ECLI:NL:PHR:2026:198

ECLI:NL:PHR:2026:198

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 26/00504
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Vordering tot cassatie in het belang der wet. Verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand na afwijzing van vordering tenuitvoerlegging vervangende hechtenis bij vrijheidsbeperkende maatregel. De vraag is of veroordeelde die op grond van art. 537 Sv aanspraak kan maken op vergoeding van schade ten gevolge van vrijheidsbeneming, ook in aanmerking komt voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Anders dan rb, meent AG dat juridische basis voor die vergoeding ontbreekt. In gevallen waarop art. 537 Sv ziet, is steeds geen sprake van een zaak "die eindigt zonder oplegging van straf of maatregel" a.b.i. art. 530.2 Sv (vgl. ook HR:2013:BX5566 en HR:2015:2756, 2757 en 2758). Ook kunnen kosten voor rechtsbijstand niet worden aangemerkt als "schade" a.b.i. art. 537 Sv. Met toekenning van vergoeding voor kosten voor opstellen en indienen verzoekschrift a.b.i. art. 537 Sv, heeft rb het voorgaande miskend.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00504 CW

Zitting 27 februari 2026

VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de betrokkene.

1. Inleiding

Deze vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022. De rechtbank heeft in die beschikking naar aanleiding van een afgewezen vordering tot tenuitvoerlegging van de aan een vrijheidsbeperkende maatregel gekoppelde vervangende hechtenis (art. 6:6:20 lid 1 onder b Sv) – naast een vergoeding voor de schade als gevolg van de vrijheidsbeneming van € 210,= – een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 280,= heeft toegekend.

De vraag die in deze vordering tot cassatie in het belang der wet centraal staat is of voor een vergoeding van rechtsbijstand zoals de rechtbank deze heeft toegekend wel een wettelijke grondslag bestaat.

Degene die een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd heeft gekregen, kan – als het openbaar ministerie ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de veroordeelde die maatregel heeft overtreden – voorlopig worden aangehouden (art. 6:3:15 lid 1 Sv). Als de daarop volgende vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen kan de voorlopig aangehouden veroordeelde, die achteraf bezien ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd, op grond art. 537 Sv in aanmerking komen voor vergoeding van schade die hij als gevolg van die vrijheidsbeneming heeft geleden.

Deze regeling is vergelijkbaar met die voor de voorlopig gehechte verdachte die uiteindelijk wordt vrijgesproken of aan wie geen straf of maatregel wordt opgelegd. De gewezen verdachte kan op grond van art. 533 Sv vergoeding van schade ten gevolge van zijn vrijheidsbeneming vorderen. Daarnaast kan de gewezen verdachte op grond van art. 530 lid 2 Sv een vergoeding worden toegekend voor de kosten van rechtsbijstand.

Een expliciete wettelijke regeling voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de veroordeelde die op grond van art. 537 Sv voor schadevergoeding in aanmerking komt, ontbreekt echter. In art. 537 Sv lid 4 Sv wordt niet vermeld dat art. 530 lid 2 Sv van overeenkomstige toepassing is. Dit, terwijl ook de veroordeelde kosten kan maken voor zijn rechtsbijstand in het kader van de procedure waarin hij de tenuitvoerlegging van zijn voorwaardelijke vrijheidsstraf ter discussie stelt. Het kan gaan om (i) kosten voor rechtsbijstand in het kader van de procedure die heeft geleid tot de afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging zelf en (ii) kosten voor rechtsbijstand in het kader van het opstellen en indienen van een op grond van art. 537 Sv ingediend verzoekschrift tot schadevergoeding.

Over de vraag of deze kosten voor rechtsbijstand, ondanks het ontbreken van een expliciete wettelijke regeling, voor vergoeding in aanmerking komen, wordt in de feitenrechtspraak verschillend geoordeeld. In de beschikking van de rechtbank Rotterdam waarop deze vordering betrekking heeft, gaat het om een afgewezen vordering tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij een vrijheidsbeperkende maatregel. Wat betreft de schade geleden ten gevolge van de hiermee samenhangende vrijheidsbeneming is art. 537 Sv van toepassing. De rechtbank oordeelde echter dat ook de kosten voor rechtsbijstand van de veroordeelde op grond van art. 530 lid 2 Sv voor vergoeding in aanmerking komen. Er zijn meer rechters die deze lijn volgen. Daartegenover staat een aantal beschikkingen waarin wordt geoordeeld dat voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand geen ruimte bestaat omdat zowel art. 530 lid 2 Sv als art. 537 Sv daarvoor geen juridische basis bevat.

Tegen deze beschikkingen over schadevergoeding en kosten van rechtsbijstand staat geen regulier beroep in cassatie open. De enige mogelijkheid voor de Hoge Raad om in dit soort gevallen duidelijkheid te scheppen is via de procedure van cassatie in het belang der wet. De hiervoor kort aangehaalde feitenrechtspraak laat zien dat aan die duidelijkheid behoefte bestaat. Bovendien lijkt deze kwestie – gelet op een aantal beschikkingen waarin stilzwijgend wordt aangenomen dat de kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen – soms ook aan de aandacht van de feitenrechter te ontsnappen. Duidelijkheid over de hiervoor kort ingeleide vraag is dan ook in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.

2. Juridisch kader

Voor de beoordeling van de hiervoor opgeworpen vraag zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 530 Sv:

“1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid.

4. De artikelen 529, tweede tot en met vijfde lid, 534 en 535 zijn van overeenkomstige toepassing.

5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.”

- Art. 533 Sv:

“1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding uit ’s Rijks kas toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.

2. Een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, kan ook worden toegekend voor de schade die de gewezen verdachte heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die hij in het buitenland heeft ondergaan in verband met een door Nederlandse autoriteiten gedaan verzoek om uitlevering.

3. Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.

4. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten.

5. Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.

6. Een verzoek om vergoeding van door de gewezen verdachte geleden schade kan ook door zijn erfgenamen worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. Bij deze toekenning blijft een vergoeding van het door de gewezen verdachte geleden nadeel dat niet in vermogensschade bestaat achterwege. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek of na instelling van hoger beroep is overleden, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.”

- Art. 534 Sv:

“1. De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

2. Bij de bepaling van het bedrag wordt ook rekening gehouden met de levensomstandigheden van de gewezen verdachte.

3. Indien de rechter beslist tot het toekennen van schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.

4. In plaats van het toekennen van schadevergoeding kan de rechter beschikken dat de dagen die de gewezen verdachte op grond van een bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in detentie heeft doorgebracht – geheel of gedeeltelijk – in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf.

5. De beschikking wordt onverwijld aan de gewezen verdachte of aan zijn erfgenamen betekend.”

- Art. 537 Sv:

“1. In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, of artikel 6:6:21, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de rechter die als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in de gevallen dat het gerechtshof in beroep de beslissing tot tenuitvoerlegging van de rechter of de rechter-commissaris vernietigt, of indien de zaak eindigt zonder oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bedoeld in artikel 38v, van het Wetboek van Strafrecht.

3. Indien de rechtbank een bezwaarschrift tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gegrond heeft geacht of de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde, maar de zaak betreffende het nieuwe strafbare feit eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, kan de rechtbank op verzoek van de veroordeelde een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:2:13b.

4. De artikelen 533, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 534 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing.”

Het vertrekpunt van dit juridisch kader is art. 537 Sv. Dit artikel regelt de mogelijkheid tot schadevergoeding in een aantal specifieke situaties die tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn met de in art. 533 Sv bedoelde situatie waarin een verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten en waarin hij later door de rechter geen straf of maatregel opgelegd krijgt.

Een eerste geval waarop art. 537 Sv betrekking heeft, is het geval waarin de vordering tot tenuitvoerlegging van een aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsbenemende sanctie wordt afgewezen door de rechter. Dit kan gebeuren door ofwel de rechter-commissaris die ingevolge art. 6:6:20 lid 1 sub a Sv bij de zaak betrokken wordt, ofwel – later – door de rechter die hierover op grond van art. 6:6:21 lid 1 Sv beslist en waarin de veroordeelde op initiatief van het openbaar ministerie op grond van art. 6:3:15 Sv reeds van zijn vrijheid is beroofd in verband met de (mogelijke) tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. Ten tweede kan het gaan het om de situatie waarin de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan een vrijheidsbeperkende maatregel of gedragsmaatregel voor een jeugdige verbonden vervangende hechtenis wordt afgewezen door de rechter-commissaris (art. 6:6:20 lid 1 sub b en c). Ook in dat geval kan de veroordeelde op initiatief van het openbaar ministerie en in aanloop naar de beslissing van de rechter-commissaris op grond van art. 6:3:15 Sv van zijn vrijheid worden beroofd. Tot slot ziet art. 537 lid 3 Sv op de situatie waarin een veroordeelde op grond van art. 6:2:13b Sv van zijn vrijheid was beroofd in verband met de (mogelijke) herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en waarin het uiteindelijk niet tot tenuitvoerlegging van het overgebleven strafdeel is gekomen.

De gemene deler is steeds dat de veroordeelde door de afwijzende beslissing van de rechter een bepaalde periode voorafgaand aan die beslissing van zijn vrijheid is beroofd geweest. Art. 537 Sv bepaalt dat de rechter dan een vergoeding ten laste van de staat kan toekennen aan de veroordeelde voor “de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming”.

Art. 537 Sv is ingevoerd bij de Wet USB (voluit: Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82)) en is op 1 januari 2020 in werking getreden, maar de mogelijkheid tot schadevergoeding in de in art. 537 Sv genoemde gevallen was niet nieuw. De regeling rondom de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen en maatregelen en de daarbij horende mogelijkheid tot schadevergoeding die nu in art. 537 Sv staat, was voor de invoering van de Wet USB bij de bepalingen over de oplegging ervan opgenomen: voor de voorwaardelijke veroordeling in art. 14l (oud) Sr, voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling in art. 15k (oud) Sr, voor de vrijheidsbeperkende maatregel in art. 38ij (oud) Sr en voor de voorwaardelijke veroordeling van een jeugdige in art. 77dd lid 5 (oud) Sr. Het huidige art. 537 Sv is niet meer dan een samenvoeging van deze reeds bestaande mogelijkheden tot schadevergoeding die goed pasten binnen de bij de Wet USB nieuw ingevoegde Titel VIa van het Wetboek van Strafvordering over de vergoeding van schade en andere bijzondere kosten. Inhoudelijke wijzigingen van de reeds bestaande mogelijkheden tot schadevergoeding en vergoeding van kosten die in de nieuwe Titel zijn samengevoegd, zijn door de wetgever niet beoogd.

Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van art. 14l, 15k, 38ij en 77dd lid 5 (oud) Sr blijkt dat bij de invoering steeds aansluiting is gezocht bij art. 89 (oud) Sv, waarin de schadevergoeding wegens ten onrechte ondergaan voorarrest is geregeld. Die bepaling is met de Wet USB vernummerd tot art. 533 Sv. Voor de vraag welke schade op grond van art. 537 Sv voor vergoeding in aanmerking komt en hoe die schade vervolgens moet worden begroot, geldt dus hetzelfde kader als voor de schadevergoeding op basis van art. 533 Sv.

Zowel materiële schade als immateriële schade komt op grond van art. 537 Sv voor vergoeding in aanmerking. In de LOVS-oriëntatiepunten worden de normbedragen weergegeven voor schadevergoeding na voorarrest indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, zoals bedoeld in art. 533 Sv. Deze bedragen zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure van art. 537 Sv. Het gaat (vanaf 1 januari 2026) bijvoorbeeld om een vergoeding van € 160 per dag in een politiecel en om € 120 per dag in een huis van bewaring.

Tot zover de bespreking van art. 537 Sv.

In de nieuwe door de Wet USB tot stand gekomen Titel VIa van het Wetboek van Strafvordering zijn niet alleen de bepalingen over schadevergoeding opgenomen, maar ook de al bestaande regeling die zag op de vergoeding van door de gewezen verdachte gemaakte kosten. Die regeling was daarvoor opgenomen in art. 591 en 591a (oud) Sv.

Het huidige art. 530 lid 2 Sv – de opvolger van art. 591a lid 2 (oud) Sv – biedt de mogelijkheid van een vergoeding van de kosten voor een raadsman. De gewezen verdachte kan volgens die bepaling in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Op grond van art. 530 lid 4 jo. art. 529 lid 5 Sv kunnen deze kosten voor rechtsbijstand ook worden vergoed in een aantal bijzondere procedures. Het gaat bijvoorbeeld om de beklagprocedure van art. 552a Sv en om de procedures rondom de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling.

Onder de kosten voor rechtsbijstand vallen volgens de Hoge Raad de kosten voor verrichtingen van de raadsman gedurende het gehele strafproces. Het gaat om kosten die “in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen de gewezen verdachte”. Daarin zijn volgens de Hoge Raad bijvoorbeeld ook begrepen de kosten van het opstellen en indienen van een verzoekschrift tot schadevergoeding in verband met een zaak waarin de verdachte ten onrechte in voorarrest heeft gezeten. Net als bij de hiervoor besproken schadevergoeding, wordt ook hier gebruik gemaakt van forfaitaire bedragen die zijn opgenomen in de LOVS-oriëntatiepunten. In een zaak die op zitting wordt behandeld, geldt vanaf 1 januari 2026 bijvoorbeeld een standaardvergoeding van € 825.

De in art. 530 lid 2 Sv neergelegde voorwaarde voor de toekenning van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand houdt – net als voor de schadevergoeding van art. 533 Sv – in dat de zaak moet zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr. Het schoolvoorbeeld van een zaak die eindigt zonder oplegging van straf of maatregel is de situatie waarin de verdachte door de rechter bij (onherroepelijk) vonnis of arrest wordt vrijgesproken of wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Buiten deze standaardgevallen roept het criterium wel vragen op. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van “een zaak”? En wat als de zaak al is geëindigd voordat de rechter een einduitspraak als bedoeld in art. 348 en 350 Sv heeft kunnen doen?

De reikwijdte van de in art. 530 en 533 Sv voorkomende voorwaarde “indien de zaak is geëindigd zonder straf of maatregel” werd in een vordering tot cassatie in het belang der wet van 10 augustus 2012 aan de orde gesteld door toenmalig P-G Fokkens. Hij wierp de vraag op of kosten voor een raadsman op grond van het toenmalige art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking kwamen als (i) de zaak is geëindigd met een sepot, (ii) een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen of (iii) een beklag als bedoeld in art. 12 Sv dat in eerste instantie gegrond is verklaard, maar dat later alsnog eindigt zonder oplegging van straf of maatregel.

In het arrest van 19 februari 2013 leidt de Hoge Raad uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever de voorwaarde voor het toekennen van kosten als bedoeld in art. 591a (oud) Sv en schade als bedoeld in art. 89 (oud) Sv niet heeft willen beperken tot gevallen waarin de zaak is geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv. Volgens de Hoge Raad kunnen ook andere wijzen van beëindiging van de zaak leiden tot toekenning van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. De Hoge Raad overwoog vervolgens als volgt:

“4.4. […]

Afgezien van de gevallen waarin de zaak eindigt in een veroordeling tot een straf of maatregel of in de toepassing van art. 9a Sr, en waarin aldus is komen vast te staan dat de gewezen verdachte de aandacht van de justitiële autoriteiten - en het maken van kosten voor een raadsman - aan zichzelf te wijten heeft, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 591a Sv niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure.

Het bovenstaande past ook bij eerdere rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 24 mei 1966, NJ 1966/443 is geoordeeld dat uit hoofde van art. 591a, tweede lid, Sv "in het geval dat de zaak eindigt zonder straf of maatregel, een tegemoetkoming mogelijk wordt gemaakt ter zake van de kosten van een raadsman, onder welke de kosten voor verrichtingen van de raadsman gedurende het gehele strafproces vallen en derhalve ook voor die verrichtingen welke verband houden met de ondergane voorlopige hechtenis". In HR 20 mei 1986, NJ 1987/28, is geoordeeld dat "Onder 'de kosten van een raadsman' waarvoor een vergoeding uit 's Rijks kas kan worden toegekend, als bedoeld in de eerste volzin van het 591a, tweede lid Sv, zijn te verstaan de kosten van een raadsman die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen een gewezen verdachte, welke is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr" en dat onder die kosten ook vallen de kosten ter zake van advisering en opstelling van een verzoekschrift strekkende tot toepassing van art. 591a Sv. Deze kosten, zo overwoog de Hoge Raad in dat arrest, zijn weliswaar ontstaan na beëindiging van de strafzaak tegen de gewezen verdachte doch hangen met die zaak rechtstreeks samen.

Opmerking verdient ook nog dat de wetgever in dit verband geen nadere en daardoor mogelijk tot nadere clausulering van art. 591a Sv nopende voorzieningen in het leven heeft geroepen, zoals bijvoorbeeld een kostenveroordeling voor het geval dat de rechter die heeft te oordelen over een beklag in de zin van art. 12 Sv, dat beklag elke redelijke grond acht te missen.

In het licht van het vorenstaande moet dan ook worden geoordeeld dat een redelijke uitleg van de wet meebrengt, dat in geen van de drie in de middelen bedoelde situaties het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van art. 591a, tweede lid, Sv is uitgesloten.

Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a, tweede lid, Sv ook besluiten indien de zaak is geëindigd in een sepot, of indien een beklag als bedoeld in art. 12 Sv niet gegrond is verklaard dan wel een dergelijk beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of toepassing van art. 9a Sr.”

Dit arrest bood duidelijkheid voor de specifieke gevallen die in de vordering tot cassatie in het belang der wet aan de orde werden gesteld, maar liet ook veel vragen onbeantwoord. De vraag was vooral of de Hoge Raad hiermee nu ook de sluizen had opengezet voor een kostenvergoeding in allerlei andere strafvorderlijke procedures die op een of andere manier verbonden waren met een strafzaak. Het duurde dan ook niet lang totdat toenmalig A-G Bleichrodt drie nieuwe gevallen aan de Hoge Raad voorlegde in een vordering tot cassatie in het belang der wet. De drie vorderingen zagen op drie specifieke strafvorderlijke procedures en stelden de vraag aan de orde of – na het hiervoor geciteerde arrest van 19 februari 2013 – nu ook in die gevallen de kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het ging om (i) de bezwaarschriftprocedure als bedoeld in art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, (ii) de klaagschriftprocedure als bedoeld in art. 164 lid 8 WVW 1994 over het inhouden van een rijbewijs en (iii) de ontnemingsprocedure van art. 36e Sr.

In zijn arresten van 22 september 2015 over de bezwaarschriftprocedure van art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en de klaagschriftprocedure van art. 164 lid 8 WVW 1994 gaat de Hoge Raad eerst in op zijn eerdere arrest van 19 februari 2013. De Hoge Raad geeft een nadere karakterisering van de gevallen die in dit arrest zijn besproken en beperkt zo de (potentiële) reikwijdte van de overwegingen in dat arrest. Die karakterisering luidt:

“De drie in dit arrest [HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, A-G TS] besliste gevallen kenmerken zich hierdoor dat weliswaar de desbetreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet–veroordelende einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv, maar desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. In dat type gevallen achtte de Hoge Raad het redelijk de toepasselijkheid van art. 591a, tweede lid, Sv niet uit te sluiten.”

Uit deze overweging blijkt dat de bijstelling in het arrest van 19 februari 2013 geen betrekking heeft op alle strafvorderlijke procedures die met een zaak kunnen samenhangen of daaruit voortvloeien, maar dat het slechts gaat om een beperkt aantal gevallen waarin aannemelijk is dat nooit strafrechtelijke aansprakelijkstelling zal volgen. Alleen dan is sprake van een geval dat kan worden aangemerkt als “een zaak die eindigt zonder straf of maatregel”.

Na deze verduidelijking zal het niet verbazen wat het lot was van de bezwaarschriftprocedure van art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en de klaagschriftprocedure van art. 164 lid 8 WVW 1994. De Hoge Raad overwoog dat het bezwaarschrift en het klaagschrift weliswaar gegrond waren verklaard, maar dat er in beide gevallen steeds wel sprake was van een onherroepelijke veroordeling van de verdachte ter zake van het feit waarvoor het DNA-onderzoek zou plaatsvinden dan wel het rijbewijs was ingehouden. Hier was dus in beide gevallen wel een strafrechtelijke aansprakelijkstelling gevolgd. De kosten voor rechtsbijstand kwamen daarom niet op grond van art. 530 lid 2 Sv voor vergoeding in aanmerking.

3. De zaak waarop de onderhavige vordering betrekking heeft

In de zaak waarop de onderhavige vordering betrekking heeft, was aan de veroordeelde bij onherroepelijk vonnis van 13 februari 2020 van de politierechter in de rechtbank Rotterdam een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr opgelegd. Op 4 december 2021 is de veroordeelde op grond van art. 6:3:15 lid 1 jo. 6:3:14 lid 1 sub b Sv door de politie aangehouden op verdenking van de overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel. Op grond van art. 6:6:20 lid 1 sub b Sv heeft de officier van justitie – zoals art. 6:6:20 lid 2 Sv vereist – een vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bij de rechter-commissaris ingediend. Die vordering is op 6 december 2021 door de rechter-commissaris afgewezen, waarna de veroordeelde in vrijheid is gesteld.

De veroordeelde heeft bij de rechtbank op grond van art. 533 Sv een verzoekschrift ingediend. De rechtbank heeft dat verzoekschrift – zonder daar een overweging aan te wijden – opgevat als een verzoekschrift als bedoeld in art. 537 Sv en dat is terecht. In het verzoekschrift wordt ten eerste verzocht om toekenning van een schadevergoeding van € 210 voor de schade ten gevolge van de onterechte vrijheidsbeneming. Die schadevergoeding heeft de rechtbank toegewezen. Ten tweede wordt op grond van art. 530 lid 2 Sv verzocht om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en indienen van het verzoekschrift ter hoogte van het forfaitaire bedrag van € 280.

Over de vraag of de door de veroordeelde gemaakte kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, heeft de rechtbank als volgt overwogen:

“Daarnaast is verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen en indienen van het artikel 533 Sv-verzoekschrift. Op grond van artikel 530 Sv kan een gewezen verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Ingevolge artikel 530, vierde lid, Sv juncto artikel 529, vijfde lid Sv is een en ander van overeenkomstige toepassing op in dit artikellid nader opgesomde rechtsgedingen.

De rechtbank constateert dat de procedure als bedoeld in artikel 6:6:20 Sv niet in deze opsomming is opgenomen.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) evenwel geconcludeerd dat uit de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 591a Sv (artikel 530 Sv) te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure. De wetgever heeft bij de totstandkoming van het voormalige artikel 14l Sr (artikel 6:6:20 Sv) voorts geen blijk gegeven van een bewuste keuze om de kosten die met rechtsbijstand in een op de voet van artikel 14l Sr (artikel 6:6:20 Sv) aangevangen procedure zijn gemoeid niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

Tegen deze achtergrond is er geen reden om aan te nemen dat de kosten voor rechtsbijstand niet op grond van artikel 530 Sv kunnen worden gecompenseerd. Dergelijke compensatie ligt naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde van de toekenning van schadevergoeding en is in die zin ook te zien als een strafprocessuele tegenhanger van de materiële vergoeding voor de vrijheidsbeneming ter zake een voorlopige tenuitvoerlegging. Voorts merkt de rechtbank op dat het schadeloosstellen van de verzoeker doorgaans niet kan worden bereikt wanneer de kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zal worden afgewezen. In dat geval komen de kosten voor het indienen van het verzoekschrift voor rekening van de verzoeker, waardoor hij aan zijn raadsman meer zal moeten betalen dan dat hij thans vergoed krijgt.”

De rechtbank oordeelt dus dat de veroordeelde die aanspraak maakt op de schadevergoeding van art. 537 Sv, ook in aanmerking komt voor vergoeding van de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Ten eerste wordt in dat verband een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566, waarin de Hoge Raad volgens de rechtbank heeft gewezen op de bedoeling van de wetgever om de vergoeding van art. 530 Sv niet aan strikte grenzen te binden. Ten tweede wordt gesteld dat de wetgever geen blijk heeft gegeven van een bewuste keuze om de kosten voor rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. En tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de schadeloosstelling die art. 537 Sv beoogt, niet kan worden bereikt als de kosten voor rechtsbijstand niet worden vergoed omdat de verdachte dan meer kosten maakt dan dat hij doorgaans vergoed zal krijgen.

Op grond van deze drie argumenten is er volgens de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de kosten voor rechtsbijstand niet op grond van artikel 530 Sv kunnen worden gecompenseerd.

Tegenover deze uitspraak van de rechtbank Rotterdam staat echter een uitspraak van de rechter-commissaris Noord-Holland van 27 augustus 2021. Die overweegt het volgende:

“Wat betreft de verzochte vergoeding voor de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de procedure ex artikel 6:6:20 Sv, is de rechter-commissaris van oordeel dat hiervoor geen juridische basis is.

Artikel 530, tweede lid, Sv is als zodanig niet van toepassing, nu het naar het oordeel van de rechter-commissaris in de onderhavige procedure niet gaat om ‘een zaak die eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr’. Immers, de procedure ex artikel 6:6:20 Sv betreft een procedure in het kader van de executie van – in dit geval – een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Het gaat in deze procedure niet om het vaststellen van strafrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkene. (vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2756).

Ook is artikel 530, tweede lid, Sv niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Ingevolge artikel 537, eerste lid, Sv is enkel vergoeding mogelijk voor de (materiële en immateriële) schade die als gevolg van de vrijheidsbeneming is geleden.

Anders dan de raadsman in zijn e-mail van 12 augustus 2021 heeft gesteld, kunnen de door verzoeker gemaakte advocatenkosten niet als dergelijke schade worden aangemerkt.

Hierbij merkt de rechter-commissaris nog het volgende op.

Ingevolge artikel 6:6:3, derde lid, Sv – opgenomen in de algemene titel, die ziet op alle rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging van Boek 6 Sv – geeft het openbaar ministerie, indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, en het openbaar ministerie vordert dat de beslissing zal worden genomen, kennis van deze vordering aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand dat voor de veroordeelde een raadsman aanwijst.

Op grond van deze bepaling had verzoeker recht op een toegevoegd raadsman voor de procedure ex artikel 6:6:20 Sv.

Weliswaar wijst de raadsman er in zijn e-mail van 12 augustus 2021 terecht op dat het aan verzoeker is om te bepalen of hij van een toegevoegd raadsman gebruik wil maken, of dat hij een raadsman wil die hem op betalende wijze zal bijstaan, maar de huidige wet geeft geen recht op vergoeding van die, door verzoeker zelf, gemaakte advocatenkosten.

Dit betekent dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het verzoek tot het toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat van (eerst € 765,33, maar verminderd tot) € 299,47 wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de procedure ex artikel 6:6:20 Sv, nu hiervoor geen juridische basis is.

Dit laatste geldt ook voor het verzoek tot het toekennen van de standaardvergoeding voor de kosten van rechtsbijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

Ook die kosten kunnen – ook kijkend naar hoe verzoeken ex artikel 89 Sv (oud) en artikel 533 Sv worden behandeld – niet als schade in de zin van artikel 537, eerste lid, Sv worden aangemerkt.”

Kort gezegd komt het oordeel van de rechter-commissaris op het volgende neer. De kosten voor rechtsbijstand in het kader van de procedure als bedoeld in art. 6:6:20 Sv komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarvoor in art. 530 lid 2 Sv en art. 537 Sv geen juridische basis te vinden is. De procedure van art. 6:6:20 Sv is immers geen “zaak die eindigt zonder straf of maatregel” zoals bedoeld in art. 530 lid 2 Sv, maar een procedure over de tenuitvoerlegging van een – in dit geval – reeds opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. Ook kunnen de kosten voor rechtsbijstand niet als schade in de zin van art. 537 Sv worden aangemerkt. Het voorgaande geldt volgens de rechter-commissaris zowel voor de kosten voor rechtsbijstand in het kader van die procedure van art. 6:6:20 Sv zelf als voor de kosten voor rechtsbijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van een verzoekschrift tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 537 Sv.

4. De beoordeling van de beschikking van de rechtbank

Als de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling of vervangende hechtenis wordt afgewezen (art. 537 lid 1 Sv) dan wel het bezwaarschrift tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gegrond wordt verklaard (art. 537 lid 3 Sv) en de veroordeelde is in aanloop naar die beslissingen van zijn vrijheid beroofd geweest, dan kan de veroordeelde een schadevergoeding worden toegekend. In deze vordering tot cassatie in het belang der wet staat – als gezegd – de vraag centraal of de veroordeelde in deze situaties ook aanspraak kan maken op vergoeding van de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand.

Na het hiervoor geschetste juridisch kader en de bespreking van de verschillende interpretaties uit de feitenrechtspraak, zal ik nu die vraag beantwoorden. Daarbij ga ik eerst in op de vraag of de kosten voor rechtsbijstand op grond van art. 530 lid 2 Sv voor vergoeding in aanmerking komen. Vervolgens zal ik nog bezien of de kosten voor rechtsbijstand wellicht als “schade” in de zin van art. 537 Sv kunnen worden aangemerkt. Tot slot bespreek ik de beschikking van de rechtbank Rotterdam en formuleer ik een cassatiemiddel.

Art. 530 lid 2 Sv

De gewezen verdachte kan op grond van art. 530 lid 2 Sv aanspraak maken op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Zoals hiervoor besproken heeft de Hoge Raad bepaald dat het niet alleen gaat om gevallen waarin de zaak is geëindigd door een rechterlijke einduitspraak in de zin van art. 348 en 350 Sv, maar ook om gevallen waarin “desalniettemin aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen”.

De situatie waarin de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling of vervangende hechtenis wordt afgewezen of het bezwaarschrift tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gegrond wordt verklaard, is goed vergelijkbaar met de situatie waarin een bezwaarschrift als bedoeld in art. 7 Wet DNA-onderzoek of een klaagschrift als bedoeld in art. 164 lid 8 WVW 1994 gegrond wordt verklaard. Het gaat hier immers steeds om gevallen waarin de procedure onlosmakelijk verbonden is met een eerdere veroordeling. In het kader van de schadevergoeding van art. 537 Sv is er dus – kort gezegd – steeds sprake van een zaak die wél is geëindigd in de oplegging van een straf of maatregel. Zonder die eerdere veroordeling is er immers niets om ten uitvoer te leggen.

Kortom, er is in deze gevallen geen sprake van een zaak die eindigt zonder straf of maatregel. Het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft daarin geen verandering gebracht en is – na de nadere verduidelijking in de hiervoor besproken arresten uit 2015 – juist een extra aanwijzing voor deze interpretatie. Art. 530 lid 2 Sv biedt dus geen basis voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand voor de veroordeelde die op grond van art. 537 Sv wel aanspraak maakt op schadevergoeding.

Art. 537 Sv

Hoewel de rechtbank dat niet met zoveel woorden heeft overwogen, heb ik me ook nog afgevraagd of de kosten voor rechtsbijstand misschien als “schade” in de zin van art. 537 Sv kunnen worden aangemerkt. Het gaat hier toch om kosten die de veroordeelde zonder de later door de rechter afgewezen vordering tot tenuitvoerlegging niet zou hebben gemaakt. Civielrechtelijk lijkt er daarom best wat voor te zeggen om die kosten als “schade” aan te merken.

Tegelijk moet daarbij worden opgemerkt dat deze kosten niet in direct verband staan met de vrijheidsbeneming als zodanig. Zij vloeien slechts voort uit de procedure die daaromtrent vervolgens aanhangig wordt gemaakt.

Ook wetssystematisch zou het problemen opleveren om deze kosten voor rechtsbijstand als “schade” aan te merken. De wet bevat immers specifieke bepalingen over de vergoeding van kosten. Om kosten vervolgens aan te merken als “schade” komt dan gekunsteld over.

Ook art. 537 Sv zelf biedt derhalve in mijn ogen geen basis voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand voor de veroordeelde.

De beoordeling van de beschikking van de rechtbank

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de veroordeelde gemaakte kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft miskend dat de wet daarvoor geen juridische grondslag biedt.

Het door de rechtbank gebruikte argument dat de wetgever bij de totstandkoming van de schadevergoedingsbepaling van art. 537 Sv (en de voorlopers daarvan) geen blijk heeft gegeven van een bewuste keuze om de kosten voor rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen, snijdt geen hout. De wetgever heeft in Titel VIa van het Wetboek van Strafvordering bepaald in welke gevallen vergoeding van kosten en schade mogelijk is en heeft deze mogelijkheden ook duidelijk begrensd. Ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand heeft de wetgever vergoeding kennelijk alleen op zijn plaats geacht als de zaak tegen de verdachte is geëindigd zonder straf of maatregel of indien de zaak is geëindigd met toepassing van art. 9a Sr. Dat is een bewuste keuze. Bij de invoering bij de voorlopers van art. 537 Sv is slechts de mogelijkheid tot schadevergoeding in de wet gekomen en heeft de wetgever niets overwogen over de kosten voor rechtsbijstand. Het gaat te ver om uit dat stilzwijgen van de wetgever vervolgens af te leiden dat de wetgever de kosten voor rechtsbijstand in dit soort gevallen wél voor vergoeding in aanmerking heeft willen laten komen.

Ook het argument dat schadeloosstelling doorgaans niet kan worden bereikt als de kosten voor rechtsbijstand niet worden vergoed omdat de verdachte dan meer kosten maakt dan dat hij doorgaans vergoed zal krijgen, overtuigt niet. Uit art. 6:6:3 lid 3 Sv volgt immers dat als het openbaar ministerie een beslissing vordert in het kader van de tenuitvoerlegging en niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, het openbaar ministerie kennis geeft van zijn vordering aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand dat vervolgens een raadsman aanwijst voor de veroordeelde. In de gevallen waarop art. 537 Sv ziet, heeft de veroordeelde dus recht op een toegevoegd raadsman voor de procedure over de tenuitvoerlegging. Die bijstand is op grond van art. 43 lid 1 Wet op de Rechtsbijstand kosteloos.

5. Het cassatiemiddel en de vordering

In het belang der wet stel ik het volgende middel voor:

Schending van het recht, in het bijzonder art. 530 lid 2 en art. 537 Sv, doordat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de veroordeelde die op grond van art. 537 Sv in aanmerking komt voor schadevergoeding, op grond van art. 530 lid 2 Sv ook aanspraak maakt op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand.

Op grond van het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022 in het belang der wet zal vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?