ECLI:NL:PHR:2026:201

ECLI:NL:PHR:2026:201

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 24/01197
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. 300.2 Sr. Middel klaagt over integrale toewijzing van door benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof ook psychische schade in aanmerking genomen zonder vastgesteld causaal verband met opgelopen letsel? De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01197

Zitting 3 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 maart 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte heeft T. Straten, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van € 10.000 wegens immateriële schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 24 december 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen op het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvend gehoorverlies ten gevolge heeft gehad.”

In eerste aanleg is door de benadeelde partij een vordering tot vergoeding van € 10.000 wegens immateriële schade ingediend. Ter onderbouwing daarvan is aangevoerd dat de benadeelde partij ten gevolge van het tenlastegelegde een gehoorbeschadiging heeft opgelopen, waardoor hij zijn beroep van muzikant niet meer zo goed kan uitvoeren. Deze vordering is door de politierechter tot een bedrag van € 500 toegewezen. Volgens de politierechter is niet komen vast te staan dat het slachtoffer een blijvend gehoorverlies heeft, terwijl het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de stelling van blijvend gehoorverlies alsnog nader te onderbouwen, leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure.

Het hof heeft met betrekking tot de (kennelijk in hoger beroep gehandhaafde) vordering van de benadeelde partij als volgt overwogen:

“Verdachte heeft de benadeelde partij mishandeld waardoor hij gehoorverlies en tinnitus heeft opgelopen. Dit gevolg heeft een grote impact gehad op het leven van de benadeelde partij, nu hij muzikant van beroep is. Zijn werk en dagbesteding heeft hij hierdoor verloren. Dit ernstig gehoorverlies en de voortdurende piep in zijn oor (tinnitus) heeft de mogelijkheden om te luisteren naar muziek en sociale contacten te hebben met meer personen tegelijk, niet alleen zakelijk maar ook in privé ernstig aangetast. Dat sprake is van psychische schade die voor vergoeding in aanmerking komt, blijkt zonder meer uit de medische stukken waaronder de aanvullende en ter terechtzitting vertolkte brieven van de huisarts. Weliswaar kan het hof niet vaststellen of de psychische schade van aangever enkel en alleen door het gehoorverlies en de tinnitus komt, maar het hof twijfelt er gezien de overgelegde brieven en andere stukken niet aan dat dit wel grotendeels het geval is. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat tinnitus een ernstige, blijvende en beperkende gehoorstoornis is waarvoor nog geen remedie is gevonden en waar patiënten ernstig onder lijden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is daarom voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde vergoeding van de immateriële schade wordt volledig toegewezen, te weten een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2017 tot aan de dag van de. algehele voldoening.”

Art. 51f Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht (en daarmee art. 6:98 BW) van toepassing. Op grond van art. 6:98 BW komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Van rechtstreekse schade als bedoeld in 51f Sv is sprake indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade ‘voldoende verband’ bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend.

Art. 6:106 BW luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.“

Bij de beoordeling van het middel moet gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad het navolgende worden vooropgesteld. Bij de begroting van de immateriële schadevergoeding wegens lichamelijk letsel, mogen de psychische gevolgen van lichamelijk letsel worden betrokken zonder dat daarvoor geestelijk letsel in rechte hoeft te zijn vastgesteld, mits de psychische gevolgen voldoende verband houden met het lichamelijk letsel. De rechter komt grote vrijheid toe bij de bepaling van de omvang van het smartengeld.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het middel keert zich, zoals gezegd, onder meer tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, omdat de hoogte van de in hoger beroep gevorderde immateriële schade niet enkel zou zijn gebaseerd op opgelopen gehoorverlies en tinnitus, maar ook op andere medische klachten die volgens de benadeelde partij door het bewezenverklaarde feit zijn veroorzaakt, terwijl het hof slechts heeft vastgesteld dat door het bewezenverklaarde feit gehoorverlies en de tinnitus zijn veroorzaakt.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij heeft mishandeld, waardoor de benadeelde partij gehoorverlies en tinnitus (zwaar lichamelijk letsel) heeft opgelopen. Door het hof is tevens vastgesteld dat dit gevolg een grote impact heeft gehad op het leven van de benadeelde partij, nu hij muzikant van beroep is en hij hierdoor zijn werk en dagbesteding heeft verloren. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat dit ernstige gehoorverlies en de voortdurende piep in zijn oor (tinnitus) de mogelijkheden voor de benadeelde partij om te luisteren naar muziek en sociale contacten te hebben met meer personen tegelijk, niet alleen zakelijk maar ook in privé ernstig heeft aangetast. Dat sprake is van psychische schade die voor vergoeding in aanmerking komt, blijkt volgens het hof zonder meer uit de medische stukken waaronder de aanvullende en ter terechtzitting vertolkte brieven van de huisarts. Het hof heeft verder overwogen dat hoewel het niet kan vaststellen of de psychische schade van aangever ‘enkel en alleen’ door het gehoorverlies en de tinnitus komt, het hof er gezien de overgelegde brieven en andere stukken niet aan twijfelt dat dit wel grotendeels het geval is en het bovendien een feit van algemene bekendheid is dat tinnitus een ernstige, blijvende en beperkende gehoorstoornis is waarvoor nog geen remedie is gevonden en waar patiënten ernstig onder lijden.

De steller van het middel voert aan dat indien het hof met zijn overwegingen tot uitdrukking heeft willen brengen dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen als er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het bewezenverklaarde feit en alle door de benadeelde partij aangedragen gevolgen waarop de omvang van de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.

Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van een ernstige, blijvende en beperkende gehoorstoornis (gehoorverlies en tinnitus) en heeft met zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat het bij de bepaling van de in verband daarmee toe te kennen immateriële schadevergoeding ervan uitgaat dat de psychische schade die uit de overlegde medische stukken naar voren komt, voldoende verband houdt met het opgelopen lichamelijk letsel. Daarbij betrekt het hof bovendien dat het een feit van algemene bekendheid is dat tinnitus een ernstige, blijvende en beperkende gehoorstoornis is waarvoor nog geen remedie is gevonden en waar patiënten ernstig onder lijden. Gelet op het voorgaande lees ik het arrest van het hof – anders dan de steller van het middel – niet zo dat het hof van oordeel zou zijn dat de door de benadeelde gevorderde immateriële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen voor zover er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan. Dat uit de namens de benadeelde partij overgelegde medische stukken tevens feiten en omstandigheden blijken waarvan niet kan worden vastgesteld dat zij het gevolg zijn de opgelopen gehoorschade, doet daaraan niet af.

Verder klaagt het middel dat het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen, in het licht van de overweging van het hof dat weliswaar niet kan worden vastgesteld of de psychische schade van de benadeelde enkel door het gehoorverlies en de tinnitus komt, maar het hof er niet aan twijfelt dat dit grotendeels wel het geval is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, aangezien uit deze overweging volgt dat niet kan worden vastgesteld dat de psychische schade waarvoor de benadeelde een immateriële schadevergoeding heeft gevorderd in zijn geheel veroorzaakt is door het gehoorverlies en de tinnitus, terwijl het hof niet heeft vastgesteld dat er ook causaal verband bestond tussen de overige klachten en het bewezenverklaarde feit.

Deze klacht faalt, omdat de steller van het middel miskent dat bij de begroting van immateriële schadevergoeding wegens lichamelijk letsel, de psychische gevolgen van dat lichamelijk letsel mogen worden betrokken zonder dat daarvoor geestelijk letsel in rechte hoeft te zijn vastgesteld, mits de psychische gevolgen voldoende verband houden met het lichamelijk letsel.

Al met al heeft het hof in mijn visie zonder meer tot het niet-onbegrijpelijke oordeel kunnen komen dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de immateriële schade – door het hof op € 10.000 gewaardeerd – ‘voldoende verband’ bestaat. De overweging dat met betrekking tot de psychische schade niet ‘vastgesteld’ kon worden dat deze ‘enkel en alleen’ door het gehoorverlies en de tinnitus komt, maar het hof er gezien de overgelegde brieven en andere stukken niet aan twijfelt dat dit wel grotendeels het geval is en het bovendien een feit van algemene bekendheid dat tinnitus een ernstige, blijvende en beperkende gehoorstoornis is waarvoor nog geen remedie is gevonden en waar patiënten ernstig onder lijden, miskent dat criterium geenszins. Anders dan de steller van het middel ga ik er – gelet op hetgeen ik onder 2.12 heb opgemerkt – evenmin vanuit dat het hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd voor een hoger bedrag dan door de benadeelde partij is gevorderd.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3. Slotsom

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?