ECLI:NL:PHR:2026:210

ECLI:NL:PHR:2026:210

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 24/03391
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Zware mishandeling (art. 302 Sr). Eerste middel klaagt over motivering (voorwaardelijk) opzet toebrengen zll. Middel faalt omdat oordeel hof dat verdachte met zijn handeling, te weten een met zeer forse kracht en onverhoeds gegeven stomp in gezicht van aangeefster waardoor zij met haar hoofd tegen de grond is geklapt, willens en wetens aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zll zou oplopen. Tweede middel klaagt over overschrijding inzendtermijn cassatie. Conclusie strekt tot constatering dat RT in cassatie is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03391

Zitting 3 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 3 september 2024 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof als bijzondere voorwaarden aan de verdachte een meldplicht en een behandelverplichting opgelegd. Daarnaast heeft het hof beslist over de vordering van de benadeelde partij en in dat verband aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte heeft S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat in Arnhem, twee middelen van cassatie voorgesteld.

2. Het eerste middel

Het eerste middel klaagt – mede gelet op de toelichting – dat de bewezenverklaring van het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontoereikend is gemotiveerd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 16 april 2023 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een ontsierende litteken bij de wenkbrauw in het gezicht en een beklemde zenuw (in het gezicht), door [slachtoffer] met kracht in het gezicht te stompen, waardoor [slachtoffer] ten val is gekomen”

De bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 april (pagina’s 8-9 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

(pagina 9:)

Op 16 april 2023, omstreeks 00.57 uur zijn [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) en ik weggelopen bij cafe [A] in [plaats] . We zouden naar huis gaan. We hadden een gezellige avond gehad. We waren op stap gegaan met [betrokkene 1] die een goede vriend is van [verdachte] en met [betrokkene 2] . Ik weet nog dat we via de [a-straat] langs [winkel] zijn gelopen. Hierna weet ik niets meer. Vervolgens werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik had diepe sneden in mijn gezicht. Deze hebben ze in het […] ziekenhuis gehecht. Ik heb nu voortaan altijd een litteken in mijn gezicht.

Ik heb heel veel pijn aan mijn gezicht en hals. Ik weet niet wat er gebeurd is.

(Opmerking verbalisant: Ik laat de beelden van de mishandeling aan aangeefster zien.)

Ik zie nu op beeld dat mijn vriend [verdachte] mij een hele harde klap tegen het hoofd geeft. Hierdoor val ik met mijn hoofd op de grond.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van bevindingen (‘onderzoeksverslag beschrijving camerabeelden’) d.d. 17 april 2023 (pagina’s. 47 - 54 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van [verbalisant] :

(pagina 47)

Op 17 april 2023 heb ik, verbalisant, als cameraspecialist werkzaam binnen het basisteam [plaats] / [plaats] in de eenheid Limburg camerabeelden bekeken in het opsporingsonderzoek voorzien van registratienummer PL2300- 2023057792.

Beschrijving NN1:

Ik zag dat NN1 een blanke man was.

Ik zag dat NN1 kort donker haar had.

Ik zag dat NN1 een donkere jas droeg met een witte opdruk op de achterzijde.

Ik zag dat NN1 een licht shirt droeg.

Ik zag dat NN1 een lange donkere spijkerbroek droeg.

Ik zag dat NN1 donkere sneakers droeg met een witte rand aan de onderzijde.

(pagina 48)

Beschrijving NN2:

Ik zag dat NN2 een blanke vrouw was.

Ik zag dat NN2 lang bruin haar had.

Ik zag dat NN2 een kort donker jasje droeg.

Ik zag dat NN2 een licht shirt droeg.

Ik zag dat NN2 een lange donkere broek droeg.

Ik zag dat NN2 donkere sneakers droeg met een witte rand aan de onderzijde.

(pagina 48)

Beeld 1 bestand:1000000008_1681668518002.mp4

Ik zag dat de beelden zicht hadden op een straat.

00:58:29: Ik zag dat er twee personen (nader te noemen NN1 en NN2) richting het camerabeeld liepen.

00:58:57: Ik zag dat NN1 richting NN2 liep.

00:58:58: Ik zag dat NN1 met zijn rechterarm richting het gezicht van NN2 zwaaide.

Ik zag dat NN1 met zijn rechterhand een harde klap tegen het gezicht van NN2 gaf.

00:58:59: Ik zag dat NN2 op de grond viel.

00:58:59 tot 00:59:04: Ik zag dat NN2 roerloos op de grond lag.

Ik zag dat NN1 een paar stappen verder liep en omkeek richting NN2.

00:59:05: Ik zag dat NN1 over NN2 boog.

00:59:06: Ik zag dat NN1 NN2 aan haar arm omhoogtrok.

00:59:14: Ik zag dat NN2 op haar benen ging staan.

00:59:17: Ik zag dat NN2 van NN1 vandaan liep.

00:59:23: Ik zag dat NN2 haar handen voor haar gezicht hield

(pagina 49)

00:59:29: Ik zag dat NN1 zijn linkerhand tegen het achterhoofd van NN2 hield.

00:59:31: Ik zag dat NN1 vermoedelijk met zijn linkerhand aan de haren van NN2 trok.

00:59:37: Ik zag dat NN2 met haar rechterarm NN1 lichtjes van zich afduwde.

00:59:44: Ik zag dat NN1 en NN2 rechtsonder uit het camerabeeld liepen.

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 april 2023 (pagina's 81 - 87 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [verdachte] :

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte/getuige/etc.

O: Opmerking verbalisant (als niet in pv of niet gebruikt wordt dan weglaten)

(pagina 84)

A: Wij stonden in de kroeg het was supergezellig, Ik werd op een gegeven moment jaloers want ik had het idee dat ze met iemand anders aan het flirten was. Ik wilde hierop naar huis en wij zijn toen samen naar huis gelopen. Bij mij ging er toen een knop om en ik verkocht haar uit het niets een klap. Ze kwam hierdoor op de grond terecht en werd volgens mij onwel. Ik zag dat ze een behoorlijke wond had. Ik heb haar toen opgeraapt. Wij zijn naar de auto gelopen en ik heb haar naar de eerste hulp gebracht.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een forensisch medisch letselrapportage met als datum onderzoek 17 april 2023 en als verzenddatum 2 mei 2023, opgemaakt door [deskundige 1] , forensisch arts in opleiding, en [deskundige 2] , forensisch arts KNMG (pagina’s 92 - 99 van het politiedossier), voor zover inhoudende:

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg d.d. 20 maart 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte (pagina’s 1 - 12);

(pagina 2)

Het is juist dat ik op 16 april 2023 [slachtoffer] in haar gezicht heb geslagen.

[…]”

Het hof heeft over de bewezenverklaring van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel het volgende overwogen:

“Uit de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat de verdachte aangeefster op 16 april 2023 op straat in [plaats] heel hard, uit het niets, een stomp in het gezicht geeft, als gevolg waarvan zij met haar hoofd op de grond valt en roerloos op de grond blijft liggen. De aangeefster is vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Daar is vastgesteld dat zij bij haar wenkbrauw een grillig verlopende huidbeschadiging heeft van circa twee centimeter met onscherpe wijkende wondranden en een verticaal verlopend streepvormig deels onderbroken huidbeschadiging van circa 1,6 centimeter lang.

[…]

Het hof is van oordeel dat het door de verdachte uitgeoefende geweld zodanig was dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster door dat geweld zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Immers heeft de verdachte de aangeefster onverhoeds met dusdanige kracht tegen haar gezicht gestompt, een bij uitstek kwetsbaar onderdeel van het lichaam, dat zij daardoor plat voorover tegen de grond is geklapt en roerloos op de grond bleef liggen.

Het hof overweegt dat het (in dit geval) gericht en met zeer forse kracht en onverhoeds tegen het gezicht van zijn vriendin stompen waardoor zij onder andere met haar hoofd tegen de grond is geklapt een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven heeft geroepen. Het hoofd is immers een kwetsbaar lichaamsdeel.

Naar het oordeel van het hof moet deze gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - nu er ook geen contra-indicaties aanwezig zijn - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling zoals hiervoor onder primair is bewezenverklaard.”

De steller van het middel klaagt ten eerste dat het hof heeft overwogen dat de verdachte aangeefster met “zeer forse kracht in het gezicht heeft gestompt” en dat zij “met haar hoofd plat voorover tegen de grond is geklapt”, terwijl dit niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Uit de voor het bewijs gebruikte aangifte en de beschrijving van de camerabeelden blijkt volgens het hof dat de verdachte de aangeefster op straat heel hard, uit het niets, een stomp in het gezicht geeft, als gevolg waarvan zij met haar hoofd op de grond valt en roerloos op de grond blijft liggen. Strikt genomen blijkt uit de verklaring die de aangeefster heeft afgelegd nadat aan haar de camerabeelden van het incident zijn getoond en de beschrijving van de camerabeelden door de verbalisant niet dat zij een stomp, maar een harde “klap” in haar gezicht heeft gekregen. Uit die verklaring blijkt echter ook dat zij hierdoor met haar hoofd op de grond is gevallen en van de gebeurtenis zelf niets meer weet. Uit de letselbeschrijving blijkt verder dat het letsel dat bij de aangeefster is geconstateerd, is veroorzaakt door een stomp trauma. Het hof – dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 augustus 2024 de camerabeelden zelf ook zowel voorafgaand aan als tijdens die terechtzitting heeft bekeken – heeft die harde klap in het gezicht waardoor de aangeefster met haar hoofd op de grond valt en vervolgens roerloos op de grond blijft liggen, niet onbegrijpelijk aangemerkt als een stomp. Voorts ligt in de bewijsmiddelen wat mij betreft ook besloten dat de aangeefster daardoor voorover met haar hoofd plat tegen de grond is geklapt. Uit de tot het bewijs gebezigde waarneming van een verbalisant van de camerabeelden en de verklaring van de aangeefster blijkt immers dat zij na de klap is gevallen, terwijl uit de letselverklaring blijkt dat zij huidbeschadigingen in het aangezicht heeft opgelopen, die gehecht moesten worden.

De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte het zwaar lichamelijk letsel opzettelijk heeft toegebracht. Volgens de steller van het middel heeft het hof het voorwaardelijk opzet op het zwaar lichamelijk letsel afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de door de verdachte gegeven klap zo hard was dat aangeefster daardoor met haar hoofd tegen de grond viel. In dit verband merkt de steller van het middel op dat het op de grond vallen van aangeefster een indicatie kan zijn van een krachtige stomp, maar dat de kans op omvallen ook door andere, geenszins uitzonderlijke omstandigheden wordt vergroot, bijvoorbeeld doordat aangeefster niet stevig stond op het moment dat zij werd geraakt.

Wat betreft het leerstuk van het voorwaardelijk opzet heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 14 mei 2024 het volgende overwogen:

“2.3.1 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. (Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718.)”

De rechtspraak omtrent de vraag of sprake is van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ingeval de verdachte het slachtoffer een vuistslag/klap in het gezicht heeft gegeven, is zeer casuïstisch van aard. Het is dan ook lastig algemene regels te formuleren. Wel kan worden gezegd dat bij de beantwoording van deze vraag betekenis kan toekomen aan 1) de kracht van de vuistslag/klap, 2) de gerichtheid daarvan en 3) de fysieke toestand van de verdachte, zoals getraindheid in een vechtsport en/of een hoog lichaamsgewicht. In cassatie hielden de volgende veroordelingen voor (een poging tot) het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel stand:

- het toebrengen van een stomp of vuistslag tegen het gezicht waardoor het zwart voor de ogen van het slachtoffer werd en waardoor hij een bloeduitstorting en kneuzingen bij de neus en een oog heeft opgelopen;

- het door een verdachte met een lengte van ongeveer 1.90m en een stevig postuur met grote kracht tegen het gezicht van het slachtoffer slaan waardoor twee tanden uit zijn mond werden geslagen, zijn kaak werd gebroken en waardoor hij op de grond viel;

- het met een zwaaiende beweging met kracht tegen het gezicht stompen van het slachtoffer, met een gebroken oogkas en gebroken bovenkaak tot gevolg;

- het met de vuist éénmaal hard in het gezicht slaan waardoor het slachtoffer bewusteloos achterover viel, met drie missende tanden en een barstwond in het jukbeen ten gevolge;

- het door een verdachte van circa twee meter die in boksen was geoefend met gebalde vuist "gericht en met kracht" tegen het gezicht van het slachtoffer onder zijn rechteroog en tegen zijn neus stompen ten gevolge waarvan fracturen aan de oogkas en het neusbot zijn ontstaan en

- het geven van een gerichte en harde vuistslag, met zodanige kracht dat de aangever zich nog net staande kon houden en daardoor fracturen in het jukbeen en in het botgebied tussen oogkas, neus en bijholte opliep.

In de voorliggende zaak heeft het hof aanvullende vaststellingen gedaan over de gegeven vuistslag, namelijk dat deze (1) met zeer forse kracht en (2) onverhoeds en (3) in het gezicht van de aangeefster is gegeven, waardoor zij onder andere met haar hoofd tegen de grond is geklapt. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat het hof het voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel enkel heeft afgeleid uit de omstandigheid dat de door de verdachte gegeven klap zo hard was dat de aangeefster daardoor met haar hoofd tegen de grond viel, berust het derhalve op een verkeerde lezing van het arrest en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Voor zover het middel zo moet worden opgevat dat wordt geklaagd dat de vaststellingen van het hof omtrent de kracht, het onverhoedse karakter en de gerichtheid van de klap ontoereikend zijn om tot het oordeel te komen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, faalt het eveneens. Het hof kon op grond van zijn vaststellingen zo oordelen. In dit verband merk ik op dat het argument dat “het op de grond vallen van aangeefster weliswaar een […] indicatie van kracht kan zijn maar hier voorzichtigheid is geboden, onder meer omdat de kans op omvallen ook door andere, geenszins uitzonderlijke omstandigheden wordt vergroot, bijvoorbeeld doordat aangeefster niet stevig stond op het moment dat zij geraakt werd” in dit geval niet maakt dat geen sprake kan zijn van voorwaardelijk opzet, omdat zelfs als er al van wordt uitgegaan dat de aangeefster “niet stevig stond” dit wat mij betreft voor rekening van de verdachte komt. Naar eigen zeggen wist hij dat zij beiden in beschonken toestand verkeerden. Gezien het door het hof vastgestelde onverhoedse karakter van de stomp heeft de verdachte voor lief genomen dat de aangeefster in het geheel niet kon anticiperen op de klap, met alle gevolgen van dien.

Het eerste middel faalt.

3. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden, omdat het hof de stukken van het geding niet binnen de voorgeschreven inzendtermijn aan de Hoge Raad heeft toegezonden.

Op 4 september 2024 is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld. De stukken van de zaak zijn op 4 juli 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendingstermijn van acht maanden met twee maanden overschreden, terwijl deze overschrijding niet is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Het middel klaagt hierover terecht. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden zonder dat daar enig rechtsgevolg aan wordt verbonden.

4. Slotsom

Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.

Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot de constatering dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?