ECLI:NL:PHR:2026:150

ECLI:NL:PHR:2026:150

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 24/04428
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Poging tot grooming (art. 248e Sr (oud)). Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van de poging tot grooming. Het tweede middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het beroep op vrijwillige terugtred. Het derde middel betreft de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om een psychologisch onderzoek te doen verrichten. De AG meent dat de middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04428

Zitting 10 februari 2026

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte

1. Het cassatieberoep

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 december 2024 (20-003328-23) het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 december 2023 onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigd. Het hof heeft de verdachte wegens “poging tot door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, terwijl hij enige handeling onderneemt tot het verwezenlijken van die ontmoeting” (hierna: poging tot grooming), veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaar.

Volgens de vaststellingen van het hof heeft de verdachte op 14 maart 2022 meerdere seksueel getinte berichten gestuurd naar de toentertijd 15-jarige aangeefster die af en toe bij de verdachte thuis op zijn kinderen paste. De berichten hielden onder meer in dat hij seks met aangeefster wilde en dat zij “nou maar” moest komen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte een voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen met het minderjarige slachtoffer heeft gedaan, en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan een poging tot grooming.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van de poging tot grooming. Het tweede middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het beroep op vrijwillige terugtred. Het derde middel betreft de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om een psychologisch onderzoek te doen verrichten.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een begin van uitvoering van het delict grooming. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de tot het bewijs gebezigde berichten die de verdachte naar aangeefster heeft gestuurd niet blijkt dat hij een concreet voorstel voor een ontmoeting heeft gedaan.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“(subsidiair)

op 14 maart 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst, te weten WhatsApp, een persoon, te weten [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2006, van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting voor te stellen met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [aangeefster] te plegen en daartoe enige handeling te ondernemen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, die [aangeefster] de volgende berichten heeft gestuurd:

“Jij bent nog geen 18, 18 is de grens dat je mag doen wat je wilt, ik zou graag dingen met je doen die niet illegaal zijn, dus hebben we een probleem van 2 jaar" en

“Liefde Bedrijven Etc” en

“Ik denk dat het top wordt. Maar het is op het randje en risico.

“Kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel” en

“Kom nou maar” en

“Ik bedoel dat als we samen zijn het tot top ervaringen leidt" en

“Ik wil gewoon sex met je... hoop dat je het niet erg vindt”,

terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.”

De bewezenverklaring van dit feit steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 20 april 2022 (dossierpagina's 12 tot en met 16), voor zover inhoudende als verklaring (hof: cursief weergegeven) van [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 2006:

(dossierpagina 13)

Waarvan wil je aangifte doen?

- Dat hij seksuele appjes naar mij heeft gestuurd.

Tegen wie doe je deze aangifte?

- Tegen [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ). Hij woont op de [a-straat 1] in [plaats] .

Wanneer is dit gebeurd?

- In februari of maart 2022.

Nu wil ik jou uitnodigen om ons zoveel mogelijk in je eigen woorden te vertellen over wat er is gebeurd.

- Hij appte over het oppassen. Hij schreef ook dat het strafbaar zou zijn als hij iets met jongere meiden zou doen. Hij zou dan de pineut zijn. Hij schreef in elk geval ook nog dat hij seks met mij wilde.

(dossierpagina 14)

Wat weet [verdachte] van jouw leeftijd?

- Hij heeft gevraagd hoe oud ik was. Ik heb hem toen mijn leeftijd, 15 jaar, gezegd.

(dossierpagina 14/15)

Wat was volgens jou de bedoeling van zijn berichtjes?

- Dat ik naar hem zou komen.

(dossierpagina 15) Waarom?

- Hij schreef dat hij seks met mij wilde. Ik neem dan ook aan dat hij dat (het hof begrijpt: de avond van 14 maart 2022 waarop de hierna onder bewijsmiddel 2 vermelde WhatsApp berichten zien) van plan was. Hij vroeg ook of ik dat niet erg vond. Hij heeft (het hof begrijpt: de avond van 14 maart 2022 waarop de hierna onder bewijsmiddel 2 vermelde WhatsAppberichten zien) gestuurd dat ik moest komen. Voor mij was het duidelijk dat hij seks met mij wilde.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2022 (dossierpagina’s 18 en 19), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] :

(pagina 18)

De bij aangeefster [aangeefster] in gebruik zijnde telefoon, merk Apple, type IPhone SE werd onderzocht. Van de inhoud werd een digitale kopie vervaardigd. Door mij werd een onderzoek ingesteld aan de WhatsApp-messages op deze digitale kopie.

Bij dit proces-verbaal zijn vijf bijlagen gevoegd.

3. Een geschrift, te weten (als bijlage 2 bij het hiervoor onder 2 vermelde bewijsmiddel, betreffende) een weergave van een WhatsApp-conversatie tussen de verdachte en [aangeefster] op (onder meer) 14 maart 2022 (dossierpagina 21 tot en met 23), voor zover inhoudende:

(pagina 30)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna steeds: [verdachte]

)

Hoe oud ben je nu eigenlijk?

14-3-2022 21:54:49

(pagina 31)

From: [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net (owner) (het hof begrijpt hier en hierna steeds: aangeefster [aangeefster] )

To: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Bijna 16

14-3-2022 21:55:52

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Wow!

14-3-2022 56:31

(pagina 44)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Jezus [aangeefster]

14-3-2022 22:38:52

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Oké ik zal het duidelijk maken.

14-3-2022 22:39:14

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Jij bent nog geen 18

14-3-2022 22:39:22

(pagina 45)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Ik zou graag dingen doen met je

14-3-2022 22:40:52

(pagina 46)

From: [telefoonnummer 2] @s.whatsapp.net (owner)

To: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Zo als?

14-3-2022 22:42:21

(pagina 47)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Liefde

14-3-2022 22:43:14

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Bedrijven

14-3-2022 22:43:29

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Etc

14-3-2022 22:43:57

(pagina 48)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Ik denk dat het top wordt

14-3-2022 22:45:52

(pagina 49)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Heb je het ooit gedaan?

14-3-2022 22:47:07

(pagina 61)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel

14-3-2022 23:22:19

(pagina 64)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Kom nou maar

14-3-2022 23:32:38

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Ik bedoel dat als we samen zijn het tot top ervaringen leidt

14-3-2022 23:35:57

(pagina 65)

From: [telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]

Ik wil gewoon sex met je....hoop dat je het niet erg vindt

14-3-2022 39:58.

4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2024, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 14 maart 2022 de door uw hof voorgehouden WhatsApp-berichten heb gestuurd naar [aangeefster] . Ik kan begrijpen dat de berichten op [aangeefster] zijn overgekomen dat ik seks met haar wilde.

5. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting in eerste aanleg bij de rechtbank Oost-Brabant van 23 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte ter terechtzitting:

Op het moment dat ik deze berichten (het hof begrijpt: de op 14 maart 2022 aan [aangeefster] gestuurde Whats-Appberichten) verzond, bevond ik mij in mijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] .”

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

Juridisch kader 'grooming'

Tot 1 juli 2024 stelde artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ‘grooming’ strafbaar. Deze bepaling gold als omzetting van artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote (Trb. 2008, 58; Stb. 2009, 543). Thans is het delict opgenomen in artikel 251, eerste lid, sub c, Sr. De strafbepaling strekt ertoe het in de digitale wereld vatbaar maken van een minderjarige voor seksueel misbruik in de fysieke wereld strafbaar te stellen, zodat de focus ligt op de communicatiefase.

Van grooming als bedoeld in artikel 248e Sr is sprake indien er middels een geautomatiseerd werk aan iemand beneden de leeftijd van 16 jaren een ontmoeting wordt voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen, zulks indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting. Constitutief vereiste voor de bewezenverklaring van grooming is een voorstel tot een ontmoeting en een daaraan verbonden uitvoeringshandeling.

Het oogmerk van de dader moet (ook) zijn gericht op onder meer het plegen van ontuchtige handelingen (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 9). De dader moet blijk geven van de wil het ‘digitale misbruik’ te willen omzetten in fysiek misbruik (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 5, p. 2). Het doen van een voorstel dient te gebeuren met een bepaald oogmerk tot het plegen van ontucht (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 5, p. 2). Vereist is dat de communicatiefase, waarbij de dader het kind verleidt tot het delen van intimiteiten en op die wijze het kind in de digitale wereld vatbaar maakt voor seksueel misbruik in de fysieke wereld, uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting.

Blijkens de Memorie van Toelichting dient het oogmerk van de dader zich te kenmerken door een zekere vastheid, welke vastheid dient te blijken uit zijn uiterlijk waarneembare gedrag, zoals het bijvoorbeeld doen van een voorstel voor een ontmoeting, strekkende tot het verrichten/ondergaan van een seksuele handeling, welk voorstel moet zijn gevolgd door een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting (vgl. Kamerstukken II 2008/09, 31810, 3, p. 4 en 7). Artikel 23 van het Verdrag van Lanzarote spreekt van een ‘intentional proposal (...) for the purpose of (...)’ en ‘material acts leading to a meeting’.

Blijkens de Memorie van Toelichting kan van een poging tot grooming sprake zijn indien de communicatie heeft geleid tot het voorstel voor een ontmoeting maar geen handeling is ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, bijvoorbeeld wanneer de minderjarige niet ingaat op het voorstel voor een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te verrichten. In dat geval vormt het doen van het voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen een begin van uitvoering van het delict grooming (Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 3, p. 91

Naar het oordeel van het hof is het in het geval van een poging - mede gelet op de aard en het karakter van de strafbaarstelling - niet vereist dat de tijd en plaats van de ontmoeting geconcretiseerd zijn. Voor een voltooid delict is echter wel een ‘uitvoeringshandeling’ vereist die deze concreetheid behelst en daarmee geacht kan worden te zijn gericht op het realiseren van de ontmoeting. Die concreetheid vergt dan een voldoende mate van bepaaldheid om te kunnen komen tot een afspraak. De vraag of er sprake is van zo een ‘uitvoeringshandeling’ moet worden uitgelegd in de geest van de bepaling en wel zo dat het oogmerk van de dader concrete vormen aanneemt in materiële zin (vgl. Kamerstukken 1/2008/09, 31810,7, p. 7-8).

Feitelijke vaststellingen

Uit de bewijsvoering leidt het hof af dat de verdachte op 14 maart 2022 de toentertijd 15-jarige [aangeefster] seksueel getinte berichten heeft gestuurd. [aangeefster] paste bij tijd en wijle op de kinderen van de verdachte, bij hem thuis. Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte bekend was met haar leeftijd en in zijn berichten aan [aangeefster] mededeelt seks met haar te willen. Blijkens de redactie van zijn berichten in het licht van de context van het gesprek heeft de verdachte [aangeefster] getracht te bewegen om bij hem langs te komen, teneinde seks te hebben met haar. [aangeefster] is niet ingegaan op dit voorstel

Oordeel hof

Blijkens de feitelijke vaststellingen van het hof heeft de verdachte [aangeefster] berichten gestuurd, inhoudende dat hij seks met haar wilde hebben en sturend van aard, luidend dat zij ‘nou maar’ moest komen. Naar het oordeel Van het hof volgt hieruit echter niet zonder meer dat daarmee een (voor een bewezenverklaring van grooming noodzakelijke) materiële handeling is verricht gericht op het realiseren van die ontmoeting, nu tijd en plaats noch de verwezenlijking van zo’n afspraak met voldoende zekerheid uit de bewijsmiddelen zijn af te leiden. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden, zoals de rechtbank ook heeft gedaan.

Evenwel is er naar het oordeel van het hof - evenals de rechtbank van oordeel was - sprake van een poging tot grooming, nu de verdachte met het sturen van de berichten naar [aangeefster] , gelet op de inhoud en strekking daarvan, een concreet voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen met het minderjarige slachtoffer heeft gedaan, welk voorstel een begin van uitvoering is van het delict grooming.

In het vorenstaande ligt de weerlegging besloten van het verweer dat de door de verdachte gestuurde berichten aan [aangeefster] een onvoldoende concreet voorstel vormen om het geheel aan te merken als poging tot grooming. Het hof verwerpt mitsdien dit verweer.

Met betrekking tot de overige door en namens de verdachte gevoerde verweren heeft te gelden dat deze hun weerlegging vinden in de bewijsmiddelen en de overwegingen van het hof.”

Het juridische kader

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 248e Sr (oud). Deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:

“Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst aan een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt of iemand die zich, al dan niet met een technisch hulpmiddel, waaronder een virtuele creatie van een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, voordoet als een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een persoon die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken te vervaardigen, wordt, indien hij enige handeling onderneemt tot het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.”

Art. 248e Sr (oud) werd in 2010 ingevoerd ter implementatie van art. 23 van het Verdrag van Lanzarote. Voor de voltooiing van het doorgaans als ‘grooming’ aangeduide delict is vereist 1) dat door middel van een communicatiedienst een ontmoeting wordt voorgesteld aan iemand die jonger is dan 16 jaar (of aan iemand die zich als zodanig voordoet) met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, en 2) dat er vervolgens een handeling is ondernomen gericht op de verwezenlijking van die ontmoeting.

In de wetsgeschiedenis wordt onder grooming een voorbereidingshandeling van een ander zedendelict verstaan. De nadruk hierbij ligt op de communicatiefase, waarbij het kind in de digitale wereld vatbaar wordt gemaakt voor misbruik in de fysieke wereld. Over de vraag of ook een poging tot grooming strafbaar is waren de meningen in de literatuur aanvankelijk verdeeld. Poging tot voorbereiding is in beginsel immers niet strafbaar. Daar kwam bij dat in de wetsgeschiedenis is benadrukt dat een handeling verricht op het realiseren van de voorgestelde ontmoeting van wezenlijk belang is voor de strafwaardigheid, omdat er voor strafbaarheid “meer nodig [is] dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen” en dat “een zodanige verschuiving van de strafbaarheid naar de voorfase te ver [zou] voeren”.

In de memorie van toelichting bij de wet Computercriminaliteit III, waarbij art. 248e Sr (oud) op een ander punt werd gewijzigd, ging de minister in op de ontstane onduidelijkheid door te vermelden dat de strafbaarheid van de poging tot grooming niet bij wet is uitgesloten. Een dergelijke strafbare poging kan zich blijkens de toelichting voordoen “als de communicatie heeft geleid tot het voorstel voor een ontmoeting maar geen handeling is ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting”, bijvoorbeeld omdat de minderjarige niet op het voorstel is ingegaan of omdat een ouder bijtijds heeft ingegrepen. Het voorstel voor de ontmoeting vormt dan het begin van uitvoering van het delict grooming.

In het arrest van 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1736, NJ 2020/36 m.nt. Jörg, oordeelde de Hoge Raad dat de opvatting dat art. 248e Sr (oud) ook als pogingsvariant strafbaar is, juist is. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat Nederland in het ratificatietraject van het Verdrag van Lanzarote geen gebruikt heeft gemaakt van de mogelijkheid om de pogingsvariant van grooming niet strafbaar te stellen en omdat ook in art. 248e Sr (oud) niet is bepaald dat poging tot dit misdrijf niet strafbaar is.

Op de vervolgvraag, namelijk welke gedragingen als een begin van uitvoering van grooming kunnen worden aangemerkt, ging de Hoge Raad in dit arrest niet in. AG Paridaens deed daartoe in de voorafgaande conclusie wel een voorzet. Paridaens merkte op dat, gelet op de onder 2.7 genoemde wetsgeschiedenis ook voor een pogingsvariant van grooming zal moeten blijken dat de dader het voornemen had om het kind daadwerkelijk te ontmoeten met het oogmerk om ontuchtige handelingen te verrichten en dat de grens tussen een voltooide grooming en een poging tot grooming dus erg dun is.

Latere rechtspraak van de Hoge Raad biedt ook geen aanknopingspunten voor de vraag wanneer sprake is van een begin van uitvoering van grooming. In de feitenrechtspraak pleegt te worden aangenomen dat sprake is van een begin van uitvoering van het delict grooming als een voorstel is gedaan voor een ontmoeting.Daarmee wordt aangeknoopt bij de onder 2.8 aangehaalde wetsgeschiedenis, waarin wordt vermeld dat een strafbare poging tot grooming zich voordoet als aan het kind een voorstel is gedaan voor een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen, maar geen handeling is ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting.

Als ervan wordt uitgegaan dat het doen van een voorstel voor een ontmoeting met het oogmerk op ontucht als een begin van uitvoering van grooming is aan te merken, rijst de vraag welke mate van concretisering van dat voorstel vereist is. De feitenrechtspraak laat verschillende voorbeelden zien waarin de mate van concretisering als factor van belang wordt meegewogen bij de vraag of sprake is van een begin van uitvoering van grooming. Zo nam de rechtbank Overijssel bij een vrijspraak van poging tot grooming in aanmerking dat de verdachte geen specifieke plek en tijdstip voor een ontmoeting had voorgesteld. Die invulling wekt geen verbazing in het licht van de eerder aangehaalde opvatting van de wetgever dat er voor strafbaarheid meer nodig dan enkel het op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen.Anderzijds blijkt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat een voorgestelde ontmoeting voor het voltooide delict grooming niet noodzakelijkerwijs een concrete afspraak dient te behelzen.

Er zijn in mijn ogen goede redenen om de drempel voor een begin van uitvoering van grooming niet te laag te leggen. Het gaat hier immers om de poging van een zelfstandig strafbaar gestelde voorbereidingshandeling waardoor de grenzen van het strafrecht aanzienlijk worden uitgebreid. Dat hier voorzichtigheid is geboden weerklinkt ook in de literatuur. De strafbaarstelling van een poging tot zelfstandige voorbereidingshandelingen zoals grooming komt, zoals De Hullu en Van Kempen opmerken, wel erg ver van de daadwerkelijke schadelijke gevolgen af te staan. Dit levert in hun ogen een te grote spanning met het daadstrafrecht en het wederrechtelijkheidsbeginsel op. Ook Lindenberg en Wolswijk vragen zich af of een poging tot een delict dat in wezen een voorbereidingshandeling is wel onder het bereik van de strafwet moet vallen. Een dergelijke strafbaarstelling betreft al “de meest ver gaande vorm van criminalisering van de voorfase”, het is volgens de auteurs onwenselijk om daar vervolgens ook nog een pogingsconstructie aan vast te haken.

De beoordeling van het middel

In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat sprake kan zijn van een poging tot grooming indien de communicatie heeft geleid tot een voorstel voor een ontmoeting, maar geen handeling is ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting. Het doen van het voorstel tot een ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen te verrichten vormt in een dergelijk geval volgens het hof het begin van uitvoering van het delict. Verder heeft het hof overwogen dat in het geval van een poging tot grooming, mede gelet op de aard en het karakter van de strafbaarstelling, niet is vereist dat de tijd en plaats van de ontmoeting geconcretiseerd zijn. Dit oordeel wordt in cassatie als zodanig niet bestreden.

De in het middel verwoorde klacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte met het sturen van de berichten naar aangeefster, gelet op de inhoud en strekking daarvan, een concreet voorstel tot ontmoeting met het oogmerk ontuchtige handelingen met aangeefster te plegen heeft gedaan en dit gekwalificeerd heeft als een begin van uitvoering van het delict grooming.

Het hof heeft dit oordeel in de eerste plaats gebaseerd op de vaststelling dat de verdachte op 14 maart 2022 seksueel getinte berichten heeft gestuurd naar het 15-jarige meisje dat bij tijd en wijle bij hem thuis op zijn kinderen paste, en dat uit de tot het bewijs gebezigde berichten blijkt dat de verdachte op de hoogte was van haar leeftijd en haar (desondanks) heeft medegedeeld seks met haar te willen. In de tweede plaats heeft het hof aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de verdachte aangeefster heeft “getracht te bewegen om bij hem langs te komen, teneinde seks te hebben met haar”, waarbij het hof “de redactie van zijn berichten in het licht van de context van het gesprek” in aanmerking heeft genomen.

Gelet op de tot het bewijs gebezigde Whatsapp-conversatie (bewijsmiddel 3) waarin de verdachte meerdere seksueel getinte berichten naar aangeefster heeft gestuurd nadat zij desgevraagd had laten weten dat ze 15 jaar oud was (“ik zou graag dingen doen met je”, “Liefde” “Bedrijven”, “Heb je het ooit gedaan?”) en de daaropvolgende berichten, inhoudend “kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel”, “kom nou maar”, “ik bedoel dat als we samen zijn het tot top ervaringen leidt”, en “ik wil gewoon seks met je….hoop dat je het niet erg vindt”, meen ik dat het hof heeft kunnen oordelen dat hier sprake is van een begin van uitvoering van grooming. Maar ik geef toe dat ik het een randgeval vind.

Uit de vaststellingen van het hof blijkt weliswaar niet dat de communicatie tussen de verdachte en aangeefster tot een concrete afspraak op een specifieke tijd en plaats heeft geleid, maar de rechtspraak van de Hoge Raad biedt ook geen aanknopingspunten die erop wijzen dat dit is vereist. In dit geval geeft voor mij de doorslag dat de berichten die de verdachte heeft verstuurd meer bevatten dan enkel seksuele toespelingen. De berichten waren, zoals het hof heeft overwogen, sturend van aard. Ik wijs in het bijzonder op de berichten “kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel” en “kom nou maar”, die zowel voorafgegaan als gevolgd werden door expliciet seksueel getinte berichten. Daaraan heeft het hof kunnen ontlenen dat de verdachte een voorstel tot ontmoeting heeft gedaan en erop uit was seks met aangeefster te hebben. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de aangeefster soms bij de verdachte thuis op zijn kinderen paste, en dat zij dus op de hoogte moet zijn geweest van zijn adres.

Gelet op het voorgaande, is het oordeel van het hof dat sprake is van een begin van uitvoering van grooming niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat er geen sprake is van vrijwillige terugtred. De klacht betreft in het bijzonder de overweging dat de berichten die de verdachte de dag na het bewezenverklaarde naar de aangeefster heeft gestuurd “naar zijn aard en tijdstip niet geschikt” waren voor het aannemen van vrijwillige terugtred.

Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 november 2024 gehechte pleitnotities, blijkt dat de raadsman van de verdachte in hoger beroep onder meer heeft betoogd dat sprake was van vrijwillige terugtred. Daartoe is voor zover relevant aangevoerd dat de verdachte dat de verdachte de ochtend na het versturen van de berichten onmiddellijk aan aangeefster heeft geappt dat zijn berichten van de vorige dag niet correct waren. Dat de aangeefster het telefoonnummer van de verdachte op dat moment al had geblokkeerd staat een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred volgens de raadsman niet in de weg, omdat de verdachte daar op dat moment nog niet van op de hoogte was.

Het hof heeft het verweer van de raadsman van de verdachte als volgt samengevat en verworpen:

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat voor zover er sprake is van een poging tot grooming, de verdachte vrijwillig is teruggetreden. Aan dat verweer is ten grondslag gelegd dat nadat de verdachte de berichten had gestuurd, hij uit zichzelf en zonder externe beïnvloeding ‘trusten..x’ stuurde naar [aangeefster] . Het standpunt van de verdediging luidt dat daaruit volgt dat de verdachte daarmee vrijwillig teruggetreden is. De raadsman van de verdachte heeft tevens aangevoerd dat (een poging tot) grooming alleen kan worden ‘aangenomen’ als sprake is van een concreet voorstel en daarbij sprake moet zijn van (i) een langlopend proces waarbij een minderjarige wordt verleid en (ii) een situatie waarin verleiding plaatsvindt in een online setting waarin een onbekende het vertrouwen van een minderjarige poogt te winnen. Blijkens de pleitnota van de raadsman zou die context in deze zaak ‘niet aan de orde zijn’.

Juridisch kader vrijwillige terugtred

Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht. Het gaat niet erom of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten.

Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:109).

Feitelijke vaststellingen

Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte [aangeefster] meerdere seksueel getinte berichten heeft gestuurd. Zo heeft hij om 22:43 uur drie berichten gestuurd dat hij met [aangeefster] ‘de liefde etc wil bedrijven’. Om 23:22:19 uur heeft de verdachte het bericht gestuurd: ‘kom gewoon een keer langs dan krijg je een gevoel’. Om 23:32:38 uur schreef de verdachte ‘kom nou maar’ en om 23:39:58 uur heeft hij het bericht gestuurd: ‘Ik wil gewoon sex met je', waarna hij een kwartier later, om 23:54:49 uur ‘trusten...x’ heeft gestuurd.

Oordeel hof

Naar het oordeel van het hof is het sturen van het bericht ‘trusten...x‘ naar zijn aard en inhoud reeds niet geschikt om een geslaagd beroep te doen op vrijwillige terugtred. Het de volgende ochtend - zoals door de verdediging is benadrukt - spijt betuigen over de verzonden berichten, ook indien aannemende dat de verdachte ten tijde van het per WhatsApp versturen van de excuses er niet van op de hoogte was dat hij inmiddels door aangeefster was geblokkeerd, acht het hof naar zijn aard en tijdstip evenmin geschikt om nog een geslaagd beroep te doen op vrijwillige terugtred bij een poging tot grooming zoals hiervoor uiteengezet en bewezenverklaard. Het beroep op vrijwillige terugtred wordt aldus, zoals de rechtbank dat ook heeft gedaan, verworpen.”

Art. 46b Sr luidt als volgt:

“Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.”

Of gedragingen van de verdachte de conclusie rechtvaardigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een voltooide poging voor het aannemen van vrijwillige terugtred veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.

Het hof heeft het beroep op vrijwillige terugtred verworpen en daartoe overwogen dat het de volgende ochtend spijt betuigen over de verzonden berichten, naar zijn aard en tijdstip niet geschikt is om nog een geslaagd beroep te doen op vrijwillige terugtred bij een poging tot grooming. Dat geldt naar het oordeel van het hof evenzeer indien wordt aangenomen dat de verdachte er op dat moment niet van op de hoogte was dat hij door aangeefster was geblokkeerd.

Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ik merk op dat vrijwillige terugtred tijdig moet plaatsvinden zodat deze nog effect kan sorteren op het voltooien van het gronddelict. In dit geval blijkt uit de vaststellingen van het hof dat de aangeefster niet is ingegaan op de berichten die de verdachte haar heeft gestuurd en dat zij hem later kennelijk heeft geblokkeerd. Door die van de wil van de verdachte onafhankelijke omstandigheid was de voltooiing van de uitvoering van het misdrijf reeds belet. Dat de verdachte er de volgende ochtend, toen hij zijn verontschuldigingen heeft verstuurd, nog niet van op de hoogte was dat hij door aangeefster was geblokkeerd, doet daar niet aan af.

Het middel faalt.

4. Het derde middel

Het derde middel bevat de klacht dat het hof het (voorwaardelijke) verzoek tot het verrichten van een psychologisch onderzoek heeft afgewezen zonder inhoudelijk op de argumenten die door de verdediging aan het verzoek ten grondslag waren gelegd in te gaan.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2024 houdt voor zover relevant het volgende in:

“Op verdere vragen van de voorzitter verklaart de verdachte als volgt:

Ik zou een taakstraf kunnen uitvoeren. Ik wil graag stoppen met het drinken van alcohol, maar dat lukt mij niet. Ik heb daar misschien wel hulp bij nodig. Indien mij verplichte deelname aan een alcoholprogramma wordt opgelegd in plaats van een gevangenisstraf ben ik daarmee akkoord.

De raadsman geeft te kennen:

Op basis van het besproken reclasseringsrapport is bij cliënt sprake van een laag recidiverisico. U zegt dat die conclusie in wezen voornamelijk is gebaseerd op hetgeen verdachte zelf naar voren heeft gebracht. Mocht daar bij uw hof twijfel over zijn, dan doe ik het voorwaardelijk verzoek tot een nader onderzoek door het NIFP. Ik heb daarbij het oog op een psychologisch onderzoek naar de onderliggende problematiek van cliënt en naar de vraag of er een extra hulpverlenend kader noodzakelijk is. Gelet op de vragen van de voorzitter zou een mogelijkheid kunnen zijn om misschien toch het NIFP in te schakelen.

Op vragen van de voorzitter geeft de raadsman te kennen:

U vraagt mij naar mijn mening over de situatie waarin het NIFP zou zeggen dat zij geen conclusies kunnen formuleren omdat de verdachte ontkent. Cliënt ontkent niet volledig. Hij zegt dat zijn handelen onder invloed van alcohol is gestuurd. De betreffende berichten aan de aangeefster zijn expliciet, maar hij zegt alleen dat die in een andere context moeten worden geïnterpreteerd. (…)

De verdediging wil wel een juridisch punt naar voren brengen, maar indien uw hof een hogere straf zou overwegen, dan wordt het relevanter om nog eens extra goed te kijken of een nader onderzoek door het NIFP aangewezen is. Het feit is onder invloed van alcohol begaan en cliënt heeft kenbaar gemaakt hulp nodig te hebben om te kunnen stoppen met zijn alcoholgebruik. Dat aspect zou extra in kaart moeten worden gebracht. Ik handhaaf daarom mijn voorwaardelijk verzoek. Ik doe het verzoek nu en verwacht een beslissing daarop.

Op vragen van de oudste raadsheer geeft de raadsman te kennen:

Het door mij verzochte nadere onderzoek door het NIFP heeft inderdaad mede betrekking op de toerekeningsvatbaarheid van cliënt. Het klopt dat het de insteek van de verdediging is om strafvermindering te bepleiten via de verminderde toerekeningsvatbaarheid van cliënt, maar ook om een advies te verkrijgen over de vraag welke begeleiding hij nodig heeft. Cliënt heeft duidelijk gezegd dat hij moeite heeft met het stoppen van zijn drankgebruik. Hij werd daartoe getriggerd door een opmerking van de voorzitter die zei dat het slechts één referent is die is bevraagd. Dat is een terecht punt in dat kader. Als daar twijfel over bestaat, dan moet daar extra aandacht aan worden besteed. Ik doe het verzoek dus in voorwaardelijke zin: indien uw hof vindt dat het reclasseringsrapport onvoldoende is, dan bestaat de noodzaak tot een onderzoek door het NIFP.”

Het hof heeft het in het middel bedoelde verzoek als volgt samengevat en afgewezen:

“De raadsman van de verdachte heeft twee voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek gedaan, te weten een onderzoek naar het feit dat het slachtoffer de verdachte op WhatsApp heeft geblokkeerd alsmede een door het NIFP te verrichten onderzoek naar de persoon van de verdachte, beide voor zover het hof zich niet voldoende voorgelicht zou achten.

(…)

Het hof acht zich op basis van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep voldoende voorgelicht en ziet dan ook geen noodzaak om (een van) de verzoeken toe te wijzen.”

Het door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 18 november 2024 gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 lid 1 Sv en art. 415 lid 1 Sv om gebruik te maken van de in art. 315 lid 3, tweede volzin, Sv omschreven bevoegdheid. Bij de beoordeling van dergelijke verzoeken geldt als maatstaf of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.

De raadsman van verdachte had met het verzoek “het oog op een psychologisch onderzoek naar de onderliggende problematiek van cliënt en naar de vraag of er een extra hulpverlenend kader noodzakelijk is”. Als ik het goed begrijp heeft de raadsman aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte de berichten naar aangeefster onder invloed heeft verstuurd en dat door het NIFP in kaart moet worden gebracht of de verdachte hulp nodig heeft om te kunnen stoppen met zijn alcoholgebruik. Het verzoek is voorwaardelijk gedaan, namelijk alleen indien het hof het reclasseringsrapport onvoldoende zou achten.

Uit de onder 4.3 weergeven overweging blijkt dat het hof zich voldoende ingelicht acht en geen noodzaak ziet om het verzoek om een psychologisch onderzoek toe te wijzen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet gehouden. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat uit de strafmotivering blijkt dat het hof acht heeft geslagen op het reclasseringsadvies, en dat daaruit onder meer blijkt dat de verdachte hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik.

Het middel faalt.

5. Slotsom

De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?