ECLI:NL:PHR:2026:187

ECLI:NL:PHR:2026:187

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer 24/00396
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Zeer gevaarlijk rijgedrag waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (art. 5a WVW 1994). Het middel, inhoudende dat uit de bewijsvoering onvoldoende blijkt dat vanwege het rijgedrag van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest, faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00396

Zitting 3 maart 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 2 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002747-21) wegens: - In de zaak met parketnummer 01-167213-21: 1. “overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994” 2. “overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” - In de zaak met parketnummer 01-224370-21: 1. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, en

- In de zaak met parketnummer 01-167213-21

3. “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”

- In de zaak met parketnummer 01- 224370-21 3. “handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod” 4. “overtreding van artikel 2:44 van de Algemene plaatselijke verordening [plaats] 2016”,5. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”

- In de zaak met parketnummer 96-125824-21:“overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”

veroordeeld tot telkens hechtenis voor de duur van één week.

Het hof heeft daarnaast een aantal inbeslaggenomen goederen verbeurdverklaard en een vordering tot (gedeeltelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ten aanzien van een eerder opgelegde vrijheidsstraf toegewezen, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01-167213-21 onder 1 tenlastegelegde (overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994) onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat vanwege de gedragingen van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

Het hof heeft in de zaak met parketnummer 01-167213-21, onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij omstreeks 16 januari 2021 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto/bakwagen), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , [straatnaam] , en [straatnaam] , zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - de verlichting van zijn, verdachtes, voertuig te doven, - meermalen met een snelheid van ongeveer (tenminste) 80 en 90 en 120 km/h, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 30 of 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, te rijden, - meermalen rakelings langs geparkeerde voertuigen en een boom en een schutting te rijden, - met een snelheid van ongeveer (tenminste) 40 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad te rijden,- niet te remmen bij kruispunten waar hij, verdachte, onvoldoende zicht had op het overige verkeer,- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een trottoirpaal aan te rijden,- met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, door een park te rijden waar zich voetgangers bevonden, en/of - met een snelheid van ongeveer (tenminste) 50 km/h, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, tegen een appartementencomplex te rijden door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.”

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2021011953-3 d.d. 17 januari 2021 met bijlage (pagina’s 6-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op zaterdag 16 januari 2021 omstreeks 23:45 uur (...) bevonden wij ons op [straatnaam] te [plaats] en reden wij in de richting van [straatnaam] te [plaats] . Op het wegdek lag sneeuw en ijzel door sneeuwval gedurende de gehele avond. Wij zagen komende vanaf [straatnaam] gaande in de richting van [straatnaam] een bedrijfsauto (bakwagen) rijden. Dit voertuig trok onze aandacht omdat de bestuurder lang in onze richting keek. Wij zagen dat er één persoon in het voertuig zat. Wij besloten te keren om het voertuig en de bestuurder aan een controle te onderwerpen.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften hebben wij, verbalisanten het voertuig op [straatnaam] een stopteken gegeven. Het stopteken werd gegeven middels het stoptransparant aan de voorzijde van ons dienstvoertuig.

Wij zagen dat de bestuurder direct zijn snelheid begon te verhogen. [straatnaam] is een 30 kilometer zone die ook als dusdanig is ingericht. Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] opliep tot 80 kilometer per uur. Wij zagen het voertuig op ons uitlopen.

Wij zagen het voertuig op [straatnaam] rechtsaf [straatnaam] inrijden. Hierna zagen wij hem rechtsaf gaan om zijn weg te vervolgen over [straatnaam] . Op [straatnaam] activeerden wij de optische en geluidsignalen van ons dienstvoertuig. Vervolgens zagen wij dat de verlichting van het voertuig werd gedoofd. (...)

Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] ten minste 90 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstand tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen het voertuig vanaf [straatnaam] linksaf [straatnaam] inrijden. Vanaf [straatnaam] vervolgde hij zijn weg linksaf over [straatnaam] en [straatnaam] .

Wij zagen dat [straatnaam] en [straatnaam] smalle straten betroffen waar zowel aan de linker- als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. De combinatie van de smalle straten en het formaat van het voertuig maakte dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed. Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] ten minste 80 kilometer per uur betrof. (...)

Vervolgens zagen wij het voertuig rechtsaf zijn weg vervolgen over [straatnaam] . Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] ten minste 120 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstond tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef.

Hierna zagen wij het voertuig links de [straatnaam] inrijden. Aan het einde van [straatnaam] straat zagen wij hem rechtsaf [straatnaam] inrijden. Wij zagen dat [straatnaam] een smalle straat betrof waar zowel aan de linker als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. Wij zagen dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed.

Aan het einde van [straatnaam] zagen wij hem rechtsaf over [straatnaam] rijden. Vanuit [straatnaam] zagen wij hem over het voetpad rijden welke was gelegen tussen [straatnaam] […] en […] . Wij zagen hem met hoge snelheid rakelings langs een schutting en boom rijden. Ik [verbalisant 1] zag op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op deze locatie ten minste 40 kilometer per uur betrof. Wij zagen dat de afstond tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen het voertuig met deze snelheid door het plantsoen / park rijden en via het voetpad [straatnaam] overstak in de richting van [straatnaam] . Wij zagen dat het vanwege de bebouwing op [straatnaam] onmogelijk was om voldoende zicht te pakken op [straatnaam] en het naastgelegen voetpad en fietspad. [straatnaam] is een drukke verbindingsweg waar de maximum toegestane snelheid 50 kilometer per uur betreft. Wij zagen het voertuig vanuit het park/plantsoen direct zijn snelheid verhoogde om daarna [straatnaam] over te steken. Wij zagen hem daarbij het voetpad, fietspad en de rijbaan kruisen om zijn weg te kunnen vervolgen over [straatnaam] .

Op [straatnaam] zagen wij hem rechtsaf [straatnaam] inrijden. Aan het einde van [straatnaam] zagen wij hem rechtsaf [straatnaam] oprijden. Aan het einde van [straatnaam] zagen wij hem linksaf [straatnaam] oprijden. Op [straatnaam] zagen wij hem rechtsaf zijn weg vervolgen over [straatnaam] te [plaats] . Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] opliep tot ten minste 90 kilometer per uur. Wij zagen dat de afstond tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef.

Op [straatnaam] zagen wij het voertuig linksaf zijn weg vervolgen over [straatnaam] te [plaats] . Wij zagen dat [straatnaam] een smalle straat betrof waar zowel aan de linker als aan de rechterzijde voertuigen stonden geparkeerd. Wij zagen dat hij rakelings langs de geparkeerde voertuigen reed. Wij verbalisanten zagen op het dashboard van ons geijkte dienstvoertuig dat onze snelheid op [straatnaam] opliep tot ten minste 70 kilometer per uur. Wij zagen dat de afstond tussen ons en het voertuig vrijwel gelijk bleef. Wij zagen dat [straatnaam] een doodlopende straat betrof welke uitkwam op een voetpad van [straatnaam] .

Het is mij als wijkagent ambtshalve bekend dat [straatnaam] een druk bezocht park is waar wijkbewoners voor het slapengaan hun hond uitlaten. Wij zagen dat de toegang tot dit park voor voertuigen werd geblokkeerd door een houten trottoirpaal.

Wij zagen de verdachte opzettelijk en met een snelheid van ten minste 50 kilometer per uur tegen de trottoirpaal rijden. Wij zagen delen van het carrosserie (bumper) van het voertuig door de lucht vliegen. Wij zagen dat het voertuig te breed was voor het voetpad en daardoor ook de omheining van het plantsoen kapot werd gereden. Wij zagen de stukken staal/aluminium door de lucht vliegen. Vanuit [straatnaam] was het door de aanwezige bosschages onoverzichtelijk en onmogelijk om eventuele voetgangers in het park waar te nemen. Het park bestaat voor een groot gedeelte uit gras wat de remweg in deze weersomstandigheden niet ten goede komt. Wij voelden ons dienstvoertuig bij elke stuur en rembeweging schuiven. Wij besloten onze snelheid aan te passen op deze omstandigheden. Wij zagen dat de verdachte dit niet deed en met een snelheid van ongeveer 50 kilometer per uur door het park bleef rijden. Wij zagen in het park op een afstand van ongeveer 20 meter twee personen met een hond lopen.

Bovenstaande bevindingen tezamen met het niet voeren van verlichting, het ontbreken van straatverlichting, zijn snelheid, de ondergrond (gras) en de weersomstandigheden (sneeuw) maakt het een wonder dat er geen slachtoffers zijn gevallen.

Vervolgens zagen wij het voertuig door het park in de richting van [straatnaam] rijden. Wij zagen hem rakelings langs bomen rijden en vervolgens tot stilstand komen tegen een appartementencomplex op [straatnaam] . Wij zagen dat het voertuig met de linker voorzijde tegen de muur van het appartementencomplex was gereden.

Portofonisch hoorden wij dat collega [verbalisant 4] de verdachte uit het voertuig zag wegrennen in de richting van [straatnaam] . (...)

Het voertuig is bij ons de gehele achtervolging in zicht geweest.

Met uitzondering van [straatnaam] zijn bovengenoemde straten allen ingericht als zijnde een 30 kilometer zone.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer 2021011953-2 d.d. 17 januari 2021 met bijlage (pagina’s 11-14), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op zaterdag 17 januari 2021 (...) omstreeks 23.45 uur hoorden wij via de portofoon dat collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] achter een voertuig zaten welke niet voldeed aan een stopteken middels stoptransparant dat de collega's hadden gegeven. (...)

Vervolgens hoorden wij dat het voertuig [straatnaam] op reed richting [straatnaam] . Wij, verbalisanten reden op [straatnaam] en vanuit daar [straatnaam] in. Wij zagen dat het voertuig door het park reed onze kant op. Wij zagen dat het voertuig ons frontaal naderde. Wij zagen dat de collega's met optische- en geluidssignalen en een stopteken middels rode lichttransparant achter het voertuig reden. Wij zagen dat het voertuig vanuit [straatnaam] op zo’n 10 meter voor ons afsloeg en probeerde door te steken richting [straatnaam] . Aldaar zagen wij dat het voertuig tegen een appartementencomplex crashte.

Ik, [verbalisant 4] , zag dat het voertuig met de zijde van de bestuurderskant tegen het appartementencomplex was gecrasht. Ik zag dat er een man aan de bijrijderszijde uit het voertuig sprong. Ik zag dat de man rechts van het voertuig weg rende door de voortuinen van de woningen welke gelegen zijn aan [straatnaam] […] tot en met […] . Ik zag dat de man bij perceel […] over de schutting klom richting [straatnaam] . Ik rende om de schutting heen en zag dat de verdachte over de schutting was geklommen en in de groenvoorziening stond. Ik, [verbalisant 4] , stond één tegen één met de verdachte. (...) Ik hield de verdachte aan voor overtredingen van artikel 5a en 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte gaf op [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1975 te zijn. (...)

Ik, [verbalisant 3] , zag in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer dat [verdachte] niet in het bezit is van enig rijbewijs. (...)”

Over het bewijs heeft het hof verder overwogen (zonder overneming van voetnoten):

Beoordeling van de verkeersovertredingen aan de hand van de maatstaf van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 Het hof dient te beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (I) de verkeersregels heeft geschonden, (II) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (III) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (IV) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Met andere woorden; vastgesteld dient te worden dat de verdachte verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, of nog anders gezegd: dat de verdachte welbewust en met groot gevaar voor andere medeweggebruikers in ernstige mate verkeersgedragsregels heeft overtreden.

I) De verkeersregels Het in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van ‘de verkeersregels’. Uit de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Zoals daarin wordt gesteld gaat het om het begaan van dikwijls aaneengesloten ernstige verkeersovertredingen. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet is het volgende opgemerkt. “De dader moet door zo’n gedraging opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels schenden terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Dat betekent dus niet dat met het verrichten van een of meer van de genoemde gedragingen al vaststaat dat opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels zijn geschonden. Het enkele feit dat de bestuurder een telefoon vasthoudt of een bestuurder die onbewust door rood licht rijdt levert geen overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 op. Oftewel overtredingen van de in artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 opgenomen gedragingen die uit simpele onachtzaamheid worden begaan worden niet automatisch een zwaar misdrijf zodra daardoor enig gevaar voor letsel ontstaat. Het gaat bij een overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 immers om het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels (en gevaar is te duchten).” Uit deze overweging en mede uit de naar aanleiding van de in de consultatiefase uitgebrachte adviezen gemaakte opmerking van de betrokken minister maakt het hof op dat ook een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn gelet op de ernst van het verkeersgedrag en in het licht van de context waarin dat verkeersgedrag heeft plaatsgevonden.

Op grond van de gebezigde, hiervoor uitgewerkte bewijsmiddelen, stelt het hof allereerst vast dat de verdachte omstreeks 16 januari 2021 te [plaats] als bestuurder van een bedrijfsauto/bakwagen minutenlang de ter plekke geldende maximumsnelheid van 30 of 50 kilometer per uur in zeer forse mate heeft overschreden (artikel 5a lid 1 sub g van de Wegenverkeerswet 1994). Daarbij heeft hij bij kruispunten waar hij onvoldoende zicht had niet geremd. Daarnaast is de verdachte omstreeks/op voornoemde datum en plaats met de bedrijfsauto/bakwagen, met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, over een voetpad gereden, tegen een trottoirpaal aan gereden, door een park gereden waar het door de aanwezige bosschages onoverzichtelijk en onmogelijk was om eventuele voetgangers waar te nemen en zich ten minste twee personen bevonden met een hond om uiteindelijk tegen een muur van een appartementencomplex tot stilstand te komen. Door zich aldus te gedragen, heeft de verdachte (potentieel) gevaar op de weg veroorzaakt en zich aldus schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, zijnde een andere dan de in artikel 5a lid 1 onder a tot en met l van de Wegenverkeerswet 1994 opgenomen verkeersregels, doch één van soortgelijk belang (artikel 5a lid 1 sub m van de Wegenverkeerswet 1994).

Ten overvloede merkt het hof op dat de verdachte omstreeks 16 januari 2021 te [plaats] als bestuurder van een bedrijfsauto/bakwagen niet heeft voldaan aan het door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gegeven stopteken (artikel 5a lid 1 sub 1 van de Wegenverkeerswet 1994). Die gedraging is in de tenlastelegging evenwel niet opgenomen.

II) In ernstige mate

Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 heeft alleen betrekking op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. In de memorie van toelichting op dit wetsvoorstel valt hierover het volgende te lezen. “De gedachte achter de keuze voor in «in ernstige mate» is dat de bepaling beperkt moet zijn tot (voldoende) ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Bij het schenden van een verkeersregel in «ernstige mate» kan worden gedacht aan het meerdere malen negeren van een rood kruis, het meerdere keren rijden door rood licht, voor een langere periode met een hoge snelheid rijden, continu over een vluchtstrook blijven rijden, terwijl dat niet is toegestaan.”

Naar het oordeel van het hof zijn in het geval van de verdachte, de onder I genoemde verkeersregels in ernstige mate geschonden en kan derhalve worden gesproken van ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte de ter plekke toegestane maximumsnelheid telkens overschreed (daar waar een snelheidslimiet van 30 kilometer per uur geldt, heeft de verdachte circa 80 en circa 90 kilometer per uur gereden en daar waar een snelheidslimiet van 50 kilometer per uur geldt, heeft de verdachte maar liefst circa 120 kilometer per uur gereden), de duur van die snelheidsoverschrijdingen (circa 5 tot 10 minuten lang) en de plaats waar de verdachte de snelheidsovertredingen beging, namelijk grotendeels in een woonwijk met op sommige plekken (zeer) smalle straten, daarbij het risico lopend op het toebrengen van schade aan in die straten geparkeerde voertuigen. Door het in een woonwijk, in dusdanig forse mate overtreden van de toegestane maximumsnelheid heeft de verdachte het zichzelf haast onmogelijk gemaakt om te (kunnen) anticiperen en (tijdig) te (kunnen) reageren op de gedragingen van andere weggebruikers. Daar komt bij dat ten tijde van de snelheidsovertredingen door de verdachte sprake was van sneeuwval en bijgevolg het wegdek bedekt was met sneeuw en ijzel, omstandigheden die maken dat je als bestuurder van een motorrijtuig in het verkeer geacht wordt extra voorzichtig en oplettend te zijn.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte met de bedrijfsauto/bakwagen over een voetpad en door een park en dus in voetgangersgebied – op dat moment was in het park ten minste één voetganger aanwezig –, waar motorrijtuigen in beginsel verboden zijn, is gereden, en dat met een snelheid van circa 40 kilometer per uur. Daarbij heeft de verdachte zich de toegang tot het park verschaft door met de bedrijfsauto/bakwagen tegen een trottoirpaal, die juist bedoeld is om de toegang tot het park voor motorrijtuigen te blokkeren, aan te rijden. Vervolgens is de verdachte tegen een appartementencomplex aangereden.

Tot slot acht het hof van belang dat de verdachte de onder I genoemde verkeersregels heeft overtreden, kennelijk met het enkele doel om te ontkomen aan de politie, die hem immers via een duidelijk zichtbaar stopteken aan de voorzijde van het politievoertuig had opgedragen de bedrijfsauto/bakwagen tot stilstand te brengen.

III) Opzettelijk

In de Nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer over het opzet onder andere het volgende. “De plaats van het begrip opzettelijk in de zinsnede «opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden» brengt mee dat het opzet zowel gericht meet zijn op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. Zoals hierboven in de algemene inleiding van deze nota haar aanleiding van het verslag is aangegeven, is de beoordeling van verkeersdelicten in hoge mate casuïstisch.”

Blijkens de Memorie van Toelichting is opzet “gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen”. Het hof zal zich dan ook beperken tot de vraag of het opzet van de verdachte gericht was op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

Het hof is van oordeel dat het als bestuurder van een motorijtuig gedurende circa 5 tot 10 minuten overtreden van de toegestane maximumsnelheid in de mate waarop de verdachte dit heeft gedaan, kennelijk met het enkele doel om te ontkomen aan de politie, niet anders dan met opzet kan zijn gedaan. Datzelfde geldt voor het met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was als bestuurder van een motorijtuig over een voetpad en door een park rijden, zeker gelet op het feit dat de verdachte zich de toegang tot dat park heeft verschaft door met de bedrijfsauto/bakwagen waarin hij reed tegen een trottoirpaal, die juist bedoeld is om de toegang tot het park voor motorrijtuigen te blokkeren, aan te rijden. Immers, de aan de verdachte toe te schrijven verkeershandelingen betreffen telkens nieuwe keuzes die zowel het weten als het aanvaarden impliceren. Daarmee is, gegeven de aard en de ernst van de hier aan de orde zijnde verkeersovertredingen, het opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels gegeven.

IV) Gevaar te duchten

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat van het door de verdachte in ernstige mate schenden van de verkeersregels geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten was.

Het hof is een ander oordeel toegedaan en overweegt daartoe als volgt.

Het hof is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is dat het met een bedrijfsauto/bakwagen met circa 80, 90 en 120 kilometer per uur door een woonwijk rijden, waar de toegestane maximumsnelheid in bijna alle straten 30 kilometer per uur betreft, en met een snelheid van circa 40 kilometer per uur over een voetpad en door een park rijden, waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar met zich brengt. Het is evident dat bij het rijden met een dergelijke snelheid, onder meer op plaatsen waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan, voor de bestuurder het vermogen om te anticiperen en (tijdig) te reageren op de gedragingen van andere weggebruikers fors afneemt en daarbij de tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toeneemt, met als gevolg dat (zeer) gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Het hof neemt in dit verband in aanmerking dat zich in het park waar de verdachte met de bedrijfsauto/bakwagen doorheen is gereden, op korte afstand twee personen met een hond liepen.

Conclusie

Resumerend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van verdachte, gelet op de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte welbewust en met groot gevaar voor andere medeweggebruikers in ernstige mate verkeersgedragsregels heeft overtreden. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en al het vorenoverwogene, acht het hof de aan de verdachte in de zaak met parketnummer 01-167213-21 onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”

3. Het middel

Het middel houdt in dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 01-167213-21 onder 1 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleedt, omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat vanwege het rijgedrag van de verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. Dat de verdachte zich opzettelijk zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, staat in cassatie niet ter discussie.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2024 heeft de advocaat-generaal het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van het aan het hof overgelegde op schrift gestelde requisitoir, dat onder meer inhoudt:

“schending van art. 5a WVW 1994: het absurde weggedrag zoals in de tenlastelegging gespecificeerd staat vast. Lastig punt is echter het bewijs dat door dit rijgedrag levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer anderen te duchten was. Uitleg te duchten: levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel moet voorzienbaar zijn geweest. Uitleg overeenkomstig dit bestanddeel van art. 157 Sr. Dit impliceert dat in de directe omgeving van de delictsgedragingen mensen aanwezig moeten zijn geweest die het risico liepen getroffen te worden door het rijgedrag van verdachte, en wel zodanig getroffen dat zij zouden kunnen komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Dit blijkt naar mijn mening onvoldoende uit de bewijsmiddelen, zodat voor art. 5a WVW 1994 vrijspraak op zijn plaats is.”

In aanvulling op het op schrift gestelde requisitoir brengt de advocaat-generaal op de terechtzitting naar voren:

“Vaststaat dat de verdachte in ernstige mate opzettelijk verkeersregels heeft overtreden. De uitleg die de Hoge Raad geeft aan het in de delictsomschrijving van brandstichting voorkomende bestanddeel “te duchten zijnde levensgevaar”, is dat dit gevaar voorzienbaar moet zijn geweest. Die interpretatie moet ook bij gemeengevaarlijke delicten worden aangehouden. In de onderhavige zaak kan niet worden vastgesteld of sprake is geweest van voorzienbaar “gemeen gevaar”. Derhalve dient de verdachte mijns inziens te worden vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 01-167213-21 onder 1 tenlastegelegde overtreden van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.”

De raadsman van de verdachte heeft vervolgens het woord gevoerd tot verdediging en zich aangesloten bij de door de advocaat-generaal gevorderde vrijspraak van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.

De vraag die in cassatie voorligt, is welke betekenis toekomt aan het bestanddeel ‘te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’ in de zin van art. 5a lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Meer in het bijzonder is het de vraag hoe concreet gevaar te duchten moet zijn, en wat daartoe moet blijken uit de bewijsvoering van het hof.

In aansluiting op het standpunt van de advocaat-generaal betogen de stellers van het middel dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel noodzakelijk is dat vanwege de concrete omstandigheden ter plaatse levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij een ander voorzienbaar is geweest. Daartoe moet uit de bewijsvoering niet alleen blijken dat in de nabijheid van de verdachte andere verkeersdeelnemers aanwezig zijn geweest, maar ook dat deze zich – zo schrijven de stellers van het middel – als het ware in de gevarenzone bevonden. Ten aanzien van de twee voetgangers die zich blijkens het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (bewijsmiddel 1) op twintig meter afstand bevonden, is op grond van het proces-verbaal niet duidelijk of zij zich op het pad van de verdachte hebben bevonden en daarmee daadwerkelijk gevaar liepen. Met betrekking tot de overige door het hof vastgestelde verkeersgedragingen blijkt niet dat de verdachte andere verkeersdeelnemers is tegengekomen, terwijl vanwege het tijdstip en de weersomstandigheden niet voorzienbaar was dat de verdachte personen zou tegenkomen. De bewezenverklaring van het gevaarsbestanddeel in art. 5a WVW 1994 is zodoende onvoldoende met redenen omkleed, aldus de stellers van het middel. Juridisch kader

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 5a lid 1 WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden dat ‘levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.

Art. 5a WVW 1994 luidt sinds de invoering ervan op 1 januari 2020 als volgt: “1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:

a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;

b. gevaarlijk inhalen;

c. negeren van een rood kruis;

d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;

e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;

f. niet verlenen van voorrang;

g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;

h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden;

i. door rood licht rijden;

j. tegen de verkeersrichting inrijden;

k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;

l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;

m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.

2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid.”

Art. 5a lid 1 WVW 1994 is ingevoerd bij de Wet van 6 november 2019 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten, Stb. 2019, 413). Met de invoering van art. 5a WVW 1994 beoogde de wetgever het ‘strafgat’ tussen art. 5 WVW 1994 (gevaarlijk rijgedrag zonder ernstige gevolgen) en art. 6 WVW 1994 (gevaarlijk rijgedrag met ernstige gevolgen, mits sprake van schuld) te dichten, middels een bepaling die zeer gevaarlijk rijgedrag zonder (ernstige) gevolgen als misdrijf bestraft.

Over de betekenis van het bestanddeel “indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is”, houdt de memorie van toelichting onder meer in:

“Over het bestanddeel «indien daarvan gevaar is te duchten» merk ik nog op dat daarvoor bepalend is of het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is. Bij de beantwoording van deze vraag kan worden aangesloten bij de criteria uit de causaliteittheorieën. Het voorbeeld van de Rvdr over een dronken vrachtwagenchauffeur die op enig moment veel te hard rijdt, terwijl hij tijdens de rit niemand tegenkomt, valt zeker niet zonder meer onder het bereik van artikel 5a WVW 1994, maar zal veeleer worden aangepakt op grond van artikel 5 en/of artikel 8 van de WVW 1994. In navolging van het advies van de NOvA is ten aanzien van de ernst van het te duchten letsel voor een ander de eis gesteld dat sprake moet zijn te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.”

In de memorie van antwoord staat voorts geschreven (met overneming van voetnoten, en onderstrepingen van mijn hand):

“Naar aanleiding van het advies dat door de Raad voor de rechtspraak is uitgebracht verzochten de leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de SP om een verduidelijking van de reikwijdte van het delictsbestanddeel «indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is te duchten» in het voorgestelde artikel 5a WVW 1994, en met name over de vraag of de vervulling van dit bestanddeel afhankelijk is van de vraag of daadwerkelijk personen in de omgeving aanwezig zijn of niet.

Uit de jurisprudentie zijn enkele criteria af te leiden waaraan dit delictsbestanddeel moet worden getoetst. Om vast te stellen dat dergelijk gevaar te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Wat betreft de graad van waarschijnlijkheid dat het gevaar zich voordoet is in de literatuur aangegeven dat «het gevaar bestaat wanneer naar de gewone loop der dingen zonder buitengewone omstandigheden de ernstige mogelijkheid van noodlottige afloop aanwezig is».

Bij de uitleg van dit bestanddeel in de zin van artikel 157 Sr (brandstichting) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van die vereiste voorzienbaarheid in de regel geen sprake zal zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van de plaats van dat handelen bevinden. Ik wijs in dit verband op het gebruik van de woorden «in de regel» en «doorgaans»; hieruit komt de casuïstische beoordeling naar voren die deze gevallen vergen. Of het gevaar naar algemene ervaringsregels in het concrete geval voorzienbaar is geweest, vergt een beoordeling van feiten en omstandigheden die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Als in de regel een bepaalde omstandigheid niet voldoende is om strafbaarheid aan te nemen, kunnen bijzondere omstandigheden van het geval dit anders maken. Het gaat erom dat de rechter dergelijke omstandigheden in ogenschouw neemt, benoemt, afweegt en motiveert waarom hij in het desbetreffende geval tot zijn oordeel komt. Met betrekking tot het voorbeeld van een dronken vrachtwagenchauffeur die op enig moment veel te hard rijdt, terwijl hij tijdens de rit niemand tegenkomt, zal het oordeel of sprake was van te duchten gevaar onder meer afhangen van de vraag waar en op welk tijdstip hij dit deed. Rijdt de dronken chauffeur overdag veel te hard door een woonwijk, langs een winkelcentrum of een school waar ook nog waarschuwingsborden zijn geplaatst voor overstekende kinderen, dan is voorstelbaar dat de rechter eerder tot het oordeel komt dat sprake was van te duchten gevaar in de zin van artikel 5a dan wanneer dit gedrag ’s nachts ver buiten de bebouwde kom plaatsvindt. Vastgesteld behoeft niet zozeer te worden of zich daadwerkelijk personen in de nabijheid van het handelen hebben bevonden, maar of de chauffeur volgens algemene ervaringsregels kon voorzien dat zijn zeer gevaarlijke rijgedrag een reëel risico op de dood of zwaar lichamelijk letsel voor anderen inhield. Het aannemen van gevaar is niet in de eerste plaats afhankelijk van wat is gebleken of gevolgd, maar van wat men kon en moest voorzien op het moment van handelen, namelijk dat er een sterke mogelijkheid was op de verwezenlijking van datgene waarvoor het gevaar ontstaat (dood of letsel).”

In zijn arrest van 11 maart 2025 heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de invulling van het gevaarsbegrip in art. 5a WVW 1994. Aanleiding daartoe vormde een zaak waarin de bestuurder van een auto onder invloed van alcohol en drugs met hoge snelheden in de bebouwde kom had getracht aan de politie te ontkomen, waarbij hij onder meer zes maal een rood verkeerslicht negeerde en eenmaal tegen de verkeersrichting in een rotonde was opgereden. In cassatie werd door de steller van het middel aangevoerd dat ondanks de ernst van dit rijgedrag geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was geweest, omdat de andere weggebruikers de verdachte zouden hebben opgemerkt en de verdachte met deze verkeersdeelnemers rekening zou hebben gehouden. Over de uitleg van het gevaarsbegrip in art. 5a WVW 1994 overweegt de Hoge Raad mede naar aanleiding van dit verweer:

“Om te kunnen beoordelen of gelet op het bewezenverklaarde gedrag waarmee de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Zoals ook uit de onder 2.3 weergegeven wetsgeschiedenis volgt, vergt dit een beoordeling aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, waaronder de plaats waar en het tijdstip waarop het genoemde gedrag heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel is van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in de nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op een schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander kan daarom ook sprake zijn als het gedrag waarmee de verkeersregels in ernstige mate is geschonden, met zich brengt dat de bestuurder van het voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers.”

Voor de invulling van het gevaarsbegrip in art. 5a WVW 1994 zoekt de Hoge Raad – evenals in de parlementaire stukken wordt gedaan – aansluiting bij het criterium dat de Hoge Raad ten aanzien van verschillende commune gemeengevaarlijke delicten formuleerde, inhoudende dat vastgesteld moet worden “of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was”. De Hoge Raad overweegt dat de toepassing van dit criterium een beoordeling aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval vergt, waaronder de plaats waar en het tijdstip waarop het genoemde gedrag heeft plaatsgevonden. In het tweede gedeelte van het citaat brengt de Hoge Raad tot uitdrukking dat de beoordeling van het gevaar aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval niet zó beperkt moet worden uitgelegd, dat een bewezenverklaring van het bestanddeel enkel kan volgen wanneer uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte andere verkeersdeelnemers is tegengekomen. Vanwege de onvoorspelbaarheid van het verkeer kan volgens de Hoge Raad ook gevaar te duchten zijn wanneer het gedrag van de verdachte (waarmee de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate worden geschonden) met zich meebrengt dat de bestuurder van het voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. Daarmee wordt van de verkeerssituatie ter plaatse dus enigszins geabstraheerd: doorslaggevend is de aard van het rijgedrag van de verdachte en de mate waarin de bestuurder – daarbij wel lettend op de omstandigheden van het geval, zoals de plaats waar en het tijdstip waarop het verkeersgedrag heeft plaatsgevonden en de vraag of de verdachte al dan niet onder invloed was – in staat wordt geacht te kunnen reageren op de (toekomstige) aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. Dat andere weggebruikers de verdachte hebben opgemerkt, of dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met zijn weggedrag rekening met hen zou hebben gehouden, hoeft – zo begrijp ik het arrest van de Hoge Raad – aan een bewezenverklaring van het te duchten gevaar niet in de weg te staan.

Bespreking van het middel

Uit de bewijsvoering van het hof volgt – samengevat – dat de verdachte op zaterdag 16 januari 2021 vlak voor middernacht, na een (door hem genegeerd) stopteken van de politie met een bedrijfsauto/bakwagen circa 5 tot 10 minuten lang met gedoofde lichten en met snelheden van circa 80, 90 en 120 kilometer per uur door een woonwijk – waar doorgaans vele mensen wonen – heeft gereden, waar de toegestane maximumsnelheid in bijna alle straten 30 kilometer per uur betrof en waar sommige straten (zeer) smal waren. De verdachte is bovendien met een snelheid van circa 40 kilometer per uur over een voetpad tussen twee woningen gereden en heeft vervolgens – zonder voldoende zicht en zonder te remmen – een drukke verbindingsweg met naastgelegen fiets- en voetpad gekruist. Ook heeft hij door een park gereden waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan en waar zijn voertuig te breed was voor het voetpad. Dit betrof een druk bezocht park waar wijkbewoners voor het slapengaan hun hond uitlaten en waar het door de aanwezige bosschages onoverzichtelijk was en onmogelijk om eventuele voetgangers waar te nemen. Het hof heeft verder vastgesteld dat in het park op een afstand van ongeveer twintig meter twee personen met een hond liepen. Bij de beoordeling van de (ernstige) mate waarin de verdachte de verkeersregels heeft geschonden, heeft het hof overwogen dat – door in een woonwijk de maximale snelheid in dusdanige mate te overschrijden – de verdachte zichzelf het haast onmogelijk heeft gemaakt om te (kunnen) anticiperen en (tijdig) te (kunnen) reageren op de gedragingen van andere weggebruikers, terwijl bovendien vanwege de weersomstandigheden (sneeuw en ijzel) extra oplettendheid was vereist. In het kader van de beoordeling van het te duchten gevaar heeft het hof overwogen dat het evident is dat bij het rijden in een woonwijk met een dergelijke snelheid, onder meer op plaatsen waar motorrijtuigen in beginsel niet zijn toegestaan, het vermogen om te anticiperen en (tijdig) te reageren op de gedragingen van andere weggebruikers fors afneemt en de tijd die nodig is om voor eventuele anderen te remmen toeneemt, met als gevolg dat (zeer) gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat zich in het park waar de verdachte met de bedrijfsauto/bakwagen doorheen is gereden, op korte afstand twee personen met een hond bevonden.

Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat vanwege het rijgedrag van de verdachte, waarmee hij opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, vindt – in het licht van hetgeen onder 3.7-3.13 is vooropgesteld – voldoende steun in de bewijsmiddelen en is toereikend gemotiveerd.

4. Slotsom

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 8 februari 2026 is overschreden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf (een gevangenisstraf van drie maanden en vijf maal hechtenis voor de duur van één week) en de mate van overschrijding van de redelijke termijn, kan de Hoge Raad volstaan met een constatering van de overschrijding en is er geen reden om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?