PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01125
Zitting 27 februari 2026
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 26 maart 2025 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-000293-23) wegens het in het openbaar, mondeling of bij geschrift, opruien tot enig strafbaar feit, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring van de opruiing en het tweede middel bevat diverse klachten over het oordeel van het hof dat er bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering zoals bedoeld in de art. 10 en 11 van het EVRM.
De uitlatingen van de verdachte die ten grondslag liggen aan de veroordeling tot opruiing tot enig strafbaar feit zijn:
de als uitlating 2 tenlastegelegde tekst geplaatst op 16 november 2021 op de (algemeen toegankelijke) website www.twitter.nl:
"QUOTE: "Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen.” Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde.”
en de als uitlating 4 op 26 juni 2020 tenlastegelegde videoboodschap/livestream, geplaatst op de (algemeen toegankelijke) website www.facebook.com, nadat de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden een op 28 juni 2020 op het Malieveld te Den Haag geplande demonstratie had verboden:
(a) "De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons", en
(b) "Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin, wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens, Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation"
2. Demonstratierecht in coronatijd
Onderhavige zaak speelt zich af tegen de achtergrond van de coronapandemie die in 2020 tot ingrijpende maatregelen heeft geleid om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Halverwege maart 2020 is Nederland in gedeeltelijke lockdown gegaan en werden de horeca, scholen en kinderopvang gesloten. Door het stijgende aantal Covidpatiënten liep de druk op de zorg en de ziekenhuizen enorm op. De pandemie zorgde wereldwijd voor angst en onzekerheid over het verloop van het coronavirus en de gevolgen daarvan. In een relatief korte periode zijn ook in Nederland naast de lockdown veel beperkende maatregelen door de overheid getroffen waaronder het dragen van mondkapjes, het houden van anderhalve meter afstand, het beperken van het aantal mensen dat mocht samenkomen en het invoeren van een avondklok. Afhankelijk van het oplopen en weer afnemen van de besmettingsgraad in de daarop volgende periode werden de maatregelen op- en afgeschaald. Daarbij is gepoogd een balans te zoeken tussen de verplichting van de overheid om de gezondheid van burgers te beschermen en de daarmee conflicterende vrijheden van diezelfde burgers.
De verdachte, die zichzelf als politiek mensenrechtenactivist afficheert, heeft zich in het publieke debat gemengd over de noodzaak van de coronamaatregelen en zowel op persoonlijke titel alsmede vanuit de door hem daartoe opgerichte Stichting Viruswaarheid (voorheen Viruswaanzin) via de sociale media tot actie voeren tegen de coronamaatregelen opgeroepen.
Voor de context van uitlating 4 (zie 1.3 hierboven) is van belang dat namens Viruswaarheid op 10 juni 2020 aan de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden een kennisgeving is gedaan van een demonstratie op 21 juni 2020 van 13:00 uur tot 17:00 uur op het Malieveld in Den Haag. Het was de bedoeling om met een groot publiek op een vreedzame wijze te laten zien dat de maatregelen van de regering onaanvaardbaar waren en er zou een podium worden geplaats waar diverse bekende artiesten en sprekers het publiek konden toespreken.
Op 19 juni 2020 werd bij besluit van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden de demonstratie op grond van art. 39 Wet veiligheidsregio’s en art. 5 van de Wet openbare manifestaties (WOM) verboden. Diezelfde dag heeft Viruswaarheid tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank Den Haag verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de voorzitter van de rechtbank Den Haag op 19 juni 2020 afgewezen.
Op 24 juni 2020 heeft Viruswaarheid wederom kennisgeving gedaan van een demonstratie, op het Malieveld op 28 juni 2020 van 13.00 tot 17.00 uur met 50.000 personen. Ook naar aanleiding van deze kennisgeving heeft de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden op 26 juni 2020 de aangekondigde demonstratie verboden, vanwege kort gezegd de realistisch geachte kans dat de toen geldende verplichting om 1.5 meter afstand te bewaren door de demonstranten op grote schaal zou worden overtreden en de te verwachten openbare orde problemen door de deelname van andere groeperingen, zoals de harde kern voetbalsupporters, Gele Hesjes, motorrijders/OMG leden en de actiegroep ‘Bouw in verzet’. Uit de ervaringen met (demonstratieve acties van) deze groeperingen moest er volgens de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden ernstig rekening mee worden gehouden dat hun aanwezigheid zou leiden tot wanordelijkheden, hetgeen tijdens de zeer onrustig verlopen demonstratie van 21 juni 2020 op het Malieveld, die ondanks het verbod was doorgegaan, was gebleken.
Het verbod van 26 juni 2020 leidde wederom tot een verzoek van Viruswaarheid aan de rechtbank Den Haag om een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek op 27 juni 2020 werd afgewezen.
In de met betrekking tot de besluiten van de plaatsvervangend voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden van 19 en 26 juni 2020 door Viruswaarheid gevoerde bodemprocedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de RvSt op 13 augustus 2025 uitspraak gedaan en de verboden van de demonstraties rechtmatig geacht. Uit de vaststelling van de feiten in deze uitspraak blijkt dat er ondanks het demonstratieverbod op 21 juni 2020 ongeveer 4000 personen en op 28 juni 2020 enkele honderden personen naar het Malieveld zijn gegaan. De voorzitter van de Veiligheidsregio Haaglanden heeft op 21 juni 2020 alsnog toestemming voor een demonstratie van een half uur gegeven, omdat de toeloop naar het Malieveld niet kon worden gestopt en het volgens hem mogelijk was voor de demonstranten om 1,5 m afstand te houden.
3. Het opsporingsonderzoek
Uit het procesdossier kan worden opgemaakt dat op 16 december 2021 collectief aangifte is gedaan tegen de verdachte van onder meer opruiing in de periode tussen juni 2020 en november 2021. Het ging om een aangifte door één persoon, digitaal ondertekend door 22.581 personen en aangeboden aan het openbaar ministerie te Rotterdam. Op 10 januari 2022 is een opsporingsonderzoek gestart, waarbij bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) zijn ingezet. Het opsporingsonderzoek heeft uiteindelijk geleid tot de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte op 16 maart 2022 aan te houden op verdenking van overtreding van art. 131 lid 1 Sr (opruiing). Nadat de rechter-commissaris op 18 maart 2022 de bewaring had bevolen heeft de raadkamer van de rechtbank op 29 maart 2022 de gevangenhouding bevolen en de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 30 maart 2022 onder voorwaarden geschorst, waarop de verdachte op vrije voeten kwam. Een van de schorsingsvoorwaarden luidde dat de verdachte zich zou onthouden van uitingen op social media. Na opnieuw te zijn aangehouden op 3 april 2022 vanwege een vermoeden dat de verdachte de hiervoor genoemde schorsingsvoorwaarde had overtreden, heeft de rechtbank het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van het openbaar ministerie afgewezen en de voorwaarde dat de verdachte zich zal onthouden van uitlatingen op social media als zijnde te ruim omschreven geschrapt. De verdachte is op 5 april 2022 weer in vrijheid gesteld. Op de zitting van de rechtbank op 20 juni 2022 is de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
4. Berechting in eerste en tweede aanleg
De rechtbank Rotterdam
De strafzaak tegen de verdachte is op 20 juni 2022 aangevangen bij de rechtbank Rotterdam en aan de verdachte zijn zes uitlatingen, die opruiend zouden zijn, ten laste gelegd. Deze uitlatingen heeft de verdachte in 2020 en 2021 op zijn social media accounts geplaatst. Zij luidden in eerste aanleg:
uitlating 1, op 4 augustus 2021:
"Nee tegen de prikbussen. Zorg ook dat je alle medewerkers fotografeert. Voor later zullen
we maar zeggen", en/of
uitlating 2, op 16 november 2021:
"Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen. Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde”, en/of
uitlating 3, in of omstreeks de periode van 19 juni 2020 tot en met 21 juni 2020, nadat de waarnemend burgemeester van Den Haag (of plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden) een op 21 juni 2020 op het Malieveld te Den Haag geplande demonstratie had verboden:
a) "Samen terug naar normaal. Kom je ook op 21 juni 2020? Omarm de Vrijheid”, en/of
b) "Zoals je hebt gehoord heeft de burgemeester Remkes van Den Haag onze demonstratie van Liefde verboden. Vanzelfsprekend kunnen wij je niet tegenhouden om, zoals je dat van plan was, gewoon naar het Malieveld in Den Haag te komen! Als je komt,.kom dan in liefde...”, en/of
uitlating 4, in of omstreeks de periode van 26 juni 2020 tot en met 28 juni 2020, nadat de
waarnemend burgemeester van Den Haag (of plaatsvervangend voorzitter van de
veiligheidsregio Haaglanden) een op 28 juni 2020 op het Malieveld te Den Haag geplande
demonstratie had verboden:
"De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons”, en/of "Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan.demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation", en/of
uitlating 5, op 10 september 2020: "Even een doe opdracht tussendoor. Er is toch weer een verzorgingstehuis op slot gegaan. Guldenakker on Goirle... tel [telefoonnummer] We hebben geconcludeerd dat dit nooit meer mocht, en toch proberen ze het weer. Meld alle scholen die onrechtmatige verordeningen doorvoeren en natuurlijk alle verzorgingstehuizen. Ziekenhuis cijfers zijn altijd welkom. Ook GGD cijfers en werkwijzen zijn meer dan welkom. Mensen die in test straten werken. We hebben folders voor jullie zodat je mensen op de hoogte kan brengen van de onzinnigheid van het testen”, en/of
uitlating 6, op 25 september 2021: "Razzia bij [A] , Nijmegen. Personeel meegenomen
voor verhoor. De nieuwe ‘wet’ staat dit echter niet toe. Bruls begaat een misdrijf in zijn rol
als mini-dictatortje. Wederom ambtsmisdrijf. Morgen koffie drinken bij de ambtswoning”.
Bij vonnis van 20 januari 2023 heeft de rechtbank alleen ten aanzien van uitlating 4 bewezen verklaard dat de verdachte heeft opgeroepen tot een strafbaar feit en aangenomen dat de bedoeling van de verdachte hierbij “allesbehalve uitsluitend vreedzaam en geweldloos demonstreren” is geweest, zodat de bescherming van art. 11 EVRM hierop al afstuit. De overige ten laste gelegde uitlatingen roepen volgens de rechtbank niet op tot een strafbaar feit en kunnen daarom niet als opruiing bewezen worden geacht. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
Het hof
Tegen het vonnis van de rechtbank is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 26 maart 2025 is het hof Den Haag tot een andere bewezenverklaring gekomen dan de rechtbank Rotterdam. Het hof heeft daarbij overwogen dat:
“Van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (zoals ten laste is gelegd op basis van artikel 131 Sr) (..) in de onderhavige strafzaak geen sprake [is]; daarover zijn alle procespartijen het eens. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.”
Het hof zal hierna per uitlating wel ingaan op de vraag of het aanspoorde tot enig (ander) strafbaar feit. Dat is namelijk de strafrechtelijke vraag die in deze zaak aan de orde is. Niet elke oproep die (voor de overheid) onwelgevallig is, is ook meteen strafbaar; alleen die uitingen die oproepen tot (het plegen van) een strafbaar feit, zijn strafbaar. Dat is de grens die wetgever met reden heeft getrokken. Daarom moet het hof zorgvuldig beoordelen of een bepaalde uitlating aanspoort tot overtreding van een delictsomschrijving, zoals die in de wet (of eventueel in andere regelgeving) is neergelegd.”
Het hof is vervolgens tot een bewezenverklaring gekomen ten aanzien van de uitlating 2 en uitlating 4, zoals hiervoor onder 1.3 weergegeven en heeft de verdachte ten aanzien van de overige uitlatingen vrijgesproken van opruiing.
Het hof heeft, anders dan de rechtbank, het strafrechtelijk ingrijpen naar aanleiding van uitlating 4 wel in het licht van art. 10 en 11 EVRM getoetst en de vraag of er sprake was van een “pressing social need” om de hieruit voortvloeiende rechten te beperken in positieve zin beantwoord. Wat het strafrechtelijk optreden als geheel betreft, is het hof van oordeel dat dit niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vreedzame vergadering. Daarbij heeft het hof ook de opgelegde straf in aanmerking genomen (een taakstraf van relatief beperkte duur) en de relatief beperkte tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
5. Het eerste cassatiemiddel
Het eerste middel richt zich met twee deelklachten tegen de bewezenverklaring voor zover die ziet op uitlating 2, het twitterbericht dat de verdachte op 16 november 2021 heeft geplaatst.
De eerste deelklacht komt met verschillende subklachten op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte met deze uitlating heeft aangespoord tot “het overtreden van gebods- en verbodsbepalingen bij of krachtens de Wet Publieke Gezondheid, in het bijzonder ook van diverse coronamaatregelen die waren opgenomen in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19”, en dat het opzet van de verdachte daar ook op was gericht.
De tweede deelklacht klaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan deze uitlating, namelijk dat de verdachte de lezer van het bericht daarin heeft aangespoord om andere personen te besmetten met het corona-virus.
De bewezenverklaring houdt, voor zover deze ziet op uitlating 2, voor het lezersgemak hier nogmaals herhaald, het volgende in:
“Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 26 juni 2020 tot en met 16 november 2021 in Nederland, telkens in het openbaar, mondeling (uitlating 4) en middels geschrift (uitlating 2), heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, door
uitlating 2
op 16 november 2021 op de (algemeen toegankelijke) website www.twitter.nl de volgende tekst te plaatsen:
- “QUOTE: "Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen.” Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde”
(…)”
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van uitlatingen 2 en 4
1. De verklaring van de getuige [getuige] .
Deze getuige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 30 september 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
[verdachte] doet de uitlatingen vanuit Viruswaarheid. De juridische kerngroep van Viruswaarheid bestaat uit zo’n 10 vrijwillige juristen. In de juridische kerngroep worden voorgenomen uitlatingen door [verdachte] /Viruswaarheid besproken. De juridische kerngroep komt in ieder geval één keer per week digitaal samen. [verdachte] geeft leiding aan de juridische kerngroep en is altijd aanwezig bij de bijeenkomsten. De uitlatingen op de tenlastelegging zijn van te voren besproken in de juridische kerngroep.
2. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de raadkamer (gevangenhouding) d.d. 29 maart 2022 bij de rechtbank Rotterdam, inhoudende de verklaring van de verdachte:
We zijn het inderdaad niet eens met het gevoerde beleid. Wij voeren acties en dat is wat wij doen.
Ten aanzien van uitlating 2
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2022 van de Politie Eenheid Rotterdam met documentcode 2202201120.AMB (blz. 55 e.v. van het onderzoek Kodiak). Dit proces-verbaal houdt onder meer in: als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 9 maart 2022 stelde ik middels open bronnen een onderzoek in naar de Twitteraccounts van [verdachte] .
Uit onderzoek door de afdeling OSINT bleek dat [verdachte] uit eigen naam gebruik maakt, van twee Twitteraccounts namelijk:
1) @ [account 1] geregistreerd in mei 2010.
2) @ [account 2] geregistreerd in juli 2020.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2022 van de Politie Eenheid Rotterdam met documentcode 2203171433.AMB (blz. 192 e.v. van het onderzoek Kodiak). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als relaas - zakelijk weergegeven - van de betreffende opsporingsambtenaar:
Middels open bronnen werd onderzoek gedaan, naar de door de verdachte [verdachte] verspreide berichten.
Uit onderzoek bleek dat de database van web.archive.org niet beschikte over een momentopname van het Twitter-account @ [account 1] op 16 oktober 2021. Wel bleek dat de database van web.archive.org beschikte over een momentopname van 14 oktober 2021 om 22:38 uur. Hieruit bleek dat de gebruiker op 14 oktober 2021 om 22:38 uur 10.700 volgers had.
Op 29-10-2021 plaatste [verdachte] op zijn persoonlijke Facebookpagina een bericht, waarin onder andere de volgende tekst voorkwam: "Zowel fysiek als digitaal breekt er een nieuwe fase van onze strijd aan, nog steeds met liefde en geduld, maar ook met weerstand, verzet en guerilla acties. Houd moed houd stand. Deze strijd zullen wij winnen.”
Tweet 16 november 2021
Door de afdeling Osint werd een onderzoek ingesteld naar de op het account @ [account 1] geplaatste bericht:
Door de Osint rapporteur werd gezien dat de Tweet was geplaatst op 16-11-2021 en dat deze volgens de momentopname (cachegeheugen 6-12-2021) 55 keer gedeeld was als retweet, door 159 Twitter-gebruikers leuk gevonden was en er 77 reacties geplaatst waren, op het bericht.
5. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 verklaard - zakelijk weergegeven -:
De tweet: “QUOTE: “Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen.” Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde”, heb ik op 16 november 2021 op mijn twitteraccount geplaatst. Ik heb hiermee bedoeld te zeggen dat het je plicht is te zorgen voor groepsimmuniteit. Het woord ‘boosterinfectie’ komt voort uit coronafeestjes die toen veel werden gehouden; daar gaat de quote ook over. Met het woord ‘je’ bedoel ik een groep aan te spreken.”
Het hof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaarde uitlating 2, het volgende overwogen.
“Oordeel van het hof over de uitlatingen van de verdachte
Alvorens te komen tot een beoordeling van het standpunt van de verdediging, zal het hof eerst een juridisch kader schetsen. Vervolgens zal het hof ingaan op de context waarin de ten laste gelegde uitlatingen dienen te worden bezien. Aansluitend zal per uitlating worden beoordeeld of sprake is van het oproepen tot een strafbaar feit en de vraag of het opzet van de verdachte daarop was gericht. Waar nodig zal worden ingegaan op gevoerde verweren.
Juridisch kader opruiing
Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), komt betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard (vgl. Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020). Niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing (vgl. Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:HR: 2020:447).
In het begrip ‘opruiing’ als bedoeld in artikel 131, eerste lid, Sr ligt opzet besloten. Voor een bewezenverklaring van opruiing is daarom ten minste vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn uitingen derden aansporen tot strafbaar gedrag of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (vgl. Hoge Raad 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1573) .
Het hof overweegt met de rechtbank dat opruiing een abstract gevaarzettingsdelict is. Het strafbare feit waartoe wordt opgeroepen kan een misdrijf of overtreding zijn en hoeft zich niet daadwerkelijk voor te hebben gedaan. De personen die kennisnemen van de oproep hoeven bovendien niet te weten dat in de oproep een (bepaald) strafbaar feit besloten ligt. Datzelfde geldt voor de persoon die de oproep doet. Ook hoeft het concrete delict waartoe wordt opgeroepen niet te worden benoemd. De oproep tot het strafbare feit kan in algemene termen worden geuit, waarvan het in het maatschappelijk verkeer duidelijk is dat daarmee een strafbare gedraging wordt bedoeld.
Context waarin de uitlatingen zijn gedaan: coronacrisis
Aangezien de context waarin de uitingen van de verdachte aan het publiek zijn geopenbaard van belang kunnen zijn, zal het hof net als de rechtbank eerst daarbij stilstaan. Het hof baseert die context op feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, zoals bedoeld in artikel 339 Sv. Deze feiten of omstandigheden zijn door de procespartijen ook niet betwist.
Ten tijde van het tenlastegelegde was er in Nederland sprake van een crisis. Er was sprake van een pandemie in verband met het coronavirus. Net als de rechtbank zal het hof een korte tijdlijn schetsen van de voor de tenlastelegging relevante periode. Enerzijds is de context breder dan hier zal worden weergegeven. Anderzijds is voor de bewijsvoering alleen die context relevant die gelet op de pleegdatum onderbouwing kan bieden aan de bewijsbeslissingen.
In januari 2020 is de uitbraak van een nieuw coronavirus in de Chinese stad Wuhan nieuws in Nederland. In Europa zijn de eerste coronabesmettingen. De eerste coronapersconferentie vindt in februari plaats en aangekondigd wordt dat zo nodig maatregelen worden getroffen om verspreiding van het virus tegen te gaan.
Kort daarna, op 27 februari 2020, is de eerste coronabesmetting in Nederland. Op 11 maart 2020 is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie sprake van een pandemie, waarna op 12 maart 2020 de eerste coronamaatregelen gaan gelden om het coronavirus te bestrijden, zoals handen wassen, in de elleboog niezen en geen handen meer schudden. Halverwege maart gaat Nederland in gedeeltelijke lockdown en sluiten horeca, scholen en kinderopvang. Gelijktijdig wordt een noodpakket aan maatregelen aangekondigd om banen en inkomens te beschermen. Op 23 maart 2020 is Nederland in een ‘intelligente lockdown’.
In juni 2020 worden bepaalde coronamaatregelen losgelaten, zo worden de horeca en de cultuursector - met beperkingen - geopend. Tegelijkertijd gaan er nieuwe coronamaatregelen gelden, zo wordt het dragen van een niet-medisch mondkapje in het openbaar vervoer verplicht. In de zomer van 2020 leven wij met elkaar in een ‘anderhalve meter samenleving’. In het najaar en de winter van 2020 is er een tweede golf en gaat Nederland wéér in een lockdown, eerst gedeeltelijk en rond de feestdagen in december geheel.
In verband met de oplopende besmettingen wordt eind januari 2021 een avondklok ingevoerd. In de lente van 2021 nemen de besmettingen af en de samenleving gaat voorzichtig weer open. In de herfst van 2021 laait het virus weer op. De avondlockdown wordt ingesteld. In december 2021 zijn er grote zorgen om de nieuwe variant van het coronavirus: Omikron. In de decembermaand van 2021 gaat Nederland weer in lockdown
(https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus- tijdlijn, geraadpleegd op 18 maart 2025).
Door het stijgend aantal COVID-patiënten in ziekenhuizen, liep de druk op de zorg enorm op. De ziekenhuizen kampten door de hoge werkdruk en besmettingen onder het personeel ook nog eens met een hoog ziekteverzuim. Ook waren er grote zorgen over het aantal beschikbare bedden op de intensive care-afdelingen van de ziekenhuizen en de gevolgen van de mede in verband daarmee uitgestelde zorg voor andere patiënten. De druk op de gezondheidszorg en de grote zorgen daarover speelden een belangrijke rol gedurende de pandemie.
Het voorgaande laat zien dat Nederland een ongekende periode doormaakte. De pandemie creëerde in Nederland angst en onzekerheid over het verloop van het coronavirus en de gevolgen daarvan. In een relatief korte periode zijn in Nederland (en overigens ook in een groot aantal andere landen) veel beperkende maatregelen door de overheid getroffen, waarbij steeds een balans moest worden gezocht tussen verschillende belangen. De verplichting van de overheid om de gezondheid van burgers te beschermen conflicteerde met vrijheden van diezelfde burgers.
Beoordeling van de tenlastegelegde uitlatingen
De verdachte heeft in de periode van 19 juni 2020 tot en met 16 november 2021 op verschillende momenten de zes in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen gedaan op het internet. Hij deed dat in filmpjes en/of in tekstberichten. Voordat de uitlatingen door/voor de verdachte op Twitter of Facebook openbaar werden gemaakt werden deze besproken met een juridische kerngroep bestaande uit zo’n tien juristen. De kerngroep kwam in ieder geval één keer per week digitaal samen. De verdachte gaf leiding aan de kerngroep en was altijd aanwezig bij de bijeenkomsten. Uit deze vaststellingen wordt afgeleid dat de inhoud van de uitlatingen door de verdachte goed is overdacht en de bewoordingen bewust zijn gekozen.
Van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (zoals ten laste is gelegd op basis van artikel 131 Sr) is in de onderhavige strafzaak geen sprake; daarover zijn alle procespartijen het eens. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.
Het hof zal hierna per uitlating wel ingaan op de vraag of het aanspoorde tot enig (ander) strafbaar feit. Dat is namelijk de strafrechtelijke vraag die in deze zaak aan de orde is. Niet elke oproep die (voor de overheid) onwelgevallig is, is ook meteen strafbaar; alleen die uitingen die oproepen tot (het plegen van) een strafbaar feit, zijn strafbaar. Dat is de grens die wetgever met reden heeft getrokken. Daarom moet het hof zorgvuldig beoordelen of een bepaalde uitlating aanspoort tot overtreding van een delictsomschrijving, zoals die in de wet (of eventueel in andere regelgeving) is neergelegd.
(…)
Uitlating 2: op 16 november 2021.
"QUOTE: "Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen.” Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde.”
Dit is een tweet die op 16 november 2021 op het account van de verdachte is geplaatst. Deze tweet bevat een oproep, namelijk om te zorgen voor zoveel mogelijk infecties en wel bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. De inhoud van deze bewoordingen laat volgens het hof ruimte voor maar één uitleg: het aansporen van derden om andere mensen (onder de 70 en zonder gezondheidsklachten) doelbewust te infecteren met het coronavirus. Daarbij heeft het hof de combinatie van woorden, ‘het is je plicht’, ‘te zorgen voor zoveel mogelijk infecties’ en ‘bij het jongere segment’ in aanmerking genomen, waarbij met name het‘ woordje ‘bij’ in het laatste citaat doorslaggevend is voor de conclusie dat het om het infecteren van anderen gaat. Die strekking van de uitlating past ook bij het doel van de door de verdachte als zodanig benoemde ‘plicht’, namelijk het zorgen voor zoveel mogelijk infecties en het daarmee uiteindelijk bereiken van groepsimmuniteit (hoe meer mensen immuun zijn voor een bepaalde ziekte, hoe kleiner de kans op verspreiding), kennelijk ongeacht de mogelijke gevolgen van die (van het overheidsbeleid afwijkende) ‘aanpak’ voor bijvoorbeeld de druk op de gezondheidszorg.
De “QUOTE” die door de verdachte wordt aangehaald had naar zijn zeggen betrekking op zogenaamde coronafeestjes. Dat was in die tijd een algemeen bekend fenomeen, waarbij groepen mensen samenkwamen om te feesten zonder daarbij de geldende coronamaatregelen in acht te nemen, met als risico (of als doel) dat die mensen met het coronavirus besmet raakten.
Volgens de verdachte was deze uitlating slechts bedoeld als een suggestie aan derden om alleen zichzelf met het coronavirus te infecteren. Die lezing acht het hof, met in achtneming van het voorgaande, onaannemelijk.
Deze uiting spoort naar het oordeel van het hof aan tot het overtreden van gebods- en verbodsbepalingen bij of krachtens de Wet Publieke Gezondheid, in het bijzonder ook van diverse coronamaatregelen die waren opgenomen in de ‘Tijdelijke wet maatregelen covid-19’, zoals het dragen van een mondkapje, het houden van anderhalve meter afstand, groepsbeheersing etc. Het overtreden van deze bepalingen en/of maatregelen was strafbaar gestold in artikel 68bis van de Wet Publieke Gezondheid. De bepalingen en maatregelen in kwestie waren erop gericht om besmetting en verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen, terwijl de oproep van de verdachte er juist op was gericht om zoveel mogelijk besmettingen te veroorzaken bij anderen (al dan niet met instemming).
Of de oproep ook het beoogde effect (zoveel mogelijk infecties) in praktische en wetenschappelijke zin had kunnen hebben, is overigens niet relevant voor de vraag of sprake is van opruiing.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte er minst genomen voorwaardelijk opzet op gehad dat derden (al dan niet indirect) werden aangespoord tot overtreding van deze bepalingen en/of maatregelen. Gelet op de (kennelijk bewust) gekozen bewoordingen van zijn oproep kan het in de context van die tijd niet anders dan dat de verdachte zich niet alleen bewust was van alle maatregelen ter voorkoming van verspreiding van het coronavirus, maar ook van de aanmerkelijke kans dat degenen die gehoor gaven aan zijn oproep in hun pogingen om zoveel mogelijk anderen te besmetten met het coronavirus zich daarbij niets gelegen zouden laten liggen aan die maatregelen (en zich ten gevolge daarvan schuldig zouden maken aan een strafbare overtreding van - kort gezegd - de coronaregels). Het hof betrekt hierbij de dwingende bewoordingen van de uitlating, tegen de achtergrond van de hierboven beschreven coronafeestjes en -crisis, maar ook de omstandigheid dat de verdachte zijn oproep - kennelijk met de eerdergenoemde coronafeestjes in het achterhoofd - heeft gedeeld met een grote groep voor hem (grotendeels) onbekende derden.
De omstandigheid dat de verdachte zich voordat hij zijn uitlatingen deed (onjuist) heeft laten adviseren door zijn ‘juridische kerngroep’ staat, gelet op de in de gegeven context gebezigde bewoordingen, niet aan het aannemen van voorwaardelijk opzet in de weg.
Het hof verwerpt in zoverre het verweer van de verdachte.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met uitlating 2 schuldig heeft gemaakt aan opruiing.”
De eerste deelklacht
De eerste deelklacht van het cassatiemiddel bestrijdt als gezegd het oordeel van het hof dat de verdachte in zijn twitterbericht heeft opgeruid tot – kort gezegd – overtreding van de coronamaatregelen. Aangevoerd wordt dat het twitterbericht erop neerkomt dat de lezer moet zorgen voor zoveel mogelijk infecties, maar niets inhoudt over de wijze waarop dat zou moeten gebeuren. In het bericht kan dan ook niet een aansporen tot een concreet strafbaar feit worden herkend, wat volgens de steller van het middel ook blijkt uit het feit dat het hof heeft overwogen dat de uitlating zou aansporen tot het overtreden van “gebods- en verbodsbepalingen bij of krachtens de Wet Publieke Gezondheid”, zonder te concretiseren om welk strafbaar feit het zou gaan. De coronamaatregelen die volgens het hof waren opgenomen in de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 en die het hof wel specifiek noemt – een mondkapjesplicht, de 1,5 meter-maatregel en groepsbeheersing – golden volgens de steller van het middel in het algemeen, behoudens uitzonderingen, niet op het moment dat de verdachte het twitterbericht plaatste op 16 november 2021.
Overtreding van geldende coronamaatregelen?
Op de vraag of het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn twitterbericht heeft opgeruid tot overtreding van de coronamaatregelen begrijpelijk is, kom ik hierna terug. Eerst zal ik ingaan op de in het cassatiemiddel opgeworpen vraag of er wel strafbaar gestelde corona-maatregelen van kracht waren in de periode waarin de verdachte zijn tweet plaatste. De verdachte zal immers wel moeten hebben opgeruid tot “enig strafbaar feit”. En ook als er slechts een paar resterende maatregelen van kracht waren in een verder “open samenleving” – zoals de steller van het middel betoogt – kan de vraag rijzen of nog wel begrijpelijk is dat de verdachte met zijn oproep om te zorgen voor zo veel mogelijk infecties heeft aangezet tot overtreding van maatregelen.
Ik zal daarom hierna kort inventariseren of en zo ja welke maatregelen van kracht waren ten tijde van de tweet. Het hof benoemt in zijn overwegingen weliswaar drie specifieke maatregelen – de mondkapjesplicht, het houden van 1,5 meter afstand en groepsbeheersing – maar doet dit, althans zo lees ik het arrest, slechts bij wijze van voorbeeld. De kern van het oordeel van het hof is dat de verdachte met zijn tweet in meer algemene zin heeft aangezet tot het negeren, en daarmee overtreden, van de ten tijde van de tweet geldende coronamaatregelen in den brede. Ik meen daarom te kunnen volstaan met een schets van de hoofdlijnen van de destijds strafbaar gestelde overtredingen van maatregelen. Daarover het volgende.
Het hof heeft in zijn overwegingen over het verloop van de coronacrisis vastgesteld dat, nadat in de lente van 2021 de samenleving voorzichtig open kon, in de herfst van 2021 het virus weer oplaaide en de avondlockdown werd ingesteld. Een blik op de regelgeving van destijds leert dat deze aanscherping van de coronamaatregelen in de herfst reeds was ingezet toen de verdachte op 16 november 2021 zijn twitterbericht plaatste. Deze maatregelen vonden, voor zover het wettelijke verplichtingen waren, grotendeels hun rechtsgrond in de door het hof genoemde Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg), in het bijzonder ‘Hoofdstuk Va. Tijdelijke bepalingen bestrijding epidemie covid-19’. In art. 68bis lid 1 tot en met 4 Wpg, was overtreding van specifiek aangeduide maatregelen strafbaar gesteld als overtreding. De bepalingen in genoemd Hoofdstuk Va, bieden voor verschillende maatregelen de mogelijkheid om de toepassing daarvan nader uit te werken in een ministeriële regeling, hetgeen is gebeurd in onder meer de ‘Tijdelijke regeling maatregelen covid-19’ (hierna: Trm). Het hof verwijst in zijn overwegingen naar de “Tijdelijke wet”, maar doelt naar ik aanneem op deze regeling.
Ten aanzien van de door het hof – bij wijze van voorbeeld – genoemde mondkapjesplicht kan het volgende worden opgemerkt. Die plicht gold ten tijde van de ten laste gelegde tweet nog steeds in het openbaar vervoer, vliegtuigen en op luchthavens, en was per 6 november 2021 – dus tien dagen vóór de tweet van de verdachte – uitgebreid tot publieke binnenruimten zoals de detailhandel, de gebouwen van het beroeps- en hoger onderwijs, en voor de beoefenaars van contactberoepen, hun klanten en patiënten. Handelen in strijd met deze mondkapjesplicht was in art. 68bis lid 1 onder b Wpg strafbaar gesteld. Op 13 november 2021 – drie dagen vóór de tweet – werden nog andere tijdelijke maatregelen van kracht, die het begin vormden van door het hof genoemde “avondlockdown”, bedoeld om “contactmomenten” te beperken. Er golden verplichte sluitingstijden in de avond en nacht voor winkels en specifiek aangewezen publieke plaatsen zoals pret- en dierenparken en sauna’s, en de al bestaande verplichte nachtelijke sluiting voor eet- en drinkgelegenheden werd vervroegd naar 20.00 uur. Tussen 18.00 en 6.00 uur gold een evenementenverbod en mochten er geen toeschouwers worden toegelaten bij sportwedstrijden. Overdag moest (in ieder geval) in de horeca en bij kunst- en cultuurlocaties publiek in beginsel worden geplaceerd zodat de anderhalve meter afstand tussen personen kon worden bewaard. Bij kunst- en cultuurlocaties mochten (behalve bij doorstroom van deelnemers) ten hoogste 1250 deelnemers worden toegelaten en in het beroeps- en hoger onderwijs mochten in één ruimte niet meer dan 75 personen deelnemen aan een onderwijsactiviteit. Deze maatregelen waren gebaseerd op (onder meer) de artikelen 58g lid 1, 58h lid 1, 58i en 58q lid 1 Wpg, en het handelen in strijd met die maatregelen was strafbaar gesteld in art. 68bis lid 1 onder b Wpg.
De steller van het middel heeft een punt waar hij stelt dat op 16 november 2021, toen de verdachte zijn tweet plaatste, de door het hof genoemde verplichting om anderhalve meter afstand te houden, niet van kracht was. De herinvoering van deze maatregel voor plaatsen waar het coronatoegangsbewijs niet gold, was al wel aangekondigd op de persconferentie van 12 november 2021 van de Minister-President en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Maar de daarvoor vereiste wijziging van het ‘Tijdelijk besluit veilige afstand’ (gebaseerd op art. 58f lid 2 Wpg) trad pas op 24 november 2021 in werking. Ook golden op 16 november 2021 nog niet de maatregelen die groepsvorming in openbare plaatsen en publieke binnenruimten verdergaand beperkten, zoals een verbod om zich met meer dan twee personen op te houden op een openbare plaats. Die maatregelen werden pas in de weken na de tweet van de verdachte afgekondigd.
Dat het hof met de “1,5-meter-maatregel” en “groepsbeheersing” voorbeelden van maatregelen heeft genoemd die nog niet (in volle omvang) golden toen de verdachte zijn twitterbericht plaatste, is mijns inziens geen reden voor cassatie. Ik lees, zoals hiervoor al aangegeven, het arrest zo dat het hof niet heeft bedoeld dat de verdachte met zijn twitterbericht heeft opgeroepen tot overtreding van specifiek die maatregelen, maar dat de verdachte volgens het hof met zijn bericht in meer algemene zin heeft aangezet tot de niet-naleving van de coronamaatregelen. Uit de voorgaande inventarisatie volgt dat, hoewel er dus nog verdergaande maatregelen zouden volgen, er ook op het moment van de tweet van de verdachte al een aanzienlijke hoeveelheid ingrijpende maatregelen van kracht was, waarmee ook een begin was gemaakt met de door het hof genoemde “avondlockdown”. Dat het hof de “coronafeestjes” waaraan de geciteerde quote in het twitterbericht volgens de verdachte en het hof refereert, beziet als een fenomeen waarbij de geldende maatregelen niet in acht werden genomen, is anders dan de steller van het middel aanvoert, mijns inziens niet onbegrijpelijk. De maatregel dat tussen 18.00 en 6.00 uur geen evenementen mochten plaatsvinden, bracht mee dat die feestjes in elk geval niet onverkort waren toegelaten.
Vastgesteld kan worden dat er in ieder geval een pakket aan maatregelen van kracht was toen de verdachte zijn twitterbericht plaatste.
Opruiing tot overtreding van coronamaatregelen?
Dan kom ik nu toe aan de cassatieklacht over het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn twitterbericht heeft opgeruid tot overtreding van die maatregelen.
Daarbij kan het volgende worden vooropgesteld. Bij de beoordeling of de door een verdachte gedane uitingen aansporen tot enig strafbaar feit en dus ‘opruiend’ zijn in de zin van artikel 131 Sr, komt volgens de Hoge Raad betekenis toe aan de inhoud en de strekking van de gedane uitingen in hun onderlinge samenhang bezien, alsmede de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard. Voor onderhavige zaak is verder van belang, dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing.
Dit kader laat veel ruimte voor een beoordeling van geval tot geval. Dat is ook goed te begrijpen, voor wie bedenkt op hoe oneindig veel manieren men zich – uitgesproken of meer subtiel – opruiend kan uitlaten. De jurisprudentie van de Hoge Raad laat dan ook ruimte om uitlatingen die niet rechtstreeks aanzetten tot een strafbaar feit onder de strafbaarstelling in art. 131 Sr te brengen. Zo oordeelde de Hoge Raad al in oude jurisprudentie dat niet vereist is dat een strafbaar feit in “de juiste woorden der wet” wordt aangeduid. Wie op sociale media oproept om een bepaalde tijd en plaats “te komen rellen” maakt niet duidelijk of het moet gaan om slechts vernieling of ook om geweldpleging tegen aanwezige politiemensen, maar dat hij opruit tot enig strafbaar feit zullen weinigen betwisten. Maar ook meer indirecte uitlatingen die “de geesten rijp maken” zonder het begaan van een strafbaar feit te benoemen, kunnen als opruiing worden gekwalificeerd.
In de zogeheten Context-zaak ging het onder meer om uitlatingen waarin het verheerlijken van geweld, het martelaarschap en de strijd van de terroristische strijdgroep Jabhat al-Nusra in Syrië centraal stonden. Het oordeel van het hof dat deze uitlatingen, als onderdeel van een breder scala aan uitlatingen, opruiden tot het afreizen naar Syrië en het begaan van terroristische misdrijven hield in cassatie stand. Een ander voorbeeld waaruit volgt dat het oproepen tot een (naar tijd en plaats te benoemen) concreet strafbaar feit niet vereist is, betreft de zaak waarin de verdachte (onder meer) had getwitterd: “Moge Allah swt de zionisten vernietigen”. Het hof had geoordeeld dat de verdachte met deze smeekbede had opgeruid tot het doden van zionisten (als groep personen met een bepaalde politieke overtuiging), waarbij het hof onder meer had betrokken dat het uitspreken van een wens anderen tot actie kan bewegen en kan bijdragen aan de vervulling van die wens. Ook deze veroordeling hield in cassatie stand, waarbij de Hoge Raad overwoog dat het gegeven dat de in de tweet opgenomen wens niet rechtstreeks aanspoort tot enig strafbaar feit daar niet aan afdeed.
In het onderhavige geval volgt uit de vaststellingen van het hof dat de verdachte zijn twitterbericht heeft geplaatst in de periode waarin het coronavirus weer oplaaide en een avondlockdown werd ingesteld. De “quote” waarmee de tweet begint, is volgens het hof een oproep tot het niet-naleven van coronamaatregelen nu die quote volgens het hof (en de verdachte in de als bewijsmiddel 5 gebruikte verklaring) ziet op coronafeestjes, een fenomeen waarbij coronamaatregelen werden genegeerd. Binnen die context heeft de verdachte volgens het hof “in dwingende bewoordingen” een oproep gedaan, waarin hij heeft aangespoord om te zorgen voor zoveel mogelijk infecties bij het jongere segment zonder gezondheidsklachten. Dat bericht heeft het hof zo uitgelegd dat de verdachte daarin derden aanspoort om andere mensen doelbewust te infecteren met het coronavirus. Dit is in strijd met de ingestelde coronamaatregelen, die tot doel hadden om besmetting en verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de verdachte heeft aangespoord tot – kort gezegd – het niet-naleven en daarmee overtreden van de coronamaatregelen die waren genomen op grond van de Wpg. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Dat, zoals het cassatiemiddel aanvoert, de verdachte in het twitterbericht niet met zoveel woorden omschrijft hóé de lezer voor zo veel mogelijk infecties zou moeten zorgen – en dus, of dit met overtreding van één of meer maatregelen gepaard moet gaan – doet daaraan niet af. Zoals hiervoor al gememoreerd, is niet vereist dat de tenlastegelegde uitlating concreet het strafbare feit of het strafbare gedrag benoemt, waartoe wordt aangezet. Waar het om gaat is of de uitlating naar haar inhoud, strekking en context, aanspoort tot een strafbaar feit. Dat dit het geval was, heeft het hof in dit geval mijns inziens toereikend gemotiveerd.
Tegen de achtergrond van het voorgaande, faalt ook de in het cassatiemiddel vervatte klacht over het oordeel van het hof dat het voor opruiing vereiste opzet aanwezig was bij de verdachte. Aan die klacht wordt ten grondslag gelegd dat in de periode waarin de verdachte zijn tweet stuurde coronamaatregelen slechts in uitzonderingssituaties golden, zodat het hof niet toereikend gemotiveerd heeft dat verdachtes (voorwaardelijk) opzet gericht was op het aansporen van derden tot strafbaar gedrag. De tweet viel, zoals hiervoor beschreven, echter in een periode van een oplaaiend virus en het treffen van maatregelen die onder meer een avondlockdown meebrachten. Mede gelet daarop, is het gemotiveerde oordeel van het hof dat “de verdachte er minst genomen voorwaardelijk opzet op gehad dat derden (al dan niet indirect) werden aangespoord tot overtreding van deze bepalingen en/of maatregelen” niet onbegrijpelijk.
De tweede deelklacht
De tweede deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de inhoud van de bewoordingen van het twitterbericht voor maar één uitleg ruimte laten, namelijk dat de verdachte daarin derden aanspoort om andere mensen doelbewust te infecteren. Er worden verschillende argumenten aangevoerd waarmee betoogd wordt dat het hof nader had moeten motiveren waarom het niet is uitgegaan van een lezing waarin de verdachte met zijn tweet de lezer zou hebben opgeroepen slechts zichzelf (en dus niet anderen) te infecteren/besmetten. Het hof heeft die uitleg onaannemelijk geacht.
Het in deze deelklacht bestreden oordeel van het hof valt in hoge mate onder de wegings- en waarderingsvrijheid die de feitenrechter heeft met betrekking tot het feitenmateriaal dat voor hem ligt. In cassatie kan die uitleg slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het hof heeft in dit geval gemotiveerd, waarom het aan het bericht de hiervoor weergegeven uitleg heeft toegekend. Het zijn de specifieke bewoordingen van de tweet – in het bijzonder dat de tweet inhoudt dat gezorgd moet worden voor infecties “bij” het jongere segment en de eigen verklaring die de verdachte heeft toegekend aan de in zijn tweet genoemde “plicht”, namelijk om groepsimmuniteit te bereiken (bewijsmiddel 5), die het hof tot deze uitleg hebben gebracht. Daarmee heeft het hof een niet onbegrijpelijke uitleg gegeven aan het twitterbericht.
Ik zal nog kort ingaan op de klacht dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het standpunt van de verdachte dat de tweet slechts ziet op zelfinfectie omdat men een ander niet kan infecteren maar slechts kan besmetten.
De verdachte heeft bij zijn ondervraging over de onderhavige tweet op de terechtzitting van het hof verklaard: “Het is niet mogelijk om iemand anders te infecteren, dat is geen actie die je kunt doen.” Deze opmerking kan niet worden beschouwd als een stelling die als onderdeel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof is voorgelegd. Het hof was reeds daarom niet gehouden zich nader over deze verklaring van de verdachte uit te laten, terwijl ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is dat deze technische benadering van het begrip “infecteren” – wat daar ook van zij – het hof niet hoefde te weerhouden van een uitleg waarin in de tweet wordt opgeroepen om anderen te infecteren of te besmetten (het hof gebruikt die begrippen door elkaar).
Ook de overige argumenten die in het cassatiemiddel worden aangevoerd waarbij de uitleg die het hof aan de feiten geeft wordt aangevochten, namelijk dat de uiting van de verdachte niet woordelijk moet worden opgevat, of niet aanzet tot het infecteren van zoveel mogelijk mensen (randnummers 28-30 van de schriftuur), stuiten af op de omstandigheid dat deze niet in de vorm van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof zijn voorgelegd en het hof derhalve niet tot verdergaande motivering gehouden was.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het tweede middel
Het tweede middel bevat de volgende vijf deelklachten:
De eerste deelklacht betreft het oordeel van het hof dat ten aanzien van uitlating 2 sprake is van een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering;
De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat uitlating 4 ‘bepaald niet’ kan worden opgevat als het oproepen tot een vreedzaam protest;
De derde deelklacht ziet op het oordeel van het hof dat uitlating 4 enerzijds ‘bepaald niet’ kan worden opgevat als het oproepen tot een vreedzaam protest, terwijl het hof anderzijds heeft geoordeeld dat de beperking van het recht op vrijheid van vergadering van de verdachte gerechtvaardigd en noodzakelijk was;
De vierde deelklacht betreft het oordeel van het hof dat de verdachte met het doen van uitlating 4 dusdanig laakbaar gedrag heeft vertoond dat daartegen strafrechtelijk optreden geboden was;
De vijfde deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat ten aanzien van uitlating 4 de beperking van het recht op vrijheid van vergadering van de verdachte gerechtvaardigd en noodzakelijk was.
De eerste deelklacht met betrekking tot uitlating 2
Het hof heeft, zoals hiervoor al is weergegeven, ten laste van de verdachte ten aanzien van uitlating 2 het volgende bewezen verklaard:
“Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 26 juni 2020 tot en met 16 november 2021 in Nederland, telkens in het openbaar, mondeling (uitlating 4) en middels geschrift (uitlating 2), heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, door
uitlating 2
op 16 november 2021 op de (algemeen toegankelijke) website www.twitter.nl de volgende tekst te plaatsen:
- "QUOTE: "Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen.” Het is je plicht, nu vast staat dat de prikjes compleet mislukt zijn te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde.”
In de eerste deelklacht wordt betoogd dat het oordeel van het hof, dat ten aanzien van uitlating 2 sprake is van een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering, niet toereikend is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is.
Bij de bespreking van deze klacht kan ik kort zijn. Deze kan niet slagen omdat ik uit de processen-verbaal van de behandeling van de zaak door het hof niet kan opmaken dat de verdediging ten overstaan van het hof heeft aangevoerd dat de als uitlating 2 tenlastegelegde tekst bescherming toekomt onder de in art. 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten.
De verdachte werd tijdens de zittingen in hoger beroep bijgestaan door een raadsman, maar de raadsman heeft op de terechtzitting van 12 oktober 2023 medegedeeld dat zijn cliënt zijn eigen verdediging voert en dat hij slechts aanwezig is als zijn adviseur/procesbewaker.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 12 maart 2025 kan worden opgemaakt dat de verdachte het woord heeft gevoerd en heeft gepleit aan de hand van de door hem opgestelde en overgelegde pleitnotitie. Deze bevat een vrij ongestructureerd betoog waarin slechts her en der wordt verwezen naar art. 10 en 11 EVRM. In aanvulling op zijn pleitnota heeft hij, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, enkel in relatie tot uitlating 4 aan art. 10 en 11 EVRM gerefereerd.
Daarna heeft de raadsman, op het einde van de zitting, het volgende naar voren gebracht:
“De raadsman voert het woord tot verdediging. In dit verband brengt hij het volgende naar voren:
Deze zaak maakt duidelijk hoe de overheid omgaat met mensen die standpunten innemen die de overheid niet welgevallig zijn. Cliënt heeft in overleg met zijn juridische team en in lijn met de jurisprudentie van het EHRM op een vreedzame wijze allerlei misstanden aan de kaak gesteld. Door dat te doen, is hij in het vizier gekomen bij allerlei inlichtingen- en opsporingsdiensten. Vervolgens is hij uitgeroepen tot staatsvijand nummer 1 en stond hij symbool voor alles wat fout ging. Zo zou hij volgens de overheid verantwoordelijk zijn voor het geweld bij demonstraties. Cliënt had immers moeten weten dat zich daarbij andere groepen zouden aansluiten met minder vreedzame intenties. Cliënt heeft steeds benadrukt dat het vredelievend moest zijn. De overheid heeft allerlei middelen ingezet om cliënt de mond te snoeren. Hij is buiten heterdaad aangehouden en heeft in voorarrest gezeten. In deze zaak lijkt het vooral te gaan om de macht van de overheid versus het recht van de burger om gebruik te maken van zijn vrijheden. Ik verzoek het hof om bij de beoordeling van de feiten rekening te houden met de wijze waarop de overheid tegen cliënt is opgetreden.
De verdediging is het eens met het juridisch kader en de context zoals die in het vonnis zijn opgenomen. Ook kan de verdediging zich vinden in de gegeven beslissingen tot vrijspraak. De verdediging kan zich echter niet verenigen met de bewezenverklaring van de ten laste gelegde uitlating 4. De rechtbank heeft daarbij een zin betrokken die niet op de terechtzitting was besproken. Ik doel dan op de zin die onderaan bladzijde 11 en bovenaan bladzijde 12 van het vonnis staat. Cliënt heeft vandaag verklaard dat die zin dient te worden geplaatst vóór de tekst die in de tenlastelegging is opgenomen. De tekst in de tenlastelegging eindigt op ‘non violent en non cooperation’. Gelet hierop lijkt het mij duidelijk dat cliënt niet heeft opgeroepen tot geweld, maar juist vreedzame intenties had. Het lijkt mij normaal dat de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken de uitleg van cliënt over wat hij heeft bedoeld. Ik verzet mij tegen de suggestie van de advocaat-generaal dat de uitlatingen van cliënt dienen te worden bestempeld als een 'dog whistle'. Ik vind het, gezien de betekenis ervan, gevaarlijk om dit woord te betrekken bij de beoordeling of cliënt nu wel of niet een strafbaar feit heeft gepleegd. Het moet evident zijn dat is opgeruid. Als het niet evident is, berust het alleen op interpretatie.
In de cassatieschriftuur wordt in de toelichting op deelklacht 1 betoogd dat in het licht van hetgeen de verdachte ter zitting heeft aangevoerd, het hof uitlating 2 had moeten opvatten als een ‘eenmensprotest’ en aan de hand van art. 10 en art. 11 EVRM had behoren te toetsten of er sprake was van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte, waaronder de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering.
Zoals gezegd kan ik een dergelijk verweer in hetgeen de verdachte en zijn raadsman met betrekking tot uitlating 2 hebben aangevoerd niet ontdekken.
Nu het bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een geoorloofde beperking als bedoeld in art. 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden oordelen omtrent de inhoud, de aard en de strekking van de betreffende uitlating kan een hierop gericht verweer niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.
De eerste deelklacht faalt.
De deelklachten die betrekking hebben op uitlating 4
Het hof heeft ten laste van de verdachte met betrekking tot uitlating 4 het volgende bewezen verklaard:
“Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 26 juni 2020 tot en met 16 november 2021 in Nederland, telkens in het openbaar, mondeling (uitlating 4) (…) heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, door
(…)
uitlating 4
op 26 juni 2020, nadat de plaatsvervangend voorzitter van de veiligheidsregio Haaglanden een op 28 juni 2020 op het Malieveld te Den Haag geplande demonstratie had verboden, op de (algemeen toegankelijke) website www.facebook.com de volgende video te plaatsen:
(a) "De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de. demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons", en
(b) “Dit is ons land on het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation".
Ten aanzien van de strafbaarheid heeft het hof het volgende overwogen:
“Strafbaarheid van het feit
Beroep op artikelen 10 en 11 EVRM
De verdachte heeft onder aanhaling van citaten van de Venetië Commissie bepleit dat ook oproepen tot demonstreren (ook als sprake is van een verboden demonstratie) valt onder de reikwijdte van de door de artikelen 10 en 11 van het EVRM (recht op vrijheid van meningsuiting en recht op vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging), geboden bescherming. In vervolg daarop is bepleit dat een oproep tot demonstreren niet strafbaar is, zolang die demonstratie of oproep daartoe maar vreedzaam is, ook al is de betreffende demonstratie verboden.
Het hof stelt voorop dat de door het EVRM gewaarborgde vrijheden niet absoluut zijn. Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering staan niet in de weg aan een beperking van die rechten als zo’n beperking op grond van artikel 10, tweede lid en artikel 11, tweede lid, van het EVRM is toegelaten, te weten: als deze beperking bij de wet is voorzien, een gerechtvaardigd doel dient en in een democratische samenleving noodzakelijk is. Daarbij kan - onder meer - worden gedacht aan de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval (telkens) sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte, waaronder de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering.
Daarbij stelt het hof voorop dat opruiing, zoals bewezenverklaard, bij wet strafbaar is gesteld en de bestraffing daarvan noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Ten aanzien van de bewezen verklaarde opruiing onder 4 overweegt het hof voorts als volgt.
Blijkens het hiervoor genoemde besluit d.d. 26 juni 2020 is een individueel bepaalde demonstratie van 28 juni 2020, waarvan kennis was gegeven, verboden, zodat geen sprake is van een algeheel verbod tot demonstreren. Dat verbod is volgens dat besluit zoals eerder overwogen afgegeven vanwege onder meer ‘de bescherming van de gezondheid’, met daarbij een toelichting van de destijds bestaande context. Het verbod werd dus mede ingegeven vanwege de risico’s van verspreiding van het coronavirus en was niet gebaseerd op doel en strekking van de demonstratie. Gelet op de destijds bestaande situatie (de Covid-pandemie en de daarmee gepaard gaande onzekerheden over het verloop en de gevolgen daarvan, ook voor de gezondheidszorg) was er naar het oordeel van het hof een ‘pressing social need’ voor het opleggen van beperkingen ten aanzien van de uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende vrijheden.
Reeds daarom slaagt het verweer van de verdachte niet; de bescherming van de gezondheid rechtvaardigde dat niet gedemonstreerd mocht worden, ook al zou dat (of de oproep daartoe) vreedzaam zijn.
Het verbod was blijkens het besluit van de voorzitter daarnaast gebaseerd op bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden, mede naar aanleiding van de demonstratie van 21 juni 2020 (die ook was verboden), waarbij zich wanordelijkheden hadden voorgedaan. In dat verband wijst het hof, net als de rechtbank, op uitlatingen van de verdachte die ook zien op zijn oproep tot demonstreren op 28 juni 2020.
"Ongelooflijk maar waar, ik had niet voor mogelijk gehouden dat de dictatuur zich zo erg liet kennen. We kunnen nu spreken van het ophouden van de democratische rechtsstaat.” (...) "We gaan naar Den Haag. Ik kan je zeggen we gaan naar Den Haag." (...) "Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet." (...) "Wat heel goed afgelopen keer heeft gewerkt is dat iedereen alert was en heel veel heeft opgenomen daardoor is het niet gelukt om ons te framen of weg te zetten. Dit gaan we weer doen. We zullen ook een hele duidelijke instructie geven over hoe het nog beter kan. En dit kunnen we niet laten gebeuren mensen. Gister einde van de rechtsstaat vandaag weer de politiek die onze rechten afneemt. Hoe duidelijk moet het worden? Hoe duidelijk moet het worden? Natuurlijk hebben we weer een spoed kort geding aangetekend, maar daar hebben we niet heel veel vertrouwen in en er ook niet op wachten.” (...) "Tot snel mensen we gaan er een feestje van maken zondag op het Malieveld."
Tegen de achtergrond van de wanordelijkheden tijdens de demonstratie van 21 juni 2020, kunnen de weergegeven uitlatingen van de verdachte bepaald niet worden opgevat als het oproepen tot een ‘vreedzaam protest’, zodat ook de feitelijke grondslag van zijn verweer niet aannemelijk is geworden. Daarbij wijst het hof in het bijzonder op de woorden "Het is niet tegen te houden. Bouw in Verzet die komt waarschijnlijk met 500 trekkers dus maak je geen zorgen. We openen de snelwegen als dat moet.” Dat dit alles slechts metaforisch was bedoeld, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, acht het hof - gelet op de gekozen bewoordingen in hun onderling verband gelezen - ongeloofwaardig. Het verweer wordt dus verworpen.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte dusdanig laakbaar gedrag heeft vertoond dat daartegen - zeker gelet op de toenmalige context - strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was.
Overigens is in deze zaak het strafrechtelijke optreden als geheel - waaronder ook de hierna te bespreken bestraffing - naar het oordeel van het hof niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect" uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het hof in deze zaak (voor een tweetal gevallen van opruiing) zal volstaan met de oplegging van een taakstraf van relatief beperkte duur en voorts dat de door de verdachte in deze zaak ondergane voorlopige hechtenis is bevolen tegen de achtergrond van een meeromvattende verdenking dan de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, terwijl de tijd in voorlopige hechtenis relatief beperkt is gebleven.
De veroordeling in deze zaak is gelet op het voorgaande dus niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 dan wel het recht op vrijheid van vergadering als bedoeld in artikel 11 EVRM.”
Juridisch kader
Van belang in onderhavige zaak is in de eerste plaats dat het hier niet gaat om strafrechtelijk optreden in verband met strafbare feiten die tijdens een demonstratie zijn begaan, maar om een oproep tot een verboden demonstratie die als zodanig als opruiing ex art. 131 Sr is strafbaar gesteld. Dat roept in de eerste plaats de meer algemene vraag op of een oproep tot een demonstratie onder de door art. 11 EVRM beschermde demonstratievrijheid kan worden gebracht of moet worden beschouwd als een bijzondere vorm van vrijheid van meningsuiting die door art. 10 EVRM wordt beschermd.
In de zaak Lashmankin e.a. tegen Rusland beantwoordt de het EHRM deze vraag positief door te overwegen:
“(a) Applicability of Article 11 of the Convention
402. The Court reiterates that the right to freedom of assembly covers both private meetings and meetings in public places, whether static or in the form of a procession; in addition, it can be exercised by individual participants and by the persons organising the gathering.(…)
Dit uitgangspunt wordt door het EHRM bevestigd in de zaak Elvira Dmitriyeva tegen Rusland waarin het EHRM volstaat met een verwijzing naar de uitgangspunten die in de zaak Lashmankin e.a. tegen Rusland zijn geformuleerd. In de zaak Elvira Dmitriyeva tegen Rusland ging het om de veroordeling van klaagster wegens een online oproep om deel te nemen aan een niet-toegelaten demonstratie tegen corruptie in de Russische regering. Na afloop van de demonstratie kreeg de klaagster een boete opgelegd. Het EHRM onderzocht de klacht in het licht van art. 10 EVRM, bezien in samenhang met art. 11 EVRM en achtte de inbreuk hierop in dit geval niet gerechtvaardigd. Het EHRM betrok in de overwegingen onder meer dat demonstratie zag op een onderwerp van publiek belang en dat demonstratie op formele gronden was verboden. Omdat de demonstratie een vreedzaam karakter had, ontbrak volgens het EHRM een “pressing social need” voor de aan klaagster (uit de boete voortvloeiende) opgelegde beperking op haar recht op vrijheid van meningsuiting.
Ook art. 21 IVBPR, waarin het recht op vrijheid van vreedzame vergadering is vastgelegd, beschermt demonstranten niet enkel tijdens de demonstratie. Activiteiten die buiten de directe context van de demonstratie worden uitgevoerd, maar die essentieel zijn om de uitoefening van het recht betekenisvol te maken, vallen eveneens onder de bescherming. Daarbij kan volgens General Comment 37 worden gedacht aan onder andere de planning, en het verspreiden van informatie over een aankomende demonstratie. Deze activiteiten kunnen, net als deelname aan de bijeenkomst zelf, onderworpen zijn aan beperkingen, maar die moeten noodzakelijk zijn en derhalve strikt worden afgebakend.
De reikwijdte van art. 11 EVRM en art. 21 IVBPR wordt bepaald door het vreedzaamheidsvereiste. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat het demonstratierecht niet meer wordt beschermd als organisatoren en deelnemers aan het protest een gewelddadige intentie hebben of oproepen tot geweld of anderszins de grondslagen van een democratische samenleving verwerpen.
Wat betreft het vreedzaamheidsvereiste bevat het rapport dat in oktober 2025 door het WODC is uitgebracht een handzaam overzicht van de hoofdlijnen van de Straatsburgse rechtspraak die relevant is om te beoordelen of er aanspraak bestaat op de bescherming van art. 11 EVRM.
Het EHRM houd daarbij rekening met de volgende factoren:
- of de demonstratie bedoeld was om vreedzaam te zijn en of de organisatoren gewelddadige intenties hadden;
- of de verzoeker gewelddadige intenties had toen hij zich bij de vergadering aansloot; en
- of de verzoeker lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Het rapport van het WODC geeft het volgende overzicht:
“Gewelddadige personen die de demonstratie kapen – De mogelijkheid dat personen
met gewelddadige bedoelingen zich bij de demonstratie voegen – we spreken dan van het zogenoemd 'kapen’ van de demonstratie – ontneemt de bescherming van artikel 11 EVRM niet.
Zelfs als er een reëel risico bestaat dat een demonstratie tot wanordelijkheden kan leiden als
gevolg van ontwikkelingen buiten de controle van de organisatoren, valt een dergelijke demonstratie op zichzelf niet buiten die reikwijdte: het gaat er uiteindelijk om of de organisatoren en demonstranten zelf vreedzaam blijven.
Bescherming van onwelgevallige meningen – Het feit dat de grens van artikel 11 EVRM pas is bereikt bij gewelddadig gedrag of een gewelddadige intentie, betekent dat gedrag dat hinderlijk of aanstootgevend kan zijn in beginsel valt onder de reikwijdte ervan.
Volgens het Hof dient de vrijheid van vreedzame vergadering ex artikel 11 EVRM te worden gezien in het licht van het recht op vrijheid van meningsuiting van artikel 10 EVRM. De inhoud van de boodschap die de organisator van een demonstratie wenst te uiten, is op zichzelf in beginsel geen reden om deze buiten het beschermingsbereik van artikel 11 EVRM te plaatsen. Ook onwelgevallige meningen mogen worden geuit en worden gehoord: ‘a demonstration may annoy or give offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote’.
Bescherming van hinderlijk of verstorend gedrag – Hetzelfde geldt voor demonstraties die activiteiten van derden hinderen of verstoren, zoals het blokkeren van belangrijke verkeersaders of het (langdurig) bezetten van openbare gebouwen. Dergelijke protestacties vallen in beginsel onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM, zelfs als ze volgens het nationale recht zijn verboden (zie hierover ook § 6.2). Dit betekent echter niet dat het in artikel 11 EVRM neergelegde recht automatisch toegangsrechten tot privéterreinen in het leven roept, noch tot alle voor het publiek toegankelijke plaatsen, zoals overheids- of universiteitsgebouwen. Hoewel het Hof erkent dat acties met bezettende, blokkerende en dwingende elementen niet ongebruikelijk zijn, kunnen dergelijke wijzen van actievoeren niet worden gezien als ‘a standard situation of a ‘peaceful assembly’’ in de zin van artikel 11 EVRM. Fysiek gedrag tijdens een demonstratie dat tot doel heeft de activiteiten van anderen ernstig te verstoren, vormt volgens het Hof niet de kern van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering, maar valt dus in beginsel wel onder de bescherming van artikel 11 EVRM. Dat een protestactie onder de bescherming van artikel 11 EVRM valt, wil overigens niet zeggen dat de autoriteiten geen beperkingen zouden mogen stellen. Sterker nog, als een demonstratie vanwege het fysieke gedrag van de demonstranten niet onder de kern van het recht valt, kunnen beperkingen eerder noodzakelijk worden geacht.
(…)
Het demonstratierecht is geen absoluut recht. Onder omstandigheden kan het gerechtvaardigd
zijn om een beperking op te leggen aan een demonstratie. De voorwaarden waar een dergelijke
beperking aan dient te voldoen, staan beschreven in artikel 11 lid 2 EVRM.
Uitleg begrip beperking – Het begrip ‘beperking’ wordt blijkens de jurisprudentie van het EHRM ruim geïnterpreteerd. Het ziet niet alleen op beperkingen die gesteld worden voorafgaand of tijdens een manifestatie, maar ook na afloop ervan. Zo leveren ook het aanhouden en strafrechtelijk vervolgen en veroordelen van demonstranten beperkingen van het demonstratierecht op, die dienen te voldoen aan de eisen die artikel 11 lid 2 EVRM hieraan stelt.”
Indien een protestactie in beginsel onder de bescherming van art. 10 of 11 EVRM valt, dient ingevolge het tweede lid van deze bepalingen te worden beoordeeld of de beperking, in de vorm van strafrechtelijke sancties of andere straf(proces)rechtelijke maatregelen, rechtmatig is. Dit houdt in dat wordt nagegaan of de beperking: (i) bij wet was voorzien, (ii) een gerechtvaardigd doel diende en (iii) noodzakelijk was in een democratische samenleving. Alleen indien aan deze voorwaarden is voldaan, is een strafrechtelijke veroordeling in beginsel mogelijk.
In de praktijk komt de meeste betekenis toe aan het derde vereiste: de beperking moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Dit houdt kort gezegd in dat de beperking beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte (“pressing social need”), dat de beperking in een proportionele verhouding staat tot het nagestreefde doel en niet verder gaat dan noodzakelijk om dit doel te bereiken, en dat de door de autoriteiten aangevoerde redenen voor de beperking relevant en voldoende zijn. In verband met de proportionaliteit van de beperking wordt ook beoordeeld of er een “chilling effect” van uitgaat op anderen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting of vrijheid van vergadering.
Tot slot dient te worden opgemerkt dat de Hoge Raad op 30 september 2025 uitspraak heeft gedaan in een aantal strafzaken tegen demonstranten, waarin telkens werd geklaagd dat de strafvervolging onverenigbaar was met art. 10 en 11 EVRM. Daarin heeft de Hoge Raad een kader uiteengezet aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of art. 10 en 11 EVRM in de weg staan aan een strafrechtelijke veroordeling. Van belang voor onderhavige zaak is dat de Hoge Raad hierbij in navolging van de hiervoor besproken Straatsburgse jurisprudentie benadrukt, dat indien sprake is van een vervolging wegens een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, de rechter zich er rekenschap van moet geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder de aanhouding, de toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, de vervolging en de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Als de rechter tot het oordeel komt dat in de concrete omstandigheden van het geval het strafrechtelijk optreden in verband met een strafbaar feit als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering is, de rechter de betreffende strafbepaling buiten toepassing moet laten en de verdachte moet ontslaan van alle rechtsvervolging.
Bespreking deelklachten twee tot en met vijf
Uit het arrest kan worden afgeleid dat het hof ten aanzien van uitlating 4 het beperkingenregime ingevolge art. 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM heeft toegepast en het strafrechtelijk optreden tegen de verdachte in dat kader heeft getoetst. Daaruit leid ik af dat het hof, hoewel het dat niet expliciet heeft uitgesproken, van oordeel is dat uitlating 4 in beginsel onder de bescherming van art. 10 of 11 EVRM valt. Deze interpretatie van het arrest wordt ondersteund door de omstandigheid dat het hof bij de bewezenverklaring van de tenlastegelegde uitlatingen heeft overwogen dat van opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (zoals ten laste is gelegd op basis van artikel 131 Sr) in de onderhavige strafzaak geen sprake is en dat daarover alle procespartijen het eens zijn. Het hof heeft de verdachte daar dan ook van vrijgesproken.
Tegen het, eveneens impliciete, oordeel van het hof dat het demonstratieverbod bij wet was voorzien en een gerechtvaardigd doel diende, is namens de verdachte in cassatie geen klacht ingediend.
Bespreking deelklacht vier en vijf
Ik zal eerst de onder vier en vijf geformuleerde deelklachten bespreken in het kader van het derde vereiste waaraan ingevolge art. 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM dient te worden voldaan, namelijk of het strafrechtelijk ingrijpen zoals dat heeft plaatsgevonden ook noodzakelijk was in een democratische samenleving. Deze vraag wordt in deelklacht vijf aan de orde gesteld en ik zal met deze deelklacht beginnen en de vierde deelklacht, die als een sub-klacht van de vijfde deelklacht kan worden beschouwd, hierbij betrekken.
De vijfde deelklacht is gericht tegen het oordeel van het hof dat de beperking van de in art. 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten van de verdachte gerechtvaardigd en noodzakelijk was.
Het hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd i) dat er sprake was van een “pressing social need”, ii) dat de verdachte dusdanig laakbaar gedrag heeft vertoond dat daartegen strafrechtelijk optreden geboden was, en iii) dat het strafrechtelijk optreden als geheel niet zo ingrijpend was dat daarvan een “chilling effect” uitgaat. Ik ga hieronder nader op deze overwegingen in.
Wat betreft de “pressing social need” heeft het hof verwezen naar een van de redenen waarom de demonstratie werd verboden, namelijk de bescherming van de gezondheid en de destijds bestaande context van de coronapandemie en de daarmee gepaard gaande onzekerheden over het verloop en de gevolgen daarvan, ook voor de gezondheidszorg. Verder overweegt het hof dat het verbod niet was gebaseerd op het doel en de strekking van de demonstratie.
Dat de coronapandemie een “pressing social need” vormde voor een demonstratieverbod en dat het niet om een verbod op de inhoud van een demonstratie ging, zijn op zichzelf relevante factoren voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking. Het hof heeft daaraan echter toegevoegd dat de bescherming van de gezondheid rechtvaardigde dat niet gedemonstreerd mocht worden en dat reeds daarom het verweer van de verdachte niet slaagt, ook al zou dat (of de oproep daartoe) vreedzaam zijn. De steller van het middel merkt mijns inziens terecht op dat deze overweging van het hof slechts betrekking heeft op de noodzakelijkheid van het verbod op de demonstratie en niet zozeer op de noodzakelijkheid van het strafrechtelijk optreden tegen de verdachte daarna. Het hof heeft dit onderscheid niet gemaakt en daarmee schiet de motivering tekort. Ook het aanhouden en strafrechtelijk vervolgen van de verdachte leveren beperkingen van het demonstratierecht op, die dienen te voldoen aan de eisen die artikel 11 lid 2 EVRM hieraan stelt. De aanhouding van de verdachte heeft tegen het einde van de coronapandemie plaatsgevonden. Uit de overwegingen van het hof blijkt niet dat op dat moment (nog) sprake was van een “pressing social need” om strafrechtelijk in te grijpen.
Hetzelfde geldt voor de andere reden waar het verbod op de demonstratie door de Veiligheidsregio op was gebaseerd, namelijk de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het hof heeft niet vastgesteld of dit ruim anderhalf jaar na de geplande demonstratie nog een relevante omstandigheid was die tot strafrechtelijk ingrijpen noopte. Ook wijst de steller van het middel er terecht op dat het hof in zijn beoordeling niet heeft betrokken dat de verdachte na de uitspraak van de voorzieningenrechter (waarin werd geoordeeld dat het verbod op de demonstratie van 28 juni 2020 van kracht bleef) nog heeft opgeroepen om niet naar het Malieveld te komen, zoals door de verdachte bij het hof is aangevoerd.
De tweede reden die het hof aan zijn oordeel dat aan het noodzakelijkheidsvereiste is voldaan ten grondslag heeft gelegd, houdt in dat de verdachte “dusdanig laakbaar gedrag heeft vertoond dat daartegen, zeker gelet op de toenmalige context – strafrechtelijk optreden geboden was”. De vierde deelklacht richt zich tegen dit oordeel. De steller van het middel voert aan dat enkel laakbare (“reprehensible”) gedragingen die tijdens een demonstratie worden verricht relevant zijn voor de rechtvaardiging van een maatregel van strafrechtelijke aard. Dat is naar mijn mening juist. Uit de Straatsburgse jurisprudentie kan worden afgeleid dat strafrechtelijk optreden tegen demonstranten die zich schuldig maken aan laakbaar gedrag tijdens een demonstratie is toegestaan en dat personen die deelnemen aan een verboden demonstratie gestraft moeten kunnen worden. Het oordeel van het hof dat de verdachte laakbaar gedrag heeft vertoond door te suggereren dat er waarschijnlijk 500 trekkers komen en dat ze de snelwegen openen als dat moet, kan niet worden gelijkgesteld met een laakbare gedraging tijdens een demonstratie.
Bovendien is daarmee nog niet gezegd dat het strafrechtelijk optreden als geheel als een proportionele beperking van de in art. 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten kan worden aangemerkt.
De derde overweging waarmee het hof zijn oordeel omtrent de noodzakelijkheid van de beperking heeft gestaafd, houdt in dat het strafrechtelijk optreden als geheel niet zo ingrijpend is geweest dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering.
Deze overweging sluit aan bij het beoordelingskader dat de Hoge Raad in navolging van het EHRM heeft geformuleerd voor de beantwoording van de vraag of art. 10 en 11 EVRM in de weg staan aan een strafrechtelijke veroordeling. Daaruit volgt immers dat de rechter zich er rekenschap van moet geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder de aanhouding, de toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, de vervolging en de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering.
Bij het oordeel van het hof dat het strafrechtelijk optreden niet zodanig was dat daarvan een “chilling effect” uitgaat heeft het hof in aanmerking genomen dat wordt volstaan met een taakstraf van relatief beperkte duur voor twee gevallen van opruiing en dat de door verdachte ondergane voorlopige hechtenis is bevolen tegen de achtergrond van een meeromvattende verdenking dan de feiten waarvoor de verdachte is veroordeeld, terwijl die tijd relatief beperkt is gebleven.
Ik plaats daarbij de kanttekening dat het hof een taakstraf van 60 uur heeft opgelegd en dat de verdachte in totaal 16 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof heeft niet toegelicht waarom in dit geval niet met een minder verstrekkende maatregel kon worden volstaan. Verder heeft het hof geen aandacht besteed aan de vraag of ruim anderhalf jaar na de (oproep tot) de verboden demonstratie strafrechtelijk ingrijpen nog geboden was. Bovendien heeft het hof bij het oordeel dat er geen “chilling effect” van het strafrechtelijk optreden uitgaat niet betrokken dat de verdachte een publiek figuur is en de strafzaak de nodige media-aandacht heeft gekregen, hetgeen ongetwijfeld aan een “chilling effect” zal hebben bijgedragen.
Al met al acht ik het oordeel van het hof dat de beperking van het recht op vrijheid van vergadering van de verdachte gerechtvaardigd en niet dragen noodzakelijk was, niet zonder meer begrijpelijk. De overwegingen van het hof kunnen het oordeel, dat het politieoptreden tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie met betrekking tot uitlating 4 een toelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt, niet dragen.
De vierde en vijfde deelklacht slagen. Gelet hierop behoeven de tweede en derde deelklacht geen nadere bespreking.
7. Slotsom
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt gedeeltelijk.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof voor wat betreft het oordeel van het hof over de strafbaarheid van uitlating 4 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG