ECLI:NL:PHR:2026:181

ECLI:NL:PHR:2026:181

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 23/04686
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Gekwalificeerde diefstal (art. 311.1 onder 5 Sr). Middel bevat klacht over schending oproepingstermijn in hoger beroep na schorsing voor bepaalde tijd (art. 319 Sv). De conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 23/04687.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04686

Zitting 10 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 november 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 11 mei 2023, waarbij de verdachte wegens “primair: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, bevestigd met aanvulling van gronden.

Er bestaat samenhang met de zaak 23/04687. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Namens de verdachte heeft A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel bevat de klacht dat het hof ter terechtzitting van 27 november 2023 ten onrechte verstek heeft verleend tegen de verdachte, nu de oproeping pas op 22 november 2023 aan de verdachte is toegezonden, zodat de wettelijke oproepingstermijn van 10 dagen niet in acht is genomen.

Op 8 november 2023 heeft in hoger beroep een rolzitting plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat zowel de verdachte als diens raadsman niet zijn verschenen. Dit proces-verbaal houdt verder onder meer in:

“De voorzitter deelt mede dat de zitting van heden een zogenaamde strafrolzitting betreft, waarop een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak in die zin dat uitsluitend de stand van zaken met betrekking tot het naar eerdere indruk zonder grieven ingestelde hoger beroep aan de orde zal komen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter maakt melding van door de raadsman op 10 oktober 2023 ingediende grieven tegen het vonnis waarvan beroep, en stelt vast dat er aldus inmiddels grieven tegen het vonnis zijn opgegeven. De voorzitter maakt voorts melding van door de raadsman opgegeven verhinderdata.

Het gerechtshof, gehoord de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek tot de terechtzitting van 27 november 2023 te 10.10 uur, opdat de behandeling van de zaak dan voortgezet kan worden, en bepaalt dat voor de inhoudelijke behandeling van de zaak – tezamen met de inhoudelijke behandeling van de andere strafzaak tegen de verdachte met rolnummer 22-002707-22 – in totaal 30 minuten dient te worden uitgetrokken;

beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting, met schriftelijke kennisgeving van die nadere terechtzitting aan het slachtoffer”.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 november 2023 houdt onder meer in:

“De verdachte, opgeroepen als:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

adres: [a-straat 1] [plaats] (Polen),

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, die desgevraagd door de voorzitter mededeelt door de verdachte niet te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

[…]

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van gronden.”

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen relevant:

- art. 265 lid 1 en 3 Sv:

“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Ingeval door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Vierde Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven moet een termijn van ten minste vier dagen verlopen.

(…)

3. Bij gebreke van het een of ander schorst de rechtbank het onderzoek, tenzij de verdachte is verschenen. Is dit laatste het geval en verzoekt de verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel, dan schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet.”

- art. 319 lid 1 en 2 Sv:

“1. In alle gevallen waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de verdachte, diens raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, en aan de tolken, getuigen en deskundigen voor zover zij nog niet op de terechtzitting zijn gehoord, het tijdstip aangezegd, waarop zij bij de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting aanwezig moeten zijn. Aan de aanwezige benadeelde partij wordt door de voorzitter het tijdstip aangezegd waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat. De aanzegging geldt als oproeping.

2. De verdachte, raadsman, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, getuigen, deskundigen en tolken die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden in het geval van schorsing voor de nadere terechtzitting opnieuw opgeroepen. De benadeelde partij die niet bij de aanzegging aanwezig is, wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.

- art. 320 lid 1 en 3 Sv:

“1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, worden, zodra de oorzaak der schorsing is vervallen, de verdachte, het slachtoffer, diens vertegenwoordiger op grond van artikel 51e, zesde of zevende lid, of de nabestaande, de getuigen, deskundigen en tolken, voor zover zij nog niet ter terechtzitting zijn gehoord, opnieuw opgeroepen. De ter terechtzitting verschenen benadeelde partij wordt eveneens opgeroepen indien de rechtbank daartoe termen aanwezig acht.

(…)

3. Met betrekking tot de oproeping van de verdachte is artikel 265 van overeenkomstige toepassing.

- art. 413 lid 1 Sv:

“1. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die der terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen. Artikel 265, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.”

- art. 415 lid 1 Sv:

“1. Behoudens de volgende artikelen van deze titel, zijn de artikelen 268 tot en met 314, 315 tot en met 353 en 356 tot en met 366a op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid van artikel 365a aanvulling ook plaats vindt indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld of sprake is van een hoger beroep als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.”

Uit de hiervoor weergegeven wetsartikelen volgt dat de wet een onderscheid maakt tussen de dagvaarding en de oproeping van de verdachte.

In art. 265 lid 1 Sv is bepaald dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de terechtzitting een termijn van ten minste tien dagen moet verlopen. Eenzelfde termijn geldt ingevolge art. 413 lid 1 Sv voor de dagvaarding in hoger beroep.

Art. 319 en 320 Sv, die op grond van art. 415 lid 1 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn, regelen de oproeping van (onder meer) de verdachte voor het moment waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat in geval van respectievelijk schorsing voor bepaalde tijd (art. 319 Sv) en onbepaalde tijd (art. 320 Sv). In het geval het onderzoek voor bepaalde tijd wordt geschorst, wordt de verdachte indien die ter terechtzitting aanwezig is de nadere zittingsdatum aangezegd. Indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, dient hij voor de nadere terechtzitting te worden opgeroepen. Dat laatste is niet altijd zo geweest. Tot 1963 ontving de niet aanwezige verdachte bij een schorsing voor bepaalde tijd geen oproeping. Alleen de niet aanwezige getuigen, deskundigen en tolken ontvingen officieel bericht omtrent de nadere behandeling. “De niet-aanwezige verdachte wordt verondersteld zich daarvan eigener beweging tijdig op de hoogte te stellen”, zo was de achterliggende gedachte. Dit werd niet langer wenselijk geacht, omdat het er “kennelijk vanuit (gaat) dat de afwezige verdachte altijd uit gebrek aan voldoende belangstelling voor zijn eigen strafzaak wegblijft en daarvan bij het verdere verloop dan ook maar de consequenties moet dragen.” Zijn afwezigheid kan echter niet in alle gevallen de verdachte worden verweten, zodat de ‘verdachte’ werd ingevoegd in art. 319 lid 2 Sv. Na een schorsing voor onbepaalde tijd dient de verdachte op grond van art. 320 lid 1 Sv altijd te worden opgeroepen. Dus ook indien de verdachte aanwezig was op de eerdere zitting, omdat op dat moment de datum en tijd van de volgende terechtzitting nog niet bekend was. Ingevolge art. 320 lid 3 Sv is art. 265 Sv op die oproeping van de verdachte van overeenkomstige toepassing en geldt na schorsing voor onbepaalde tijd – en anders dan na schorsing voor bepaalde tijd – een minimale oproeptermijn. Deze termijn is met betrekking tot de schorsing voor onbepaalde tijd blijkens de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als extra waarborg opgenomen, omdat over dat tijdstip, zeker bij de verdachte, geen onduidelijkheid mag bestaan.Bij een schorsing voor bepaalde tijd kan navraag vlak na de terechtzitting daaromtrent reeds duidelijkheid verschaffen.

Ik keer terug naar het middel. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte op de terechtzitting van 27 november 2023 tegen de verdachte verstek heeft verleend, omdat de verdachte – die de Nederlandse taal niet machtig is – pas op 22 november 2023 in de Poolse taal voor die terechtzitting is opgeroepen en het hof dus de wettelijke oproepingstermijn van 10 dagen niet in acht heeft genomen.

Het middel berust op de veronderstelling dat bij de oproeping van de verdachte voor de (nadere) terechtzitting van 27 november 2023 een oproepingstermijn van 10 dagen in acht had moeten worden genomen. Die veronderstelling is – gelet op hetgeen ik onder 2.7 heb overwogen – evenwel onjuist en daarmee faalt het middel. Na een aanhouding voor bepaalde tijd geldt die termijn immers niet voor de daarop volgende oproeping, zodat het niet in acht nemen van die termijn niet in de weg stond aan verstekverlening door het hof.

3. Slotsom

Het middel faalt. Gelet op de onduidelijkheid die HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1408, in dit verband kan oproepen, geef ik de Hoge Raad in overweging het middel niet af te doen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van cassatie op 30 november 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. De Hoge Raad kan volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?