PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04258
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 19 oktober 2023 (rolnr. 22-002348022) wegens “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 300 euro, subsidiair 6 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld door haar in het gezicht te slaan. In cassatie gaat het erom of het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de door de aangeefster bij de politie afgelegde verklaring onbetrouwbaar is.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.
3. Het middel
Het middel houdt in dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de bij de politie afgelegde belastende verklaring van [aangeefster] onbetrouwbaar is omdat zij de aangifte uit wraak zou hebben gedaan terwijl van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen slechts in die aangifteverklaring melding wordt gemaakt van de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 26 augustus 2021 te [plaats] [aangeefster] heeft mishandeld door in het gezicht te slaan.”
De bewezenverklaring steunt op de volgende in een bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 augustus verklaard – zakelijk weergegeven −:
[aangeefster] stond opeens onaangekondigd in mijn woning. Ze was mijn buurvrouw en had de sleutel van mijn woning. We waren elkaars scharrel. Zij vertelde mij dat ze samen met haar ex wilde zijn. Dat nieuws kwam onverwachts en er ontstond een woordenwisseling.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2021 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als de op 7 december 2021 afgelegde verklaring van [aangeefster] :
Plaats delict: [a-straat 1] [plaats]
(...) Ik ben geslagen door mijn buurman en heb daar een blauw linker oog aan overgehouden. Op 26 augustus 2021 omstreeks 22.30 uur was ik op bezoek bij mijn buurman genaamd [verdachte] . Ik wilde hem met een gesprek duidelijk maken dat ik vriend had en geen relatie met wilde.
(…)[verdachte] werd heel driftig. Uit het niets zag en voelde ik een harde klap op mijn linkeroog. Ik zag en voelde dat hij dit deed met gebalde vuist. Ik voelde dat hij mijn een vuistslag met opzet en kracht gaf. Na een aantal minuten voelde ik het gaan kloppen rondom mijn oog. Ik heb de volgende ochtend een foto gemaakt van mijn oog. Ik had een dik blauw oog.
3. Een proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 6 januari 2022 van de politie, eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als de op 6 januari 2022 afgelegde verklaring van de getuige:
Op 26 augustus hoorde ik opeens een bonk, alsof er iets tegen de muur aan kwam. Ik hoorde [aangeefster] hard mijn naam roepen. Ik wist meteen dat het uit het huis van de buurman kwam. Ik ben naar de voordeur gelopen van het huis van de buurman. (…)
Ik zag dat zij aan het huilen was en dat zij een dik oog had.”
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2023 blijkt onder meer het volgende:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
[…]
Ik heb haar met geen vinger aangeraakt en ik heb het gevoel dat ik zwart word gemaakt omdat ik aangifte heb gedaan tegen haar vriend. Zij heeft mij verteld dat ze iets zou doen om wraak te nemen. Vervolgens heeft ze aangifte tegen mij gedaan, terwijl ze weet dat ik voor mijn beroep een VOG nodig heb. Twee jaar stress en ellende terwijl ik het gewoon niet heb gedaan.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2023 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd aan de hand van zijn op de terechtzitting overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende in:
“Het dossier bevat geen betrouwbare bewijsmiddelen
4. Allereerst is er de aangifte van aangeefster, [aangeefster] . Aan de aangifte valt op dat deze pas is gedaan op 7 december 2021, terwijl de vermeende mishandeling op 26 augustus 2021 zou hebben plaatsgevonden. Dat is bijna vier maanden later. Het dossier bevat geen toereikende verklaring of uitleg waarom aangeefster zo lang met het doen van de aangifte heeft gewacht, integendeel. Hier kan een motief achter schuilgaan aan de zijde van aangeefster. En dat motief is er ook. Zo benoemt aangeefster gebeurtenissen ter onderbouwing van haar relaas die onmogelijk op het incident zelf betrekking kunnen hebben. Aangeefster heeft op 7 december 2021 onder meer het volgende verklaard: “ [verdachte] is erg jaloers op mijn huidige vriend. Hij valt mij en mijn vriend erg lastig. Ik voel dat dit bij mij erg mentaal zwaar valt. Omdat [verdachte] mij niet met rust laat en mijn vriend niet met rust laat heb ik besloten om alsnog aangifte te doen.” Het doen van de aangifte is dan ook niet zozeer ingegeven als zijnde een reactie op wat er op 26 augustus 2021 gebeurd zou zijn, maar de aangifte lijkt in plaats daarvan alles te maken te hebben met een tot op heden geslaagde poging om cliënt een hak te zetten. Het is daarbij goed om te realiseren dat aangeefster op 26 augustus nog geen relatie had met [betrokkene 1] , de “huidige vriend” waarover zij het heeft in haar aangifte. Niet voor niets duidt zij hem op die wijze aan.
5. Wat verder van essentieel belang is in de aangifte van aangeefster is het volgende citaat: “Niemand heeft het moment gezien dat ik ben geslagen. [getuige] heeft alleen gehoord dat er ruzie was, en zag later na het incident dat ik een blauw oog had.” [getuige] is de vriendin van aangeefster die later, op 6 januari 2022, bij de politie een verklaring heeft afgelegd. Zij verklaart bij die gelegenheid niet over een blauw oog, maar over een dik oog. Los van dat substantiële verschil is inderdaad van belang dat zij niet aanwezig was in de woning ten tijde van het gesprek en het voorval tussen cliënt en aangeefster. De getuige heeft alleen verklaard over een bonk die zij heeft gehoord. Voor het overige heeft zij van het incident niets waargenomen. Verder heeft de getuige het gehad over het troosten van aangeefster door haar, maar een specifieke verklaring over de bij aangeefster waargenomen emoties heeft zij niet afgelegd op 6 januari 2022.
6. Meer dan dat zit er feitelijk niet in het dossier. En als we dan bekijken wat er in de tussentijd is gebeurd dan is dat nogal wat. In de vroege ochtend van 10 november 2021 werd de politie gebeld omdat cliënt woordelijk was bedreigd met de dood door [betrokkene 1] en [betrokkene 1] een mes van 30 centimeter aan de vader van cliënt had getoond. Op pagina 02 van de door de advocaat-generaal toegezonden stukken staat hierover het volgende vermeld: “Op woensdag 10 november 2021, te 01.50 uur, werd verdachte [betrokkene 1] op de [a-straat 2] te [plaats] , op heterdaad aangehouden als verdacht van overtreding van bedreiging, zoals genoemd in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.” Kennelijk was er in elk geval het nodige aan de hand op dat moment, en voorts is niet in geschil dat [betrokkene 1] op dat moment (wel) de partner was van aangeefster. Dit is dus gebeurd op 10 november 2021. De aangifte van aangeefster dateert van 7 december 2021. Het is daarmee heel erg aannemelijk dat de aangifte die aangeefster heeft gedaan juist een reactie is geweest op de strafrechtelijke vervolging van [betrokkene 1] . Het feit dat [betrokkene 1] daadwerkelijk is vervolgd en bij de politierechter is geweest voor deze zaak onderstreept die gedachte juist alleen maar.
7. Dan is er ten slotte nog het berichtenverkeer. Dit berichtenverkeer vormt evenmin enige bevestiging van het tenlastegelegde. Dat de moeder van aangeefster aan cliënt heeft voorgehouden dat hij aangeefster zou hebben geslagen legt onvoldoende gewicht in de schaal. De moeder van aangeefster zal dat van aangeefster hebben begrepen en daarmee is geen sprake van bewijs uit een objectieve, onafhankelijke bron. Daar komt bij dat het feit dat cliënt op deze berichten niet heeft gereageerd goed beschouwd niet zoveel zegt. Cliënt had gewoon niet de behoefte om met de moeder van aangeefster de discussie aan te gaan. Dat is ook begrijpelijk; de kans dat cliënt haar moeder ervan had kunnen overtuigen dat hij geen klap heeft uitgedeeld was natuurlijk uiterst gering. Bovendien heeft cliënt in het chatgesprek met aangeefster wel duidelijk aangegeven dat hij haar niets heeft misdaan: “dat jij mij schreeuwt is Ziek heb je niks gedaan kom je ruzie zoeken jij start zelf en dan wil jij weer laatste zeggetje hebben”. De inhoud van dit gesprek sluit veel beter aan op datgene wat cliënt heeft verklaard, namelijk dat het een verbale ruzie is geweest, dan bij de lezing van aangeefster.
Conclusie
8. Alles overziend kan hier niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde worden gekomen wegens een gebrek aan bewijs. Los van het feit dat de aangifte niet wordt ondersteund door een tweede bewijsmiddel, is het ook nog eens zo dat de aangifte van aangeefster niet voor het bewijs kan worden gebruikt omdat dit geen betrouwbare verklaring is gebleken. Aangeefster heeft immers niets verklaard over het incident van november 2021 terwijl zij daar absoluut van op de hoogte was. Zij heeft die informatie bewust weggelaten en heeft daarmee in elk geval geen volledig beeld van de gebeurtenissen geschetst. Dat maakt dat op de inhoud van haar verklaring niet kan worden afgegaan.”
Het bestreden arrest van 19 oktober 2023 houdt onder het kopje “Nadere bewijsoverweging” alleen het volgende in:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2023 afgelegde verklaring van de [getuige] als niet betrouwbaar moet worden beschouwd doordat mogelijk sprake is van besmetting, waardoor deze niet voor het bewijs kan worden gebezigd.
Het hof zal de ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2023 afgelegde verklaring van de [getuige] niet bezigen voor het bewijs. Het verweer van de raadsman behoeft dan ook geen nadere bespreking.”
Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Hij hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders wanneer door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wanneer de rechter dit standpunt niet aanvaardt, moet hij dit in de uitspraak beargumenteerd weerleggen. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht van de feitenrechter gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het geval kan zich voordoen dat de nadere motivering besloten ligt in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen.
Verder is relevant dat voor verweren die de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal betwisten een zware stelplicht geldt. Dit betekent dat een betrouwbaarheidsverweer serieus de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal moet aanvechten, voordat de feitenrechter tot een uitdrukkelijke weerlegging is gehouden. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer in het betrouwbaarheidsverweer uitdrukkelijk wordt gewezen op inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de getuigenverklaring of wanneer het verweer met objectieve gegevens uit het dossier wordt ondersteund.
In HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6937 werd door de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in de kern aangevoerd dat de verklaringen waren afgelegd uit wraak dan wel uit financieel gewin. De verdediging bracht in dat kader onder meer naar voren dat sprake was van een gewelddadig zakelijk conflict, dat één van de getuigen tijdens een toevallige ontmoeting met de politie in beschonken toestand ineens een verklaring aflegde dat de verdachte hem anderhalf jaar eerder zou hebben gevraagd het slachtoffer te doden terwijl het slachtoffer twee dagen daarvoor dood was aangetroffen, dat de getuigen hadden overwogen om de verdachte met dit verzonnen verhaal onder druk te zetten en zwijggeld aan haar te vragen en dat de getuigen op cruciale en relevante details wisselend en tegenstrijdig verklaarden. De Hoge Raad oordeelde dat dit bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren was gebracht. Dat het hof van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt was afgeweken door verklaringen van de getuigen voor het bewijs te bezigen, zonder daarvoor in strijd met art. 359 lid 2 Sv in het bijzonder de redenen op te geven die tot de afwijking hadden geleid, leidde tot vernietiging van het arrest van het hof.
Datzelfde was het geval in HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953, NJ 2015/60 m.nt. Keulen, waarin het overigens ging om de betrouwbaarheid van een bekennende verklaring van de verdachte. De bekentenis zou volgens de verdediging door de verdachte zijn afgelegd uit bescherming van haar toenmalige vriend. De verdediging voerde daartoe onder meer aan dat uit de taps en getuigenverklaringen direct na het incident bleek dat de toenmalige vriend van de verdachte had gezegd dat hij het slachtoffer had gedood, dat pas later het verhaal ontstond dat de verdachte het slachtoffer zou hebben gedood omdat het slachtoffer haar wilde aanranden, dat getuigen dit verhaal niet geloofden gezien – onder andere − het postuur van de verdachte, en dat de verdachte onder invloed van haar toenmalige vriend de schuld op zich had genomen omdat die vriend nog straffen open had staan en zij dacht dat zij gezien haar misbruikachtergrond slechts een korte straf te wachten stond.
Daarentegen kon het hof in HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238, NJ 2014/279 m.nt. Schalken volgens de Hoge Raad volstaan met de wat formuleachtige overweging dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en dat er geen reden was aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In die zaak was door de verdediging in essentie aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen over de ten laste gelegde bedreiging innerlijk en onderling tegenstrijdig waren nu zij verschilden over wie de woning had betreden en in welke volgorde, waar de verdachte zich bevond en hoe hij het mes vasthield, welke woorden waren gezegd en of er een stekende beweging was gemaakt.
Terug naar de onderhavige zaak.
Volgens de toelichting op het middel was het hof gehouden te reageren op het door de verdediging in hoger beroep gevoerde betrouwbaarheidsverweer omtrent de verklaring van [aangeefster] , nu dat verweer duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren zou zijn gebracht en daarmee als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld onder 3.7 zou moeten worden aangemerkt. Volgens de stellers van het middel is aan de hand van stukken uit het dossier aangevoerd dat de aangeefster de verklaring heeft afgelegd uit wraak, waaruit de conclusie moet volgen dat de verklaring onbetrouwbaar is. Gelet op de inhoud en de indringendheid van het gevoerde verweer zou het hof ten onrechte niet hebben gerespondeerd.
Uit de onder 3.5 opgenomen pleitnotities blijkt dat de raadsman ter onderbouwing van het gevoerde betrouwbaarheidsverweer in essentie heeft aangevoerd dat aangeefster pas na bijna vier maanden aangifte heeft gedaan van de mishandeling, dat geen toereikende verklaring of uitleg is gegeven waarom aangeefster zo lang met het doen van de aangifte heeft gewacht, dat er een motief schuil gaat achter het na bijna vier maanden alsnog doen van aangifte, namelijk dat de aangifte plaatsvond om de verdachte een hak te zetten en dat de aangifte een reactie is geweest op de strafrechtelijke vervolging van [betrokkene 1] , en dat de aangeefster nog geen relatie had met [betrokkene 1] toen de mishandeling zou hebben plaatsgevonden.
Uit het bestreden arrest (zie onder 3.6) blijkt dat het hof geen nadere bewijsoverweging heeft opgenomen over dit verweer. Het hof heeft het namens de verdediging ingenomen standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster kennelijk niet als een responsieplichtig verweer opgevat. Dat is mede tegen de achtergrond van de zware stelplicht die bij betrouwbaarheidsverweren geldt niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik aanmerking dat de verdediging zich in feite richt tegen de beweeggrond van het doen van de afgifte, en niet ook rechtstreeks tegen de inhoud van de verklaring, zoals wel mede het geval was in de onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken. De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster wordt hooguit met indirecte argumenten ter discussie gesteld, welke argumenten erop neerkomen dat achter het na bijna vier maanden alsnog aangifte doen een twijfelachtig motief schuil gaat. Ook indien van zodanig motief sprake zou zijn, impliceert dat echter nog geenszins dat hetgeen de aangeefster heeft verklaard onjuist zou zijn. Dat de raadsman in dit verband heeft verwezen naar de stukken waaruit volgens hem blijkt dat de vriend van aangeefster op 10 november 2021 is aangehouden ter verdenking van bedreiging van onder meer de verdachte (zie onder 3.5 nummer 6) en dat aan die vriend een gedragsaanwijzing is gegeven maakt dat niet anders. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk hoe deze stukken het standpunt dat de aangifte onbetrouwbaar is kunnen onderbouwen. De verdediging heeft dus geen argumenten naar voren gebracht die direct betrekking hebben op (onderdelen van) de inhoud van de verklaring van aangeefster of de omstandigheden waaronder die is afgelegd. Zo is bijvoorbeeld niet aangevoerd dat sprake zou zijn van discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden in de verklaring, van wisselende verklaringen of van het onhoudbaar zijn van de verklaring gelet op ander bewijsmateriaal. Evenmin is op basis van feiten en omstandigheden aangevoerd dat de aangeefster onder dusdanige druk is gezet om een bepaalde aangifteverklaring af te leggen en dat reeds om die reden serieus twijfel rijst over de waarachtigheid van de afgelegde verklaring. Gelet op een en ander meen ik dat hetgeen de verdediging onder de vlag van het betrouwbaarheidsverweer heeft ingebracht, zelfs indien van de juistheid van het gestelde wordt uitgegaan, de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster niet ondermijnt. Het hof was daarom niet tot een uitdrukkelijke weerlegging van dat verweer gehouden.
Voor zover het middel klaagt dat slechts in de aangifte melding wordt gemaakt van de bewezenverklaarde gedragingen ligt de verwerping van het verweer in de bewijsmiddelen besloten. Het hof heeft, anders dan de raadsman heeft bepleit in zijn pleitnota onder 5, de door [getuige] bij de politie afgelegde verklaring voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 3). Deze verklaring biedt steun aan de door aangeefster afgelegde verklaring, nu [getuige] heeft verklaard dat zij opeens een bonk hoorde, dat aangeefster hard haar naam riep, dat de getuige meteen wist dat het uit het huis van de buurman kwam, dat zij naar de voordeur van het huis van de buurman is gelopen en dat zij toen zag dat aangeefster aan het huilen was en een dik oog had. Het hof was ook in dit opzicht – mede gelet op wat onder 3.7 t/m 3.11 is uiteengezet – niet tot een nadere motivering gehouden.
4. Afronding
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 2 november 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de opgelegde straf – kort gezegd: een voorwaardelijke geldboete van 300 euro – kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG