PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01706 P
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene
1. Het cassatieberoep
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1412 – bij arrest van 24 april 2025 (parketnr. 20-002861-24) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 59.000,- en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat een bedrag van € 54.000,-. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de (straf)zaak 25/01655. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is op 2 mei 2025 ingesteld namens de betrokkene. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat te Roermond, hebben één – voorwaardelijk – middel van cassatie voorgesteld.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.
2. De ontvankelijkheid van het beroep
Het voorgestelde voorwaardelijke ‘middel’, in samenhang gelezen met de toelichting daarop, behelst de klacht dat indien het in de strafzaak voorgestelde tweede middel doel zou treffen, de grondslag voor de ontnemingsmaatregel zou komen te vervallen.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan als cassatiemiddel in de zin van art. 437 lid 2 Sv slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Dit uitgangspunt geldt in strafzaken en in ontnemingszaken, zij het dat de rechtspraak in ontnemingszaken in bepaalde gevallen voor het Openbaar Ministerie (OM) een uitzondering is gemaakt (zie hierna onder randnr. 2.4). Dat betekent dat in een ontnemingszaak namens de betrokkene niet kan worden aangevoerd dat eventuele gebreken in de strafzaak zouden moeten leiden tot cassatie in de ontnemingszaak. In dat geval moet de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv uitkomst bieden. Die regeling houdt in dat zolang de strafzaak niet onherroepelijk is geworden, de ontnemingsmaatregel niet kan worden tenuitvoergelegd (art. 6:1:16 lid 2 Sv) en dat zodra de strafzaak niet resulteert in een veroordeling en die uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, de uitspraak in de ontnemingszaak van rechtswege komt te vervallen. Een en ander betekent dat het in de onderhavige zaak geformuleerde voorwaardelijke middel niet is aan te merken als een middel van cassatie als bedoeld in de wet, zodat het ‘middel’ onbesproken kan blijven.
Aangezien de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437 lid 2, in verbinding met art. 511h Sv, niet in acht genomen, zodat de betrokkene in zijn beroep niet kan worden ontvangen.
Terzijde merk ik nog op dat voor zover in de cassatieschriftuur een vergelijking wordt gemaakt tussen de onderhavige zaak en de zaken die hebben geleid tot HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536, HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947, NJ 2019/8, m.nt. J.M. Reijntjes, en HR 10 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:657, die vergelijking mank gaat. In die ontnemingszaken was immers telkens sprake van een door het OM voorgesteld voorwaardelijk cassatiemiddel, waarbij de voorwaarde inhield dat het cassatiemiddel in de strafzaak gegrond werd bevonden en het arrest van het hof als gevolg daarvan werd vernietigd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval waarin het OM in de strafzaak cassatie heeft ingesteld omdat het hof naar het oordeel van het OM op onjuiste gronden heeft vrijgesproken van een feit dat om die reden niet is betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wanneer het OM in een dergelijk geval niet ook cassatie zou hebben ingesteld in de ontnemingszaak, en het hof na terugwijzing alsnog het feit bewezen verklaard waarvoor eerder nog was vrijgesproken, dan zou het OM met lege handen staan voor het met dat feit verkregen wederrechtelijke voordeel. Het is vaste rechtspraak dat in een dergelijk geval een voorwaardelijk middel van het OM wel in behandeling kan worden genomen, terwijl een soortgelijk middel van een betrokkene door de regeling van artikel 6:1:16 lid 2 Sv en artikel 511i Sv per definitie onbesproken blijft. Dit verschil in de wijze van behandeling lijkt door de stellers van het middel te worden miskend.
3. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G