PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00797
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 27 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Namens de verdachte heeft Th.J. Kelder, advocaat in Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
Het middel richt zich tegen de beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep en bevat de klacht dat het (kennelijke) oordeel dat er geen sprake is van ‘grieven’ van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.
De verdachte is bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2023 bij verstek veroordeeld wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” tot een geldboete van € 700, subsidiair 14 dagen hechtenis. Tevens is aan hem een rijontzegging voor de duur van vier maanden opgelegd.
Op 4 april 2023 heeft de verdachte middels een aan de strafgriffie van de rechtbank Midden-Nederland gestuurd bericht hoger beroep ingesteld. Dat bericht luidt als volgt:
“Mijn naam is [verdachte] en doormiddel van deze email zal ik hoger beroep wilel aanvragen in de zaak mwt het bovengenoemde parketnummer. Helaas kon ik niet bij deze rechtzaak aanwezig zijn en heb ik ooi niet tijdig kunnen afzeggen. Ik zal de zaak nummer nogmaals vermelden 96-126377-22.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2024 vermeldt:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
is niet verschenen.
De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding hoger beroep voor deze zitting blijkens de stukken in het dossier correct is betekend
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte. De voorzitter beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert aanstonds dat het hof de verdachte, zonder verder onderzoek van de zaak, niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu de verdachte geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak.
AANTEKENING MONDELING ARREST
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 27 maart 2023, dat is gewezen in de zaak met parketnummer 96-126377-22, en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING:
Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
Het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv geeft het hof de bevoegdheid om het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren als de verdachte geen schriftuur houdende ‘grieven’ heeft ingediend noch mondeling ‘bezwaren’ tegen het vonnis opgeeft.
Indien noch de correct gedagvaarde verdachte noch een door hem gemachtigd raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en tegen de verdachte vervolgens verstek is verleend, rijst de vraag of het hof de zaak met toepassing van art. 416 lid 2 Sv kan en wil afdoen. Of het kan, hangt er dan van af of de verdachte vooraf ‘grieven’ heeft ingediend.
Onder ‘grieven’ kunnen volgens de Hoge Raad zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep vallen. Bij die andersoortige gronden zal – mede gelet op het standaardformulier voor het indienen van grieven – moeten worden gedacht aan omstandigheden betreffende de gang van zaken ter terechtzitting in eerste aanleg die hebben gemaakt dat de verdachte in hoger beroep komt, zoals dat de verdachte om een bepaalde reden niet bij de terechtzitting aanwezig heeft kunnen zijn (waaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij wel aanwezig had willen zijn, maar dat die reden daaraan in de weg heeft gestaan en de verdachte in hoger beroep uit is op een herkansing) en/of dat de verdachte iets naar voren had willen brengen (waaruit kan worden afgeleid dat dit niet is gelukt en de verdachte in hoger beroep uit is op een herkansing). Om te kwalificeren als grief zal duidelijk moeten zijn dat het bezwaar tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg dan wel de andersoortige gronden de ‘reden’ van het instellen het hoger beroep is. Mededelingen, al dan niet van algemene aard, zullen niet als grief zijn aan te merken, indien daaruit niet volgt dat ‘om die reden’ hoger beroep is ingesteld.
De steller van het middel doet een beroep op een arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2016. Daarin besliste de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat de enkele schriftelijke opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Die zaak verschilt wat van de onderhavige zaak, omdat de verdachte in die zaak gebruik heeft gemaakt van het standaardformulier, waarbij hij had aangekruist dat hij niet bij de terechtzitting was en zijn afwezigheid had toegelicht door toe te voegen dat hij niet op de hoogte was van de zitting door een verhuizing. Daarmee had de verdachte te kennen gegeven hoger beroep in te stellen ‘omdat’ hij vanwege een bepaalde door hem toegelichte reden afwezig was op de terechtzitting in eerste aanleg. In de onderhavige zaak heeft de verdachte – zonder gebruik van het standaardformulier, hetgeen ook niet verplicht is – slechts aangegeven hoger beroep te willen instellen met daarbij de vermelding dat hij ‘helaas’ niet aanwezig kon zijn bij de zitting en niet tijdig kon afzeggen.
De vraag die mij in deze zaak voorligt, is of het bericht dat de verdachte aan de strafgriffie van de rechtbank-Midden-Nederland heeft gestuurd, ‘grieven’ bevat. Door de verdachte is naar aanleiding van zijn (verstek)veroordeling bij de politierechter hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij hoger beroep wil ‘aanvragen’, hij helaas niet bij de zaak aanwezig kon zijn en ook niet tijdig heeft kunnen afzeggen.
In de voorliggende zaak moet worden vastgesteld dat het mailbericht van de verdachte geen ‘bezwaren direct tegen het vonnis in eerste aanleg’ bevat. Centraal staat daarom de vraag of het mailbericht van de verdachte aangemerkt moet worden als inhoudende ‘andersoortige gronden voor het instellen van hoger beroep’. Dat punt zou ik willen beantwoorden aan de hand van hetgeen ik onder randnummer 2.7 van deze conclusie heb opgemerkt, te weten dat de andersoortige gronden de ‘reden’ van het instellen het hoger beroep moeten zijn en (al te algemene) mededelingen niet als grief zijn aan te merken, indien daaruit niet volgt dat ‘om die reden’ hoger beroep is ingesteld. Daarbij neem ik in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het – nu art. 410, eerste lid, Sv geen nadere materiële eisen stelt aan de appelschriftuur – in de rede ligt om aan de formulering van de grieven ‘thans’ geen hoge eisen te stellen. Tegelijkertijd wijs ik erop dat door de rechtspraak een standaardformulier is opgesteld, waarop grieven tegen het vonnis ‘en/of redenen voor het instellen van hoger beroep’ kunnen worden weergeven. Het (gedegen) invullen van dit formulier brengt met zich dat de invuller ervan mag uitgaan dat daarmee wordt voldaan aan het vereiste kenbaar maken van ‘grieven’.
Terugkomend op de nu voorliggende vraag, meen ik alles afwegende dat de inhoud van het mailbericht dat de verdachte heeft gestuurd een ‘andersoortige grond’ bevat voor het instellen van hoger beroep. Uit het mailbericht valt immers af te leiden dat de verdachte bij de terechtzitting in eerste aanleg aanwezig had willen zijn en dat ‘helaas’ niet is geweest, ‘omdat’ hij daarbij niet aanwezig kon zijn, hetgeen de reden vormt voor het instellen van hoger beroep. De omstandigheid dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, doet daaraan niet af omdat de oorzaak daarvan gelegen kan zijn in een omstandigheid die zich ná het instellen van appel middels het mailbericht heeft voorgedaan. Dat gegeven staat daarom niet in de weg aan de vraag naar of het mailbericht een grief bevat.
Het voorgaande maakt dat het kennelijke oordeel van het hof de verdachte geen ‘grieven’ heeft ingediend, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
3. Slotsom
Het middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG