Nummer25/00189
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het gerechtshof Den Haag (parketnummer 22-001163-23) de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 april 2023 waarbij de verdachte wegens "diefstal" is veroordeeld tot één week gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging is gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat klachten over de schending van het aanwezigheidsrecht.
De beslissing van het hof
4. Het hof heeft de verdachte op de voet van het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat de verdachte tegen het vonnis geen grieven heeft ingediend en evenmin ter zitting in hoger beroep mondeling bezwaren heeft opgegeven, terwijl het hof ambtshalve voor een inhoudelijke behandeling geen reden heeft gezien.
5. Het proces-verbaal van de zitting van 7 januari 2025 vermeldt onder meer het volgende:
“De verdachte (…)
BRP-adres in het buitenland: [straat, postcode en plaats] (Polen),
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.M. Langereis, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren en dat zij sinds het instellen van het hoger beroep geen contact meer heeft kunnen krijgen met de verdachte.
(…)
De voorzitter maakt melding van een brief van de Dienst Terugkeer en Vertrek van 30 oktober 2024, inhoudende de mededeling dat de verdachte geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en de Dienst Terugkeer en Vertrek voornemens is hem uit te zetten. De voorzitter stelt vast dat in de brief het rol- en parketnummer van de onderhavige zaak is genoemd.
De advocaat-generaal deelt mee dat uit een brief van genoemde dienst van 15 november 2023 blijkt dat de verdachte eerder al, in 2023, is uitgezet naar Polen.
De voorzitter constateert dat het hof de brief van 15 november 2023 niet in zijn bezit heeft.
De raadsvrouw doet een verzoek om aanhouding in verband met de uitzetting en het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Zij stelt zich op het standpunt dat de autoriteiten hebben nagelaten om alle maatregelen nemen om de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te laten maken. Zij verwijst in dat verband naar de randnummers 53, 65, 73, 74, 75 en 99 van de conclusie van advocaat-generaal J. Richard de la Tour van 3 maart 2022 met zaaknummer C-420/20. De conclusie is door de raadsvrouw aan het hof overgelegd en [is] in het dossier gevoegd.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de behandeling van de zaak aan te houden, opdat de verdachte alsnog gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Desgevraagd door de voorzitter stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In dit verband brengt zij het volgende naar voren:
Uit de brief van 30 oktober 2024 blijkt dat de Dienst Terugkeer en Vertrek voornemens was de verdachte uit te zetten. We weten niet of aan dit voornemen uitvoering is gegeven en of de verdachte ook daadwerkelijk is uitgezet naar Polen. Indien iemand op de nominatielijst staat om te worden uitgezet, is het gebruikelijk dat het openbaar ministerie wordt gevraagd of het daar bezwaar tegen heeft. Er zal dan een garantie moeten worden gegeven dat de persoon in kwestie kan terugkeren naar Nederland om bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig te kunnen zijn. In de brief van 15 november 2023 staat dat de verdachte is uitgezet naar Polen. Uit het dossier blijkt echter dat hij in 2024 gedetineerd was in Nederland. Hieraan verbind ik de conclusie dat het voor hem kennelijk betrekkelijk eenvoudig is om Nederland opnieuw binnen te komen. Daarbij komt dat de verdachte in eerste aanleg aanwezig was en dat hij destijds zijn raadsvrouw heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen tegen het in de onderhavige zaak gewezen vonnis. Het ligt dan ook op zijn weg om contact met zijn raadsvrouw op te nemen. Tot slot meen ik dat de dagvaarding van de verdachte om vandaag ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen rechtsgeldig is betekend. In hetgeen de raadsvrouw overigens naar voren heeft gebracht, zie ik geen aanleiding het hof te vragen de behandeling van de zaak aan te houden.
De raadsvrouw deelt desgevraagd mee te persisteren bij haar standpunt en verwijst in dit verband naar randnummer 106 van eerdergenoemde conclusie. Wat de raadsvrouw betreft dient de behandeling van de zaak sowieso te worden aangehouden om na te kunnen gaan of de verdachte is uitgezet.
Hierop onderbreekt het hof het onderzoek voor beraad.
Na beraad en hervatting van het onderzoek deelt het hof bij monde van de voorzitter mee dat het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak afwijst. Daartoe overweegt het hof als volgt:
De verdachte was in eerste aanleg aanwezig bij de behandeling van zijn zaak. Hij werd bijgestaan door dezelfde advocaat als de in hoger beroep ter zitting aanwezige advocaat. De verdachte heeft na de uitspraak van de politierechter een advocaat gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen tegen dat vonnis. Ten tijde van de uitreiking van de Nederlandstalige appeldagvaarding was de verdachte in Nederland gedetineerd en is deze op 1 november 2024 aan hem in persoon uitgereikt. De verdachte heeft blijkens de SKDB-staat d.d. 27 december 2024 tot 10 november 2024 gedetineerd gezeten. Op 27 december 2024 is ook de Poolse vertaling aan de verdachte verzonden.
Aangezien de verdachte toen niet meer gedetineerd zat, is dat stuk verzonden naar het van de verdachte bekende en bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Polen. Van de verdachte is niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend. Het hof kan niet vaststellen dat de verdachte na de uitreiking van de dagvaarding is uitgezet, noch dat sprake is van een inreisverbod, terwijl er ook geen aanwijzingen zijn, dat de verdachte Nederland niet kan binnenkomen. Daarnaast stelt het hof vast dat de (Nederlandstalige) dagvaarding voor de zitting in hoger beroep hem in persoon is uitgereikt en dat er geen aanwijzingen zijn dat de nadien (tijdig) verstuurde Poolse vertaling van de appeldagvaarding hem niet heeft bereikt, terwijl dergelijke aanwijzingen ook ontbreken voor de situatie dat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar daar om welke reden dan ook geen gebruik van kan maken. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat een uitzetting van de verdachte eraan in de weg staat dat hij gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht. Overigens betekent dat dat zelfs indien aannemelijk zou zijn geweest dat de verdachte is uitgezet (naar Polen) tussen het moment waarop de appeldagvaarding aan hem is uitgereikt en de verzending daarvan naar het adres in Polen, er geen sprake is van een schending van zijn aanwezigheidsrecht of een gebrek in de betekening. Aangezien de verdachte op juiste wijze is opgeroepen en er door het openbaar ministerie alles aan is gedaan om hem in kennis te stellen van de zitting in hoger beroep, is, gelet op het voorgaande, door afwijzing van het aanhoudingsverzoek van enige verdragsschending dan wel strijd met de in de door de raadsvrouw aangehaalde conclusie genoemde richtlijn geen sprake. Die conclusie gaat overigens over een geval waarin - anders dan hier - sprake was van een zogeheten derdelander. Daar komt nog bij dat de verdachte kennelijk heeft verzuimd om naar aanleiding van de hem in deze zaak ter hand gestelde dagvaarding contact op te nemen met de advocaat door wie hij in eerste aanleg werd bijgestaan en hij zich kennelijk vervolgens - hoewel dat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd - niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn advocaat, zodat aan de zijde van de verdachte gesproken kan worden van een zeer geringe mate van zorgvuldigheid om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen (zie in dit verband HR 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:842).
Ook het (niet nader toegelichte) beroep op het aanwezigheidsrecht van de verdachte leidt niet tot toewijzing van het verzoek tot aanhouding. Bij afweging van het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting, moet laatstgenoemd belang prevaleren. Daarbij weegt mee hetgeen hiervoor is opgemerkt over de wijze waarop de verdachte voor deze zitting is opgeroepen en het ontbreken van enig (zicht op) contact tussen de verdachte en zijn raadsvrouw. Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
Het middel
6. Het middel en de toelichting erop bevatten verscheidene klachten die erop neerkomen dat het hof het aanwezigheidsrecht van de niet-verschenen verdachte heeft geschonden door het aanhoudingsverzoek af te wijzen, tegen hem verstek te verlenen en hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.
7. Over de betekening van de appeldagvaarding wordt meer specifiek aangevoerd dat deze pas op 27 december 2024 is afgerond door de verzending van een vertaling van de appeldagvaarding naar het adres van de verdachte in Polen. Dat is veel later dan het moment waarop de dagvaarding (op 1 november 2024) in persoon aan de verdachte is uitgereikt. In het bijzonder is de betekening van de appeldagvaarding pas afgerond nadat de verdachte uit Nederland was verwijderd, aldus de steller van het middel. Daarmee zou Nederland niet hebben voldaan aan de inspanningsverplichting om de verdachte “voorafgaand aan de verwijdering” in kennis te stellen van de procedure. Deze inspanningsverplichting zou blijken uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak HN/Sofiyska rayonna prokuratura en op de daaraan voorafgaande conclusie van A-G J. Richard de la Tour, die uiteenzette dat het “aan de autoriteiten is om bijzonder maatregelen te nemen wanneer een verdachte is verwijderd voordat deze daadwerkelijk op de hoogte is gesteld van de zitting indien de autoriteiten ervoor kiezen om de verwijdering van het grondgebied niet uit te stellen tot na de inhoudelijke behandeling van de zitting”. Uit vaste rechtspraak zou blijken, zo geeft de steller van het middel de conclusie weer, “dat het enkele feit dat een verdachte kennis heeft dat er een vervolging tegen hem is ingesteld onvoldoende is om in een dergelijk geval vast te stellen dat er afstand is gedaan van de verdedigingsrechten wanneer contact is verloren met de raadsman.”
De bespreking van het middel
8. De steller van het middel gaat ervan uit dat de verdachte Nederland is uitgezet nadat aan hem de appeldagvaarding op 1 november 2024 in persoon is uitgereikt en vóórdat een vertaling van de appeldagvaarding op 27 december 2024 per gewone post werd verzonden naar het adres in Polen dat in de basisregistratie personen (BRP) als zijn woonadres was opgenomen en dat tevens was vermeld op de akte hoger beroep. Het hof heeft overwogen dat het niet kan vaststellen dat de verdachte na de uitreiking van de dagvaarding is uitgezet, omdat – zo begrijp ik het hof – zulks niet blijkt uit de brief van de dienst Terugkeer en Vertrek van 30 oktober 2024.
9. Naar mijn opvatting heeft het hof in het midden mogen laten of de verdachte Nederland is uitgezet (kort) na de uitreiking van de appeldagvaarding in persoon op 1 november 2024, terwijl evenmin doorslaggevend is dat een vertaling van de appeldagvaarding niet eerder dan op 27 december 2024 per gewone post is gestuurd naar het van hem bekende adres in Polen. Het verstrekken van een vertaling van de dagvaarding is voorgeschreven in artikel 36e lid 3 tweede volzin Sv maar betreft geen voorwaarde voor een geldige betekening. Het niet (tijdig) verzenden van de vertaling van de appeldagvaarding kan wel reden zijn om de behandeling van de zaak aan te houden. Gelet op artikel 36e lid 3 Sv moet ervan worden uitgegaan dat de vertaling is uitgereikt “door toezending”. Hieruit volgt dat de vertaling tijdig is uitgereikt zodat het (weinige) dat de verdediging op dit punt ter zitting heeft aangevoerd het hof geen reden hoefde te geven om de behandeling van de zaak aan te houden.
10. Bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft het hof m.i. onder meer in aanmerking mogen nemen dat de verdachte zich niet bereikbaar heeft gehouden voor zijn raadsvrouw, “hoewel dat”, aldus het hof, “in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verlangd”. In de overweging dat “aan de zijde van de verdachte gesproken kan worden van een zeer geringe mate van zorgvuldigheid om aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen” heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de vertaling van de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Mijns inziens is dat oordeel niet onbegrijpelijk en brengt het onder de gegeven omstandigheden geen schending van het aanwezigheidsrecht mee.
11. Bovendien is aan de klacht over de schending van het aanwezigheidsrecht ten grondslag gelegd dat de verdachte mogelijk een inreisverbod is opgelegd en dat Nederland daarna niet heeft voldaan aan de verplichting tot het nemen van maatregelen die een verdachte daadwerkelijk in staat te stellen om zijn proces bij te wonen. Ter ondersteuning van deze klacht wordt zoals gezegd een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2022 in de zaak HN/Sofiyska rayonna prokuratura en de daaraan voorafgegane conclusie. De vergelijking met die zaak gaat echter mank. Ik zal uitleggen waarom.
12. De zaak HN/Sofiyska rayonna prokuratura heeft betrekking op een Albanese verdachte die in Bulgarije was aangehouden omdat hij bij een grenscontrolepost een vals paspoort en een valse identiteitskaart had getoond. Aan de verdachte was vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd met daarbij een inreisverbod voor de duur van vijf jaar waarna hij naar de Bulgaarse grens is teruggeleid om het terugkeerbesluit uit te voeren. Het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de rechter laten weten dat de verdachte daardoor niet naar behoren kon worden geïnformeerd over de tegen hem ingestelde procedure. De datum voor de preliminaire openbare terechtzitting was door de rechter vastgesteld op 24 juni 2020, nadat de verdachte ruim een week eerder, op 16 juni 2020, naar de Bulgaarse grens was teruggeleid. In zijn beslissing had de Bulgaarse rechter ook vastgesteld dat een vertaling van de beslissing en de tenlastelegging in het Albanees aan de verdachte moest worden overhandigd en werd de verdachte erop gewezen dat de aanwezigheid van de beklaagde bij de terechtzitting verplicht was en alleen onder in de wet bepaalde voorwaarden in zijn afwezigheid kon plaatsvinden.
Voordat de verdachte naar de Bulgaarse grens was teruggeleid, was hij in de onderzoeksprocedure op 23 april 2020 in staat van beschuldiging gesteld wegens het gebruik van valse documenten en op 27 april 2020 ingelicht over zijn rechten, met name die met betrekking tot het verloop en de gevolgen van de verstekprocedure. Nadat hij over zijn rechten was ingelicht verklaarde de verdachte tijdens het verhoor op 27 april 2020 dat hij niet aanwezig wilde zijn bij de terechtzitting omdat dit voor hem tot onnodige kosten zou leiden en dat hij volledig vertrouwde op zijn advocaat om hem bij een terechtzitting in afwezigheid te vertegenwoordigen.
13. Hieruit volgt dat de zaak HN/Sofiyska rayonna prokuratura betrekking heeft op een verdachte aan wie behalve een terugkeerbesluit ook een inreisverbod was opgelegd. Het was hem daardoor verboden het grondgebied waar de terechtzitting zou plaatsvinden binnen te komen. In de voorliggende zaak is geen inreisverbod opgelegd (wat niet kan omdat de verdachte de Poolse nationaliteit bezit en dus EU-burger is) zodat het op grond van dit arrest niet nodig is voor de Nederlandse autoriteiten om “te voorzien in maatregelen om hem ondanks dit verbod toch tot het grondgebied toe te laten”. Doordat het inreisverbod in de voorliggende zaak niet speelt, is niet relevant of de verdachte in de onderhavige zaak daadwerkelijk is uitgezet. Bij de weergave van de feiten door het Hof van Justitie valt dan ook op dat daarbij in het midden blijft of de Albanese verdachte daadwerkelijk is uitgezet. Het Hof van Justitie stelt ‘slechts’ vast dat de verdachte naar de Bulgaarse grens was teruggeleid om het terugkeerbesluit uit te voeren. Het gaat erom dat aan de Albanese verdachte een inreisverbod was opgelegd. In dat geval moet worden voorzien in maatregelen om hem ondanks het inreisverbod toch tot het grondgebied toe te laten. Hierop stuiten de betreffende deelklachten af.
14. Ten slotte de belangenafweging die het hof er (mede) toe bracht het verzoek om aanhouding af te wijzen. Het hof wees hiertoe op “het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting” waarbij “laatstgenoemd belang moet prevaleren”. Het hof was inderdaad gehouden om voor zijn beslissing op een verzoek tot aanhouding een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. De gemaakte belangenafweging is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Het ongespecificeerde beroep op de doelstellingen van richtlijn 2016/343 en de stelling dat het hof “nader onderzoek naar de vraag of [de verdachte] vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht” had moeten doen, maken dit niet anders. Ook als een verdachte van zijn aanwezigheidsrecht namelijk géén afstand heeft gedaan, kan de rechter na een zorgvuldige belangenafweging besluiten over te gaan tot een behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid.
Slotsom
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG