aandelen aan haar verkocht.
[…]
Proces-verbaal 2e verhoor verdachte [betrokkene 12] :
V: Hoe bent u betrokken geraakt bij [A] ?
A: [verdachte] vroeg mij op een dag of ik directeur wilde zijn voor haar, voor een bedrijf. Ze zei dat het niet moeilijk was en dat ik alleen mee moest naar een notaris en moest tekenen.
[…]
Proces-verbaal 6e verhoor verdachte [betrokkene 1] :
V: Wat voor persoon is [betrokkene 12] ?
A: Ik kan mij niet precies herinneren, maar volgens mij is zij een werkster of iets in die geest. Ik heb dit ergens gelezen. Ik herinner mij dat ik aan de minister heb gevraagd hoe het mogelijk was dat zij om een terrein kan vragen. Ik vond het eigenlijk vreemd. De minister zei toen tegen mij dat iedereen het recht had om een verzoek in te dienen voor een stuk grond.
V: Is dit de normale gang van zaken dat een bedrijf een verzoekbrief indiende voor het verkrijgen van een commercieel terrein, terwijl dit bedrijf nog niet werd opgericht en bij de KvK werd ingeschreven?
A: Zeker niet. Een van eisen bij het indienen van een verzoek is dat het bedrijf ingeschreven moet zijn bij de KVK.”
In de kern heeft de oplichting van het Land Aruba volgens het Hof bestaan uit het volgende. De rechtspersonen [B] en [A] – van wie de verdachte ten tijde van de aanvragen alle aandelen in handen had (bewijsmiddelen 1.6 en 1.19) en met wie de verdachte volgens het Hof kan worden vereenzelvigd – hebben aanvragen voor (opties op) erfpachtrechten ingediend bij de minister (bewijsmiddelen 1.12 en 1.21). Op het moment van indiening waren deze rechtspersonen ‘leeg’; zij hadden geen bezittingen noch liquide middelen en ook geen expertise op het gebied van het ontwikkelen van percelen (bewijsmiddelen 4.23 en 5.14). Gedurende het aanvraagproces was de verdachte reeds op zoek naar kopers van de aandelen in deze rechtspersonen (onder meer bewijsmiddelen 1.9, 1.11, 4.11, 4.12, 4.14, 4.21). Nadat zij een koper had gevonden werd de aanvraag in het geval van [B] met behulp van [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] tussentijds gewijzigd, waaruit het Hof niet onbegrijpelijk afleidt dat deze in overeenstemming is gebracht met de wensen van de koper (bewijsmiddelen 1.14, 1.15, 4.15 en 5.12). In het geval van [A] werd dit niet gedaan, maar werd door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] door de vingers gezien dat de aanvraag zag op het ontwikkelen van een complex appartementen en winkelruimten (bewijsmiddelen 1.22 en 1.23), terwijl de stukken die waren ingediend zagen op een carwash (bewijsmiddelen 1.26 en 1.27), hetgeen volgens [getuige 8] had moeten leiden tot actie, omdat in zo’n geval niet aan de voorwaarden is voldaan (bewijsmiddel 4.24). Vervolgens zijn de opties op het erfpachtrecht verleend (bewijsmiddelen 1.16 en 1.23) en heeft de verdachte even later de aandelen in de rechtspersonen verkocht (bewijsmiddelen 1.17 en 1.24). Weer iets later worden de erfpachtrechten verleend op de percelen (bewijsmiddelen 1.18 , 1.28 en 1.29).
Deze gang van zaken wordt door de stellers van het middel niet betwist. Wel wordt betwist dat dit kan worden gekwalificeerd als oplichting, want – zo menen zij – hetgeen hiervoor is beschreven, levert om de in de toelichting op het middel weergeven redenen niet het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels op. Ik zie dit anders. Wat mij betreft, kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat de verdachte en haar medeverdachte(n) de publiekrechtelijke rechtspersoon Land Aruba een valse voorstelling van zaken hebben gegeven en zo deze rechtspersoon hebben bewogen tot de afgifte van de (opties op) erfpachtrechten. Wat betreft de rol van de verdachte gaat het Hof ervan uit dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een schijnconstructie en zich heeft voorgedaan als een betrouwbare erfpachter.
Wat betreft deze valse hoedanigheid merk ik het volgende op. Hoewel de stellers van het middel terecht naar voren brengen dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat in de optie-aanvragen namens de rechtspersonen [A] en [B] is vermeld dat de verdachte zelf de projecten zou gaan ontwikkelen, blijken uit de bewijsmiddelen voldoende feiten om te kunnen concluderen dat de verdachte de valse hoedanigheid van betrouwbare erfpachter heeft aangenomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat namens ‘lege’ rechtspersonen waarvan de verdachte enig aandeelhouder was, genaamd [B] . en [A] , aanvragen zijn ingediend voor opties op erfpachtrechten. De verdachte heeft alleen al door de namen van beide rechtspersonen valselijk de indruk gewekt dat deze rechtspersonen zelf projecten zouden ontwikkelen. De verdachte heeft aldus de schijn gewekt dat zij (en daarmee de rechtspersonen namens wie de aanvragen zijn ingediend) slechts een erfpachtrecht wilden verkrijgen om een bepaald project daadwerkelijk te ontwikkelen, zoals een betrouwbaar erfpachter zou doen. De werkelijkheid was anders. De rechtspersonen beschikten op het moment van aanvraag over middelen noch bezittingen om de projecten te ontwikkelen. Zij waren, zoals het Hof ook overweegt, ‘leeg’. De verdachte heeft de aanvragen enkel gedaan met het oog op grondspeculatie en die aanvragen – naar aanleiding van wensen van beoogde kopers van de aandelen in de rechtspersonen – vervolgens aangepast. Het Hof kon dus oordelen dat de verdachte de valse hoedanigheid van een betrouwbare erfpachter heeft aangenomen.
Daarnaast geldt dat feitelijke handelingen die door de verdachte zijn begaan in het kader van het indienen van de aanvragen en het goedkeuringsproces als listige kunstgrepen kunnen worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van een schijnconstructie. Er werd immers de schijn gewekt dat de rechtspersonen namens wie de aanvragen werden gedaan beschikten over de kennis en mogelijkheden om de projecten te ontwikkelen, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was. De rechtspersonen waren leeg en als directeuren zijn door de verdachte aangesteld haar 19-jarige dochter (bewijsmiddelen 1.10 en 2.1) en iemand die in de herinnering van medeverdachte [betrokkene 1] eerder als werkster voor de verdachte had gewerkt (bewijsmiddelen 5.18 en 5.20). Dit gaat, anders dat de stellers van het middel veronderstellen, verder dan een ‘enkele misleidende feitelijke handeling’.
De bewezenverklaring is wat betreft de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen aldus toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk noch getuigende van een onjuiste rechtsopvatting. Ook van grondslagverlating is geen sprake.
Het middel faalt.
5. Het derde middel
Dit middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 1 dat de verdachte de oplichting met [betrokkene 1] en/of de DIP heeft medegepleegd.
Bij de bespreking van dit middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang (met weglating van voetnoten):
“4.1 Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 8] :
A: Ik ben bij de DIP begonnen in 2001 als beleidsadviseur.
V: Waarom bent u bij de DIP vertrokken?
A: Ik heb met verschillende ministers gewerkt, ik weet hoe zij denken en wat zij proberen te doen. Met minister [medeverdachte 1] had ik het gevoel dat hij niet voor het volk werkte, maar voor een groep mensen. Door de jaren heen zag ik telkens dat we echter alleen zijn mensen moesten helpen. Ik was vanaf 2010 tot april 2014 belast met de commerciële terreinen.
Op een gegeven moment heb ik aangegeven dat ik niet kon werken op de manier dat [betrokkene 1] wilde. Op een gegeven moment kreeg ik het gevoel dat het niet goed ging. Ik ben toen gaan klagen. Ik moest bijvoorbeeld ook een advies schrijven terwijl ik de stukken niet had ingezien. Ik kreeg toen geen projecten meer en werd in de hoek gezet.
Als ik weigerde een positief advies uit te geven, kon [betrokkene 1] dit zelf ook doen, want hij wist ook hoe het moest. [betrokkene 1] zei mij dan, stuur mij alle stukken en dan zou hij het zelf wel doen. In het algemeen stelde [betrokkene 1] dan een positief advies op als ik het niet wilde doen. Hij was de enige persoon die dit kon doen, naast mij. Ik heb nooit positieve adviezen opgesteld als de zaken niet klopten, maar [betrokkene 1] wel.
Soms zag ik ook adviezen die alleen [betrokkene 1] tekende, dat snapte ik dan niet. De adviezen moesten eigenlijk getekend worden door het gehele managementteam. Soms vroeg ik bijvoorbeeld ook aan [betrokkene 19] over een zaak en dan zei zij dat zij er niets vanaf wist en dat ik [betrokkene 1] moest vragen. [betrokkene 1] werkte dus ook soms apart van het managementteam.
O: Aan de getuige werd een brochure van de DIP getoond (D-325), voor de uitgifte van een optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden.
V: Wat kunt u hierover vertellen?
A: Dit is een korte versie van het beleid dat gold toen ik bij de DIP werkte. De aanvrager moet die zeven genoemde punten indienen. We kijken dan of het past binnen het overheidsbeleid en binnen het ROP qua locatie. Het grote struikelblok was de financiering. Bij commerciële erfpachten moesten wij zeker weten dat de optiehouder wel een financiering zou krijgen. We wilden grondspeculatie voorkomen, daarom had ik dit beleid ook opgesteld.
V: Hoe was de relatie tussen [betrokkene 1] en minister [medeverdachte 1] ?
A: [betrokkene 1] bepaalde alles binnen het DIP gebeurde. Ik weet wel dat zij een goede afstemming hadden. Ik kan bijvoorbeeld de conclusie trekken over snelheid van de toestemming van de minister. Normaal gesproken, bij een positief advies, duurde het minimaal een week om de toestemming van de minister te krijgen. Bij [betrokkene 1] gebeurde dit echter nog op dezelfde dag soms binnen een paar uur. Daarvoor moest [betrokkene 1] wel close zijn met de minister en weten hoe zijn schema was, want ministers zijn erg druk.
Proces-verbaal 2e verhoor [getuige 8] :
V: In hoeverre waren er vergaderingen omtrent aanvragen of projecten met betrekking tot commerciële terreinen tussen de DIP en [medeverdachte 1] ?
A: Er waren vergaderingen, maar ik als teamcoördinator was daar niet bij, Er waren vergaderingen tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] . [betrokkene 1] was een liaison tussen het bureau van de minister en de DIP. [betrokkene 1] was heer en meester bij de DIP, alles moest via hem. Af en toe waren er ook vergaderingen tussen de minister en het managementteam, maar meestal alleen met [betrokkene 1] . Deze vergaderingen vonden plaats op het bureau van de minister.
Het duurt normaal gesproken lang om het akkoord van de minister te krijgen. Als je wilde dat jouw zaak snel zou gaan, moest je regelen dat je snel een handtekening en akkoord van de minister kon krijgen. Mensen probeerden daarvoor afspraken met de minister te krijgen. Maar een minister is erg druk, dus je hebt niet zomaar een afspraak met de minister.
Soms schreef [medeverdachte 1] echter aan het DIP "gaarne advies", dan wisten wij dat de minister advies wilde en dat wij moesten kijken of het overeenkwam met het ROP en dergelijke. Hierop staat echter al dat de minister akkoord geeft, dus hij wilde hier geen advies over.
Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 8] :
De instructie “akkoord conform” geeft ons geen ruimte om te toetsen aan het beleid. Als er niet “akkoord conform” zou staan zouden we negatief adviseren gezien het gebrek aan informatie. De accordering van de minister maakte het verschil in uitkomst.
V: Zijn er voorwaarden verbonden om een positief advies/Ministeriele Beschikking met karakter van 'SPOED' te kunnen uitgegeven?
A: Op zich niet, maar als we wisten dat de minister het op dat moment wou doet onze administratie de stempel van SPOED erop. Maar nogmaals, snel voor ons is een week. Dezelfde dag is ook met SPOED niet normaal.
V: Dus zo'n SPOED stempel komt op instructie van de minister?
A: Ja hij is de enige die dat aan ons kon vragen.
Proces-verbaal verhoor [getuige 8] bij de rechter-commissaris:
De pre optiefase is een belangrijke fase, waarin serieuze en niet serieuze mensen worden gefilterd.
Voor mij betekende het “akkoord, gaarne uw medewerking” een instructie, ik moest daar dan wat mee doen. Voor mij was het wel degelijk een instructie en niet alleen kijken of hij geholpen kon worden. Bij “gaarne uw medewerking” was er ruimte voor mij om de aanvraag te toetsen. Bij “akkoord, gaarne uw medewerking” kon ik nog wel toetsen, maar dat was heel moeilijk. Ik zou een contra advies kunnen uitbrengen, maar dat was eigenlijk onbegonnen werk.
Proces-verbaal verhoor [getuige 1] :
V: We willen het hebben over de procedures. Wat weet u over de reguliere procedure met betrekking tot gronduitgifte voor commerciële terreinen?
A: Het staat allemaal in de brochure die op onze website staat. Ik zie dat u de brochure voor u heeft. Het is eigenlijk een standaard beleid wat al jaren ingevoerd is, al in 2008. Het probleem is niet dat er geen beleid is, het probleem is dat men zich niet aan het beleid houdt.
De minister gaf in een dag een akkoord. De regels van behoorlijk bestuur geven aan dat hij op zijn minst diensten moet vragen om advies. Dat is ook de procedure. [betrokkene 1] , die toen werkte voor de DIP, maakte vervolgens de optie op.
Proces-verbaal 1ste verhoor getuige [betrokkene 2] :
Op 1 december 2018 ben ik directeur geworden bij de DIP. Ik wil het over commerciële erfpacht hebben. Toen ik binnen kwam bij de DIP in 2018 ben ik gaan inventariseren. Ik kreeg een lijst met gevallen waarmee wij bezig zijn om terreinen in te trekken. Ik vroeg mij af waarom men terreinen wilde intrekken. Men vertelde mij dat veel van de terreinen
niet op de juiste wijze waren gegeven aan personen. De terreinen waren leeg en er werd niet gebouwd. Dat heet 'het speculeren van terreinen'. Men wil het hebben om door te verkopen. Bij de DIP vertelden ze mij dus dat het plat was en de terreinen werden gegeven aan mensen aan wie ze het wilden geven. Het ging allemaal om geld. Opvallend is dat er steeds bepaalde namen terugkomen. Dan heb ik het over de familie [verdachte] en [medeverdachte 2] .
Vroeger kon je een briefje sturen naar de minister. Op diezelfde dag was die brief bij de DIP en op dezelfde dag kreeg diegene een optie, een akkoord. In het verleden werd niet aan de optievoorwaarden voldaan en werd de grond doorverkocht. Ook kreeg men oneigenlijke verlengingen.
O: In een folder van het DIP met de naam 'optie ten behoeve van projecten voor commerciële, toeristische en industriële doeleinden' staat het volgende over de optieverlening:
Verzoeker dient allereerst een verzoek te richten aan de minister van Onderwijs, Sociale zaken en Infrastructuur door tussenkomst van de directeur van de Directie Infrastructuur en Planning ter verkrijging van het recht van erfpacht.
V: Kunt u eens uitleggen wat hiermee bedoeld wordt en hoe dit gaat?
A: Klopt. Het verzoek, de aanvraagbrief, voor een terrein moet naar de minister van Infrastructuur. De directeur van de DIP krijgt ook de aanvraagbrief. Met tussenkomst bedoelen ze dat als ik (het Hof begrijpt: als directeur van de DIP) een aanvrager gesproken heb, ik diegene doorverwijs naar de minister. Zodat diegene daar zijn aanvraagbrief inlevert. Wat ze er ook mee bedoelen is dat de minister mijn advies vraagt. De aanvraag wordt ook bij de DIP geregistreerd. Dat is de reguliere procedure. Bij de vorige minister (het Hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) werd er direct een akkoord gegeven. Dat is wat ik gezien heb op brieven. Er werd geen advies gevraagd. Dat kan niet. Tenminste, niet als je als minister werkt volgens de deugdelijkheidsbeginselen, de beginselen van behoorlijk bestuur.”
De toelichting op het middel wijst uit dat volgens de stellers van het middel uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat medeverdachte [betrokkene 1] handelde op basis van dwingende instructies van de minister en dus niet als medepleger kan worden gekwalificeerd. Ik begrijp de stellers van het middel zo dat zij menen dat dit betekent dat [betrokkene 1] een willoos werktuig was en dus geen opzet had op het oplichten van het Land Aruba en dus niet kan worden aangemerkt als medepleger hiervan.
Over dit middel kan ik kort zijn, het faalt hoe dan ook. Enkel ingeval de rechter vaststelt dat de medeverdachte geen opzet heeft gehad, staat dit een veroordeling voor medeplegen in de weg. Hoewel ik toegeef dat op grond van de bewijsmiddelen niet met zekerheid is vast te stellen of [betrokkene 1] een welwillende participant was (en dus opzet had op de oplichting) of slechts iemand die uit zelfbehoud meeging in de werkwijze van de minister, kan niet worden gezegd dat het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] geen opzet heeft gehad op de oplichting. De hiervoor weergegeven getuigenverklaringen, waaruit blijkt dat de DIP wel kon toetsen aan het beleid, maar dit niet deed, wijzen eerder in de andere richting. Ik wijs er in dit verband op dat [betrokkene 1] – over wie [getuige 8] heeft verklaard dat hij alles bepaalde binnen de DIP, close was met de minister en adviezen opstelde in zaken “die niet klopten” (bewijsmiddelen 4.1 en 4.2) – heeft meegewerkt aan het verwerken van aanvragen van (opties op) erfpachtrechten waarvan hij wist dat ze niet volgens de normale procedure werden verstrekt.
Bovendien is in de onderhavige zaak bewezenverklaard dat de verdachte heeft samengewerkt met een of meer anderen ( [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] ). Zelfs als wordt aangenomen dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat [betrokkene 1] geen opzet heeft gehad en dus niet als medepleger kan worden aangemerkt, omdat de minister hem ‘dwingende’ instructies heeft gegeven, doet dit aan de bewezenverklaring van het medeplegen van de oplichting niet af. De handelingen van [betrokkene 1] kunnen in dat geval worden toegerekend aan de minister en, via het medeplegen, ook aan de verdachte. Met andere woorden, voor de bewezenverklaring van het medeplegen van de oplichting van het Land Aruba maakt dit geen enkel verschil, zodat de verdachte geen belang heeft bij cassatie.
Het middel faalt.
6. Het vierde middel
Het vierde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het Land Aruba als professionele partij de oplichting had moeten doorzien.
Voor de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik hier de al onder randnummer 2.3 weergegeven motivering van de verwerping van dit verweer. Het Hof heeft in zijn bewijsoverwegingen overwogen:
“In zijn algemeenheid geldt, naar vaste rechtspraak, dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van oplichting mede van belang is of het slachtoffer de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid in acht heeft genomen (zie: ECLI:NL:HR:2011:BQ8600, NJ 2012/279). Daarbij kan ook een rol spelen, zoals aangevoerd, de eigen gedragingen en kennis van zaken van het slachtoffer (zie: ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2016/157) die ertoe had(den) moeten leiden dat het slachtoffer de gegeven onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Hof overweegt dat het Land als professionele partij moet worden beschouwd en dat moet worden toegegeven dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot. Wat daarvan verder ook zij; er is in het onderhavige geval geen sprake van dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Het Land mag er immers op vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd. De verdachten hebben echter misbruik gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, zoals hiervoor is overwogen. Daarbij heeft [verdachte] andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Kortom, de verdachten hebben er naar het oordeel van het Hof alles aan gedaan om het Land te misleiden en, gelet op alle omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het Land de oplichting had moeten doorzien.”
Het Hof heeft de verwerping van het verweer aldus mede gestoeld op de omstandigheid dat het Land erop mag vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van de ambtseed die hij heeft afgelegd. Dat heeft de minister niet gedaan. Integendeel, hij heeft samen met de verdachte op slinkse en listige wijze het Land opgelicht, waarbij de verdachte andere personen heeft gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren teneinde te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de (opties op) de erfpachtrechten indiende.
De stellers van het middel menen dat nu uit de bewijsvoering van het Hof blijkt dat de DIP geheel passief bleef en klakkeloos optierechten afgaf als de minister daartoe instructie gaf, het kennelijke oordeel van het Hof “dat (het Land in de vorm van) de DIP - niettegenstaande de (te veronderstellen) professionaliteit van de instantie en de (bijbehorende) mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de DIP aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen - toch is bewogen tot de afgifte van de in de bewezenverklaring omschreven stukken” nadere uitleg behoeft.
De stellers van het middel miskennen met hun klacht echter dat het Hof heeft onderkend dat het door het Land gecreëerde beleid ten aanzien van de uitgifte van erfpachtrechten en de uitvoering daarvan ernstig tekortschoot, maar dat dit nog niet maakt dat het Land gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Daarbij weegt het Hof mee dat het Land (en daarmee ook de DIP) erop mag vertrouwen dat de minister integer handelt op grond van onder meer de ambtseed die hij heeft afgelegd, maar dat de verdachten misbruik hebben gemaakt van dat vertrouwen en op slinkse en listige wijze hebben gehandeld. Daarbij heeft de verdachte andere personen gebruikt om als directeur van de vennootschappen te fungeren om te verhullen dat zijzelf de aanvragen voor de erfpachtrechten indiende. Daarmee is de verwerping van het verweer door het Hof toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
7. Het vijfde middel
Het vijfde middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte tezamen en in vereniging meermalen het Land Aruba heeft bewogen tot afgifte van een overeenkomst tot vestiging van erfpacht, zoals onder 1 is bewezenverklaard. In de toelichting wordt daartoe aangevoerd dat de verdachte haar aandelen van de vennootschappen namens wie een aanvraag was ingediend steeds na het vestigen van het optierecht heeft verkocht.
De stellers van het middel miskennen met hun klacht dat bewezen is verklaard dat de verdachte de oplichting heeft medegepleegd. Daarvoor is enkel vereist dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met haar medeverdachte(n) bij de oplichting van het land en daaraan een intellectuele dan wel materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Dat is in de onderhavige zaak wat mij betreft het geval. De verdachte heeft namens vennootschappen waarmee zij kan worden vereenzelvigd, aanvragen ingediend voor (opties op) erfpachtrechten. Uit de gang van zaken die hierna heeft plaatsgevonden (het voortrekken van de aanvragen door de minister en [betrokkene 1] , het tussentijds wijzigen van de aanvragen op verzoek van de uiteindelijke koper van de aandelen in de vennootschap dan wel het na het verlenen van de optie niet toetsen van ingediende stukken en het daarna verlenen van de uiteindelijke erfpachtrechten) ligt wat mij betreft besloten dat is gehandeld volgens een gezamenlijk plan, dan wel dat gezamenlijk is opgetreden met een gemeenschappelijk doel. Dit betekent dat het medeplegen toereikend is gemotiveerd. De verdachte heeft een essentieel aandeel gehad in de verwezenlijking van dit plan, namelijk het via vennootschappen indienen van de aanvragen. Het uiteindelijk verlenen van de erfpachtrechten was ook onderdeel van dit plan en ook in deze fase werd gesjoemeld met de aanvragen, zo blijkt uit de bewijsvoering. Ik wijs er in dit verband op dat in ieder geval ten aanzien van [A] blijkt dat de stukken die zijn ingediend in de fase na het verlenen van het optierecht zagen op de bouw van een carwash, terwijl de verleende optie zag op een luxe appartementencomplex en winkelruimten en dat dus niet was voldaan aan de optievoorwaarden, terwijl het erfpachtrecht toch is verleend. Tegen deze achtergrond is niet van belang dat de verdachte de aandelen in deze vennootschappen na het verlenen van de opties op erfpachtrechten, maar nog voor het verlenen van het recht van erfpacht aan deze vennootschappen, heeft verkocht aan derden.
Het middel faalt.
8. Het zesde middel
Het zesde middel richt zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de onder 3 bewezenverklaarde omkoping dat de verklaringen van [getuige 2] voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
In zijn bewijsoverwegingen ten aanzien van de omkoping heeft het Hof – voor zover hier van belang – overwogen:
“Daarnaast vinden de verklaringen van [getuige 2] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Zo wordt haar verklaring ondersteund door de telefoongegevens, waaruit blijkt dat [getuige 2] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [verdachte] , die direct daarna de vrouw van [medeverdachte 1] heeft opgebeld. Dat [getuige 2] later in haar verhoor bij de Landsrecherche heeft verklaard dat zij twee keer naar [verdachte] heeft gebeld, doet daar niet aan af, temeer nu de vrouw van [medeverdachte 1] niet heeft ontkend dat [getuige 2] op enig moment bij haar aan de deur is geweest en wel na haar terugkeer uit Miami. Daar komt bij dat [getuige 2] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht dat de vrouw van [medeverdachte 1] niet wist dat zij eraan kwam, omdat het heel lang duurde voordat de vrouw van [medeverdachte 1] naar buiten kwam, hetgeen overeenkomt met de duur van het gesprek tussen [verdachte] en de vrouw van [medeverdachte 1] .
Uit de bevindingen van de Landsrecherche blijkt ook dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de vrouw van) [medeverdachte 1] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [A] door [verdachte] . Op 11 november 2015 is er een ‘share purchase agreement’ gesloten met betrekking tot de verkoop van de aandelen in [A] door [verdachte] aan [betrokkene 13] . Uit de bevindingen van de bankrekeningen van [verdachte] is gebleken dat twee dagen later op de Amerikaanse bankrekening van [verdachte] een voorschot wordt betaald van $ 40.000,-. Vrijwel onmiddellijk na het storten van dit bedrag wordt een bedrag van $ 24.000,- contant opgenomen van deze rekening van [verdachte] . De contante geldopname van een fors bedrag in november 2015 en het twee maanden later (op 21 januari 2016) overhandigen van een envelop met geld, past daarmee goed in de tijdlijn.
De verklaring van de vrouw van [medeverdachte 1] dat zij een envelop met lootjes aan [getuige 2] heeft meegegeven, past daarentegen niet in deze tijdlijn. Als de vrouw van [medeverdachte 1] lootjes in Miami had gekocht voor [verdachte] , dan zou dat in november/begin december 2015 moeten zijn geweest, want op dat moment was zij volgens de radexgegevens in Miami. [verdachte] heeft desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij lootjes inkocht in Miami en dat deze lootjes twee dagen voor de eerste trekking kunnen worden gekocht. Er zijn meerdere trekkingen per week. De meeste mensen kopen volgens [verdachte] een lot dat geldig is voor drie trekkingen. Ook de lootjes die door de raadsvrouw van [verdachte] ter terechtzitting zijn overgelegd, betreffen lootjes die voor twee of drie trekkingen, en daarmee twee of drie dagen, geldig zijn. Volgens [verdachte] kopen ook veel mensen een lot dat geldig is voor drie weken of een maand. Gelet op deze verklaring acht het Hof het niet aannemelijk geworden dat [verdachte] op 21 januari 2016 [getuige 2] naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd om lootjes op te halen, die de vrouw van [medeverdachte 1] ongeveer twee maanden eerder – toen zij in Miami was – zou hebben meegenomen. Het Hof wordt bovendien in die overtuiging gesterkt doordat [verdachte] bij de Landsrecherche stellig heeft ontkend dat zij [getuige 2] ooit naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd, en [verdachte] pas ter terechtzitting – en dus ná de verklaring van de vrouw van [medeverdachte 1] dat [getuige 2] bij haar woning is geweest om lootjes op te halen – overeenkomstig heeft verklaard.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het Hof wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] [getuige 2] naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de vrouw van [medeverdachte 1] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [A] .”
Voor de bespreking van dit middel zijn de volgende bewijsmiddelen van belang (met weglating van voetnoten):
“2.5 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek historische printgegevens aan de hand van verklaring [getuige 2] :
Uit de analyse van de verkregen historische printgegevens van de drie telefoonnummers, bleek dat op 21 januari 2016, tussen 12:10 uur en 12:21 uur, diverse telefonische contacten werden geregistreerd tussen het nummer van [getuige 2] ( [telefoonnummer 001] ) en twee aansluitingsnummers van [verdachte] , namelijk [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 002] en kort hierna tussen het aansluitingsnummer [telefoonnummer 002] en [ telefoonnummer 004] te 12:23 uur. Het mobiele telefoonnummer [ telefoonnummer 004] was/is vermoedelijk in gebruik bij de echtgenote van de toenmalig Minister [medeverdachte 1] en tevens verdachte in onderzoek Avestrus, [betrokkene 14] e.v. [medeverdachte 1] .
[…]
Proces-verbaal verhoor [getuige 2] van 10 september 2020:
Ik werkte 6 jaar voor [verdachte] . Ik heb vanaf 2010 tot 2016 voor haar gewerkt. Ik was een soort ‘personal assistent’ van [verdachte] .
Ik zag al het gedoe met terreinen. Ik noemde het 'terreinenfeest' (fiesta di tereno). ‘Terreinen feest’ in die zin van dat ik documenten ophaalde waarin ik zag dat bepaalde meters vermeld stonden. Verder stond ook vermeld over hoeveel terreinen beschikbaar waren en voor hoeveel ze verkocht konden worden. Ik moet zeggen dat ik zelf geld zag binnenkomen. Ik heb ook zelf geld weggebracht. Het was namelijk een feest waarbij niet alleen [verdachte] betrokken was maar ook meerdere mensen. Het grootste huis waar ik geweest was, was namelijk die van deze [medeverdachte 1] . Ik had namelijk een enveloppe met geld daar voor hem gebracht. De reden waarom ik dit zeg is omdat je geen document in een enveloppe stopt, in vieren vouwt en dichtmaakt. Het was namelijk een best wel dikke enveloppe. Ik zei van toen 'oké, er is een feest maar ik ben niet uitgenodigd.'
Het terrein dat aan mij werd gezegd dat ik deel zou nemen en dat mij geïllusioneerd heeft, was dat dat ten zuiden van [J] lag. Het betrof een vrijwel groot terrein. Ik werd door [verdachte] benaderd met het verzoek om een bedrijf op mijn naam te richten. Ik vroeg aan haar wat dat was. [verdachte] zei van nee, dat het een bedrijf is dat zij met spoed moest oprichten. Ik zei van 'oke, spoed, in welke zin? Wat is het?'. Zij antwoordde mij dat ik gewoon het bedrijf voor haar moest oprichten en klaar. Ik zei van 'nee, ik moet worden uitgelegd wat het precies inhoudt. Ik werd 25% door [verdachte] aangeboden. Het zou dan 25% van de winst zijn. Maar op dat moment had ik mij bedacht dat als ik eigenaar ben van een bedrijf moest ik de helft daarvan krijgen. Ik heb hierna niets meer van haar gehoord. Het was in dezelfde periode dat de 'terreinen feest' gaande was. Dat was in de periode 2013-2014. Ja, want het was hetzelfde terrein waarvan gezegd werd dat ik een deel van zou krijgen. Ik weet dat dat terrein zeker verkocht werd. Tevens was ik op dat terrein geweest. Het was dat ene ten zuiden-oosten van [J] . Als ik me niet vergis, staat de kledingwinkel [I] nu daarop.
Tevens herinner ik mij dat de naam ‘ [A] ’ veel in het kantoor genoemd werd. Ik herinner mij dat [verdachte] aangaf dat zij een bouwbedrijf moet oprichten om terreinen te verkopen want anders zou het terrein niet verkocht worden. In zeer korte tijd werd het terrein verkocht. Iemand heeft [B] of [A] opgericht. Als ik me niet vergis, heeft [betrokkene 12] een van ze opgericht. [betrokkene 12] vroeg mij wat het was en wat zij moest doen.
(…) Ik herinner mij ook dat later, als ik me niet vergis, een tweede terrein verkocht werd. Ik moest toen op verzoek van [verdachte] een enveloppe naar het huis van [medeverdachte 1] brengen. Het was duidelijk dat geld daarin zat. De vrouw nam het over.
O: Oké, zo meteen komen we terug op dat gedeelte. Wij willen nog even over de eerste verkoop van het terrein van [I] . Je werd voor datzelfde terrein benaderd en verzocht om een bedrijf op te richten.
V: Klopt dat?
A: Ja, want dat terrein werd ik door [verdachte] beloofd dat als zij het zou verkopen dat bepaalde zaken geregeld zouden worden. Voor datzelfde terrein werd aan mij gevraagd om een bedrijf op te richten.
V: Hoe kwam zij aan dat terrein?
A: Nou ja, door documenten bij [medeverdachte 1] op te halen. Ik heb zelf persoonlijk zo’n 5 keren bij het Bestuurskantoor geweest om documenten op te halen.
V: Wat voor documenten ging je ophalen?
A: Het waren handtekeningen. Je hebt wel de kennis dat het om documenten gingen die te maken hadden met terreinen. Je zag namelijk de stempel en de handtekening van [medeverdachte 1] . [verdachte] stuurde mij om deze documenten te gaan ophalen. Ik zag dat de documenten wat over meter en kilometer inhielden. Vandaar kon ik concluderen dat de documenten over terreinen gingen. Het kan meer zijn maar het zijn drie keren waarvan ik zeker van ben dat het over terreinen gingen.
V: Waar bij het Bestuurskantoor ging je precies om die documenten op te halen? Ging jij direct naar [medeverdachte 1] ?
A: [verdachte] stuurde mij naar het Bestuurskantoor, bij de assistente om deze documenten op te halen. Ik weet de naam van de assistente echter niet. Het was in ieder geval een vrouw. Of wacht eventjes. (Opmerking verbalisanten: De getuige bleef stil. De getuige bleef nadenken) [betrokkene 4] . [betrokkene 4] correct? Ja. Zien jullie wel. Terwijl ik het verhaal vertel, komen de namen tevoorschijn. [betrokkene 4] , dat is haar naam. [betrokkene 4] en [verdachte] hadden regelmatig telefonische contacten met elkaar.
V: Wat allemaal had de dochter van [verdachte] , [betrokkene 6] , precies aan
jou gevraagd dat zij moest weten?
A: Zij vroeg aan mij wat zij als directeur van een bedrijf dat haar moeder had opgericht, allemaal inhield en of zij het geld dat op de rekening van de het bedrijf kon gebruiken. (…) Later kwam ik, tijdens een gesprek met haar, te weten dat zij directeur was van [B] .
O: We gaan even terug naar het huis van [medeverdachte 1] .
A: Ja, er moest een tweede terrein verkocht zijn. De reden waarom ik dit zeg, is dat ik door [verdachte] verzocht werd om een enveloppe naar het huis van [medeverdachte 1] weg te brengen. Ik vroeg aan haar waar hij woont. Zij legde mij het een en ander uit maar toen ik in de straat was, belde ik haar op. [verdachte] legde mij toen precies uit waar ik moest rijden om bij het huis te komen. Daar aangekomen, kwam een vrouw naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote van [medeverdachte 1] was. Zij was gekleed in huiskleding. Ik gaf die enveloppe aan haar en reed weg.
[verdachte] zei alleen tegen mij om het thuis bij de minister af te leveren. Het was een enveloppe zo dik als een hamburger. Dus logischerwijze zou je gaan denken dat het geld was dat daarin zat.
V: Waaraan koppel jij de enveloppe die je naar het huis van [medeverdachte 1] moest brengen? In de zin, had het te maken met de verkoop van een terrein of iets anders?
A: Ja. Want toen het dienstmeisje tegen mij zij dat een ander verkocht werd, vroeg ik aan haar of zij er zeker van was. Zij antwoordde mij van ja, want aan haar werd een reis naar haar land beloofd.
Zodoende nadat het dienstmeisje tegen mij zei dat een ander verkocht werd, werd ik door [verdachte] gevraagd of ik haar een gunst kon doen. [verdachte] zei: 'Bo por hiba e enveloppe aki na cas di meneer, na minister [medeverdachte 1] ?’ (Kan je deze enveloppe naar het huis van meneer, bij minister [medeverdachte 1] brengen?'. Vrije vertaling MARCHENA). Ik zei tegen haar van oke, waar moest ik het brengen. Zij legde mij uit waar, dus in de buurt van [plaats] . Een vrouw kwam naar buiten. Ik denk dat zij de echtgenote was want een dienstmeisje zou niet zo gekleed zijn. De vrouw nam het geld en liep terug naar binnen.
V: Hoe weet jij dat in de enveloppe geld zat?
A: Want die enveloppe was echt dik gevouwen. Dikker dan een hamburger. Die enveloppe was een lichtbruine en gevouwen. Je moet rekening houden dat een stapel geld
een soort etui vorm krijgt. Als je dat in een enveloppe zet en vouwt, wordt het wat dikker.
De envelop was ook met elastiekjes omwikkeld. Ik hield het vast in mijn hand en was ongeveer 7cm. De enveloppe had ongeveer de lengte en breedte van onze bankbiljetten. Ik was buiten in de auto met [verdachte] aan de lijn. Ik toeterde maar niemand kwam naar buiten. Toen ik iemand binnen het huis zag bewegen, verzocht ik aan [verdachte] om de persoon op te bellen dat ik buiten was.
Ik probeerde de enveloppe met inhoud wel met mijn handen op en neer te buigen die dan wat boog. Tevens rook het naar nieuwe bankbiljetten. Het had geld moeten zijn.
V: Met wie allemaal is/was [verdachte] goed bevriend?
A: [betrokkene 7] . Hij was eentje die haar heel veel thuis bezocht.
V: Met wie nog meer was [verdachte] bevriend die bij haar thuis op bezoek kwam?
A: Het was meer [betrokkene 7] die bij haar op bezoek kwam. [verdachte] is niet de type persoon die vrienden heeft.
V: Wat kan je over de relatie tussen [verdachte] en de AVP verklaren?
A: [verdachte] wordt betaald om goed van het partij AVP op de radio te praten. Dus je wordt betaald om het volk te kopen en te overtuigen voor mij te stemmen. Dus telkens als er een gat is, moet je ervoor zorgen dit via de radio dicht te maken. Dus als oproeper moet je ongeacht wat gebeurde ervoor zorgen dat je het volk overtuigt om voor AVP te stemmen. Dat deed zij ook. Zij verdedigde de politieke partij tegen alles.
A: [betrokkene 4] belde [verdachte] heel veel thuis op.
V: Wat was dan het onderwerp van de gesprekken tussen [betrokkene 4] en [verdachte] ?
A: Terreinen.
V: Heeft deze twee bedrijven, [B] en [A] , werkzaamheden op Aruba gedaan?
A: Nee. Zij werden blijkbaar opgericht met het doel die terreinen te verkopen. Dit werd namelijk door [verdachte] geuit, dus dat zij een constructiebedrijf moest oprichten om terreinen te verkopen. Ik werd ook benaderd om dit te doen.
V: Wat voor deskundigheid, kennis en ervaring in de constructie van projecten met commerciële en/of toeristische doeleinden en investeringsmiddelen beschikte [verdachte] , [betrokkene 6] en [betrokkene 12] als eigenaar en directeur van de bedrijven [B] en [A] om projecten op de verzochte terreinen destijds te gaan
ontwikkelen?
A: Geen enkel kennis en/of ervaring. Geen van de drie want [betrokkene 12] is een gepensioneerde.
Zij weet niets over constructie en/of commercieel. [betrokkene 6] was een simpele student op school. [verdachte] heeft ook geen kennis over projecten met een bepaald doel. Zij heeft geen kennis of deskundigheid om een commercieel winkelgebouw voor toeristen te bouwen.
O: Over die twee keren dat je het document bij het Bestuurskantoor bracht en kort daarna ondertekend terugkreeg.
V: Hoe wist je dat het document door [medeverdachte 1] ondertekend werd?
A: Ik wist dat het document op dat moment ondertekend werd omdat ik hiervoor bij het
Bestuurskantoor moest blijven wachten. Ik had de enveloppe met documenten niet geopend maar ik wist al van vooraf dat het document over terrein ging. Ik bleef toen ongeveer 10 minuten op het document wachten. Aan de hand van de eerdere keren dat ik documenten bij het bestuurskantoor wegbracht die daarna door [medeverdachte 1] ondertekend werden, trok ik mijn conclusie dat die 2 keren ook documenten aangaande terreinen op dat moment ondertekend werden door [medeverdachte 1] .
Proces-verbaal verhoor [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 31 augustus 2022:
Opmerking rechter-commissaris: de getuige zit in een transitie. Hij zal hierna als zij aangeduid worden.
Ik kreeg de envelop van [verdachte] en gaf de envelop aan de mevrouw die deur opendeed bij het huis van [medeverdachte 1] , dat was de vrouw van [medeverdachte 1] .
U vraagt mij hoe ik weet dat er geld in de envelop zat.
Ik zag die ochtend dat [verdachte] geld aan het tellen was en zij heeft toen aan mij gevraagd om het te brengen naar het adres van [medeverdachte 1] . Ik wist dus dat ik met geld op pad ging. [verdachte] had gezegd dat ik het aan de vrouw die de deur open zou doen moest geven. Dat was de vrouw van [medeverdachte 1] , want een dienstmeisje ziet er echt niet zo mooi uit. Het was een pakket dat zo hoog was als de lange kant van een sedula.
U vraagt mij of mevrouw [medeverdachte 1] wist dat ik zou komen.
Ik denk het niet, want het duurde lang voordat ze opendeed.
U vraagt mij of ik heb gezien dat er geld in de envelop
Nee. Ik zag dit in envelop iets zat wat precies de vorm en grootte van een geldbiljet heeft. Het was dus een dik pakket en er zat een elastiek omheen. Het zat in een normale envelop. Ik ben er zeker van dat er geld in zat, want ze waren die ochtend geld aan het tellen.
[…]
Proces-verbaal 3e verhoor verdachte [betrokkene 14] van 28 mei 2021:
A: Verder was een werknemer van [verdachte] bij mij thuis geweest. Hij was een gay jongen.
O: [getuige 2] werd in onderzoek Avestrus gehoord.
A: Is het de gay jongen waarover jullie het nu hebben? De jongen die bij mij thuiskwam, was een travestiet en gay. Hij is een jongen die dameskleding draagt en die zijn nagels verft.
O: Uw omschrijving van de jongen klopt.”
Art. 385 lid 3 SvA is gelijkluidend aan art. 342 lid 2 Sv. Deze bepaling verbiedt de rechter het bewijs van een tenlastegelegd feit uitsluitend te baseren op de verklaring van slechts één getuige. Daar is in de onderhavige zaak geen sprake van. De verklaringen van [getuige 2] vinden, zoals het Hof terecht heeft overwogen, onder meer steun in de tot het bewijs gebezigde historische gegevens van de telefoonnummers in gebruik bij [getuige 2] , [verdachte] en de echtgenote van [medeverdachte 1] van 21 januari 2016. Dat [getuige 2] niet precies heeft verklaard dat zij op deze datum de enveloppe heeft langsgebracht, doet daar wat mij betreft niet aan af. Daarbij komt dat uit de bevindingen van de Landsrecherche volgens het Hof ook blijkt dat het tijdstip van het overhandigen van een envelop met geld aan (de echtgenote van) [medeverdachte 1] goed past in de tijdlijn van de verkoop van de aandelen in [A] door [verdachte] . Bovendien wijs ik erop dat blijkens bewijsmiddel 5.21 de echtgenote van [medeverdachte 1] heeft erkend dat [getuige 2] op bezoek is geweest. Gezien het voorgaande meen ik dat het oordeel van het Hof dat de verklaring van [getuige 2] voldoende wordt ondersteund door ander bewijs niet onbegrijpelijk is, noch ontoereikend is gemotiveerd, noch dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Ten overvloede merk ik nog op dat de stellers van het middel, voor zover zij menen dat steunbewijs moet discrimineren tussen het scenario waarin de verdachte schuldig is en een door de verdediging aangedragen alternatief scenario, een eis stelt die het recht niet kent.
Het middel faalt.
9. Het zevende middel
Het zevende middel valt uiteen in twee deelklachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het Hof twee processen-verbaal (bewijsmiddelen 2.1 en 2.5) voor het bewijs heeft gebezigd die een ontoelaatbare gissing en/of conclusie bevatten. Ten tweede wordt geklaagd dat het Hof heeft geoordeeld dat de overdracht van een geldbedrag door [getuige 2] aan de echtgenote van [medeverdachte 1] heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016.
Voor de beoordeling van de eerste deelklacht zijn de volgende bewijsmiddelen van belang (met weglating van voetnoten):
“2.1 Proces-verbaal relatie [verdachte] en diverse verdachten:
In een inbeslaggenomen computer uit de woning van [medeverdachte 1] kwam naar voren dat [verdachte] , samen met haar familie, bestaande uit haar dochter [betrokkene 6] , haar [broer] en zijn familie, samen met [medeverdachte 1] en zijn familie, tussen 12 en 18 mei 2010 naar Miami reisden en in New York waren. Uit onderzoek naar de opgevraagde reisgegevens bleek dat [medeverdachte 1] en zijn gezin en [verdachte] en haar dochter tussen 12 en 18 mei 2010 naar en van Miami reisden. Zij zaten namelijk op dezelfde vlucht met de vlieglijn American Airlines. Hierna bleek dat allen op dezelfde vlucht, m.u.v. [medeverdachte 1] die een dag eerder naar Aruba terugreisde, op 18 mei 2010 met de American Airlines naar Aruba terugreisden. In de computer werden meerdere foto's aangetroffen waarop de [medeverdachte 1] en zijn gezin samen met [verdachte] , haar dochter en [broer] staan afgebeeld in Manhattan te New York.
Uit een in de woning van [medeverdachte 1] inbeslaggenomen telefoon vermoedelijk in gebruik bij [betrokkene 14] , bleek dat van 5 t/m 12 oktober 2013 [medeverdachte 1] en zijn gezin, [verdachte] en haar familie, op vakantie waren op een cruiseschip genaamd 'Oasis of the Seas'. Op foto's van deze cruise in deze telefoon waren [betrokkene 14] en [verdachte] te zien. Uit opgevraagde reisgegevens bleek ook dat zij in die periode reisden naar en van Miami. In de contactlijst van deze telefoon stond [verdachte] / [telefoonnummer 1] ingedeeld onder de groep 'vrienden’.
[…]
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek historische printgegevens aan de hand van verklaring [getuige 2] :
Uit de analyse van de verkregen historische printgegevens van de drie telefoonnummers, bleek dat op 21 januari 2016, tussen 12:10 uur en 12:21 uur, diverse telefonische contacten werden geregistreerd tussen het nummer van [getuige 2] ( [telefoonnummer 001] ) en twee aansluitingsnummers van [verdachte] , namelijk [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 002] en kort hierna tussen het aansluitingsnummer [telefoonnummer 002] en [ telefoonnummer 004] te 12:23 uur. Het mobiele telefoonnummer [ telefoonnummer 004] was/is vermoedelijk in gebruik bij de echtgenote van de toenmalig Minister [medeverdachte 1] en tevens verdachte in onderzoek Avestrus, [betrokkene 14] e.v. [medeverdachte 1] .
Ten aanzien van de eerste klacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen slechts blijkt dat het daarin genoemde telefoonnummer (ik begrijp: [ telefoonnummer 004] ) vermoedelijk in gebruik is bij de echtgenote van [medeverdachte 1] . Dit betekent volgens de stellers van het middel dat uit het vonnis van het Hof niet kan worden afgeleid dat “het wettig en overtuigend heeft bewezenverklaard dat dit telefoonnummer inderdaad bij [medeverdachte 1] echtgenote in gebruik was”. In dit verband merken de stellers van het middel op dat uit het proces-verbaal zelf niet volgt op basis van welke feiten en omstandigheden het telefoonnummer ‘vermoedelijk’ aan [medeverdachte 1] echtgenote toebehoort.
Uit artikelen 382 lid 1 onder c en 385 lid 1 SvA (die woordelijk overeenkomen met artikelen 339 lid 1 onder 3 en 342 lid 1 Sv) kan worden afgeleid dat een getuigenverklaring enkel als bewijsmiddel kan dienen voor zover deze een mededeling van feiten of omstandigheden inhoudt, welke de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Dit geldt ook voor een in een proces-verbaal opgenomen verklaring van een verbalisant, zoals in de onderhavige zaak het geval is. Dit betekent dat een geschrift dat meningen, gissingen en conclusies van de verbalisant bevat, niet een wettelijk bewijsmiddel oplevert. Maar de grens tussen het waarnemen van feiten, het doen van gissingen, het verkondigen van meningen en het trekken van conclusies is niet heel scherp. Dat een getuige of verbalisant een slag om de arm houdt in zijn verklaring betekent niet dat de verklaring een gissing behelst. De Hoge Raad heeft tegen die achtergrond aanvaard dat verklaringen waarin enige twijfel doorklinkt voor het bewijs worden gebezigd. Ook van belang voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een waarneming of ongeoorloofde gissing/conclusie is de mate waarin de ‘conclusie’ volgt uit de door de verbalisant genoemde feiten en omstandigheden. Bovendien speelt mee de rol die de verklaring van de verbalisant in het geheel van de bewezenverklaring vervult. Is deze cruciaal in de bewijsconstructie, dan zal eerder van een (ontoelaatbare) gissing of conclusie sprake zijn.
Anders dan de stellers van het middel meen ik niet dat de in de deelklacht bedoelde processen-verbaal gissingen of een ongeoorloofde conclusie bevatten. De verbalisant heeft op basis van het feit dat de telefoon in beslag is genomen in de woning van [medeverdachte 1] , het feit dat hierop foto’s staan van een vakantie van het gezin van [medeverdachte 1] en van [verdachte] en dat in de contactenlijst het nummer van [verdachte] stond ingedeeld onder de groep ‘vrienden’ afgeleid dat de telefoon vermoedelijk in gebruik was bij de echtgenote van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 2.1). Een op basis van feiten en omstandigheden gebaseerd vermoeden is mijns inziens iets anders dan een gissing. Verder is in bewijsmiddel 2.5 gerelateerd dat het mobiele telefoonnummer [ telefoonnummer 004] vermoedelijk in gebruik is bij de echtgenote van [medeverdachte 1] . Het Hof heeft vervolgens met zijn overweging dat uit de telefoongegevens blijkt dat “ [getuige 2] op 21 januari 2016 heeft gebeld met [verdachte] , die direct daarna de vrouw van [medeverdachte 1] heeft opgebeld” zelf vastgesteld dat de telefoon in gebruik was bij de echtgenote van [medeverdachte 1] . Daarbij is van belang dat de verklaring van [getuige 2] dat zij, toen zij voor het huis van [medeverdachte 1] stond te wachten, [verdachte] heeft gebeld en heeft gevraagd om iemand te bellen en naar buiten te sturen waarop een vrouw naar buiten kwam naadloos aansluit bij de telefoongegevens als ervan wordt uitgegaan dat het nummer in gebruik was bij de echtgenote van [medeverdachte 1] . Voor zover al sprake zou zijn van een ongeoorloofde gissing/conclusie in het proces-verbaal, dan kan deze worden vereenzelvigd met de niet onbegrijpelijke door het Hof gemaakte gevolgtrekking, zodat het middel ook in dat geval geen doel treft. Ik wijs er bovendien op dat ter terechtzitting door de verdediging niet is betwist dat de telefoon in gebruik was bij de echtgenote van [medeverdachte 1] . In de pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte is namelijk aangevoerd dat uit de historische gegevens blijkt dat er op 21 januari 2016 is gebeld tussen [getuige 2] en [verdachte] en dat hierop een lang gesprek volgde tussen de echtgenote van [medeverdachte 1] en [verdachte] , maar dat niet blijkt waar [getuige 2] al dan niet zou zijn toen deze nummers werden gebeld, omdat in het dossier geen mastgegevens te vinden zijn.
Wat betreft de klacht dat het oordeel van het Hof dat op 21 januari 2016 een geldoverdracht heeft plaatsgevonden onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat uit de verklaring van [getuige 2] niet blijkt op welke datum zij een envelop naar het huis van [medeverdachte 1] heeft gebracht.
Wat mij betreft, kon het Hof uit de verklaring van [getuige 2] over de gang van zaken bij het afleveren van de enveloppe in combinatie met de telefoongegevens van 21 januari 2016 afleiden dat de overdracht moet hebben plaatsgevonden op deze datum. Dit feitelijke oordeel, dat in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk. Dat de ontkennende verklaring van de echtgenote van [medeverdachte 1] niet als bewijsmiddel is gebezigd, doet daar niet aan af. Hierop is de bewezenverklaring immers niet gestoeld en het Hof was dus ook niet gehouden deze verklaring als bewijsmiddel te gebruiken, noch met een voldoende mate van precisie aan te duiden aan welk wettig bewijsmiddel deze gegevens zijn ontleend.
Het middel faalt.
10. Het achtste middel
Het achtste middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer ten aanzien van feit 3 dat de verklaringen van [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en over het oordeel van het Hof dat het op 21 januari 2016 overhandigen van een envelop met geld ‘goed in de tijdlijn’ past.
Het Hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom het de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar acht. Deze is gedetailleerd en wordt op punten ondersteund door telefoongegevens, aldus het Hof. Wat betreft de overweging van het Hof dat gezien de contante geldopname in november 2015, het overhandigen van een enveloppe met geld op 21 januari 2016 goed in de tijdlijn past, volg ik de stellers van het middel niet in hun oordeel dat de verwerping van het verweer van de raadsvrouw “voor een belangrijk deel op deze vaststelling” berust. Deze overweging moet worden gezien als het sluitstuk op de in de twee voorgaande rechtsoverwegingen weergegeven argumentatie inzake de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige. In het licht van de grote mate van vrijheid die de feitenrechter geniet bij beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen acht ik zijn oordeel niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
11. Het negende middel
Het negende middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 3 dat de verdachte de minister een gift deed met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, tot het afgeven van een Ministeriële Beschikking waarbij een optierecht wordt verleend en tot het aangaan van een overeenkomst met [A] tot vestiging van erfpacht.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“Feit 3 (ambtelijke omkoping)
zij in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 mei 2016 te Aruba de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling Integratie en Infrastructuur, [medeverdachte 1] , een gift deed, namelijk een geldbedrag, zulks met het oogmerk om voormelde Minister te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen, namelijk
- de afgifte van een Ministeriele Beschikking waarbij een optierecht op de percelen gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] werd verleend en
- het aangaan van een overeenkomst met [A] tot vestiging van erfpacht op de percelen gelegen te [plaats] kadastraal bekend als [T1] en [T2] .”
Art. 2:128 lid 1 SrA luidt als volgt:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
a. hij die een ambtenaar zelf of een ander een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt met het oogmerk om de ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;
b. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet dan wel een dienst verleent of aanbiedt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door deze ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.”
De stellers van het middel menen dat het oogmerk tot omkoping niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, omdat slechts een temporeel verband blijkt tussen de verkoop van het terrein (via de aandelenoverdracht) en het afleveren van de envelop met daarin het geldbedrag. Ik zie dit anders en zal dit hieronder toelichten.
Uit de bewijsvoering blijkt, zoals reeds aangegeven, van een tussen de verdachte, de minister en [betrokkene 1] bestaande gecoördineerde praktijk van het voortrekken van aanvragen van aan de verdachte gelieerde vennootschappen. Als deze eenmaal in het bezit waren van een optierecht op erfpacht, verkocht de verdachte de aandelen in deze (verder ‘lege’) rechtspersonen zeer winstgevend. In de periode tussen het verlenen van het optierecht aan [A] (op 11 november 2015) en het verstrekken van het erfpachtrecht (in april 2016) is een geldbedrag door [getuige 2] overhandigd aan de echtgenote van [medeverdachte 1] . [getuige 2] heeft hierover het volgende verklaard:
“Ik herinner mij ook dat later, als ik me niet vergis, een tweede terrein verkocht werd. Ik moest toen op verzoek van [verdachte] een enveloppe naar het huis van [medeverdachte 1] brengen. Het was duidelijk dat geld daarin zat. De vrouw nam het over.”
en
“Ja, er moest een tweede terrein verkocht zijn. De reden waarom ik dit zeg, is dat ik door [verdachte] verzocht werd om een enveloppe naar het huis van [medeverdachte 1] weg te brengen.”
Op basis van het voorgaande heeft het Hof geoordeeld dat “wettig en overtuigend [is] bewezen dat [verdachte] [getuige 2] naar de woning van [medeverdachte 1] heeft gestuurd, waar zij een envelop met geld aan de echtgenote van [medeverdachte 1] heeft gegeven, die de envelop ook heeft aangenomen, en dat dit geldbedrag is gegeven in ruil voor het uitgeven van een optie-/erfpachtrecht aan [A] .”
Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Het voorgaande duidt erop dat sprake was van meer dan een temporeel verband tussen de verkoop van de aandelen in [A] en de betaling aan de minister. Gezien de malversaties van de verdachte, de minister en [betrokkene 1] bij het toekennen van de (opties op) erfpachtrechten en het feit dat de verdachte hieraan veel geld heeft verdiend, kon het Hof oordelen dat het cash geldbedrag dat de verdachte bij de minister heeft laten bezorgen in diezelfde periode verband hield met de uitgifte van de beschikkingen en subsequente verkoop van de aandelen.
Het middel faalt.
12. Slotsom
Alle middelen falen. Het eerste tot en met het vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Voor het zesde tot en met het negende middel ligt dit niet in de rede, nu deze middelen gaan over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG