ECLI:NL:PHR:2026:166

ECLI:NL:PHR:2026:166

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 24/00800
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Doodslag ex-partner (art. 287 Sr). Middel 1: motivering van de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel ex art. 38z Sr. Middel 2: afwijzing van een voorwaardelijk verzoek gedragsdeskundigen/reclasseringsmedewerkers (nogmaals) te horen. De conclusie strekt tot strafvermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00800

Zitting 10 februari 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001416-23), middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2023, wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest ex art. 27 lid 1 Sr. Tevens is aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z Sr opgelegd.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Op het moment van schrijven van deze conclusie is de termijn die aan de benadeelde partij is verleend om een schriftuur in te dienen nog niet verstreken. Indien de benadeelde partij alsnog een schriftuur indient, acht ik het nodig om aanvullend te concluderen.

2. Het eerste middel

In het eerste middel wordt geklaagd over (de motivering van) de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z Sr.

De uitspraak van het hof

Het hof heeft over de oplegging van de straf en de maatregel het volgende overwogen:

Oplegging van straf en maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotitie, verzocht om in navolging van de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van vijf jaar en TBS met voorwaarden op te leggen.

Oordeel van het hof

Verdachte heeft zijn toenmalige partner [slachtoffer] op 14 juni 2022 in hun gezamenlijke woning gewurgd, ten gevolge waarvan zij op 17 juni 2022 in het ziekenhuis is komen te overlijden.

Met zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer het leven ontnomen. Het slachtoffer was slechts 24 jaar oud en had dus nog een heel leven voor zich. Haar zoontje (en dat van de verdachte) was twee jaar oud toen het gebeurde. Zij zal hem niet zien opgroeien en kan haar moederrol niet meer vervullen. Het slachtoffer stond bekend als een goede en zorgzame moeder. Haar zoontje zal de rest van zijn leven het zonder zijn moeder moeten doen en zal slechts aan de hand van afbeeldingen en verhalen van anderen zich een beeld van haar kunnen vormen. Het zoontje zal verder in de toekomst zich bewust worden van het handelen van verdachte en zich realiseren dat door toedoen van zijn vader zijn moeder er niet meer is. Welke gevolgen dit voor zijn ontwikkeling en de band tussen zoon en vader zal hebben is ongewis. Verdachte heeft tevens onherstelbaar leed en veel verdriet toegebracht aan de ouders en de broer van het slachtoffer. Ter terechtzitting van het hof hebben de vader en broer van [slachtoffer] , gebruik gemaakt van het spreekrecht en een slachtofferverklaring afgelegd. Daarin is door hen met emotie en zichtbaar verdriet gesproken over het toegebrachte leed dat hen is aangedaan en het dagelijks gemis dat zij door toedoen van verdachte moeten ervaren. Tegelijkertijd hebben zij compassie getoond voor de verdachte en hebben zij aangegeven dat zij zich kunnen vinden in de combinatie, van gevangenisstraf met TBS met voorwaarden zoals deze door rechtbank aan verdachte is opgelegd. Zij hopen dat verdachte de noodzakelijke behandeling zal krijgen, zodat hij in de toekomst zijn rol als vader voor zijn zoon kan oppakken. Het hof is onder de indruk van de opstelling van de nabestaanden, onder deze moeilijke omstandigheden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte geldt dat verdachte veel last heeft van schuldgevoelens en beseft dat door zijn toedoen zijn zoontje zonder zijn moeder moet opgroeien. Het hof realiseert zich dat verdachte de rest van zijn leven last zal hebben van die wetenschap en schuldgevoelens.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging gelet op de inhoud van een uittreksel Justitiële Documentatie van 8 januari 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet recent is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de adviezen van de reclassering over verdachte van 29 november 2023 en 31 januari 2023 en de opgemaakte dubbelrapportage door dr. [deskundige 1] , psychiater, van 5 december 2022 en door [deskundige 2] , GZ-psycholoog, onder supervisie van [deskundige 3] , klinisch psycholoog, van 22 december 2022. De verdediging heeft ingestemd met gebruikmaking van voornoemde rapportages in hoger beroep.

Uit het psychiatrisch rapport blijkt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Bij betrokkene zijn er trekken van een persoonlijkheidsstoornis, met name afhankelijke en vermijdende trekken en een stoornis in het gebruik van cannabis (matig), in kortdurende remissie. Hiernaast was er ten tijde van hel ten laste gelegde sprake van een cannabisonttrekkingssyndroom.

Alle stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en waren hierop van invloed.

Voor betrokkene kwam de relatiebreuk onverwacht, het heeft hem ernstig uit balans gebracht. Hierbij ervaarde hij dat [slachtoffer] hem klein wilde maken en vernederen. In de weken voorafgaand aan het ten laste gelegde valt op te merken dat er een opbouw was in de agressie van betrokkene richting [slachtoffer] Op de avond van het ten laste gelegde heeft betrokkene in toenemende mate ernstige spanning ervaren. Hij bleef maar onrustig en denken aan wat [slachtoffer] mogelijk (met andere mannen) aan het doen was. Toen [slachtoffer] later kwam dan afgesproken raakte hij steeds meer opgefokt. Hierbij heeft hij geen controle meer heeft ervaren over zijn woede ondanks zijn voornemen direct weg te gaan als [slachtoffer] thuiskwam. Daarnaast had hij ontwenningsverschijnselen van cannabis waarbij hij al een ruime week slecht sliep hetgeen waarschijnlijk een bijdrage leverde aan zijn verhoogde prikkelbaarheid. Indien bewezen wordt geadviseerd om betrokkene het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Bij betrokkene is er sprake van een beperkte coping, te begrijpen vanuit zijn persoonlijkheidsstructuur met afhankelijke en vermijdende trekken. Hierbij heeft hij moeite om emoties te herkennen en te reguleren. Betrokkene stelt zich afhankelijk op aan een ander en het lukt hem niet zelfstandig zijn leven vorm te geven. Verlating door zijn partner geeft bij betrokkene ernstige spanning en radeloosheid. Daarnaast vermijdt hij zijn gevoel bijvoorbeeld door het gebruik van middelen of door zich vooral bezig te houden met praktische zaken zoals werk of sporten. Hierbij is het waarschijnlijk dat de onthouding van cannabis waarbij hij slecht sliep zijn prikkelbaarheid heeft versterkt. Hiermee kon hij de gevolgen van zijn handelen niet meer volledig overzien.

Geadviseerd wordt betrokkene aansluitend aan zijn detentie te behandelen voor zijn kwetsbare persoonlijkheid met afhankelijk en vermijdende trekken met hierbij aandacht voor zijn stoornis in het gebruik van cannabis welke momenteel kortdurend in remissie is.

Uit het psychologisch rapport blijkt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Vanuit klinisch perspectief lijkt geweld bij betrokkene met name voor te komen in intieme relaties, of in het uitgaansleven onder invloed van middelen. Het risico op acuut geweld wordt hierdoor op laag ingeschat. Het recidiverisico op geweld in het algemeen wordt als matig ingeschat, en het risico op ernstig letsel eveneens.

Bij betrokkene is ten tijde van schrijven sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken, een matig ernstige stoornis in cannabisgebruik en een lichte stoornis in alcoholgebruik, beide in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Ook was er ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een cannabisonttrekkingssyndroom.

Deze stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.

In de periode voorafgaande aan het delict is er sprake van al langer durende relatieproblemen, en in de weken voorafgaande aan het ten laste gelegde komt betrokkene erachter dat zijn partner mogelijk is vreemdgegaan. In lijn met zijn persoonlijkheidsproblematiek lijkt hij in deze periode onvoldoende zicht te hebben gehad op zijn oplopende boosheid en frustratie en heeft hij ook zijn eigen grenzen niet goed kunnen aangeven. Dit heeft eraan bijgedragen dat betrokkene zich niet uit een situatie heeft weten te onttrekken waarin hij zich in toenemende mate boos, gefrustreerd en gekrenkt heeft gevoeld. De dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde stopt betrokkene met blowen en hierdoor is waarschijnlijk een cannabisonttrekkingssyndroom ontstaan, waar verhoogde onrust en prikkelbaarheid kenmerken van zijn. Kort voorafgaande aan het ten laste gelegde raakt betrokkene in toenemende mate boos en gekrenkt omdat [slachtoffer] haar afspraak niet nakomt. In lijn met zijn persoonlijkheidsstoornis staat betrokkene onvoldoende in contact met zijn gevoelens. Hij wordt heen en weer geslingerd door boosheid en wanhoop omtrent de relatiebreuk en het maken van afspraken, en kan hier, tevens in lijn met de persoonlijkheidsstoornis, niet goed mee omgaan. Op de avond van het ten laste gelegde ontstaat een conflict met [slachtoffer] waar betrokkene boos over raakt. Mogelijk heeft het cannabisonttrekkingssyndroom de reeds aanwezige gevoelens van agitatie en prikkelbaarheid extra versterkt. Uiteindelijk zou, betrokkenes verhaal volgend, de ruzie uit de hand zijn gelopen en heeft hij [slachtoffer] in een houdgreep genomen en haar keel dichtgeknepen. De persoonlijkheidsstoornis, en mogelijk ook het cannabisonttrekkingssyndroom, hebben bijgedragen aan het delictscenario in de zin dat betrokkene onvoldoende zicht en remming heeft gehad op zijn oplopende boosheid en frustratie. Daarom is het advies om betrokkene het ten laste gelegde - indien' bewezen - in verminderde mate toe te rekenen

Het kunnen leren herkennen van oplopende boosheid en frustratie en het vervolgens reguleren van deze boosheid, door bijvoorbeeld assertief grenzen aan te geven, is een belangrijk aandachtspunt in het verlagen van het risico op een nieuw gewelddadig incident. Ook abstinentie is van belang: alhoewel betrokkene niet onder invloed was, heeft het cannabisonttrekkingssyndroom mogelijk ook een rol gespeeld. Daarbij is middelengebruik ook een vorm van coping waarbij betrokkene minder in contact staat met wat hij voelt (vermijding van die gevoelens). In die zin is abstinentie ook van belang. Een combinatie van psychotherapeutische interventies en vaardigheidstraining zou hierbij kunnen aansluiten. Omdat de persoonlijkheidsstoornis niet tot ernstige problemen op alle levensgebieden zorgt, er redelijk wat beschermende factoren aanwezig zijn en het recidiverisico op matig wordt ingeschat, is een ambulant kader voldoende intensief om aan de problematiek te kunnen werken. Wat betreft het juridisch kader is een TBS met voorwaarden vanuit gedragskundig oogpunt het meest passend.

Mocht een TBS met voorwaarden niet mogelijk zijn doordat er een gevangenisstraf wordt opgelegd die hoger dan vijf jaar is, dan zijn de GVM en tbs met dwangverpleging nog kaders waarin behandeling zou kunnen worden uitgevoerd. Onderzoeker is van mening dat een TBS met dwangverpleging vanuit gedragskundig oogpunt niet voor de hand ligt gezien het matige recidiverisico en de benodigde (beperkte) intensiteit van de behandeling. Een GVM zou dan passender zijn, echter volgt in dit kader bij het niet naleven van de voorwaarden ook een gevangenisstraf, en is er dus een minder sterke ‘stok achter de deur’ wat betreft het waarborgen van de behandeling.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 31 januari 2023 blijkt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Het is van belang dat er behandeling volgt, die zich met name focust op psychotherapeutische interventies en vaardigheidstraining. Naar inschatting van de Pro-Justitia rapporteurs kan dit in een ambulant kader. De reclassering sluit zich aan bij deze visie.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 29 november 2023 blijkt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Verdachte is vanuit detentie aangemeld voor behandeling bij de Waag. Voorts ziet de reclassering mogelijkheden dat verdachte in detentie een agressietraining kan volgen, die aangeboden wordt door Stichting Humanitas.

De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij inmiddels zes gesprekken heeft gehad met een psycholoog van de Waag.

Het hof stelt bij het bepalen van de straf voorop dat - gelet op de aard en de bijzondere ernst van het feit - niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een lange duur met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van de vrijheidsbenemende straf houdt het hof naast de aard en ernst van het feit ook rekening met de persoon van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof volgt in dat verband de hiervoor weergegeven conclusies van psychiater [deskundige 1] en psycholoog [deskundige 2] , onder supervisie van psycholoog [deskundige 3] , dat op grond van de door hen in de rapportages vermelde gronden en diagnostische overwegingen het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte dient te worden toegerekend. Ook neemt het hof de conclusies over dat noodzakelijk is dat verdachte behandeld wordt voor de bij hem geconstateerde(persoonlijkheids)problematiek.

De rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf opgelegd van vijf jaar. De rechtbank kon geen hogere straf opleggen, omdat zij doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het standpunt van de deskundigen dat verdachte het best behandeld kan worden in het kader van een TBS met voorwaarden. Een gevangenisstraf in combinatie met een TBS met voorwaarden kan volgens de wet niet langer duren dan vijf jaar.

Gelet op de mogelijke juridische kaders voor de behandeling van verdachte die het als laag tot matig ingeschatte recidiverisico op de langere termijn ook kunnen beperken, is het hof echter van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, niet eist dat aan verdachte de maatregel TBS met voorwaarden moet worden opgelegd. Verdachte kan na detentie in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling behandeling ondergaan. Daarnaast biedt - nu sprake is van een veroordeling wegens een geweldsdelict dat wordt bedreigd met een gevangenisstraf van vier jaar of meer - ook het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voldoende mogelijkheden en waarborgen om verdachte na afloop van zijn detentie (verder) te behandelen ter voorkoming van recidive. In het kader van deze maatregel kunnen bij het einde van een gevangenisstraf gedragsbeïnvloedende voorwaarden en andere vrijheidsbeperkingen worden opgelegd, zoals de voorwaarde dat een behandeling moet worden ondergaan. Daarbij merkt het hof op dat als verdachte zich onverhoopt niet aan een dergelijke voorwaarde zou houden weliswaar vervangende hechtenis kan worden toegepast, maar dat die hechtenis de bij de maatregel opgelegde verplichtingen niet doen vervallen (artikel 6:6:23b, zesde lid, Sv jo. Artikel 38w, vierde lid, Sr). Het hof deelt daarom niet het standpunt dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel een minder of onvoldoende sterke ‘stok achter de deur’ biedt wat betreft het waarborgen van de behandeling.

Het hof betrekt daarbij dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard gemotiveerd te zijn om de noodzakelijke behandeling(en) te volgen, ongeacht het juridisch kader. Verdachte heeft daarover verklaard dat zijn zoon zijn motivatie is om de behandeling te laten slagen. Het hof heeft er om die reden vertrouwen in dat verdachte die motivatie blijft houden, nu niet naleving van die voorwaarden het gevolg zou hebben dat verdachte niet of minder goed voor zijn zoontje kan zorgen (bijvoorbeeld omdat verdachte terug moet naar de gevangenis).

Tenslotte merkt het hof op dat het voor de inhoud van de behandeling niet uitmaakt in welk justitieel kader deze wordt ondergaan. De behandeling in een TBS met voorwaarden hoeft niet beter te zijn dan de behandeling die verdachte kan ondergaan in het kader van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling of de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Nu het hof - anders dan de rechtbank - bij de strafoplegging niet beperkt is door het strafmaximum dat geldt bij het opleggen van een TBS met voorwaarden, zal het hof zoals gebruikelijk is de straf bepalen aan de hand van de strafdoeleinden (waaronder de ernst van het feit) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals hierboven weergegeven. Het hof betrekt daarbij ook de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar passend en geboden. De door de advocaat-generaal geëiste straf van tien jaar acht het hof te hoog gelet op de hierboven besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Naast de gevangenisstraf legt het hof de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op. De behandeling van verdachte kan een aanvang nemen in detentie of tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling en worden voortgezet in het kader van de opgelegde maatregel.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2: 10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”

Het juridisch kader

Art. 38z Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen kan de rechter, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen indien die verdachte bij die rechterlijke uitspraak:

a. (…);

b. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, of een gevangenisstraf waarvan een gedeelte niet zal worden ten uitvoer gelegd, wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

c. (…).

2. Bij de vordering tot oplegging van de maatregel legt de officier van justitie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling.

Art. 6:6:23a en artikel 6:6:23b lid 1 Sv luiden als volgt:

Art. 6:6:23a Sv

1. De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij het openbaar ministerie een vordering tot tenuitvoerlegging indient bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel is opgelegd.

2. De vordering moet worden ingediend uiterlijk dertig dagen voor de beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel dertig dagen voor ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel dertig dagen voordat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd. Het openbaar ministerie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indien het aannemelijk maakt dat de grond, bedoeld in artikel 6:6:23b, eerste lid, zich eerst nadien heeft voorgedaan.

3. Bij de vordering legt het openbaar ministerie een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies over van een reclasseringsinstelling. Indien de gevorderde voorwaarde betrekking heeft op behandeling of opname in een zorginstelling, wordt tevens een medische verklaring overgelegd waaruit de noodzaak van behandeling of opname blijkt.

4. Indien de vordering achterwege blijft, vervalt de maatregel van rechtswege op het moment van beëindiging van de terbeschikkingstelling dan wel bij ommekomst van de termijn, bedoeld in artikel 6:1:18, dan wel indien voorwaardelijke invrijheidstelling niet heeft plaatsgevonden op het moment dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt beëindigd.

Art. 6:6:23b Sv

1. De rechter kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking gelasten indien:

a. er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan waarvoor de rechter een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan opleggen; of

b. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers of getuigen.”

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna ook: GVM) is met de inwerkingtreding van de Wet langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op 1 januari 2018 ingevoerd. De GVM maakt het mogelijk langdurig, mogelijk levenslang, toezicht te houden op justitiabelen, waarbij de wetgever in het bijzonder het oog had op zeden- en geweldsdelinquenten. Met de maatregel is beoogd te voorzien in een volgens de wetgever bestaande leemte in situaties waarin onder de oude juridische kaders toezicht niet langer mogelijk was, terwijl dit ter voorkoming van recidive wel noodzakelijk zou zijn omdat het recidiverisico nog niet afdoende is afgenomen.

De maatregel kent twee fasen: de beslissing van de rechter tot oplegging van de GVM samen met een terbeschikkingstelling of een gevangenisstraf en (ii) de beslissing van de rechter over de tenuitvoerlegging van de GVM na afloop van die maatregel of straf. De duur van de maatregel en de daarbij te stellen voorwaarden worden in de tweede fase bepaald. Achtergrond van de eerste fase is de rechtszekerheid en de voorzienbaarheid. Vanaf het moment van oplegging weet de veroordeelde dat hij rekening moet houden met tenuitvoerlegging en wordt hij aldus in staat gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen. De tweetrapsprocedure bewerkstelligt verder dat de opleggingsrechter niet al te ver vooruit hoeft te kijken, bij de eventuele tenuitvoerlegging rekening kan worden gehouden met het traject dat de veroordeelde tijdens de detentie of tbs-maatregel heeft doorlopen en de tenuitvoerlegging alleen plaatsvindt als dat na het eind van de gevangenisstraf of tbs-maatregel nog steeds noodzakelijk is. Bovendien hoopte de wetgever op een speciaal preventief effect: de twee fasen zouden de veroordeelde een extra stimulans geven zich gedurende de periode van de gevangenisstraf of tbs-maatregel volledig in te zetten en medewerking te verlenen teneinde de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de maatregel te voorkomen.,

De GVM kan worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen (lid 1 aanhef), onder meer als de verdachte bij die rechterlijke uitspraak – zoals in de onderhavige zaak – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (lid 1 onder b).

De inschatting van een mogelijk toekomstig recidiverisico berust volgens de wetgever – logischerwijs – niet zozeer op toekomstige persoonlijke omstandigheden of op de mate van succes van een, ten tijde van de oplegging, nog komende behandeling of interventie, maar op de individuele feiten en omstandigheden van het voorliggende geval die ten tijde van de oplegging bekend zijn en niet veranderbaar zijn, zoals het type delict, de omstandigheden waaronder het delict is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten. Deze factoren komen terug in het door de Hoge Raad geformuleerde kader:

“Gelet op het mogelijk ingrijpende karakter en de potentieel lange duur van het toezicht vergt de oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking steeds een beoordeling van de individuele feiten en de omstandigheden van het voorliggende geval. Blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis moet de rechter die de maatregel oplegt onder meer een inschatting maken van het toekomstige recidiverisico, waarbij hij rekening houdt met het type delict (in het bijzonder of aan dat delict mogelijk een verhoogd recidiverisico kleeft), de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten.”,

Als oplegging van de GVM door de officier van justitie wordt gevorderd vereist art. 38z lid 2 Sr de overlegging van een recent reclasseringsrapport. Bij ambtshalve oplegging geldt deze eis – hoewel de wetgever van belang acht dat de rechter ten behoeve van de beoordeling over een recent opgemaakt advies beschikt dat ook een risicotaxatie omvat – niet. De rechter kan zijn inschatting van het toekomstige recidiverisico in zo’n geval op andere rapporten of gegevens baseren.

A-G Hofstee stelt in een conclusie uit 2024 over de beoordeling van het toekomstig recidiverisico dat de opleggingsrechter op het moment van de berechting (nog) een betrekkelijk grote vrijheid heeft in de beoordeling/waardering van het (als het ware naar achteren verschoven) recidivegevaar en de daarbij te betrekken factoren. Hofstee meent dat in de opleggingsfase aan de (consistentie van de) gevaarsinschatting minder zware eisen te stellen zijn dan in de executiefase, waar immers tevens de duur van de maatregel (de termijn van tenuitvoerlegging) nader dient te worden bepaald. Daarbij sluit ik mij aan, niet in de laatste plaats omdat de wettelijke eisen voor tenuitvoerlegging strenger zijn dan die voor oplegging. A-G Van Wees maakt in een recente conclusie uit de wetsgeschiedenis en een vergelijking met art. 38v Sr op dat beoordeeld moet worden of oplegging van een GVM passend is, maar dat aan de afweging en de motivering daarvan geen te hoge eisen mogen worden gesteld. De vaststelling dat ‘in abstracto’ een gevaar bestaat, zal bij die afweging al zwaar wegen. Ook daar sluit ik mij bij aan. Dat neemt evenwel niet weg dat de rechter die de maatregel oplegt het recidiverisico dient vast te stellen en een beoordeling verricht van de individuele feiten en de omstandigheden van het voorliggende geval.

Tot slot merk ik op dat anders dan bij de oplegging van de terbeschikkingstelling (art. 37a lid 1 Sr) en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (art. 38m lid 1 onder 3 Sr), bij de GVM niet als voorwaarde voor oplegging in de wet is opgenomen dat het vastgestelde gevaar de oplegging van de maatregel ”eist". De GVM is op dit punt vergelijkbaar met de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr, bij de oplegging waarvan de Hoge Raad ook genoegen neemt met de enkele motivering dat een recidiverisico bestaat.

De beoordeling van het middel

In de onderhavige zaak heeft het hof in het kader van de strafoplegging in de eerste plaats vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict, te weten een levensdelict. Het hof heeft vervolgens acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte en op de adviezen van de reclassering en rapportages van gedragskundigen over de verdachte. De rapportages zoals geciteerd door het hof houden in dat er bij de verdachte trekken van een persoonlijkheidsstoornis zijn, met name afhankelijke en vermijdende trekken (psychiatrisch rapport), dan wel dat sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke trekken (psychologisch rapport). Daarnaast is sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en - ten tijde van het ten laste gelegde - van een cannabisonttrekkingssyndroom. De psycholoog rapporteert dat vanuit klinisch perspectief geweld bij de verdachte met name lijkt voor te komen in intieme relaties of in het uitgaansleven onder invloed van middelen. Het recidiverisico op acuut geweld wordt daarbij als laag ingeschat, het recidiverisico op geweld in het algemeen op matig, evenals het risico op letsel. De gedragskundigen adviseren om de verdachte aansluitend aan detentie te behandelen voor – samengevat – zijn kwetsbare persoonlijkheid, waarbij ook aandacht moet zijn voor verslavingsproblematiek, om het recidiverisico te verlagen. Deze conclusie over de noodzaak van behandeling van de verdachte in relatie tot het recidiverisico heeft het hof onderschreven. Tegen die achtergrond kan ik de onder randnummer 1.12 van de schriftuur gemaakte opmerkingen niet goed volgen. Mijns inziens heeft het hof hiermee met inachtneming van het door de Hoge Raad geschetste kader afdoende gemotiveerd dat sprake is van een toekomstig recidiverisico.

Het hof heeft vervolgens mede op basis van advies van de reclassering vastgesteld dat er tijdens en – in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling – na detentie voor de verdachte voldoende mogelijkheden zijn om de noodzakelijke behandeling te ondergaan en dat de verdachte daartoe ook is gemotiveerd. Het hof heeft geoordeeld dat – gelet op het recidiverisico en de mogelijke juridische kaders voor de behandeling van de verdachte die dit risico op de langere termijn ook kunnen beperken – de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen niet eist dat aan de verdachte de maatregel tbs (met voorwaarden) moet worden opgelegd. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, is dat een ander (strenger) criterium dan geldt voor de GVM. Het hof heeft geoordeeld dat de GVM voldoende mogelijkheden en waarborgen biedt om de verdachte na afloop van zijn detentie (verder) te behandelen ter voorkoming van recidive. De oplegging van de GVM door het hof is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

3. Het tweede middel

Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de afwijzing door het hof van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van deskundigen die over de verdachte hebben gerapporteerd. In cassatie wordt niet betwist dat het hof van de juiste maatstaf is uitgegaan. Het middel richt zich blijkens de toelichting tegen de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het zich voldoende voorgelicht heeft geacht (en daarom de noodzaak van het, nogmaals, horen van de deskundigen niet noodzakelijk heeft geacht).

Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 8 februari 2024 volgt dat de raadsman een pleitnota heeft voorgedragen. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“Voorwaardelijk verzoek

49. Indien uw Hof - in afwijking van het oordeel van de Rechtbank en het voorgaande - meent dat TBS met voorwaarden in deze zaak niet aan de orde is, verzoekt de verdediging om de zaak aan te houden en de deskundigen nogmaals als getuige te horen. Specifiek gaat het om:

a. [deskundige 4] , reclasseringswerker

b. [deskundige 5] , reclasseringswerker;

c. [deskundige 1] , psychiater;

d. [deskundige 2] , GZ-psycholoog;

e. [deskundige 3] , klinisch psycholoog.

50. Ten aanzien van al deze personen is het noodzakelijk dat zij als getuige worden gehoord, aangezien zij vanuit hun deskundigheid hebben geconcludeerd dat maar één maatregel volstaat en dat andere maatregelen te beperkt zijn. Mocht uw Hof van oordeel zijn dat andere maatregelen de voorkeur verdienen, dan dient eerst advies te worden ingewonnen bij deze deskundigen. Zij hebben cliënt direct beoordeeld en kunnen derhalve inschatten welke maatregel welke bedoelde en onbedoelde gevolgen zullen hebben in het specifieke geval van cliënt.”

Het arrest van het hof bevat over dit verzoek het volgende:

“Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om de deskundigen, die over verdachte hebben gerapporteerd te horen, indien het hof aan verdachte niet de maatregel TBS met voorwaarden zou opleggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de deskundigen hebben geconcludeerd dat enkel de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden passend is en dat andere maatregelen te beperkt zijn. Gezien de inhoud van de hiervoor aangehaalde psychologische rapportage berust dit betoog op een verkeerde lezing van de rapportage. In de psychologische rapportage zijn de verschillende modaliteiten voor beperking van recidiverisico uiteengezet en is ook de mogelijkheid van een op te leggen gevangenisstraf van meer dan vijf jaar onderkend. De door de raadsman gevraagde deskundigen zijn bovendien reeds ter zitting van de rechtbank gehoord. Uit het proces verbaal van de zitting maakt het hof op dat zij weliswaar vinden dat een TBS met voorwaarden het beste kader is waarbinnen een behandeling kan plaatsvinden, maar niet dat enkel een TBS met voorwaarden als behandelkader volstaat. Het hof acht zich voldoende voorgelicht over de (on)bedoelde gevolgen voor verdachte van de verschillende wijzen waarop behandeling van verdachtes problematiek kan worden vormgegeven. Het hof acht het opnieuw horen van de deskundigen dan ook niet noodzakelijk. De omstandigheid dat het hof de argumenten anders weegt en tot een andere conclusie komt dan de rechtbank, maakt dat niet anders.”

Om te beginnen merk ik op dat deze klacht iets wonderlijks heeft en strijdig lijkt met het eerste middel. Het hof heeft immers geoordeeld dat niet is voldaan aan de strenge(re) eisen die gelden voor de oplegging van een tbs-maatregel en een GVM opgelegd. In het eerste middel wordt (tevergeefs) betoogd dat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd dat de (lagere) lat voor de GVM wordt gehaald. Met het tweede middel lijkt te worden geïmpliceerd dat het hof desondanks een tbs (met voorwaarden) had moeten opleggen, waarvoor de lat dus nog hoger ligt.

Daar komt bij dat gedragskundigen en reclasseringsmedewerkers (hooguit) adviseren over juridische kaders waarbinnen vanuit gedragskundige perspectief noodzakelijk geachte behandeling plaats zou kunnen vinden. Het is uiteindelijk aan de rechter welke straf en/of maatregel wordt opgelegd.

Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het zich voldoende voorgelicht achtte, waarbij het hof onder meer hetgeen de deskundigen ter terechtzitting van de rechtbank hebben verklaard in aanmerking heeft genomen. Daaruit heeft het hof, mijns inziens niet onbegrijpelijk, afgeleid dat de deskundigen van mening waren dat een tbs met voorwaarden het beste kader is waarbinnen een behandeling kan plaatsvinden, maar niet dat enkel dit behandelkader volstaat. Dit geldt ook voor de passages die in de schriftuur zijn aangehaald. Eenzelfde conclusie kan overigens worden getrokken uit het psychologisch rapport (aangehaald onder randnr. 2.2) waarin de GVM (wel degelijk) als een mogelijk kader wordt vermeld. Het hof heeft in het arrest bovendien (mede naar aanleiding van hetgeen door deskundigen naar voren werd gebracht) stilgestaan bij verschillen tussen een tbs met voorwaarden en een GVM en zich daarvan ook rekenschap gegeven. In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat het zich ter zake voldoende voorgelicht achtte en dat het voorwaardelijk gedane verzoek daarom werd afgewezen niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

4. Slotsom

De middelen falen en kunnen met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

Ambtshalve wijs ik op de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is ingesteld op 6 maart 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM reeds is overschreden en dus ook overschreden zal zijn wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen. Dit dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen. Overige gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik ambtshalve niet aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?