PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00563 P
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de betrokkene
1. Inleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 7 februari 2024 (parketnr. 21-004466-21) het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 september 2021 (parketnr. 16-705493-16) bevestigd met overneming van gronden. Bij dit vonnis heeft de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 861.227,50, de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van datzelfde bedrag en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/00562. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan “medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en “medeplegen van het een gewoonte maken van het plegen van witwassen”. De betrokkene was de bestuurder, directeur en eindverantwoordelijke van [A] , een stichting die zorg verleende in het kader van het persoonsgebonden budget (hierna: PGB). De [medebetrokkene 10] was de adjunct-directeur van [A] . Bewezenverklaard is dat de betrokkene samen met [medebetrokkene 10] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [A] valselijk opmaken van facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren ten behoeve van de cliënten [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] waardoor PGB-gelden zijn uitgekeerd, terwijl aan deze cliënten in het geheel geen zorg was verleend. Ook is bewezenverklaard dat de betrokkene samen met [medebetrokkene 10] geldbedragen van € 353.825,-, € 213.872,- en € 129.950,- heeft witgewassen.
Het eerste middel dat in cassatie is voorgesteld bestaat uit drie deelklachten. De eerste daarvan bestrijdt de vaststelling dat Achmea bij 48 cliënten ongeregeldheden heeft geconstateerd. De tweede deelklacht houdt in dat het niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het in hoger beroep gevoerde verweer nagenoeg identiek is aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd. De derde deelklacht komt op tegen het geheel aan de betrokkene toerekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede middel gaat over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het eerste middel en houdt in dat het tweede middel slaagt.
3. Het eerste middel
Het middel bevat drie op zichzelf staande deelklachten. De eerste daarvan komt op tegen de begrijpelijkheid van vaststelling dat Achmea bij 48 cliënten ongeregeldheden heeft geconstateerd. De tweede deelklacht houdt in dat het niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat het in hoger beroep gevoerde verweer nagenoeg identiek is aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd. De derde deelklacht richt zich tegen het geheel aan de betrokkene toerekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is in de strafzaak onder meer veroordeeld voor – kort gezegd – medeplegen van het feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak bevestigd. De door het hof bevestigde overwegingen uit het ontnemingsvonnis houden onder meer in (met weglating van verwijzingen):
“3 BEOORDELING VAN DE VORDERING
De grondslag van de vordering
De grondslag voor een ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan. Daarnaast kan ook worden gelet op strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).
De veroordeelde is bij vonnis van 29 september 2021 van deze rechtbank, voor zover van belang, onder meer veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
medeplegen aan het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
Dit strafbare feit ziet - kort gezegd - op het in de periode van januari 2013 tot en met december 2013 valselijk laten opmaken van facturen, verantwoordingenformulieren en urenregistratieformulieren over de periode januari tot en met juni 2013 ten aanzien van twee cliënten: [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] . De grondslag van onderhavige ontnemingsvordering ziet op voornoemd strafbaar feit. Naast deze veroordeling, geldt als grondslag voor onderhavige ontnemingsvonnis strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan. Het gaat dan om dezelfde strafbare feiten en in dezelfde periode, maar dan betreft het andere cliënten. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ (hierna: ontnemingsrapport) voldoende aannemelijk wordt, dat verdachte ook ten aanzien van de andere in het rapport genoemde cliënten (48 cliënten) valselijk facturen, verantwoordingenformulieren en urenregistratieformulieren heeft opgemaakt en hiervan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten neemt de rechtbank - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport en in het vonnis.
Periode
De rechtbank neemt bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, het voordeel betrekking hebbend op de periode van juli 2012 tot en met augustus 2014 tot uitgangspunt.
Berekening
Het zorgkantoor Achmea Zorgverzekeringen (hierna: Achmea) heeft aangifte gedaan tegen de [A] (hierna: [A] ) in verband met fraude met PGB-gelden. Bij 48 cliënten van [A] werden door Achmea onregelmatigheden geconstateerd in de verantwoordingsformulieren. Door Achmea is van tien cliënten een dossier aangeleverd waaruit de onregelmatigheden blijken.
[A] was in de periode van 23 juli 2012 tot en met juli 2014 een organisatie die zorg verleende in het kader van persoonsgebonden budget (hierna: PGB). Veroordeelde heeft [A] opgericht en heeft samen met een ander feitelijk leidinggegeven aan [A] .
In de strafzaak heeft de rechtbank bewezen verklaard dat over de periode van januari tot en met juni 2013 valselijk facturen, verantwoordingsformulieren en urenregistratieformulieren zijn opgemaakt ten behoeve van de cliënten [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] , waardoor PGB-gelden zijn uitgekeerd. Dit terwijl in het geheel geen zorg was verleend aan die [medebetrokkene 1] en [medebetrokkene 2] . Ten aanzien van de andere cliënten geldt dat aannemelijk is geworden dat er wel zorg is verleend, maar niet de volledig verantwoorde uren aan zorg. De uitgekeerde PGB-gelden voor uren zorg waar geen zorg tegenover heeft gestaan, betreffen het wederrechtelijk verkregen voordeel. Om uit te reken hoe groot dat deel is, wordt in het ontnemingsrapport eerst berekend hoeveel uren zorg zijn verantwoord in de periode van januari 2013 tot en met juni 2013, zonder dat daar zorg tegenover heeft gestaan. Dit is gedaan aan de hand van onder meer verklaringen van diverse medewerkers van [A] en verklaringen van de cliënten zelf. Vervolgens is per cliënt berekend wat het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt ten opzichte van het totaalbedrag wat met betrekking tot die desbetreffende cliënt door Achmea aan PGB-gelden voor zes maanden is toegekend in 2013. Vervolgens is met dat percentage, aan de hand van het bedrag dat per cliënt is overgemaakt aan [A] in de gehele periode, voor 10 cliënten berekend welk bedrag aan [A] is overgemaakt waar geen zorg tegenover heeft gestaan.
Hieronder wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel per cliënt weergegeven in de periode januari 2013 tot en met juni 2013.
Vervolgens is bekeken hoeveel PGB-gelden elke cliënt in de gehele periode (juli 2012 tot en met augustus 2014) in totaal heeft betaald aan [A] . Dat wordt in de vierde kolom in de tabel hieronder weergegeven.
Op basis van bovenstaande gegevens wordt ervan uitgegaan dat in ieder geval 37,9% (€ 273.524,30 /€ 721.375,73) van alle verantwoorde uren valselijk zijn verantwoord.
In totaal is door Achmea aangegeven dat bij 49 cliënten ongeregeldheden zijn geconstateerd in de verantwoordingsformulieren en zijn van al deze cliënten de PGB-gelden teruggevorderd. Door Achmea is een lijst met 49 namen van cliënten ter beschikking gesteld, waarbij dit in ieder geval is vastgesteld. Veroordeelde wordt niet vermeld op deze lijst, maar het is gebleken dat ook in zijn, verantwoordingsformulieren ongeregeldheden zijn vastgesteld.
Daarnaast wordt twee maal de naam [medebetrokkene 11] en de naam van [medebetrokkene 12] vermeld op de lijst. Per saldo blijven 48 cliënten over waar Achmea ongeregeldheden heeft geconstateerd.
In totaal is door deze 48 cliënten in de periode van 30 juli 2012 tot en met 8 augustus 2014 een bedrag van € 2.272.368,07 bijgeschreven op de rekening van [A] in verband met PGB-gelden. Uitgaande dat van dit bedrag 37,9% valselijk is verantwoord, bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel door [A] € 861.227,50.
[…]
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 861.227,50.”
De rechtbank overweegt in het door het hof bevestigde vonnis dat de voordeelsontneming is gebaseerd op art. 36e lid 2 Sr en voorts dat kan worden gelet op voordeel afkomstig uit “het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan” en “strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan”. Aangezien de strafbare feiten in deze zaak zijn gepleegd na 1 juli 2011 is art. 36e lid 1 t/m 3 Sr van toepassing zoals dat luidt sinds 1 juli 2011. Deze artikelleden houden sindsdien in:
“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat: a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of; b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.”
Opmerking vooraf
Hoewel hierover in cassatie niet wordt geklaagd, merk ik op dat de rechtbank enerzijds uitdrukkelijk art. 36e lid 2 Sr noemt en anderzijds een combinatie van de maatstaven van dat lid 2 en van lid 3 van art. 36e Sr lijkt toe te passen door te overwegen dat kan worden gelet op voordeel afkomstig uit “strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan”. Waar immers lid 2 betrekking heeft op strafbare feiten die door de veroordeelde zijn begaan, maakt de aannemelijkheidsmaatstaf juist onderdeel uit van lid 3. Het is echter wel degelijk van belang het onderscheid tussen beide artikelleden in het oog te houden. Het oordeel van de rechter dat “voldoende aanwijzingen” bestaan dat de betrokkene andere strafbare feiten in de zin van art. 36e lid 2 Sr heeft begaan mag niet door de rechter worden aangenomen als niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. Anders dan art. 36e lid 2 Sr stelt art. 36e lid 3 Sr niet de eis dat die “andere strafbare feiten” door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat (aannemelijk wordt dat) de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Nu de rechtbank in dit geval uitdrukkelijk art. 36e lid 2 Sr heeft aangehaald en verder niets heeft overwogen over of de feiten “op enigerwijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”, meen ik dat de overweging van de rechtbank dat kan worden gelet op “strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat de veroordeelde deze heeft begaan” zo moet worden begrepen dat is bedoeld: “andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan” in de zin van art. 36e lid 2 Sr. Daarbij wijs ik er nog op dat de maatstaf van voldoende aanwijzingen ondertussen niet een zwaarder vereiste impliceert dan de aannemelijkheidsmaatstaf maar dat het verschil tussen deze standaarden verwaarloosbaar is.
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht houdt zoals gezegd in dat het niet begrijpelijk is dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft overwogen dat per saldo 48 cliënten waar Achmea ongeregeldheden heeft geconstateerd overblijven, omdat “ingeval van twee dubbeltellingen op 49 per saldo 47 cliënten overblijven”.
Deze klacht moet stranden. In de onder 3.2 weergegeven overwegingen is namelijk vastgesteld dat in de door Achmea aangeleverde lijst met 49 namen van cliënten niet alleen tweemaal de naam [medebetrokkene 11] en de naam [medebetrokkene 12] was vermeld, maar dat op deze lijst ook de veroordeelde niet wordt vermeld, terwijl het is gebleken dat ook in zijn verantwoordingsformulieren ongeregeldheden zijn vastgesteld. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat de rechtbank is uitgekomen op 48 cliënten ten aanzien waarvan Achmea ongeregeldheden heeft geconstateerd.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat “[h]et verweer van de verdediging in hoger beroep […] nagenoeg identiek [is] aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd en waar de rechtbank op heeft gerespondeerd”. Dit oordeel is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk, omdat de verdediging in hoger beroep een beroep heeft gedaan op een eerst in hoger beroep beschikbare en afgelegde verklaring.
De rechtbank heeft in het vonnis de in eerste aanleg door de verdediging gevoerde verweren voor zover van belang als volgt samengevat en verworpen:
“2 VORDERING
[…]
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering in zijn geheel dient te worden afgewezen. De raadsman heeft hiertoe naar voren gebracht dat er geen grondslag is voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, nu hij in de strafzaak vrijspraak van de valsheid in geschrift heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een maximaal bedrag van € 120.542,19 kan worden bepaald. De rechtbank gaat in paragraaf 3.3 in op de concrete verweren van de verdediging.
[…]
Te bespreken verweren
Volgens de verdediging is de berekening van het aantal uren waar geen zorg tegenover heeft gestaan bij de hieronder genoemden cliënten gedaan op basis van feiten en omstandigheden die onvoldoende kunnen worden vastgesteld.
[medebetrokkene 2]
Volgens de raadsman kan ten aanzien van [medebetrokkene 2] niet worden vastgesteld dat zij in het geheel geen zorg heeft gehad van [A] , zeker nu zij wel getekend heeft voor de formulieren. Daarnaast blijkt uit getuigenverklaringen dat [medebetrokkene 2] verslaafd was aan drugs en hierdoor niet betrouwbaar is te noemen.
[…]
Ten aanzien van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over [medebetrokkene 2] , heeft de rechtbank in de strafzaak bewezen verklaard dat zij in zijn geheel geen zorg heeft ontvangen van [A] . De rechtbank acht de verklaring van [medebetrokkene 2] hierover betrouwbaar nu zij heel concreet verklaart welke twee bezoeken zij wel heeft gehad en wat daarin is gedaan. De rechtbank gaat ook in de ontnemingszaak daar vanuit.”
Het hof heeft in zijn arrest overwogen:
“Het verweer van de verdediging in hoger beroep is nagenoeg identiek aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd en waar de rechtbank op heeft gerespondeerd, inclusief de methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof zal de beslissing dan ook met overneming van die gronden bevestigen.”
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2024 blijkt dat de raadsman van de betrokkene daar het woord tot verdediging gevoerd heeft aan de hand van de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Volgens de stellers van het middel zijn voor de beoordeling van het middel de volgende onderdelen van deze pleitnota van belang:
“[medebetrokkene 2]
117. Zo wordt ten aanzien van de casus [medebetrokkene 2] al vrij gemakkelijk aangenomen dat er geen zorg is ontvangen door [medebetrokkene 2] omdat zij dit zelf zou hebben aangegeven. Dit is een onvoldoende bron om tot deze vaststelling te komen aangezien zij wel getekend heeft voor de formulieren.
118. Bij de aanvullende stukken van 22 januari 2024 is als bijlage 3 een verklaring van de [medebetrokkene 8] ingebracht, in welke verklaring de [medebetrokkene 8] duidelijk in gaat op de zorg die hij en [medebetrokkene 2] hebben gekregen in de periode van [A] . Dit staat haaks op de enkele verklaring van [medebetrokkene 2] in het dossier.
[…]
120. De berekening van het WVV kan derhalve niet vastgesteld worden zoals het O.M. heeft gedaan in de rapportage en het bedrag van EUR 18.205,20 aan te veel betaalde zorg is derhalve een onjuiste berekening.
121. Maar ook de voortbouwende methodiek van het O.M. om een percentage te berekenen van deze van valselijke zorg in het totaal aan toegekende PGB aan een cliënt - in casu [medebetrokkene 2] - is een onzorgvuldige en onjuiste methode.
122. In de visie van de verdediging zal concreet vastgesteld moeten worden dat ook in de periode voor én na week 1 tot en met week 26 van 2013 er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden. Dit kan niet enkel worden gebaseerd op de beweerdelijk geconstateerde onregelmatigheden van dat halfjaar.
123. Maximaal kan derhalve aan WVV worden meegenomen een bedrag ten aanzien van [medebetrokkene 2] van EUR 18.205,20 en de verdiscontering naar de totale PGB dient derhalve uit te blijven.
[…]
Conclusie
139. Geconcludeerd kan op basis van het voorgaande worden dat primair de vordering van het OM dient te worden afgewezen en subsidiair het WVV enkel op een maximaal bedrag van EUR 120.542,19 kan worden betrokken.”
De klacht komt erop neer dat het hof onjuist althans onbegrijpelijk heeft overwogen dat het in hoger beroep gevoerde verweer nagenoeg identiek is aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd. Daarbij wordt met de verwijzing naar “een eerst in hoger beroep beschikbare en overgelegde verklaring” onderbouwd waarom die overweging onjuist althans onbegrijpelijk zou zijn, maar wordt noch in het middel noch in de toelichting daarop geduid in welk opzicht de overweging van het hof – kort gezegd – een probleem zou zijn en waarom dit tot cassatie zou moeten leiden.
Waarop de stellers van het middel kennelijk doelen valt wel af te leiden uit de door hen voor het gehele middel geciteerde stukken waaronder passages van de pleitnota in hoger beroep. In die passages wordt in de kern het standpunt ingenomen dat niet kan worden aangenomen dat [medebetrokkene 2] geen zorg heeft ontvangen. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt betoogd dat de verklaring van [medebetrokkene 2] “een onvoldoende bron [is] om tot deze vaststelling te komen”. Daarnaast wordt gewezen op een verklaring van [medebetrokkene 8] waaruit zou blijken dat [medebetrokkene 2] wel zorg zou hebben ontvangen. Volgens de – in cassatie onbestreden – weergave van het verweer van de verdediging is in eerste aanleg eveneens betoogd dat “ten aanzien van [medebetrokkene 2] niet [kan] worden vastgesteld dat zij in het geheel geen zorg heeft gehad van [A] ”. Deze verweren komen dus op hetzelfde neer. De rechtbank heeft dit verweer gemotiveerd verworpen door erop te wijzen dat “de rechtbank in de strafzaak [heeft] bewezen verklaard dat zij in zijn geheel geen zorg heeft ontvangen van [A] ”, dat de rechtbank “de verklaring van [medebetrokkene 2] hierover betrouwbaar [acht] nu zij heel concreet verklaart welke twee bezoeken zij wel heeft gehad en wat daarin is gedaan” en dat de rechtbank hiervan ook in de ontnemingszaak uitgaat. Gelet hierop is het wat mij betreft niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat “[h]et verweer van de verdediging in hoger beroep […] nagenoeg identiek [is] aan wat de verdediging in eerste aanleg heeft aangevoerd en waar de rechtbank op heeft gerespondeerd”. Dat in hoger beroep is gewezen op de verklaring van [medebetrokkene 8] en in eerste aanleg niet, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat de verklaring van [medebetrokkene 8] is gebruikt als argument ter onderbouwing van het in eerste aanleg eveneens gevoerde verweer, terwijl de weerlegging van dit argument besloten ligt in de bevestiging door het hof van de overwegingen van de rechtbank. Kennelijk heeft het hof meer waarde gehecht aan de verklaring van [medebetrokkene 2] dan aan de verklaring van [medebetrokkene 8] . Deze beslissing over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal behoefde geen motivering, aangezien niet is gesteld dat ten aanzien hiervan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen.
De tweede deelklacht faalt.
De derde deelklacht
De derde deelklacht gaat over het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend. Geklaagd wordt dat uit de bewijsvoering in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak rechtstreeks voortvloeit dat voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. Zo zou hieruit blijken dat de [medebetrokkene 10] € 213.782,- heeft verkregen. Gelet hierop zou het niet begrijpelijk zijn dat het hof het behaalde voordeel geheel aan de betrokkene heeft toegerekend.
Bij de beoordeling van het middel is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:947 het volgende heeft vooropgesteld:
“2.3 De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van wat ten laste van de betrokkene in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak is bewezenverklaard, volgt dat de betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, hoeft niet eraan in de weg te staan dat de rechter het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene toerekent. Onder omstandigheden kan echter een nadere motivering vereist zijn om die toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als, in verband met wat door of namens de betrokkene op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd of gelet op wat uit de bewijsvoering in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak rechtstreeks voortvloeit met betrekking tot de verkrijging van voordeel door de verschillende daders, voldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld.”
De rechtbank heeft in het door het hof bevestigde strafvonnis dat met deze ontnemingszaak samenhangt, vastgesteld dat de betrokkene de bewezenverklaarde feiten heeft medegepleegd met [medebetrokkene 10] . Toch acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het door [A] wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 861.227,50 geheel aan de betrokkene heeft toegerekend. Daarbij is van belang dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. In de strafzaak is weliswaar vastgesteld dat “uit de bewijsmiddelen volgt […] dat [medebetrokkene 10] adjunct-directeur van [A] was en samen met verdachte alle betalingen verrichtte” en dat de betrokkene op de vraag wie de betalingen bij [A] verrichtte, antwoordde “dat hij [medebetrokkene 10] had gevraagd om alle girale betalingen te verrichten en dat heeft zij gedaan”, maar hieruit kan niet rechtstreeks worden afgeleid dat [medebetrokkene 10] ook geld afkomstig van de PGB-fraude heeft verkregen. Dat in de strafzaak is vastgesteld dat [A] onder de omschrijving “Hypotheek [medebetrokkene 10] ” een lening heeft verstrekt aan [medebetrokkene 10] ter hoogte van € 213.782,-, maakt naar mijn oordeel evenmin dat uit de bewijsvoering in de strafzaak rechtstreeks voortvloeit dat [medebetrokkene 10] voordeel heeft verkregen en dat voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. De verdediging heeft namelijk in de op de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2024 voorgedragen pleitnota over deze hypothecaire lening het volgende betoogd:
“108. Er is geen sprake van concrete gedragingen die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijke verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Immers, cliënt heeft aankopen gedaan met deze geldbedragen welke allemaal volstrekt herleidbaar zijn.
109. Zo is duidelijkheid over de geldleningen aan [medebetrokkene 10] en zijn deze gelden ook weer door [medebetrokkene 10] terug gestort op de bankrekening van [A] / [betrokkene] .”
Het hof hoefde naar mijn oordeel dus niet te motiveren waarom het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene wordt toegerekend. De derde deelklacht faalt eveneens.
Daarmee faalt het middel.
4. Het tweede middel
Het middel bevat de klacht dat de berechting van de betrokkene niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, nu de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Namens de betrokkene is op 20 februari 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 april 2025 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn met ruim zes maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM ook in dit opzicht is overschreden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting naar de gebruikelijke maatstaf te leiden.
5. Afronding
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het tweede middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen andere dan de hiervoor onder 4.2 weergegeven gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG