PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00366 B
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[belanghebbende] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de belanghebbende.
1. Inleiding
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 2 januari 2025 (RK 24/024039) de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van twee vaartuigen, te weten een sloep van het merk/type Solent 18 met goednummer [nummer] (hierna ook: de Solent) en een sloep van het merk/type Garda W600 met goednummer [nummer] (hierna ook: de Garda), toegewezen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de belanghebbende en T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat de vaartuigen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer niet zonder meer begrijpelijk is, nu de rechtbank niet heeft vastgesteld dat de betreffende voorwerpen in een in art. 36c of art. 36d Sr beschreven verband staan tot een begaan strafbaar feit en de bestreden beschikking ook niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de betreffende voorwerpen in verband staan tot een begaan strafbaar feit.
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De inhoud van de vordering
De vordering strekt tot onttrekking aan het verkeer van:
• een sloep van het merk/type Solent 18 met goednummer [nummer] (Solent);
• een sloep van het merk/type Garda W600 met goednummer [nummer] (Garda),
omdat het rompnummer/Watercraft Identification Number (WIN) van de Solent niet op originele wijze van de fabriek is aangebracht en het WIN van de Garda incompleet en niet geheel leesbaar is. Met betrekking tot beide sloepen geldt voorts dat daarop niet – zoals gebruikelijk – een duplicaat WIN is aangebracht en dat de werkelijke identiteit niet door ander onderzoek kan worden vastgesteld.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft in raadkamer verklaard dat het Openbaar Ministerie heeft beslist dat geen vervolging zal worden ingesteld en dat hij volhardt in de vordering aangezien een dergelijke voertuig is bestemd tot het begaan van het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 220 en/of artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr), en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.
Standpunt beslagene/belanghebbende
Namens de beslagene/belanghebbende is in raadkamer, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Met betrekking tot de Solent
De Solent is, via Jachthaven [plaats] , voor de marktconforme prijs van € 2.000,- gekocht van [betrokkene 1] . [A] B.V., de bouwer van de Solent, heeft de beslagene verwezen naar voormalig medewerker [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft laten weten dat het WIN toen werd ingevoerd, dat het WIN-plaatje destijds met de hand werd gemaakt, dat het goed mogelijk is dat hij destijds een foutje heeft gemaakt bij het inslaan van het rompnummer en dat geen tweede WIN op de sloep werd aangebracht. De sloep is in 1999 gebouwd, gelet op de laatste twee cijfers van het WIN (99), en heeft sindsdien probleemloos rondgevaren. [betrokkene 1] had de sloep sinds 2009 verzekerd bij [B] .
Met betrekking tot de Garda.
De Garda is voor de marktconforme prijs van € 2.500,- gekocht van [C] , die de sloep sinds 1 juli 2016 in onderhoud en winterstalling heeft gehad. [betrokkene 3] heeft de beslagene laten weten dat het WIN op enig moment in de registratie van [C] is gezet, dat daarbij een fout is ingeslopen door de C als één L te noteren en dat het WIN kennelijk toen nog wel leesbaar was.
De rechtbank wordt verzocht de vordering af te wijzen, de sloepen terug te geven aan de beslagene en de beslagene toe te staan de sloepen te (laten) voorzien van geldige rompnummers.
De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 13 maart 2024 heeft bij de beslagene een nautische registercontrole plaatsgevonden, waarbij het WIN van de Solent en de Garda niet bleken te kloppen, waarna deze sloepen op 15 mei 2024 in beslag zijn genomen. De beslagene is toen als bewaarder van de sloepen aangesteld.
De beslagene heeft geen afstand van de sloepen gedaan.
Uit het proces-verbaal identificatieonderzoek met nummer LEFC917030/2100 van 4 april 2024 blijkt dat de Solent is voorzien van het WIN [nummer] of [nummer] . Het WIN is niet aangebracht op de manier waarop de fabrikant van Solent dit standaard doet. De verbalisant zien aan de gebruikte combinatie van cijfers en letters dat het WIN vals is. Het is de verbalisant bekend dat de fabrikant van Solent een tweede WIN in haar vaartuigen aanbrengt, welke niet door verbalisant is aangetroffen.
De officier van justitie heeft (in haar aanvullende reactie van 19 december 2024) aangevoerd dat het WIN 14 cijfers en letters dient te bestaan, terwijl voormeld WIN uit slechts 13 cijfers en letters bestaat, waarvan het tiende cijfer/letter niet leesbaar is.
Uit het proces-verbaal identificatieonderzoek met nummer LEFC917030/2099 van 2 juni 2024 blijkt dat de Garda is voorzien van een niet (geheel) leesbaar WIN. Nog wel leesbaar is het gedeeltelijke WIN [nummer] . Het is volgens de verbalisant gebruikelijk dat de fabrikant een niet zonder schade verwijderbaar duplicaat WIN in het vaartuig aanbrengt. De verbalisant heeft dit duplicaat niet in het vaartuig aangetroffen.
Volgens beide verbalisanten zijn de sloepen, door het ontbreken van de originele identificerende kenmerken niet te identificeren.
De rechtbank is van oordeel dat de rompnummers op de sloepen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat die rompnummers ook niet kunnen worden afgeleid uit de namens de beslagene overgelegde administratie. Met betrekking tot de Solent is [B] immers uitgegaan van een uit dertien getallen/letters bestaand WIN, terwijl dat uit veertien getallen/letters behoort te bestaan. Met betrekking tot de Garda kan niet worden uitgegaan van het door [betrokkene 3] verstrekte WIN, nu de monteur van [betrokkene 3] mogelijk de wel leesbare C voor een L heeft aangezien. Dit maakt dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de overige door [betrokkene 3] gemelde cijfers en letters van het WIN.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de sloepen niet aanmerking komen voor herinslag van de rompnummers.
Nu de rompnummers van de sloepen niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld, is de herkomst en de eigendom van de sloepen ook oncontroleerbaar. Aldus is het ongecontroleerde bezit van de sloepen in strijd met de wet en het algemeen belang. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
De beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering toe;
- verklaart onttrokken aan het verkeer:
• de sloep van het merk/type Solent 18 met goednummer [nummer] (Solent);
• de sloep van het merk/type Garda W600 met goednummer [nummer] (Garda).”
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- art. 36b lid 1, aanhef en onder 4º Sr:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(...)
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.”
- art. 36c Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen:
1°. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het feit zijn verkregen;
2°. met betrekking tot welke het feit is begaan;
3°. met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
4°. met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd;
5°. die tot het begaan van het feit zijn vervaardigd of bestemd;
een en ander voor zover zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.”
- art. 36d Sr:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
- art. 552f Sv:
1. Bevoegd tot het geven van beschikkingen als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht is het gerecht waarvoor de zaak in eerste aanleg zal worden vervolgd, is vervolgd of had kunnen worden vervolgd.
2. De beschikking wordt niet gegeven dan op een met redenen omklede vordering van de officier van justitie.
3. Is bekend aan wie de voorwerpen toebehoren waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevorderd, dan wordt hem een afschrift van de vordering betekend.
4. De behandeling van de vordering door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
5. De beschikking wordt onverwijld aan de belanghebbende, zo deze bekend is, betekend.
6. De officier van justitie kan binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking beroep in cassatie instellen en de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening.
7. De belanghebbende die beroep in cassatie heeft ingesteld of ingevolge het vierde lid van dit artikel is gehoord, kan geen beklag doen overeenkomstig artikel 552b.”
Voor toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt in de tekst van art. 36b lid 1 aanhef en onder 4º Sr – anders dan in de onderdelen 1º, 2º en 3º van dit artikellid – niet met zoveel woorden verlangd dat vast moet staan dat een strafbaar feit is begaan. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt echter dat ook voor de toewijzing van een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer een relatie tot een begaan strafbaar feit is vereist. De rechtbank die bij afzonderlijke beschikking de onttrekking aan het verkeer beveelt, moet dan ook vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. Daarbij moet worden aangegeven op welk strafbaar feit de rechtbank het oog heeft. Ontbreekt die verwijzing, dan is de beschikking ontoereikend gemotiveerd. Het enkele vermoeden van een strafbaar feit is in dat verband onvoldoende. Verder is van belang dat de beschikking vermeldt op welke grond het voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer. Daarbij volstaat niet een enkele verwijzing naar art. 36c of 36d Sr.
Met betrekking tot beide vaartuigen heeft de rechtbank op basis van processen-verbaal van identificatieonderzoek onregelmatigheden vastgesteld met betrekking tot het aanbrengen van de rompnummers, ook wel Watercraft Identification Numbers (WIN) genoemd. De verbalisanten die deze processen-verbaal hebben opgesteld hebben op basis van deze onregelmatigheden geconcludeerd dat de sloepen door het ontbreken van de originele identificerende kenmerken niet te identificeren zijn. Op basis van deze bevindingen is de rechtbank van oordeel “dat de rompnummers op de sloepen niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen en dat die rompnummers ook niet kunnen worden afgeleid uit de namens de beslagene overgelegde administratie”, zodat de sloepen naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking komen voor herinslag van de rompnummers. Nu de rompnummers van de sloepen niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld, is de herkomst en de eigendom van de sloepen naar het oordeel van de rechtbank oncontroleerbaar en is het ongecontroleerde bezit van de sloepen dan ook in strijd met de wet en het algemeen belang, zodat de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie tot onttrekking aan het verkeer van de sloepen toewijst.
Hoewel in de onderliggende vordering van het openbaar ministerie wordt benoemd dat “een identificatienummer als merk beschouwd dient te worden in de zin van artikel 219 van het Wetboek van Strafrecht” en “dat een vaartuig met een niet door de fabrikant aangebracht identificatienummer is bestemd tot het begaan van het strafbare feit van artikel 220 van het Wetboek van Strafrecht en/of dat een verwijderd en/of gewijzigd en/of onleesbaar gemaakt identificatienummer bestemd is tot het begaan van het strafbaar feit van artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht”, volgt een oordeel over een in art. 36c of art. 36d beschreven verband niet uit de overwegingen van de rechtbank. De overwegingen dat de rompnummers van de sloepen niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld en de herkomst en eigendom van de sloepen daardoor oncontroleerbaar is, volstaan daartoe niet. Daaruit kan naar het mij voorkomt dan ook niet worden afgeleid dat de rechtbank – evenals het openbaar ministerie – het oog heeft gehad op de grond neergelegd in art. 36c onder 5° Sr. Evenmin volgt uit de overwegingen van de rechtbank of zij – conform het standpunt van het openbaar ministerie – het oog heeft gehad op het strafbare feit van art. 220 of art. 417bis Sr. Daarmee is het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de vaartuigen vatbaar zijn onttrekking aan het verkeer niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Afronding
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG