PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00192
Zitting 10 februari 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 januari 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002898-21) wegens zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 “de eendaadse samenloop van poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” en zaak B onder 3 “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof de onttrekking aan het verkeer respectievelijk de teruggave aan de verdachte bevolen van een aantal voorwerpen. Ten slotte heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.000,- en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als omschreven in het bestreden arrest.
Het cassatieberoep is op 29 januari 2024 ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
Het middel klaagt dat het hof op onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat de verdachte een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1, categorie III onder 1° WWM voorhanden heeft gehad.
Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 2 bewezen verklaard dat hij:
“op 18 november 2019 een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.”
Deze bewezenverklaring berust allereerst op zes bewijsmiddelen, welke voor zover van belang achtereenvolgens inhouden: (1) de verklaring van de verdachte dat hij zijn wapen heeft opgehaald, dat hij de aangever wilde bang maken, dat hij ermee heeft geschoten en er een kogel uit het wapen kwam; (2) de verklaring van de verdachte dat hij het wapen op de grond, naast de voeten van de aangever, heeft gericht en de trekker heeft overgehaald; (3) de verklaring van de aangever dat NN1 een op een Glock gelijkend handvuurwapen met een demper had, dat NN2 ook een handvuurwapen had en richtte op [getuige] , dat hij zag en hoorde dat NN1 zijn vuurwapen doorlaadde, het vuurwapen op hem richtte in de richting van zijn benen en een schot loste; (4) de verklaring van de [getuige] dat hij ziet dat een man zijn pistool richtte op de aangever en naar hem schoot; (5) een proces-verbaal van bevindingen van politie betreffende een beschrijving van camerabeelden, waarop is te zien dat NN1 (de verdachte) een donkerkleurig, langwerpig voorwerp gelijkend op een vuurwapen vasthield en een schietende beweging maakte in de richting van de aangever en (6) een proces-verbaal van bevindingen inhoudende dat op de plaats delict een 9mm huls van het merk S&B ( […] - […] ) is aangetroffen. De bewezenverklaring berust voorts op het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van het wapenonderzoek van 16 april 2020 waarnaar het hof in zijn bewijsoverweging verwijst (zie hierna onder randnummer 2.5.), voor zover inhoudende:
“Een proces-verbaal van wapenonderzoek van 16 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dienstdoende bij de Dienst Regionale Recherche, Bureau Wapens, Munitie en Explosieven, Materiedeskundige vuurwapens en munitie, doorgenummerde pagina 239.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergeven, als verklaring van de verbalisant:
De afvuursporen in de huls [ […] ], kaliber 9mm Browning Kort van het merk Sellier & Bellot, worden verwacht wanneer deze is verschoten met een semiautomatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Browning Kort. Onder [verdachte] is een mobiele telefoon aangetroffen waarop digitaal onderzoek is gepleegd. Tijdens dit onderzoek zijn drie foto’s van een vuurwapen aangetroffen, een zwart kleurig vuurwapen in de vorm van een pistool. Het vuurwapen is voorzien van een 'verlengde' loop met schroefdraad, waarop een geluiddemper kan worden geschroefd. Deze loop is niet standaard voor het originele vuurwapen, waardoor sprake kan zijn van transformatie. Op foto 1 ligt de geluiddemper los naast het vuurwapen. Op foto 1 en 2 ligt een kunststof gripzakje met munitie los naast het wapen. In het gripzakje zijn zes of zeven patronen (munitie) zichtbaar. Gelet op de grootte en de vorm van deze patronen, zou dit munitie in het kaliber 9mm Kort (synoniem 9mm x 19) kunnen zijn. Het vuurwapen op de afbeeldingen vertoont qua specifieke kenmerken, vorm en kleurstelling grote overeenkomsten met een vuurwapen van het Turkse wapenmerk Atak-Arms Zoraki model 917. Het is van oorsprong een gas- en alarmpistool, met het kaliber 9mm PAK, dat veelvuldig wordt in beslag genomen en waarbij het gas- en alarmpistool is getransformeerd tot een scherp (kogel) schietend vuurwapen. Hierbij werd, door het inbouwen van een vervangende loop in het kaliber 9mm Kort (synoniem 9mm x 17), het wapen omgebouwd tot een relatief goedkoop scherp (kogel) schietend vuurwapen. Na zijn transformatie, is dit een voorwerp geschikt om projectielen (kogels) door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het op foto 1 en 2 en 3 getoonde (getransformeerde) vuurwapen Atak-Arms Zoraki model 917, in combinatie met de getoonde munitie in vermoedelijk het kaliber 9mm Kort (synoniem 9mm x 17) zou gebruikt kunnen zijn hij het schietincident op 18 november 2019.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar, overeenkomstig haar overgelegde pleitnota, onder meer het volgende aangevoerd:
“127. Uit het rapport blijkt dat [verbalisant] is gevraagd 3 foto’s te beoordelen. Ten aanzien van deze foto’s concludeert hij dat het wapen overeenkomsten vertoont met een vuurwapen van het Turkse wapenmerk Atak Arms Zoraki model 917. Dit betreft een gas- en alarmpistool dat alleen geschikt is om projectielen af te schieten als het is omgebouwd. Niet concludeert de deskundige dat het wapen op de foto’s ook daadwerkelijk een Atak Arms Zoraki model 917 is.
128. Voorts concludeert [verbalisant] niet dat het wapen op de foto’s ook een omgebouwd wapen is. Hij concludeert slechts dat sprake kan zijn van een transformatie omdat een geluiddemper niet standaard op het originele alarmpistool kan worden geschroefd.
129. Tot slot blijkt uit de rapportage niet tot welke categorie, als het zou gaan om een Atak Arms Zoraki, een dergelijk omgebouwd wapen dan zou moeten horen.
130. Belangrijker echter is dat uit de rapportage blijkt dat aan deze deskundige geen foto’s of beelden zijn getoond van het incident. Hij heeft dus niet kunnen beoordelen wat voor een soort wapen cliënt tijdens het incident bij zich droeg, en of dit wapen overeenkomsten vertoond met het wapen op de drie foto’s.
131. Dat u en ik overeenkomsten zien is niet gek: de wapens zijn allebei zwart en lang. Maar meer kunnen wij niet vaststellen. Daarvoor zijn wij ook niet opgeleid. Dat zijn de medewerkers van de afdeling Wapens, Munitie en Explosieven wel, maar hen is niet gevraagd over het wapen dat zichtbaar is op de camerabeelden te rapporteren.”
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnota op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat het door de verdachte gebruikte wapen niet is aangetroffen en op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld welke soort (categorie) wapen de verdachte op de dag van incident voorhanden had.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft bekend dat hij degene is met een wapen in zijn hand op de camerabeelden van de wasstraat in [plaats] , dat hij een wapen is gaan halen toen hij [benadeelde] daar op 18 november 2019 had gezien en is teruggekeerd naar de wasstraat. Hij wist naar eigen zeggen dat er één kogel in het wapen zat en hij heeft verklaard dat hij een schot heeft gelost, hetgeen naast diverse verklaringen ook blijkt uit het feit dat op de plaats delict een huls is aangetroffen. Het hof is hierdoor van oordeel dat vaststaat dat de verdachte een wapen heeft gebruikt. De vraag is of dit een wapen betrof als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder I van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool. In dit verband acht het hof het proces-verbaal van het wapenonderzoek van 16 april 2020 redengevend en toereikend om aan te nemen dat er sprake is van een wapen van categorie III. Nu de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven om die redengevendheid te ontzenuwen en er geen aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat het gaat om een wapen van categorie II, is het hof van oordeel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het ten laste gelegde wapen (en de munitie) aanwezig heeft gehad en dat hij ook over dat wapen (en de munitie) heeft kunnen beschikken.
Daarmee acht het hof bewezen dat verdachte een wapen als bedoeld in artikel 2 lid I Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.”
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang:
Art. 1 onder 3° WWM luidt:
“vuurwapen: een voorwerp bestemd of geschikt om projectielen of stoffen door een loop af te schieten, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie”
Art. 2, lid 1 WWM luidt, voor zover van belang:
“Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.
(…)
Categorie II
(…)
2°. vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren;
3°. vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd;
(…)
6°. voorwerpen, bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen, met uitzondering van medische hulpmiddelen en van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof;
Categorie III
1°. vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en pistolen voor zover zij niet vallen onder categorie II sub 2°, 3° of 6°”
Art. 26 lid 1 WWM luidt:
“Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.”
De eerste deelklacht houdt blijkens de daarop gegeven toelichting in dat het oordeel dat het wapen dat de verdachte voorhanden zou hebben gehad een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1, categorie III onder 1° WWM is, niet begrijpelijk is en/of niet toereikend is gemotiveerd, nu het hof dit oordeel slechts heeft gebaseerd op het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van het wapenonderzoek, terwijl dit bewijsmiddel niet inhoudt dat de steller van het proces-verbaal – een materiedeskundige vuurwapens en munitie – heeft vastgesteld of geconcludeerd dat het een wapen van categorie III is.
Het hof heeft uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van het wapenonderzoek kunnen afleiden dat de aangetroffen huls past bij een semiautomatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Browning Kort, dat op de foto’s op de telefoon van de verdachte een zwartkleurig vuurwapen in de vorm van een pistool is te zien, evenals munitie die het kaliber 9mm Kort zou kunnen zijn, dat het vuurwapen grote overeenkomsten vertoont met het vuurwapen Atak-Arms Zoraki model 917, te weten een van oorsprong gas- en alarmpistool met het kaliber 9mm PAK, welke wapens veelvuldig in beslag worden genomen en waarbij deze zijn getransformeerd tot een scherp (kogel) schietend vuurwapen. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging weliswaar slechts verwezen naar dit proces-verbaal van wapenonderzoek, dat neemt echter niet weg dat het hof de bewezenverklaring heeft gegrond op álle onder randnummer 2.3 vermelde bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft geschoten met een (hand)vuurwapen dat de vorm heeft van een pistool, dat dat er een kogel uitkwam en dat de aangetroffen huls is verschoten met een vuurwapen. Gelet op het voorgaande en gelet op de overweging van het hof dat er geen aanwijzingen in het dossier aanwezig zijn dat het gaat om een wapen van categorie II – welke overweging ik gelet op de hiervoor onder randnummer 2.6 weergegeven wetsartikelen zo begrijp dat het hof daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat er geen aanwijzing in het dossier aanwezig is dat het gaat om een vuurwapen dat is geschikt om automatisch te vuren – heeft het hof zijn oordeel dat er sprake is van een wapen van categorie III, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
De tweede deelklacht houdt volgens de daarop gegeven toelichting voorts in dat het oordeel van het hof dat de verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad niet begrijpelijk is en/of niet toereikend is gemotiveerd, nu het hof aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de op de telefoon van de verdachte aangetroffen foto’s een getransformeerd vuurwapen Atak-Arms Zoraki model 917 tonen, terwijl (i) het oordeel van het hof dat het op het op die foto’s afgebeelde wapen, het wapen is dat de verdachte op 18 november 2019 voorhanden had, ontoereikend is gemotiveerd, gelet op het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat uit de rapportage van de materiedeskundige niet blijkt dat hem foto’s of beelden zijn getoond van het incident van 18 november 2019 en (ii) de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de deskundige over het wapen op de foto’s stelt noch concludeert dat het wapen daadwerkelijk een Atak Arms Zoraki model 917 is en evenmin dat dit daadwerkelijk een getransformeerd wapen is.
Anders dan de stellers van het middel, lees ik de overwegingen van het hof niet zo dat het daarin oordeelt dat de verdachte daadwerkelijk een vuurwapen van het Turkse wapenmerk Atak-Arms Zoraki model 917 voorhanden heeft gehad, noch dat het daarin oordeelt dat het op de hiervoor bedoelde foto’s afgebeelde wapen, het wapen is dat de verdachte op 18 november 2019 voorhanden had. Gelet daarop behoefde het hof zijn oordeel dat de verdachte een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1, categorie III onder 1° WWM voorhanden heeft gehad niet nader te motiveren. Het middel, dat in zoverre uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest, faalt dan ook in zoverre.
Ik merk daarom slechts ten overvloede op dat het oordeel van het hof dat het als bewijsmiddel 7 gebezigde proces-verbaal van wapenonderzoek redengevend is voor de categorisering van het wapen, anders dan de stellers van het middel menen, niet onbegrijpelijk noch ontoereikend is gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof uit dat proces-verbaal heeft kunnen afleiden (i) dat het op de foto’s in de telefoon van de verdachte getoonde vuurwapen grote gelijkenis vertoont met het vuurwapen dat hij blijkens de overige gebezigde bewijsmiddelen op 18 november 2019 voorhanden had, (ii) dat de op de foto’s in de telefoon van de verdachte getoonde patronen munitie, munitie in het kaliber 9mm Kort zou kunnen zijn en (iii) dat de op de plaats delict aangetroffen huls, kaliber 9mm Browning Kort, past bij het op die foto’s getoonde vuurwapen met het kaliber 9mm PAK.
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
Het middel klaagt dat het hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden (deels) heeft toegewezen de vordering benadeelde partij en/of een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.
De verdachte is in zaak A onder 1 meest subsidiair veroordeeld voor het eerste in randnummer 1.1 vermelde feit, welk feit evenals het hiervoor onder 2 besproken feit is gepleegd op 18 november 2019, te weten dat hij:
“op 18 november 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een horloge en/of andere goederen van hun gading toebehorende aan [benadeelde] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] en [getuige] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, op het hoofd van die [benadeelde] hebben geslagen en met een vuurwapen in de richting van de benen van die [benadeelde] hebben geschoten en tegen die [benadeelde] op dreigende toon hebben gezegd: "Klokjes afdoen" en "Geef mij jouw horloge" en "Geef mij je tas“ en een vuurwapen op die [getuige] heeft gericht”.
Het hof heeft ten aanzien van dit feit in zijn strafmotivering onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte heeft met een ander op gewelddadige wijze geprobeerd het slachtoffer te beroven. Hij heeft op klaarlichte dag, op de openbare weg, bij een autowasstraat, ten overstaan van andere bezoekers van de wasstraat – onder wie kinderen – het slachtoffer en diens vriend bedreigd met een vuurwapen. Toen het slachtoffer niet direct zijn Rolex-horloge wilde afgeven heeft de verdachte hem met het wapen op zijn hoofd geslagen en vervolgens een schot gelost met het vuurwapen richting de benen van het slachtoffer. (…) De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen vaak langdurig psychische klachten ondervinden.”
Bij de stukken bevindt zich een op 29 september 2021 gedateerd “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” namens de [benadeelde] . Dit stuk houdt onder meer in:
“4a Welke gevolgen heeft het voorval voor u gehad?
Cliënt heeft ten gevolge van het schietincident immateriële schade geleden.
4b. Gegevens over de schade
De totale schade bestaat uit de volgende posten:
Omschrijving Bijlagen Bedrag
1 Immateriële schade nr € 5000,00”
Bij de stukken bevindt zich tevens een op 29 september 2021 gedateerde brief van de raadsman van de benadeelde partij gericht aan de officier van justitie van het Slachtofferloket van het Arrondissementsparket Amsterdam. Deze brief houdt onder andere in:
“Immateriële schade
Cliënt heeft als gevolg van de gebeurtenis op 18 november 2019 immateriële schade geleden. Cliënt vreesde dat hij en/of zijn vriend zou(den) komen te overlijden. Cliënt is zich er terdege van bewust dat dit evengoed een geheel andere afloop had kunnen hebben.
Cliënt acht, gelet op het (psychische) leed dat hem door toedoen van de verdachten Is aangedaan, een vergoeding ten laste van de verdachten op zijn plaats. In verband met een verzoek om een vergoeding voor immateriële schade wordt aansluiting gezocht bij uitspraken van gevallen, die gelet op de aard van de gedragingen en/of de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, als soortgelijk kunnen worden aangemerkt, met name:
(…) In dit kader is door uw rechtbank overwogen dat door het schietincident een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van beide slachtoffers, reden waarom voornoemd bedrag redelijk is.
Namens cliënt is er gezocht naar zaken met een vergelijkbaar feitencomplex, waarbij het slachtoffer is beschoten en niet is geraakt Wij verzoeken uw rechtbank aansluiting te zoeken hij deze uitspraken. Gegeven het feit dat in onderliggende zaak sprake was van een volstrekt willekeurig slachtoffer, op wie het incident grote impact heeft gehad, verzoekt dient uw rechtbank over te gaan tot het toewijzen van een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De gemachtigde van de benadeelde partij wordt in de gelegenheid gesteld het woord te voeren en de vordering toe te lichten. Deze verklaart:
Ik verwijs graag naar twee vergelijkbare zaken waarin er door het slachtoffer geen therapie is gestart maar het hof toch tot een immateriële schadevergoeding is gekomen en wens op te merken dat naar algemene ervaringsregels een beschieting nog lange tijd psychische gevolgen geeft. De benadeelde partij is onder de indruk van het feit, maar heeft zijn leven weer opgepakt en is druk met zijn (rap)muziek.
(…)
De gemachtigde van de benadeelde partij voert het woord als volgt:
Mensen kunnen van zenuwen of schrik gaan lachen. Het is evident dat als er op je geschoten wordt dat je psychisch letsel oploopt.”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar, overeenkomstig haar overgelegde pleitnota, onder meer het volgende aangevoerd:
“Benadeelde partij
134. Verzocht wordt een immateriële schadevergoeding van € 5.000,-. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 500,- en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
135. De verdediging betwist de vordering en verzoekt u primair de vordering benadeelde partij integraal niet-ontvankelijk te verklaren. In de eerste plaats omdat wij u verzoeken cliënt vrij te spreken van feit 1. In de tweede plaats omdat de vordering tot op de dag van vandaag in zijn geheel niet is onderbouwd.
136. Ter terechtzitting heeft de advocaat van benadeelde gesteld dat het incident grote impact op de aangever heeft gehad. Hij is daarom eenmaal bij de huisarts geweest en heeft nadien in meerdere hotels geslapen. In de vordering zelf wordt geen toelichting gegeven.
137. Impliciet stelt aangever dat hij bang is geweest en niet thuis heeft durven slapen, maar dit wordt op geen enkele manier onderbouwd. Bovendien wordt dit tegengesproken door het PV over het Funx interview, waarin hij aangeeft dat hij er niet van schrikt dat op hem is geschoten, dat hem dit ook al vaker is overkomen en dat het incident bij de wasstraat ‘kleine dingetjes’ zijn.
138. De rechtbank heeft impliciet geoordeeld dat afgeweken kan worden van de vereiste onderbouwing van psychisch letsel, omdat sprake is van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijk integriteit. De rechtbank stelt dat “aannemelijk [is] dat men psychische schade ondervindt wanneer men zomaar wordt beschoten”.
139. Van ‘aantasting in de persoon op andere wijze' in de zin van artikel 6:106 BW is in beginsel enkel sprake wanneer het slachtoffer geestelijk letsel heeft opgelopen, in de zin van een psychische beschadiging. Van geestelijk letsel is in beginsel sprake als de benadeelde een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft opgelopen dat objectief kan worden vastgesteld. Indien het slachtoffer slechts ‘psychisch onbehagen’ ervaart, dan heeft hij in beginsel geen recht op immateriële schadevergoeding wegens aantasting in de persoon op andere wijze.
140. Als naar objectieve maatstaven (i.e. vaststelling van een psychiatrisch ziektebeeld door een deskundige) geen geestelijk letsel kan worden vastgesteld, kan toch van aantasting in de persoon op andere wijze sprake zijn als sprake is van een ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht.
141. Dat sprake is van een enkele schending van een fundamenteel recht is onvoldoende, deze moet ernstig zijn. Degene die zich op deze uitzonderingsgrond beroept zal echter ook in dit geval de aantasting in zijn persoon moeten onderbouwen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
142. In HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:A07721 (Groningen Oudejaarsrellen) was die aantasting gelegen in de gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot het lijf en goed van de benadeelden die een uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie hadden verkeerd omdat hun woning werd belaagd door relschoppers, terwijl een reactie op hun verzoek om hulp en bijstand van de politie uitbleef. En in HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Wrongful life) bestond die aantasting in de ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder waardoor zij niet ervoor heeft kunnen kiezen de geboorte van een zwaar gehandicapt kind te voorkomen. We zien in de strafrechtspraak dat deze aantasting in de persoon ook wordt aangenomen bij zeer heftige gewelds- of zedendelict, waarvan het evident is dat daar een vorm van trauma uit voortkomt.
143. Een onrustige nacht, een onveilig gevoel of een afname in de concentratie zijn geen psychische klachten die zijn aan te merken als geestelijk letsel. Ook angstig zijn is geen psychische klacht in de zin dat sprake is van geestelijk letsel. Feit is dat hier geen hulp is ingeschakeld en dat uit de informatie die wij wel hebben lijkt dat aangever zegt dat het incident geen indruk op hem heeft gemaakt. Dat wordt bevestigd door de camerabeelden. Aangever heeft een neutraal gezicht tijdens het incident en rent loopt op een drafje van het incident weg. Als de auto wegrijdt loopt hij lachen op een drafje weer terug.
144. Onder die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat aannemelijk is dat aangever door de inbreuk psychische schade heeft opgelopen. Het is aangever om dit, gelet op deze omstandigheden, nader te onderbouwen.
145. Redenen waarom wij u verzoeken de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.”
Het bestreden arrest houdt het volgende in omtrent de vordering van de benadeelde partij:
“Vordering van de [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00, ter zake immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering in het geheel niet is onderbouwd en dat aangever door de inbreuk geen psychische schade heeft opgelopen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van de immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Hoewel er geen onderbouwing voor psychisch letsel is overgelegd, is het aannemelijk dat iemand psychische schade ondervindt als iemand op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de normschending en de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Het hof houdt hierbij rekening met immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2019. tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof tot slot de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.4.4 Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(…)
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
Blijkens de toelichting op het middel wordt in het bijzonder geklaagd dat het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat iemand psychische schade ondervindt als diegene op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is. Daartoe wordt gesteld dat (i) het hof niet heeft vastgesteld dat de benadeelde partij daadwerkelijk geestelijk letsel of psychische schade heeft geleden en (ii) voor zover het hof heeft bedoeld te oordelen dat in dit geval aard en ernst van de normschending met zich meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, dat oordeel evenmin begrijpelijk of toereikend is gemotiveerd, mede nu de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat de benadeelde partij heeft verklaard dat het incident geen indruk op hem maakte, hetgeen, aldus de raadsvrouw, wordt bevestigd door camerabeelden, waaruit blijkt dat de benadeelde partij tijdens het incident een neutraal gezicht heeft en op een drafje van het incident wegloopt en lachend weer terugloopt.
Het hof heeft geoordeeld dat, hoewel er geen onderbouwing voor psychisch letsel is overgelegd, het aannemelijk is dat iemand psychische schade ondervindt als iemand op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen. Vervolgens heeft het hof, gelet op art. 6:106 BW, de omvang van de immateriële schade geschat op € 2.000,00 en heeft daarbij in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van de normschending en de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, waarbij het hof rekening heeft gehouden met immateriële schadevergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden toegekend.
Het hof heeft daarmee geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW, welke aantasting het gevolg is van het hiervoor genoemde bewezenverklaarde feit, kort gezegd de poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld.
Voor zover het hof daaraan als eerste ten grondslag heeft gelegd dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, is dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk bij gebrek aan nadere vaststellingen over de aard van dit door de benadeelde gestelde, maar verder niet toegelichte letsel.
Het hof heeft met zijn hiervoor weergegeven oordeel echter ook tot uitdrukking gebracht dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Zoals volgt uit het geciteerde overzichtsarrest, kan van deze grondslag ook dan sprake zijn als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen.
Over de aard en ernst van de normschending heeft het hof vastgesteld dat de verdachte met zijn mededader het slachtoffer “op klaarlichte dag, op de openbare weg” (ik begrijp: geheel onverwacht) heeft geprobeerd te bestelen onder gebruikmaking van geweld en met bedreiging met geweld. Beiden verdachten hadden een vuurwapen dan wel, bij de mededader, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich, dat zij richtten op de benadeelde partij en diens vriend [getuige] . Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer met het vuurwapen op het hoofd geslagen en heeft hij daadwerkelijk een schot gelost gericht op diens benen. Dit alles is volgens het hof een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de benadeelde partij.
Over de gevolgen van deze normschending heeft de benadeelde partij gesteld dat de hierdoor ontstane vrees een “grote impact” op hem heeft gehad en dat hij “onder de indruk [is] van het feit”, maar ook dat hij (vier jaar na het gepleegde feit) zijn leven weer heeft opgepakt en druk is met zijn (rap)muziek, dat het evident is dat als er op je geschoten wordt dat je psychisch letsel oploopt en dat “naar algemene ervaringsregels een beschieting nog lange tijd psychische gevolgen heeft”. Deze ernst van de gevolgen voor benadeelde heeft de verdediging expliciet betwist. Dat heeft zij onder meer onderbouwd met de inhoud van een door de benadeelde partij gegeven interview, waarin hij het incident klein maakt, en met de camerabeelden van het incident, waarop te zien is dat de benadeelde partij tijdens het incident een neutraal gezicht heeft en op een drafje wegloopt en, als de auto wegrijdt, lachend op een drafje weer terugloopt.
Het hof heeft, in navolging van de stellingen van de benadeelde partij, over de gevolgen overwogen dat het aannemelijk is dat iemand psychische schade ondervindt als die persoon “op klaarlichte dag wordt beschoten en met een wapen op het hoofd wordt geslagen”. Dit sluit aan op de overweging in de strafmotivering dat de “ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen vaak langdurig psychische klachten ondervinden”. Daarmee brengt het hof tot uitdrukking dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder b BW kan worden aangenomen.
Bij de verdere beoordeling stel ik voorop dat ik de rechtspraak van de Hoge Raad zo begrijp, dat ook als de gevolgen voor de benadeelde min of meer voortvloeien uit de aard en ernst van de normschending, het voor de verdachte nog steeds mogelijk is de aard en ernst van die gevolgen te betwisten. De onder 3.9 aangehaalde passages uit het overzichtsarrest gaan immers over de vraag in hoeverre de benadeelde gehouden is de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens te onderbouwen. Zij gaan niet over de mogelijkheden tot betwisting van hetgeen is aangevoerd en ook niet over de mate waarin de rechter gehouden is te oordelen overeenkomstig hetgeen ‘voor de hand ligt’. Deze laatste term laat op zichzelf ruimte om in een concreet geval de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde anders vast te stellen dan wel niet voldoende te achten voor aantasting in de persoon.
In een vijftal arresten heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, niet onbegrijpelijk geacht (al dan niet met toepassing van art. 81 lid 1 Wet RO). Uit twee van deze arresten volgt niet óf dan wel op welke punten de gevolgen van de normschending door de verdediging zijn betwist. In twee andere gevallen had de verdediging enkel de matiging van de schadevergoeding bepleit of werd afwijzing van de vordering alleen maar bepleit op formele gronden.
Daarmee verschillen deze zaken van de onderhavige casus, waarin de verdediging wel gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van zodanig ernstige gevolgen voor de benadeelde dat sprake is van een aantasting in de persoon. Mij komt voor dat ook als in deze zaak, gelet op de toedracht van het feit, de nadelige gevolgen voor de benadeelde vanwege de aard en ernst van de normschending (in enige mate) voor de hand liggen, het hof deze betwisting in zijn oordeel had moeten betrekken. Wederom gelet op het onder 3.9 aangehaalde overzichtsarrest, kan het dan zijn dat de motivering van de toewijzing van de vordering op dit punt meer aandacht vraagt.
Wat betreft de vraag of relevante nadelige gevolgen voor de hand liggen vanwege de aard en de ernst van de normschending, zou een vergelijking kunnen worden gemaakt met HR 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:951. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor een poging tot moord door te schieten op een slachtoffer dat zich achter een raam bevond en daarna weer te schieten toen de verdachte achter het vluchtende slachtoffer aan rende. Het hof kende het slachtoffer een vergoeding voor immateriële schade toe. AG Hofstee las het arrest zo dat het hof daarbij een geval voor ogen had waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Volgens Hofstee stond het buiten kijf dat een poging tot moord, waarbij de benadeelde partij rennend voor zijn leven is achtervolgd en beschoten met een vuurwapen, een dergelijk geval is. De Hoge Raad deed de zaak af met art. 81 lid 1 Wet RO.
Toch is dit geval niet goed vergelijkbaar met de onderhavige zaak. De verdachte is hier niet veroordeeld voor een poging de benadeelde te doden of zwaar te mishandelen. Weliswaar is het goed mogelijk dat de benadeelde vrees en schrik heeft gehad, maar de door het hof vastgestelde toedracht van het bewezenverklaarde, onderbouwt niet dat de benadeelde partij bijvoorbeeld heeft ‘gerend voor zijn leven’. Die toedracht komt – voor zover hier van belang – erop neer dat de benadeelde partij, nadat hij zag en hoorde dat de verdachte zijn vuurwapen doorlaadde, zei dat als de verdachte zijn klokje wilde, hij hem moest doodschieten en dat hij niet van plan was om zijn horloge aan hem te geven en dat de verdachte de benadeelde partij vervolgens met zijn wapen op diens hoofd heeft geslagen en “het wapen naast zijn voeten, op de grond [heeft] gericht en (…) de trekker [heeft] overgehaald”. Zonder dit feit te willen bagatelliseren, meen ik toch dat het kennelijke oordeel van het hof dat deze gang van zaken van zodanige aard en ernst is dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, zonder nadere, ontbrekende motivering, niet begrijpelijk is.
Daar komt dan de uitvoerige en gemotiveerde betwisting door de raadsvrouw bij. De begrijpelijkheid van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij is immers mede afhankelijk van de wijze waarop tegen de vordering verweer is gevoerd. De raadsvrouw heeft onder meer aangevoerd dat de benadeelde partij lijkt te hebben verklaard dat het incident geen indruk op hem maakte en dat dit wordt bevestigd door camerabeelden waaruit blijkt dat de benadeelde partij tijdens het gebeuren een “neutraal gezicht” heeft, op een drafje van het incident wegloopt en, als de auto wegrijdt, lachend op een drafje weer terugloopt.
Gelet op het voorgaande acht ik het kennelijke oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon als bedoeld in art. 6:106 aanhef en onder b BW kan worden aangenomen, nu de benadeelde partij op klaarlichte dag is beschoten en met een wapen op zijn hoofd is geslagen, mede gelet op de betwisting van de gevolgen door de verdediging, niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt. Dit brengt mee dat het cassatiemiddel ook slaagt voor zover dat opkomt tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
4. Afronding
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
Ambtshalve wijs ik op het volgende. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden. Dat zal moeten leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft - de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en
- de duur van de opgelegde gevangenisstraf,
tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf door de Hoge Raad en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG