ECLI:NL:PHR:2026:175

ECLI:NL:PHR:2026:175

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 23/04525
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Verdachte is door de enkelvoudige kamer van het hof n-o verklaard in zijn h.b., omdat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op h.b. Geen proces-verbaal van de terechtzitting in h.b. opgemaakt waarin ex art. 425 lid 3 aanhef en onder c Sv het mondeling arrest is aangetekend, omdat rechter en griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof. Deze situatie levert geen bijzondere omstandigheid op die aan nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak in de weg staat (vgl. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605). De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04525

Zitting 3 maart 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 8 november 2023 door de enkelvoudige kamer voor strafzaken in het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-001482-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2023, waarbij hij wegens “diefstal” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel klaagt dat van de terechtzitting in hoger beroep geen proces-verbaal is opgemaakt. Het tweede middel houdt in dat het hof heeft verzuimd ex art. 48 Sv een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte te zenden.

2. Het eerste middel

Het eerste middel behelst de klacht dat er geen proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023 is opgemaakt, zodat het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn.

Bij de stukken die op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevindt zich niet het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2023. De raadsman van de verdachte heeft op 18 april 2024 ingevolge art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig het proces-verbaal van deze zitting opgevraagd bij de rolraadsheer. Reeds op 1 maart 2024 heeft een griffier van het gerechtshof Den Haag over het betreffende proces-verbaal aan de Hoge Raad bericht:

“Hierbij doe ik u toekomen het procesdossier met rolnummer 22-001482-23 in de strafzaak tegen: [verdachte], in welke zaak het gerechtshof Den Haag op 8 november 2023 arrest heeft gewezen.

Nu de voorzitter en de griffier niet langer werkzaam zijn bij dit hof, is het aantekening mondeling arrest, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 november 2023 niet uitgewerkt. Bijgevoegd is het destijds door de voorzitter vastgestelde en ondertekende aantekening mondeling arrest van 8 november 2023.”

Voor de beoordeling van het eerste middel zijn de volgende bepalingen van belang: - Art. 326 lid 1 Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv tevens in hoger beroep van toepassing is:“1. De griffier houdt het proces-verbaal der terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.” - Art. 327 Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv tevens in hoger beroep van toepassing is:“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.” - Art. 425 lid 1, 2 en 3, aanhef en onder c Sv: “1. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 411, tweede lid, heeft de bevoegdheden die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.2. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest. 3. Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen: (…) c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het arrest wordt aangewend;”

- Art. 426 lid 1 Sv: “1. Behoudens artikel 425, derde lid, en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan de kopie van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.”

Art. 426 lid 1 Sv houdt als hoofdregel in dat wanneer door een enkelvoudige kamer in strafzaken mondeling arrest wordt gewezen, het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting achterwege blijft. In dergelijke gevallen kan worden volstaan met het opstellen van een aantekening mondeling arrest. Bij de in de onderhavige zaak aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich zo’n aantekening, die is ondertekend door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld.

Indien tegen het mondeling arrest een gewoon rechtsmiddel wordt aangewend, dient het arrest ingevolge art. 425 lid 3, aanhef en onder c Sv in een proces-verbaal van de terechtzitting te worden aangetekend. Dit proces-verbaal dient ex art. 327 jo. 415 Sv (in ieder geval) door de rechter die over de zaak heeft geoordeeld te worden vastgesteld en ondertekend; ondertekening van het arrest door de griffier is blijkens art. 327 Sv niet noodzakelijk.

In de onderhavige zaak is namens de verdachte op 22 november 2023, dus binnen veertien dagen na de einduitspraak van de enkelvoudige kamer van het hof van 8 november 2023, cassatieberoep ingesteld. Vanwege dit cassatieberoep had de aantekening mondeling arrest aangetekend moeten worden in het proces-verbaal van de terechtzitting. Een dergelijk proces-verbaal is in deze zaak niet opgemaakt (en dus ook niet vastgesteld en ondertekend), omdat de raadsheer die over de zaak heeft geoordeeld en de griffier blijkens het bericht van 1 maart 2024 beide niet meer werkzaam zijn bij het hof.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het niet naleven van de wettelijke voorschriften in art. 326 en 327 Sv – mits daarover wordt geklaagd – in de regel aanleiding geeft tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Ter illustratie hiervan dient HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, waarin de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigde, omdat geen proces-verbaal van de terechtzitting was opgemaakt. Het hof had er in deze zaak voor gekozen om (nog) geen proces-verbaal op te maken, omdat het hof meende dat het cassatieberoep te laat was ingesteld en eerst wilde afwachten hoe de Hoge Raad zou oordelen over de ontvankelijkheid van het beroep. Voor een dergelijke werkwijze bood de Hoge Raad geen ruimte: aan het slot van het arrest overwoog de Hoge Raad dat de in art. 83 van de Wet op de rechterlijke organisatie opgenomen bevoegdheid van de Hoge Raad om inlichtingen in te winnen bij het hof tot doel heeft om te kunnen achterhalen of in het dossier ontbrekende stukken zich nog bij het hof bevinden, en er niet toe strekt het hof de gelegenheid te bieden om stukken die nog niet zijn opgemaakt, alsnog op te maken en in te sturen.

Ook waar het gaat om het vaststellen en ondertekenen van het proces-verbaal (ex art. 327 Sv) hanteert de Hoge Raad doorgaans een strikte lijn. In de zaak die centraal stond in het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2020 was het proces-verbaal van de terechtzitting niet door een van de rechters, noch door de zittingsgriffier vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, omdat zij niet meer werkzaam waren bij het hof. Het proces-verbaal was vastgesteld aan de hand van de zittingsaantekeningen van de griffier en voor gezien en akkoord ondertekend door een andere raadsheer bij het hof, die tevens teamvoorzitter was. De Hoge Raad oordeelde dat deze situatie niet een zodanig bijzondere omstandigheid vormde dat het aan het verzuim te verbinden gevolg van nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege kon blijven. Deze uitspraak was niet in lijn met de conclusie van A-G Harteveld, die vanwege een ontbrekend belang bij cassatie aan de zijde van de verdachte had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Hij schreef hierover:

“Ik stel vast dat ook in de onderhavige zaak in cassatie geen klachten zijn aangevoerd tegen de inhoud van het proces-verbaal. Integendeel, in het hierna te bespreken tweede middel gaat de steller van het middel zelf uit van de juistheid van de inhoud hiervan. Bovendien is het bij verstek gewezen arrest waarin het hof het vonnis van de rechtbank heeft bevestigd, wel ondertekend door de behandelend raadsheren en de griffier en houdt het proces-verbaal tevens in dat dit is “vastgesteld aan de hand van de zittingsnotities van de griffier”. Gelet op dit een en ander behoeft de omstandigheid dat het proces-verbaal niet door de behandelend raadsheren is vastgesteld en ondertekend, niet tot cassatie te leiden.”

Het valt op dat de Hoge Raad in zijn arrest niet ingaat op de hierboven geciteerde redenering van A-G Harteveld. Daaruit maak ik op dat de Hoge Raad de naleving van het voorschrift dat voortvloeit uit art. 327 Sv kennelijk dermate van belang acht, dat het ontbreken van een concreet belang bij cassatie aan de zijde van de verdachte niet aan vernietiging van de bestreden uitspraak in de weg hoeft te staan.

In bijzondere gevallen maakt de Hoge Raad een uitzondering op het uitgangspunt dat – bij een daartegen gerichte klacht – het niet opmaken, dan wel niet vaststellen en ondertekenen van het proces-verbaal van de terechtzitting leidt tot nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Van bijzondere omstandigheden was onder meer sprake in HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:501, waarin de oorzaak van het niet vaststellen en ondertekenen van het proces-verbaal was gelegen in het feit dat de raadsheer die het mondeling arrest had gewezen na de terechtzitting in hoger beroep was komen te overlijden. In de beoordeling van het middel – dat klaagde over de niet-naleving van de voorschriften uit art. 327 Sv – betrok de Hoge Raad dat in cassatie geen klachten waren aangevoerd tegen de inhoud van het (wel) door de griffer vastgestelde en ondertekende proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, en dat ook over de beslissing van het hof ter zake de bewezenverklaring en de strafoplegging geen klachten waren aangevoerd. De Hoge Raad overwoog over het belang van de verdachte bij cassatie verder:

“De schriftuur bevat geen toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep. De niet-geconcretiseerde verwijzing in de schriftuur naar "een praktische en effectieve rechtsgang naar de Hoge Raad (mede) op basis van een feitelijk en juridisch deugdelijk proces-verbaal dat is vastgesteld door de rechter die arrest heeft gewezen op basis van het verhandelde ter terechtzitting" en naar de omstandigheid dat het Hof bij de strafoplegging "mede [heeft] gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken", is daartoe niet toereikend.”

De Hoge Raad achtte het middel in het licht van het voorgaande tevergeefs voorgesteld.

Een bijzondere omstandigheid achtte de Hoge Raad ook aanwezig in een zaak waarin het bij verstek gewezen arrest blijkens de aantekening mondeling arrest als beslissing van de rechter enkel inhield dat de verdachte op grond van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep, en pas meer dan twee jaar na deze uitspraak cassatieberoep werd ingesteld. In deze situatie hoefde de omstandigheid dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet meer kon worden ondertekend door de rechter die over de zaak had geoordeeld niet te leiden tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak, aldus de Hoge Raad. In de onder 2.9 en dit randnummer besproken zaken valt op dat de Hoge Raad – anders dan in HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605 – wel het belang van de verdachte bij cassatie in zijn beoordeling betrekt. Wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-naleving van de voorschriften in art. 326 en 327 Sv kunnen verklaren, lijkt de Hoge Raad dus enige ruimte te bieden om het belang van de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling in de beoordeling van het middel te betrekken. Is er én sprake van bijzondere omstandigheden én is geen belang bij cassatie gesteld of gebleken, dan lijkt nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak achterwege te kunnen blijven.

Ik keer terug naar de zaak die in deze conclusie centraal staat. Uit de stukken die op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden, volgt dat geen proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is opgemaakt, omdat de rechter die over de zaak heeft geoordeeld en de griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof. Een bijzondere situatie zoals in HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:BW3692 (zie randnummer 2.10), waarin ex art. 425 lid 3, aanhef en onder c Sv pas na lange tijd de verplichting ontstond om het mondeling arrest aan te tekenen in het proces-verbaal van de terechtzitting, deed zich in deze zaak niet voor: het cassatieberoep werd namens de verdachte binnen veertien dagen na de einduitspraak ingesteld. De zaak toont meer gelijkenissen met het onder randnummer 2.8 besproken arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2020, waarin het proces-verbaal van de terechtzitting niet was ondertekend door de rechters en de zittingsgriffier, eveneens omdat deze niet meer werkzaam waren bij het hof. De Hoge Raad oordeelde dat die situatie geen bijzondere omstandigheid opleverde die aan nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven einduitspraak in de weg stond. In dat oordeel betrok de Hoge Raad niet (althans niet expliciet) het – op het oog ontbrekende – belang van de verdachte bij cassatie.

Ook in deze zaak speelt de vraag of de verdachte enig belang bij cassatie heeft. Blijkens de aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2023, heeft de verdachte na het uitspreken van het vonnis namelijk afstand gedaan van zijn bevoegdheid om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden. Dat de verdachte ter terechtzitting van de politierechter afstand heeft gedaan van zijn recht op hoger beroep, wordt in cassatie niet betwist. Ook is noch in hoger beroep, noch in cassatie gewezen op bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van art. 381 lid 1 Sv.

Hoewel daarmee een concreet belang bij cassatie lijkt te ontbreken, leid ik uit de hiervoor besproken jurisprudentie van de Hoge Raad af dat in deze situatie vernietiging van het bestreden (mondeling) arrest dient te volgen. Over de situatie waarin de rechter(s) en griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof, is de Hoge Raad in HR 13 oktober 2020 duidelijk: dat levert geen bijzondere omstandigheid op die in de weg staat aan nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. Daarbij merk ik op dat – anders dan in HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605 – in dit geval in het geheel geen sprake is van een proces-verbaal, zodat er nog minder reden is om van nietigheid af te zien. Dat uit de cassatieschriftuur niet blijkt welk belang de verdachte heeft bij vernietiging van het bestreden arrest, doet daaraan in het onderhavige geval – waarin niet blijkt van bijzondere omstandigheden – niet af.

Het eerste middel is terecht voorgesteld.

3. Het tweede middel

Het tweede middel houdt in dat het hof heeft verzuimd ex art. 48 Sv een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman van de verdachte te zenden.

Nu de bestreden uitspraak van het hof reeds vanwege het slagende eerste middel niet in stand kan blijven, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad hierover anders oordeelt, word ik graag in de gelegenheid gesteld om ten aanzien van het tweede middel aanvullend te concluderen.

4. Slotsom

Het eerste middel slaagt.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?