ECLI:NL:PHR:2026:156

ECLI:NL:PHR:2026:156

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 25/02178
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering naar Albanië. Eerste middel bevat klacht dat uit uitspraak niet (genoegzaam) kan worden afgeleid voor welke feiten rechtbank uitlevering heeft toegestaan. Dit middel is terecht voorgesteld, maar HR kan dit verzuim herstellen. Tweede middel bevat klacht dat oordeel rechtbank omtrent verjaring feiten onbegrijpelijk is. Dit middel faalt gelet op inhoud bijlagen bij uitleveringsverzoek en omdat erop mag worden vertrouwd dat Albanese rechter verjaring heeft beoordeeld bij bevel voorlopige hechtenis jegens opgeëiste persoon. Conclusie strekt ertoe dat HR feiten waarvoor uitlevering is toegestaan, verduidelijkt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02178 U

Zitting 10 februari 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de opgeëiste persoon.

1. Inleiding

Bij uitspraak van 30 mei 2025 heeft de rechtbank Den Haag de uitlevering aan Albanië van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ten behoeve van de strafvervolging wegens “het in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit”.

Namens de opgeëiste persoon heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt dat uit de uitspraak niet (genoegzaam) kan worden afgeleid voor welke feiten de rechtbank de uitlevering heeft toegestaan.

De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

1 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

1.1 Het verzoek tot uitlevering

Bij brief van 4 februari 2025 heeft het Ministerie van Justitie van de Republiek Albanië aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland, een gewaarmerkt verzoek, gedateerd 4 februari 2025, met een vertaling in de Engelse taal, doen toekomen, strekkende tot uitlevering van de opgeëiste persoon voornoemd ter fine van strafvervolging (hierna ook: het uitleveringsverzoek).

Blijkens voormeld verzoek wordt de opgeëiste persoon in de Republiek Albanië verdacht van oplichting van meerdere personen. De Durres First Instance Court of General Jurisdiction heeft in het kader van deze verdenking op 14 juli 2023 de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon bevolen.

Bij brief van 4 maart 2025 van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), is verzocht het door de Republiek Albanië gedane verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

[…]

2. Het onderzoek ter zitting

[…]

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Namens de opgeëiste persoon is bepleit dat in deze zaak sprake is van een civiel geschil waarbij het niet gaat om strafrechtelijke oplichting of fraude, maar om civielrechtelijke wanprestatie. Wanprestatie is in Nederland geen strafbaar feit en dus is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, aldus de raadsman van de opgeëiste persoon. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat de zaak verjaard is, nu de bouw van het appartementencomplex blijkens de stukken is gestart in 2009 en de Albanese verjaringstermijn blijkens de ingestuurde stukken 10 jaar is.

[…]

Ne bis in idem en verjaring

Uitlevering van de opgeëiste persoon wordt ingevolge artikel 9 van de UW niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 april 2025 betreffende de opgeëiste persoon, is van een dergelijke situatie geen sprake.

Ook wordt ingevolge artikel 9 van de UW uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit dat is verjaard.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de zaak ten aanzien van het [slachtoffer 1] niet is verjaard, nu uit de stukken blijkt dat de verdenking van oplichting jegens dit slachtoffer betrekking heeft op de periode 2008-2013. Uitgaande van een verjaringsperiode van 10 jaar brengt dit de rechtbank tot het oordeel dat ten aanzien van dit onderdeel van de verdenking de uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard.

Voor de overige slachtoffers geldt dat naar Albanees of Nederlands recht geen sprake is van verjaring.

[…]

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Albanese autoriteiten van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit.”

Door de steller van het middel wordt ten eerste aangevoerd dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard “ter fine van strafvervolging ter zake van het in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit”, terwijl het uitleveringsverzoek zes bijlagen bevat en in die bijlagen meerdere feiten staan vermeld, zodat niet kan worden vastgesteld op welk feit of welke feiten de toelaatbaarheid ziet. De steller van het middel brengt ten tweede naar voren dat de uitspraak de onduidelijkheid oproept of de uitlevering ook toelaatbaar is verklaard voor de zaak van [slachtoffer 1] , niettegenstaande haar vaststelling dat daarin van verjaring sprake is.

Op grond van art. 28 lid 3 Uitleveringswet dient de rechter in zijn uitspraak de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, te vermelden.

Art. 12 lid 2 Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) luidt in de Nederlandse vertaling:

“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:

(a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;

(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; en

(c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, een verklaring aangaande het toepasselijke recht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de opgeëiste persoon, en alle andere inlichtingen die van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.”

Het uitleveringsverzoek in de onderhavige zaak gaat vergezeld van de volgende bijlagen:

“1. Request No. 702/6 Prot G.G dated 29.01.2025 of General Prosecution Office (2 pages in original)

2. Report dated 04.04.2024 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction (9 pages, certified copy of the original)

3. Order dated 14.07.2023 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction “For execution of the criminal decision” (2 pages, certified copy of the original)

4. Criminal Decision no. 384 dated 14.07.2023 of Durres First Instance Court of General Jurisdiction (13 pages, certified copy of the original)

5. ID, Personal Birth Certificate, Family Certificate of citizen [opgeëiste persoon] (3 pages, certified copy of orginal)

6. Text of applicable legal provisions (3 pages, certified copy of the original)”

Met bijlage 2 moeten de Albanese autoriteiten geacht worden te hebben voldaan aan de voorwaarde van art. 12 lid 2 onder b EUV. Uit deze bijlage bij het uitleveringsverzoek valt op te maken dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van het plegen van “Fraud”, meermalen gepleegd met ernstige gevolgen zoals bedoeld in art. 143/2/3 van het Albanese wetboek van strafrecht tegen “ [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] and [slachtoffer 11] etc.”. Vervolgens worden in de bijlage de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor vervolgingsuitlevering wordt verzocht nauwkeurig per slachtoffer uiteengezet.

De rechtbank heeft beslist dat de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard “ter fine van strafvervolging ter zake van het in de bijlagen bij het uitleveringsverzoek vermelde feit”. Nu het uitleveringsverzoek een overzicht bevat van de gevallen van “Fraud” waarvoor de uitlevering is verzocht, waaronder “Fraud” gepleegd tegen [slachtoffer 1] , terwijl de rechtbank in haar uitspraak heeft geoordeeld dat ten aanzien van de zaak betreffende het [slachtoffer 1] de uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard, voldoet de beslissing van de rechtbank niet aan de eis van art. 28 lid 3 UW. Zij bevat immers niet een voldoende duidelijke vermelding van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. De steller van het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie en een nieuwe behandeling door de Hoge Raad hoeft dit evenwel niet te leiden, omdat de Hoge Raad het door de steller van het middel naar voren gebrachte gebrek kan herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren op de hierna onder 4.3 van deze conclusie beschreven wijze.

In verband met die herstelmogelijkheid merk ik het volgende op. Uit de overwegingen van de rechtbank omtrent de zaak ten aanzien van het [slachtoffer 1] leid ik af dat de rechtbank ervan uitgaat dat in die zaak sinds 2013 een periode van meer dan tien jaren is verstreken, zodat in zoverre sprake is van verjaring naar Albanees recht. Nu het openbaar ministerie, als belangenbehartiger van de verzoekende staat, hiertegen niet in cassatie is opgekomen, laat ik hier buiten beschouwing dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is gelet op de door de Albanese autoriteiten overgelegde wettelijke bepaling omtrent verjaring (weergegeven in randnummer 3.3 van deze conclusie) en meen ik dat de Hoge Raad bij een verduidelijking van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, rekening dient te houden met het oordeel van de rechtbank over de verjaring van de zaak ten aanzien van het [slachtoffer 1] . Voor de uiteindelijke uitkomst van de strafzaak zal dit naar mijn inschatting overigens weinig tot geen verschil maken.

3. Het tweede middel

Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de feiten, met uitzondering van de zaak [slachtoffer 11] , niet zijn verjaard onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

In de kern wordt in de toelichting op het middel daartoe aangevoerd dat op basis van de stukken van het geding niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de zaken [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] geen sprake is van verjaring. Op zijn minst bestaat het vermoeden dat ook deze zaken zijn verjaard. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank vervolgens verzuimd (nader) onderzoek te doen naar de verjaring van die feiten.

Bij het uitleveringsverzoek zijn de toepasselijke Albanese wettelijke bepalingen gevoegd. Voor de beoordeling van het middel zijn van belang:

- art. 143 van het Albanese Wetboek van Strafrecht:

“The embezzlement of private or public property through the submission of false facts or by concealing true facts, lie or abuse of trust, for oneself or for other persons, constitutes the criminal offence of fraud and shall be punishable by a term of up to five years of imprisonment.

This offence, if committed in complicity or more than once, shall be punishable by a term of two up to six years of imprisonment.

If the offence has inflicted serious consequences, it shall be punishable by a term of five up to ten years of imprisonment.”

- art. 66 van (naar ik aanneem ook) het Albanese Wetboek van Strafrecht betreffende “Statute of limitations for criminal prosecution”:

“Criminal prosecution shall not be conducted if, from the moment the act was committed until the moment that the person is held defendant, have elapsed:

a) forty years on offences for which the law provides life imprisonment sentences;

b) twenty years on offences for which the law provides sentences of no lower than ten years of imprisonment or other heavier punishment.

c) ten years on offences for which the law provides sentences between five and ten years of imprisonment;

[…].”

Overtreding van het voormelde art. 143 wordt, als sprake is van ernstige gevolgen (zoals in de onderhavige zaak blijkens de bijlagen bij het uitleveringsverzoek het geval is) bedreigd met een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar. Uit het voormelde art. 66 volgt dat voor zaken waarin de wet gevangenisstraffen van tussen de vijf en tien jaar voorschrijft, de verjaringstermijn tien jaren bedraagt. Deze termijn loopt vanaf het moment dat het feit is begaan tot het moment “that the person is held defendant”.

Wat betreft de oplichting van [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) blijkt uit het als bijlage 2 bij het uitleveringsverzoek gevoegde “Report dated 04.04.2024 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction” dat [slachtoffer 6] op 20 december 2010 een contract heeft gesloten voor de bouw van een appartement. Dit contract had een waarde van 42.124 euro, welk bedrag zij in termijnen via haar bank heeft betaald. De deadline voor het opleveren van het appartement was 30 juli 2012, maar deze levering heeft niet plaatsgevonden (tegen die tijd was het aankoopbedrag al volledig betaald, zo begrijp ik). Zij heeft daarop contact gezocht met de opgeëiste persoon die haar voor heeft gesteld een ander (groter) appartement te leveren tegen een hogere prijs (54.720 euro). [slachtoffer 6] heeft vervolgens het meerbedrag (uiterlijk) betaald op 4 mei 2013 en is overeengekomen dat de levering zou binnen één jaar plaatsvinden, hetgeen niet is gebeurd. Daarna is haar door de opgeëiste persoon op 13 juli 2015 een contract aangeboden voor een ander appartement om het uitblijven van levering van het eerdere appartement te compenseren (het verkoopbedrag is ongewijzigd gebleven, dus er is, zo begrijp ik, geen geld meer overgemaakt door [slachtoffer 6] ). [slachtoffer 6] nam het appartement in 2015 in ontvangst, wetende dat het pas half af was en heeft vervolgens zelf het initiatief genomen een deel van de werkzaamheden af te maken. Op 20 december 2022 heeft haar schoonzoon een brief op de voordeur aangetroffen waarop stond dat iemand anders de eigenaar van het huis is met het verzoek om deze via het op de brief genoteerde telefoonnummer te contacteren. Het bleek dat de opgeëiste persoon het appartement aan meerdere mensen had verkocht. Dit betekent dat de opgeëiste persoon het slachtoffer zou hebben opgelicht (defrauded) voor de voornoemde 54.720 euro.

Wat betreft [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) blijkt uit diezelfde bijlage bij het uitleveringsverzoek dat hij op 28 januari 2013 een contract heeft gesloten met de opgeëiste persoon voor de bouw van een appartement voor een bedrag van 30.800 euro, waarvan 20.800 pond diezelfde dag via de bank is betaald. Na betaling bleef de opgeëiste persoon contact over de levering van het appartement vermijden. Op 5 april 2019 is het contract vernietigd (ik begrijp door de aangever). Kennelijk worden op die datum de rechten op het appartement overgedragen aan [betrokkene 1] en wordt een nieuw contract opgesteld waarin een deadline is gesteld voor oplevering van het appartement, te weten 30 december 2019. Later bleek het appartement aan meerdere partijen te zijn verkocht. Vervolgens is opnieuw een contract opgesteld waaruit volgt dat de opgeëiste persoon oplevering belooft op 2 december 2021 of, in geval dit niet mogelijk is, compensatie door levering van een ander appartement. Dit is nooit gebeurd. Volgens de bijlage bij het uitleveringsverzoek heeft de opgeëiste persoon hiermee de 20.800 pond van [slachtoffer 7] afhandig gemaakt.

Dezelfde bijlage bij het uitleveringsverzoek vermeldt verder dat op 28 september 2022 het Albanese OM de registratie van “criminal proceeding No. 1748/2022” voor het strafbare feit “Fraud” gericht tegen de opgeëiste persoon heeft bevolen. Daarnaast vermeldt de bijlage:

“This Prosecution office has registered as well criminal proceedings No. 26, dated 05.01.2022, for the criminal offense provided for by article 143 of the Criminal Code, which on 18.05.2023, has proceeded by merging the criminal proceedings No. 26, year 2022 with criminal proceedings No. 1748, year 2022 into a single proceeding, and merging as well the criminal proceedings No. 2291/2022, 60/2023, 151/2023, 744/2023, 830/2023, 1594/2023, 1595/2023, into a single proceeding with criminal proceeding No. 1748/2022, all of which deal with the suspicion that citizen [opgeëiste persoon] has committed the criminal offense of “Fraud”, more than once which has brought about serious consequences provided for by article 143/2/3 of the Criminal Code, to citizens [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] and [slachtoffer 11] etc.”

Uit het voorgaande leid ik af dat de opgeëiste persoon op 28 september 2022 (en dus binnen een termijn van tien jaren na 4 mei 2013 en 28 januari 2013) is aangemerkt als verdachte van overtreding van art. 143 van het Albanese Wetboek van Strafrecht. Uit bijlage vier bij het uitleveringsverzoek (“Criminal Decision no. 384 dated 14.07.2023 of Durres First Instance Court of General Jurisdiction (13 pages, certified copy of the original)”) blijkt vervolgens dat de Albanese rechter op 14 juli 2023 de feiten heeft beoordeeld en hiervoor voorlopige hechtenis heeft bevolen. Op grond daarvan mag ervan worden uitgegaan dat de Albanese rechter van oordeel was dat de feiten, waaronder die gepleegd tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] , niet waren verjaard en dat kennelijk 28 september 2022, de datum waarop de opgeëiste persoon als verdachte is aangemerkt, mede leidend is bij de beoordeling van de verjaring. Op dit kennelijke oordeel van de Albanese rechter moet wat mij betreft worden vertrouwd. Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van de rechtbank dat naar Albanees recht geen sprake is van verjaring voor de overige slachtoffers niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was de rechtbank niet gehouden.

4. Slotsom

Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar de Hoge Raad kan het verzuim herstellen. Het tweede middel faalt.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt:

- tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd het feit waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, genoegzaam te vermelden,

- tot toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter zake van het feit zoals omgeschreven in het “Report dated 04.04.2024 of Prosecution Office at Durres First Instance Court of General Jurisdiction” ten aanzien van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] and [slachtoffer 11] en

- tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?