PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02949
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 19 juli 2024 door het gerechtshof Den Haag, wegens 1 primair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod", 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3 “om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven telefoontoestel verbeurd verklaard.
Namens de verdachte heeft M. van Stratum, advocaat in Den Haag, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel klaagt over de schending van de redelijke inzendtermijn. Het tweede en derde middel bevatten bewijs- en motiveringsklachten. Ik zal de middelen in een andere volgorde bespreken dan ze zijn voorgesteld. Ik begin met de bespreking van het tweede en derde middel, waarna de bespreking van het eerste middel volgt.
2. Het tweede middel
Het middel klaagt dat het onder feit 1 primair bewezenverklaarde onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat de wetenschap en het opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 20 mei 2023 tot en met 22 mei 2023 in de [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 401 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
Het hof heeft ten aanzien van feit 1 primair overwogen:
“Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 22 mei 2023 omstreeks 21:00 uur kregen verbalisanten van de douane de melding om op de [locatie] in [plaats] (hierna: [locatie] ) de container [nummer] , met opschrift MAERSK en voorzien van [nummer] te controleren. De container was afkomstig uit Shanghai. Ter plaatse bleek dat de betreffende container inmiddels, om 21:07 uur, door de verdachte was opgehaald met een vrachtwagen voorzien van het Slowaakse [kenteken] en van het terrein van de [locatie] was afgereden.
Omstreeks 21:25 uur is de vrachtwagen met daarop de container op de [a-straat] in [plaats] gecontroleerd. De verbalisanten zagen dat het zegelnummer van de container afweek van het eerder genoemde [nummer] en dat het was voorzien van een zegel met het [nummer] . Desgevraagd kon de verdachte geen vrachtbrief overhandigen. Ook kon hij niet vertellen waar hij precies naar toe moest in [plaats] . Naar zijn zeggen zou hij dat nog te horen krijgen van zijn opdrachtgever. In de cabine van de vrachtwagen is een mobiele telefoon (iPhone) aangetroffen waarop tijdens de controle de verdachte meerdere keren werd gebeld door een contact genaamd " [bijnaam medeverdachte] ", zoals op het display was te zien. Uit later onderzoek is gebleken dat op deze telefoon, waarover de verdachte verklaarde dat het zijn telefoon was, maar één chat (via Signal) is aangetroffen met " [bijnaam medeverdachte] ", die als enige contactpersoon in de lijst van contactpersonen op de iPhone stond vermeld. De ter plaatse aanwezige narcoticaspeurhonden vertoonden een positieve reactie bij de container, waarna de container werd overgedragen en geopend door het Team Bijzondere Bijstand van de Douane. In de container werd in totaal netto ruim 401 kilogram cocaïne aangetroffen. De verdachte is vervolgens aangehouden.
De verdachte heeft ontkend dat hij wist van de aanwezigheid van cocaïne in de container die hij heeft vervoerd.
Vaststaat dat de verdachte de container met daarin de cocaïne van [locatie] heeft uitgehaald, met de container het terrein is afgereden en deze verder door de [plaats] heeft vervoerd. In zoverre heeft hij feitelijk de cocaïne ingevoerd in Nederland en verder vervoerd (verlengde invoer).
De vraag die voorligt, is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in de container en dus ook het opzet heeft gehad deze cocaïne in te voeren in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending - het gaat in dit geval om een partij met een straatwaarde van miljoenen euro’s - in handen komt van een onwetende ontvanger, zij het dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken.
De verdachte is een ervaren beroepschauffeur, met ruim 20 jaar ervaring, die in die hoedanigheid in het bezit is van een havenpas. De verdachte heeft naar eigen zeggen vaker goederen vanuit de haven opgehaald en verder vervoerd. Van de verdachte mag dan ook worden verwacht dat hij op de hoogte is van de voor dergelijke transporten op de [locatie] geldende regels en werkwijze. Het moet hem daarom bekend zijn dat bij het vervoer van goederen de verzegeling van de container van groot belang is. Hiermee wordt immers gewaarborgd dat de inhoud van die container gedurende het (internationale) transport van verzender tot ontvanger ongewijzigd is gebleven. Het is, zeker bij beroeps chauffeurs, een feit van algemene bekendheid dat bij het uithalen van een container de controle van de verzegeling van groot belang is en dat het ook één van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de chauffeur is om die verzegeling te controleren voordat hij de terminal afrijdt. Als de verzegeling overeenkomt met de verzegeling op het Douane manifest dan mag de chauffeur ervan uitgaan dat met de inhoud van de container niet gerommeld is en dat deze overeenkomt met de op papier opgegeven lading, de zogenoemde vrachtbrief.
Dat de verdachte zich van dit belang bewust is geweest blijkt uit het feit dat hij bij het uithalen van de container foto’ s van de container en van het (naar later bleek vervalste) zegelnummer heeft gemaakt en naar zijn opdrachtgever heeft verzonden.
Het hof leidt daarnaast af uit het berichtenverkeer van de in de cabine aangetroffen iPhone dat de verdachte vanaf het moment dat hij op [locatie] was voornoemde " [bijnaam medeverdachte] " continue op de hoogte heeft gehouden van wat hij aan het doen was. De verdachte heeft namelijk tussen 18:58 uur en 19:13 uur niet alleen de foto’s van de container en het (vervalste) zegelnummer naar die " [bijnaam medeverdachte] " verstuurd, maar ook de foto’s van het routing ticket en het outbound ticket en voorts heeft de verdachte hem voortdurend op de hoogte gehouden van het verloop van de rit.
Daar komt bij dat de verdachte de vervoersopdracht om de betreffende container bij [locatie] op te halen niet heeft aangenomen van de reguliere ontvanger [A] B.V., maar van een door verdachte als " [bijnaam medeverdachte] " aangeduide persoon.
Over de vervoersopdracht om de betreffende container bij [locatie] op te halen heeft de verdachte wisselend verklaard. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij de opdracht telefonisch heeft aangenomen van " [medeverdachte] ", een persoon die hij nooit had ontmoet en die hij alleen kende van mail- en/of belcontact. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij [medeverdachte] ofwel " [bijnaam medeverdachte] " wel een keer had ontmoet, op straat in Den Haag. De verdachte had hem toen zijn e-mailadres gegeven waarna hij via een mail de vervoersopdracht had gekregen. Hoe dan ook, de verdachte kon zonder enige verificatie niet van de betrouwbaarheid van deze opdrachtgever uitgaan.
Daarnaast was de verdachte niet in het bezit van een vrachtbrief, hetgeen verplicht is in het (internationale) goederenvervoer, heeft hij naar eigen zeggen het nummer van de verzegeling niet gecontroleerd en is niet gebleken dat hij assistentie van de Douane heeft ingeroepen om de container voor verder vervoer te controleren. Deze controle heeft extra gewicht omdat het eveneens een feit van algemene bekendheid is dat in de [plaats] haven op grote schaal verdovende middelen per container worden binnengebracht en worden verstopt tussen legale goederen.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in de container zat dan ook niet geloofwaardig.
Ook aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist waar hij de container in [plaats] moest brengen wordt geen geloof gehecht nu de verdachte om 19:22:36 uur een bericht naar " [bijnaam medeverdachte] " heeft gestuurd met “30 m" en om 19:25:47 uur een bericht dat hij in de file staat en dat het wat langer gaat duren omdat de snelweg is afgesloten.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte zich minst genomen bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zich cocaïne in de door hem uitgehaalde en vervoerde container bevond en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne.”
Zoals gezegd, keert het middel zich tegen het onder 1 primair bewezenverklaarde met de klacht dat de wetenschap en het opzet op het medeplegen van de invoer van cocaïne niet uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Daartoe voert de steller van het middel in de toelichting op het middel aan dat:
(i.) uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de periode van 20 tot en met 22 mei 2023 te [plaats] in vereniging opzettelijk 401 kilogram cocaïne heeft ingevoerd;
(ii.) ‘alle’ overwegingen van het hof omtrent wetenschap en opzet onbegrijpelijk zijn, ‘waaronder’ de overweging dat belanghebbenden bij een cocaïnetransport in zijn algemeenheid op de hoogte zijn wat wordt geleverd, ook indien het een ervaren beroepschauffeur betreft;
(iii.) het niet kunnen overleggen van een vrachtbrief en het niet naleven van een zorgplicht geen voorwaardelijk opzet oplevert op de (verboden) inhoud van de container, nu op een vrachtwagenchauffeur geen zorgplicht rust om te controleren of bedrijven in zijn opdrachten wel echt bestonden en op de opgegeven adressen gevestigd waren;
(iv.) het zich voordoen van opvallende omstandigheden rondom een transport bij het ophalen door een vrachtwagenchauffeur van een container met cocaïne in de haven van [plaats] en het geven van een verklaring daarvoor, niet maakt dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat “de verdachte wist of moest hebben vrachtpapieren waarop enig bedrijf te tonen was” en dat hetzelfde geldt voor de bestemming;
(v.) uit de rechtspraak niet blijkt dat van een vrachtwagenchauffeur wordt verwacht, dat hij bij iedere opdracht een achtergrondcheck uitvoert;
(vi.) het plaatsen van vraagtekens bij de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen van een beroepschauffeur nog geen wettig bewijs oplevert van wetenschap en opzet;
(vii.) de ‘enkele omstandigheid’ dat een chauffeur ervan op de hoogte moet zijn geweest dat hij als vrachtwagenchauffeur een verzegelde container van een douaneterrein heeft opgehaald, kortdurend heeft vervoerd en heeft laten lossen in een loods, onvoldoende is om van het medeplegen van invoer te kunnen spreken;
(viii.) het als beroepschauffeur niet ongebruikelijk is dat per telefoon of whatsapp opdrachten tot vervoer worden verstrekt, het algemeen bekend is dat vaak pas laat wordt bericht waar een container naar toe moet en veel loodsen geen bedrijfsnamen hebben, terwijl op een chauffeur geen specifieke onderzoeksplicht rust aan de hand van het Handelsregister, welk register zonder betaling niet volledig toegankelijk is;
(ix.) een chauffeur doorgaans niet weet wat vervoerd wordt in een afgesloten container, nu het altijd gaat om een beperkte vervoersopdracht en de verzegeling niet verbroken mag worden, en
(x.) gedragingen die door een verdachte hoofdzakelijk na het strafbare feit zijn verricht, niet zonder meer als (verlengde) invoer van artikel 1 onder 4 Opiumwet zijn te kwalificeren, terwijl de lat van medeplegen in dit geval hoog ligt.
Voor de beoordeling van het middel is van belang of hetgeen het hof aan de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde ten grondslag heeft gelegd, die bewezenverklaring kan dragen.
Aan de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde heeft het hof de volgende vaststellingen en bewijsconclusies ten grondslag gelegd:
(i.) de verdachte heeft de container met daarin de cocaïne van het haventerrein uitgehaald, is met de container het terrein afgereden en heeft deze verder door de [plaats] vervoerd;
(ii.) in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd en het moeilijk voorstelbaar is dat leveranciers van verdovende middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending – met in dit geval een straatwaarde van miljoenen euro’s – in handen komt van een onwetende ontvanger. Dat kan dit onder bijzondere omstandigheden anders zijn, maar van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken;
(iii.) de verdachte is in zijn hoedanigheid van ervaren beroepschauffeur in het bezit van een havenpas en heeft naar eigen zeggen vaker goederen vanuit de haven opgehaald en verder vervoerd. Van de verdachte mag dan ook worden verwacht dat hij op de hoogte is van de voor dergelijke transporten op de [locatie] geldende regels en werkwijze en het hem daarom bekend moet zijn dat dat bij het vervoer van goederen de verzegeling van de container van groot belang is, omdat daarmee wordt gewaarborgd dat de inhoud van die container gedurende het (internationale) transport van verzender tot ontvanger ongewijzigd is gebleven;
(iv.) het is (zeker bij beroepschauffeurs) een feit van algemene bekendheid dat bij het uithalen van een container de controle van de verzegeling van groot belang is en dat het ook één van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de chauffeur is om die verzegeling te controleren voordat hij de terminal afrijdt, waarbij te gelden heeft dat als de verzegeling overeenkomt met de verzegeling op het Douane manifest, de chauffeur dan ervan uit mag gaan dat met de inhoud van de container niet gerommeld is en dat deze overeenkomt met de op papier opgegeven lading, de zogenoemde vrachtbrief;
(v.) de verdachte is zich van dit belang bewust geweest. Dit blijkt uit het feit dat hij bij het uithalen van de container foto’s van de container en van het (naar later bleek vervalste) zegelnummer heeft gemaakt en naar zijn opdrachtgever heeft verzonden;
(vi.) uit het berichtenverkeer van de in de cabine aangetroffen iPhone is af te leiden dat de verdachte vanaf het moment dat hij op [locatie] was voornoemde " [bijnaam medeverdachte] " continue op de hoogte heeft gehouden van wat hij aan het doen was. De verdachte heeft namelijk tussen 18:58 uur en 19:13 uur niet alleen de foto’s van de container en het (vervalste) zegelnummer naar die " [bijnaam medeverdachte] " verstuurd, maar ook de foto’s van het routing ticket en het outbound ticket en heeft hem voortdurend op de hoogte gehouden van het verloop van de rit;
(vii.) de verdachte heeft de vervoersopdracht om de betreffende container bij [locatie] op te halen niet aangenomen van de reguliere ontvanger [A] B.V., maar van een door verdachte als " [bijnaam medeverdachte] " aangeduide persoon en de verdachte heeft over de vervoersopdracht om de betreffende container bij [locatie] op te halen wisselend verklaard. De verdachte kon zonder enige verificatie hoe dan ook niet van de betrouwbaarheid van deze opdrachtgever uitgaan;
(viii.) de verdachte was niet in het bezit van een (voor internationaal goederenvervoer verplichte) vrachtbrief, heeft naar eigen zeggen het nummer van de verzegeling niet gecontroleerd en niet is gebleken dat hij assistentie van de Douane heeft ingeroepen om de container voor verder vervoer te controleren, terwijl die controle extra gewicht heeft omdat het eveneens een feit van algemene bekendheid is dat in de [plaats] haven op grote schaal verdovende middelen per container worden binnengebracht en worden verstopt tussen legale goederen. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat er cocaïne in de container zat, heeft het hof daarom niet geloofwaardig geacht;
(ix.) De verdachte heeft om 19:22:36 uur een bericht naar " [bijnaam medeverdachte] " gestuurd met “30 m" en om 19:25:47 uur een bericht dat hij in de file staat en dat het wat langer gaat duren omdat de snelweg is afgesloten. Daarom heeft het hof evenmin geloof gehecht aan de verklaring van de verdachte dat hij niet wist waar hij de container in [plaats] moest brengen.
Op basis van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich minst genomen bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zich cocaïne in de door hem uitgehaalde en vervoerde container bevond en dat de verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard en de verdachte zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. Dit oordeel acht ik – mede gelet op de op basis van voormelde feiten en omstandigheden door het hof getrokken bewijsconclusies – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaruit volgt immers zonder meer dat de verdachte en zijn mededader (‘ [bijnaam medeverdachte] ’) bewust en nauw hebben samengewerkt met betrekking tot de invoer en het verdere vervoer van de cocaïne in Nederland.
De in de toelichting op het middel aangevoerde argumenten – die zich richten tegen verschillende onderdelen van ’s hofs oordeel en sterk het karakter hebben van napleiten – gaan eraan voorbij dat niet de omstandigheden afzonderlijk, maar het geheel van omstandigheden ten grondslag ligt aan het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het medeplegen van de invoer van cocaïne. Dat geldt in het bijzonder voor de klacht dat de ‘enkele omstandigheid’ dat een chauffeur ervan op de hoogte moet zijn geweest dat hij als vrachtwagenchauffeur resp. een verzegelde container van een douaneterrein heeft opgehaald, kortdurend heeft vervoerd en heeft laten lossen in een loods, onvoldoende is om van het medeplegen van invoer te kunnen spreken. Die klacht berust op de onjuiste veronderstelling dat het hof het medeplegen heeft gebaseerd op die ‘enkele omstandigheid’, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist.
De klacht dat de gedragingen die door een verdachte hoofdzakelijk na het strafbare feit zijn verricht, niet zonder meer als (verlengde) invoer in de zin van art. 1 onder 4 Opiumwet zijn te kwalificeren, ‘terwijl de lat van medeplegen in dit geval hoog ligt’, gaat eraan voorbij dat onder binnen het grondgebied van Nederland brengen in de zin van art. 1 onder 4 Opiumwet mede wordt begrepen ‘elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn’.
Het middel faalt.
3. Het derde middel
Het middel klaagt dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet de wetenschap en het opzet op het voorhanden hebben van cocaïne en procaïne en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet kan worden afgeleid.
Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat:
“2.
hij in de periode 1 mei 2023 tot en met 6 juni 2023 te [geboorteplaats] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3.
hij in de periode 1 mei 2023 tot en met 6 juni 2023 te [geboorteplaats] , om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bewerken van één of meer partijen cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door een grote hoeveelheid versnijdingsmiddel (te weten ongeveer 54 kilogram procaïne voorhanden te hebben en/of op te slaan.”
Het hof heeft ten aanzien van de feiten 2 en 3 overwogen:
“Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Bij een doorzoeking op 6 juni 2023 in de woning van de verdachte op de [b-straat 1] in [geboorteplaats] zijn in de kruipruimte achter de voordeur meerdere partijen met 1 ongeveer 3 kilogram cocaïne en ongeveer 54 kilogram procaïne aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat procaïne wordt gebruikt als versnijdingsmiddel voor cocaïne.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne en procaïne in de kruipruimte van zijn woning.
De verdachte was huurder van de woning en woonde daar alleen. Verdachte moet als huurder en bewoner van de woning geacht worden wetenschap te hebben van de in zijn woning aanwezige goederen, tenzij er omstandigheden aannemelijk worden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen procaïne en cocaïne. De grote hoeveelheid cocaïne en procaïne is namelijk direct achter de voordeur in de kruipruimte aangetroffen.
De verklaring van de verdachte op de zitting dat hij niet bekend was met de cocaïne en de procaïne in zijn woning en dat "anderen" de beschikking hadden over de sleutel van zijn woning wordt door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven. De verdachte heeft namelijk herhaaldelijk verklaard dat hij de zorg had voor zijn minderjarige dochter die regelmatig bij hem in de woning verbleef en hij heeft pas voor het eerst op de terechtzitting in eerste aanleg gesproken over "anderen". Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij 2 maanden niet thuis is geweest, omdat hij toen bezig was met klussen in de woning van de moeder van zijn dochter met wie hij toen ‘weer goed was’, en dat kennissen van hem, genaamd [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , in die periode in het huis zijn geweest. Een van hen kan de cocaïne en procaïne in de kruipruimte hebben, neergelegd, aldus de verdachte. Het hof acht ook die verklaring niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de waarde van de aangetroffen cocaïne ook in dit geval aanzienlijk was en het daarom moeilijk voorstelbaar is dat een belanghebbende bij deze cocaïne die cocaïne zou willen verstoppen in de woning van de verdachte als hij daarvan onwetend was. De verdachte zou, als bewoner van de woning, de cocaïne dan immers gemakkelijk hebben kunnen vinden. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte dat hij in de bewuste periode sliep bij de moeder van zijn dochter met wie het ‘weer goed was’ niet strookt met zijn verklaring bij de reclassering dat hij voornemens was in juli 2023 een huwelijk aan te gaan met zijn huidige, in de Dominicaanse Republiek wonende vriendin met wie hij drie jaar een LAT- relatie onderhield.
Omdat zowel de cocaïne als de procaïne in de woning van verdachte lagen, had hij daar de beschikkingsmacht over. Dat de verdachte heeft verklaard dat de cocaïne en de procaïne aan een ander zouden toebehoren, doet daar niets aan af.
Het hof gaat ervan uit dat de procaïne in de woning van verdachte de bestemming had die maar de uiterlijke verschijningsvorm de meest waarschijnlijke is, namelijk het bewerken van cocaïne. Daar komt bij dat de aangetroffen cocaïne ook daadwerkelijk met procaïne was gemengd.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zowel het onder 2, als het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.”
Zoals gezegd, klaagt het middel dat het onder 2 en 3 bewezenverklaarde onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat uit de bewijsvoering niet de wetenschap en het opzet op het voorhanden hebben van cocaïne en procaïne en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in art. 10a Opiumwet kan worden afgeleid. Daartoe voert de steller van het middel aan dat wisselend verklaren op zichzelf bezien niet redengevend is voor ‘wetenschap’ van de aanwezigheid in een verborgen ruimte van de in de bewezenverklaring genoemde middelen en bovendien de verklaring van de verdachte die hij ten overstaan van een reclasseringsambtenaar heeft afgelegd in een bewijsoverweging van het hof is opgenomen, terwijl dit gelet op een arrest van de Hoge Raad van 18 september 2007 niet toelaatbaar is.
Het hof heeft op basis van het dossier vastgesteld dat in de woning van de verdachte in de kruipruimte achter de voordeur meerdere partijen met ongeveer 3 kilogram cocaïne en ongeveer 54 kilogram procaïne zijn aangetroffen. Het hof heeft met betrekking tot de wetenschap van de verdachte van de aanwezigheid van de middelen in de kruipruimte van zijn woning vastgesteld dat de verdachte huurder van de woning was en daar alleen woonde. Vervolgens heeft het hof overwogen dat de verdachte als huurder en bewoner van de woning geacht moet worden wetenschap te hebben van de in zijn woning aanwezige goederen, tenzij er omstandigheden aannemelijk worden waaruit voortvloeit dat dit anders is. In dat verband heeft de verdachte allereerst verklaard dat hij niet bekend was met de cocaïne en de procaïne in zijn woning en dat "anderen" de beschikking hadden over de sleutel van zijn woning. Deze verklaring is door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven, omdat hij herhaaldelijk heeft verklaard dat hij de zorg had voor zijn minderjarige dochter die regelmatig bij hem in de woning verbleef en hij pas voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg heeft gesproken over “anderen”. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte vervolgens verklaard dat hij twee maanden niet thuis is geweest, omdat hij toen bezig was met klussen in de woning van de moeder van zijn dochter met wie hij toen ‘weer goed was’, en dat kennissen van hem, genaamd [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , in die periode in het huis zijn geweest en één van hen de cocaïne en procaïne in de kruipruimte kan hebben neergelegd. Ook deze verklaring acht het hof niet aannemelijk geworden. Daarbij neemt het hof allereerst in aanmerking dat de waarde van de aangetroffen cocaïne aanzienlijk was en het daarom moeilijk voorstelbaar is dat een belanghebbende bij deze cocaïne die cocaïne zou willen verstoppen in de woning van de verdachte als hij daarvan onwetend was. De verdachte zou, als bewoner van de woning, de cocaïne dan immers gemakkelijk hebben kunnen vinden. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte dat hij in de bewuste periode sliep bij de moeder van zijn dochter met wie het ‘weer goed was’ niet strookt met zijn verklaring bij de reclassering dat hij voornemens was in juli 2023 een huwelijk aan te gaan met zijn huidige, in de Dominicaanse Republiek wonende vriendin met wie hij drie jaar een LAT- relatie onderhield.
Anders dan de steller van het middel lees ik het arrest van het hof niet zo dat het hof het wisselend verklaren de verdachte ‘op zichzelf bezien’ als redengevend heeft beschouwd voor zijn wetenschap van de aanwezigheid in een verborgen ruimte van de in de bewezenverklaring genoemde middelen. Wel heeft de omstandigheid dat de verdachte pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard over ‘anderen’ die de beschikking hadden over de sleutel van zijn woning, terwijl hij eerder herhaaldelijk had verklaard dat hij de zorg had voor zijn minderjarige dochter die regelmatig bij hem in de woning verbleef, gemaakt dat zijn ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring door het hof als ongeloofwaardig terzijde is geschoven. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag en faalt het.
Bij de beoordeling van de klacht over het beweerdelijke gebruik van het reclasseringsrapport voor de bewijsvoering moet worden vooropgesteld dat een reclasseringsrapport strekt ter voorlichting over de persoon, de persoonlijkheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 september 2007 geoordeeld dat de verklaring van de verdachte in een dergelijk rapport, mede tegen de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de reclasseringsambtenaar tot de verdachte staat, niet voor het bewijs van het tenlastegelegde mag worden gebruikt. In die zaak had het hof in de aanvulling op het verkorte arrest een bewijsoverweging opgenomen waarin het de in het reclasseringsrapport opgenomen verklaring van de verdachte besprak. Die verklaring hield in dat de verdachte alleen ‘criminele’ vrienden had waardoor hij steeds in de problemen komt en werd door het hof samen met de verklaring van de verdachte dat hij de bij hem aangetroffen telefoon van een vriend had gekregen – mede tegen de achtergrond van het feit van algemene bekendheid dat mobiele telefoons in [plaats] veelvuldig voorwerp van diefstal en heling zijn – ten grondslag gelegd aan het oordeel dat de verdachte redelijkerwijze heeft kunnen vermoeden dat de onderhavige telefoon door misdrijf was verkregen. Daarmee werd de in het reclasseringsrapport opgenomen verklaring van de verdachte (ontoelaatbaar) voor het bewijs gebruikt.
In de onderhavige zaak ligt dat wat mij betreft anders. Het hof heeft met betrekking tot de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte die een alternatieve lezing van de gebeurtenissen inhoudt, geoordeeld dat deze verklaring ‘niet aannemelijk’ is geworden. Dat aan de zittingsrechter voorbehouden oordeel behoeft niet te berusten op bewijsmiddelen en draagt de verwerping van een Meer en Vaart-verweer zelfstandig. Met betrekking tot de verwerping van een zogenaamd Meer en Vaart-verweer heeft de Hoge Raad immers overwogen:
“Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.”
Hetgeen het hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft overwogen met betrekking tot de verklaring van de verdachte bij de reclassering ligt ten grondslag aan het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden. Anders dan de steller van het middel veronderstelt, is de in het rapport opgenomen verklaring van de verdachte weliswaar in een bewijsoverweging opgenomen, maar niet voor het bewijs gebezigd. Daarmee mist de klacht feitelijke grondslag.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Het eerste middel
Het eerste middel dat ik – zoals aangekondigd – als laatste bespreek, klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn van inzending van de stukken als bedoeld in art. 6 EVRM.
Op 19 juli 2024 heeft het hof de in deze zaak gedetineerde verdachte veroordeeld tot straf. Tegen dit arrest is namens de verdachte op 29 juli 2024 beroep in cassatie ingesteld. Uit het cassatiedossier blijkt dat de stukken op 13 februari 2025 ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen.
De stukken van het geding hadden binnen zes maanden na het instellen van beroep in cassatie ter griffie van de Hoge Raad ontvangen moeten zijn. Nu de stukken van het geding op 13 februari 2025 ter griffie van de Hoge raad zijn ontvangen en dus ongeveer zesenhalve maand na het instellen van beroep in cassatie op 29 juli 2024 zijn ingekomen, is de redelijke termijn van inzending als bedoeld in art. 6 EVRM met ruim twee weken overschreden, terwijl deze overschrijding niet is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Het middel klaagt daarover terecht.
Ambtshalve wijs ik er verder op dat de redelijke termijn van berechting in cassatie wordt overschreden omdat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep op 29 juli 2024.
Het voorgaande dient te leiden tot vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
5. Slotsom
Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het eerste middel is terecht voorgesteld.
Ambtshalve heb ik – naast hetgeen ik onder 4.4 heb opgemerkt – geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG