PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04105 U
Zitting 31 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Inleiding
Bij uitspraak van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering aan Oekraïne van de opgeëiste persoon ten behoeve van de strafvervolging wegens de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar verklaard.
Namens het openbaar ministerie heeft plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam [naam 1] één middel van cassatie voorgesteld. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken met een schriftuur houdende tegenspraak.
2. Het middel
Het middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in art. 2 en 3 van het EVRM.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
“Beoordeling gevoerde verweren
Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de UW, zoals daarvan blijkt uit de artikelen 8 en 10 en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen.
Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan:
(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 derde lid aanhef en onder a. Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten ten dienste staat (HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463).
Op de zitting heeft de raadsvrouw primair betoogd dat er sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM zonder dat daarvoor een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat. De rechtbank verwerpt dit verweer. De door de raadsvrouw aangevoerde argumenten, zoals een corrupt rechtssysteem en juridische beperkingen als gevolg van de oorlog in Oekraïne, vinden hun weerlegging in het vertrouwensbeginsel en artikel 15 EVRM dat afwijkingen van de mensenrechten toestaat in geval van een noodtoestand. In het bijzonder kan artikel 15 EVRM het recht op toegang tot de rechter in het kader van de toetsing van het voorarrest beperken. Er kan, anders gezegd, wel een beperking van de toegang tot de rechter zijn, maar dan is nog niet zonder meer sprake van een (dreigende) schending van het recht op toegang tot de rechter.
Op de zitting heeft de raadsvrouw subsidiair betoogd dat als gevolg van de oorlog die in Oekraïne woedt er een dreigende flagrante schending is van het recht op leven van de opgeëiste persoon en dat hem een onmenselijke of vernederende behandeling wacht waardoor de rechten als bedoeld in de artikelen 2 en 3 EVRM worden geschonden. Deze rechten mogen niet worden beperkt in het geval van een noodtoestand. De raadsvrouw heeft er op gewezen dat in heel Oekraïne luchtaanvallen plaatsvinden en dat deze aanvallen de laatste maanden in intensiteit toenemen. Daarbij is in juli 2025 een gevangenis in de regio Zaporizja geraakt waarbij zestien gedetineerden om het leven zouden zijn gekomen en 50 gewond zouden zijn geraakt. Ook in andere delen van het land, die ver verwijderd zijn van de frontlinie, vinden bombardementen plaats waarbij dagelijks doden en gewonden vallen. Een plaatsing in een gevangenis in het westen van Oekraïne, zoals de Oekraïense autoriteiten hebben beloofd, is dus geen vrijwaring van het gevaar dat de bombardementen opleveren. Daarbij komt dat er in de gevangenissen nauwelijks schuilkelders aanwezig zijn. Zo zouden in een deel van de gevangenissen geen schuilkelders zijn en in andere gevangenissen slechts schuilplaatsen waar maar een beperkt aantal gedetineerden in passen. Slechts in 7% van alle 674 rechtbanken in (het niet door Rusland bezette deel van het land) zijn schuilkelders beschikbaar, aldus een door de raadsvrouw aangehaald rapport van de Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
De raadsvrouw heeft vervolgens gewezen op een Deens rapport gedateerd december 2024, getiteld ‘Ukraine Prison conditions, 2024 update’. Dit rapport gaat, voor zover hier van belang, in op de impact van de oorlog op het gehele gevangenissysteem in Oekraïne waardoor detentieomstandigheden in het hele land slechter worden. Er is gebrek aan voedsel, water en andere essentialia, zoals elektra, verwarming, generatoren, warme kleding, bedden, sanitaire benodigdheden en medicijnen. Tenslotte zijn volgens dit rapport maar liefst 5.000 gedetineerden verplaatst uit bezette gebieden in Oost-Oekraïne naar gevangenissen elders in het land, waardoor de overbevolking aldaar verder is toegenomen. Dit laatste wordt, aldus nog steeds de raadsvrouw, bevestigd door de Ukrainian Parliament Commissioner for Human Rights.
Bovendien, zo begrijp de rechtbank de raadsvrouw, zijn de misdrijven die de opgeëiste persoon zou hebben gepleegd, beweerdelijk begaan in Dnipropetrovsjk, dat doelwit is van aanvallen door de Russen. Deze stad ligt niet ver van door de Russen bezette gebieden. Dat betekent dat de opgeëiste persoon gevaar loopt als hij van de gevangenis naar de rechtbank wordt gebracht, maar ook als hij in de rechtbank aanwezig is. De raadsvrouw heeft er, als gezegd, op gewezen dat in het gehele land nauwelijks schuilkelders in de rechtbanken zijn. Als de opgeëiste persoon al in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn zaak bij te wonen, levert de reis naar en het verblijf in de rechtbank daarom een groot risico op voor zijn lijf en leden.
De raadsvrouw komt daarom tot de conclusie dat de opgeëiste persoon bij uitlevering aan Oekraïne vanwege de oorlog onherroepelijk wordt blootgesteld aan het reële risico op een schending van de artikelen 2 en 3 EVRM. De rechtbank begrijpt dit zo dat de raadsvrouw bepleit om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren wegens een dreigende flagrante schending van het recht op leven en het recht op vrijwaring van onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
Dit verweer slaagt. Voldoende staat vast dat de toestand in de gevangenissen in Oekraïne als gevolg van de oorlog van een dusdanige aard is dat ernstig dient te worden gevreesd voor een onmenselijke of vernederende behandeling. De luchtaanvallen die kennelijk (nog) steeds in intensiteit toenemen in combinatie met een gebrek aan middelen, zoals voldoende schuilkelders, om zich daartegen te beschermen doen ernstig vrezen voor het leven van de opgeëiste persoon.
Zoals de raadsvrouw terecht heeft aangehaald is vanwege de oorlog ook de gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne niet mogelijk en verricht de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Asiel en Migratie geen actieve vertrekhandelingen ten aanzien van deze vluchtelingen. Ten aanzien van Oekraïners geldt de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarbij behorende Uitvoeringsbesluit van de Europese Unie en kan (bij het niet voldoen aan de formele voorwaarden voor verblijf op basis van genoemde Richtlijn) asiel worden aangevraagd. Wanneer van gedwongen terugkeer van vluchtelingen naar Oekraïne vanwege de oorlog geen sprake kan zijn, kan er ook geen sprake zijn van uitlevering aan Oekraïne van een gedetineerde persoon, die voor zijn veiligheid geheel is overgeleverd aan een detentiesysteem waarvan onvoldoende vast staat dat het zijn leven kan garanderen en hem kan vrijwaren van onmenselijke of vernederende behandeling. Dat de rechtbank er op moet vertrouwen dat de Oekraïense autoriteiten zich voor de veiligheid en een menselijke behandeling van de opgeëiste persoon inspannen is geen reden om daarover anders te oordelen. De dreiging komt voornamelijk van buiten en stelt de Oekraïense autoriteiten in dat opzicht voor een zware zo niet onmogelijke opgaaf. Tegen die dreigende flagrante schending valt geen enkel reëel rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM in te brengen.
De rechtbank zal de uitlevering van de opgeëiste persoon dan ook ontoelaatbaar verklaren.
[…]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart ONTOELAATBAAR de uitlevering aan Oekraïne van [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ( Armenië),
ter strafvervolging van de feiten omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek.”
Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister heeft miskend en daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In de toelichting wordt daarbij een beroep gedaan op het beoordelingskader dat door de Hoge Raad uiteen is gezet in zijn arrest van 21 maart 2017. In dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, overwogen dat – gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Hij zal bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Verder heeft de Hoge Raad overwogen:
“3.6.
Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die [de opgeëiste persoon] in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.
A.
[…]
B.
(i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat [de opgeëiste persoon] in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van [de opgeëiste persoon] op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van [de opgeëiste persoon] op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.
(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
(a) dat [de opgeëiste persoon] door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van [de opgeëiste persoon] te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom [de opgeëiste persoon] na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.”
Uit het voorgaande volgt dat het deel van het overzichtsarrest dat de rechtbank aanhaalt en waarin een uitzondering wordt geformuleerd op het primaat van de minister om over uitleveringsverzoeken te oordelen, enkel inbreuk op de in art. 6 EVRM en 14 IVBPR genoemde rechten betreft en niet op de rechten genoemd in art. 2 en 3 EVRM. De rechtbank is aldus inderdaad uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
De schriftuur houdende tegenspraak doet mij niet van gedachten veranderen. Dat de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6 onder B sub iii van het onder randnummer 2.3 van deze conclusie geciteerde arrest de meervoudsvorm gebruikt (te weten “mensenrechtenschendingen” en “verdragsbepalingen”) impliceert mijns inziens niet dat deze op art. 6 EVRM toegespitste overweging “eveneens kan worden toegepast op dreigende flagrante schendingen van andere fundamentele rechten”, zoals in de schriftuur houdende tegenspraak wordt gesuggereerd. Art. 6 EVRM beschermt onder de paraplu van het recht op een eerlijk proces immers verscheidene rechten, zoals het recht op berechting binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en het recht om getuigen à charge te ondervragen, hetgeen het gebruik van de meervoudsvorm verklaart. Bovendien zou een andere lezing van deze overweging strijdig zijn met de aanhef van rechtsoverweging 3.6 van ditzelfde arrest. Daar wordt immers duidelijk gemaakt dat het in die rechtsoverweging gaat om een inbreuk op de fundamentele rechten die aan de opgeëiste persoon ingevolge art. 6 EVRM zijn toegekend.
De overige argumenten die worden genoemd in de schriftuur treffen evenmin doel. Dat sommige auteurs en advocaten-generaal inmiddels hebben bepleit bij de bevoegdheidsverdeling inzake de beoordeling van dreigende mensenrechtenschendingen het primaat bij de uitleveringsrechter, en niet bij de minister, te leggen, doet niet af aan de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. Bovendien miskent de indiener van de schriftuur houdende tegenspraak dat na de beslissing van de minister – die daarbij aspecten kan betrekken die bij de uitleveringsrechter niet of slechts beperkt aan de orde kunnen worden gesteld – de opgeëiste persoon naar de civiele rechter kan stappen, waarbij de opgeëiste persoon aan de orde kan stellen dat uitlevering een schending van zijn fundamentele rechten oplevert of op zal leveren. De burgerlijke rechter zal het oordeel van de minister in zo’n geval vol moeten toetsen. Dit kan ertoe leiden dat de civiele rechter de uitlevering alsnog verbiedt, ondanks dat de uitleveringsrechter deze toelaatbaar heeft verklaard en de minister heeft besloten om gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek.
Het middel slaagt.
Wat mij betreft, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden (art. 31 lid 8 UW). Het voornoemde verweer omtrent een dreigende schending van art. 2 of 3 EVRM kan immers niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, omdat de beoordeling daarvan niet toekomt aan de uitleveringsrechter.
De Hoge Raad dient na een gehele of gedeeltelijke vernietiging te doen wat de rechtbank had behoren te doen. Met het oog daarop zal de Hoge Raad de uitspraak van de rechtbank kunnen vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op het verweer betreffende een dreigende schending van art. 2 of 3 EVRM en de daarop volgende eindbeslissing tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering. Vervolgens zal de Hoge Raad voormeld verweer kunnen verwerpen en de uitlevering toelaatbaar kunnen verklaren. Verder zal de Hoge Raad de minister kunnen adviseren over het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg (art. 30 lid 2 UW). Voor zover de Hoge Raad niet tot een negatief advies komt ten aanzien van de uitlevering vanwege redenen die ter zitting van de rechtbank namens de opgeëiste persoon zijn aangevoerd, zou hij de minister kunnen adviseren na te gaan of door de Oekraïense autoriteiten maatregelen kunnen worden getroffen om het leven van de opgeëiste persoon te beschermen.
3. Slotsom
Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen zonder in een nieuw onderzoek naar de feiten te treden.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad:
- de uitspraak van de rechtbank vernietigt, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op het verweer betreffende een dreigende schending van art. 2 of 3 EVRM en de daarop volgende eindbeslissing tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering,
- het verweer betreffende een dreigende schending van art. 2 en 3 EVRM verwerpt,
- de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne toelaatbaar verklaart ter strafvervolging van de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en
- een advies aan de minister uitbrengt over het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG