Nummer24/00731
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-003170-23) niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/00732 en 24/00729. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot aanhouding. Het tweede middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
Het procesverloop
5. De verdachte is in eerste aanleg bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2023 veroordeeld. Tegen dat vonnis is namens de verdachte op 3 juli 2023 hoger beroep ingesteld.
6. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘schriftuur houdende grieven ex art. 410 Sv’ die door mr. W.F.J. Kramer op 7 juli 2023 is ondertekend en op diezelfde dag door de griffier van de rechtbank Midden-Nederland is ontvangen. De schriftuur houdt het volgende in:
“Schriftuur houdende grieven ex art. 410 Sv
tegen de beslissing d.d. 20 juni 2023 van de Politierechter in het arrondissement Midden-Nederland, zitting houdende te Utrecht, gewezen onder parketnummers 16 103601-23, 16-081537-23 (gev. ttz), 16-005028-23 (tul), onder meer inhoudende:
A. bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;
B. oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk;
C. gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van een maand;
D. gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
Vooralsnog richt het appel zich tegen de strafmaat, de gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging en de gedeeltelijke toewijzing van, de vordering tot schadevergoeding. Indien mogelijk zullen de grieven later nader worden aangevuld.”
7. De verdachte is op de terechtzitting van 28 februari 2024 niet verschenen. De raadsman heeft verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling. Dat verzoek is door het hof afgewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 februari 2024 houdt, voor zover van belang voor de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, het volgende in:
“De verdachte (…) is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. W.F.J. Kramer, advocaat te Utrecht, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat er vandaag drie strafzaken van verdachte gelijktijdig worden behandeld, maar niet zijn gevoegd.
De raadsman voert het woord:
Het contact met mijn cliënte verloopt moeizaam. Gisteravond heeft ze mij laten weten dat ze bij de zitting aanwezig zal zijn. Ik had haar hier verwacht. Namens mijn cliënte wil ik een aanhoudingsverzoek doen.
De advocaat-generaal voert het woord:
Op 21 oktober 2023 is er een rolzitting geweest. Tijdens deze zitting is de datum van de inhoudelijke behandeling gepland.
De raadsman voert het woord:
Zelf was ik niet aanwezig bij de rolzitting. Ik heb wel het proces-verbaal van de rolzitting ontvangen. Mijn cliënte weet dat de zitting vandaag staat gepland.
De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld om een standpunt over het verzoek van de raadsman in te nemen en voert het woord:
Op 26 februari 2024 heeft de raadsman een e-mail gestuurd, waarin hij verzoekt om de inhoudelijke behandeling van de zaken aan te houden. Verdachte heeft twee dagen voor de behandeling van de zaken contact opgenomen met haar raadsman, waardoor de verdediging niet in de gelegenheid is om de zaken voor te bereiden. Daarnaast verzoekt de verdediging om de inhoudelijke behandeling van de zaken aan te houden, zodat een reclasseringsrapport kan worden opgemaakt. Ik heb verzocht tot afwijzing van dit verzoek. We weten niet wat de reden voor de afwezigheid van verdachte is. Er staan vandaag drie zaken van verdachte op zitting. Verdachte is degene die het hoger beroep heeft ingediend. Ik neem aan dat ze het belang van het hoger beroep ziet. Er is op 31 oktober 2023 een rolzitting geweest, waarbij de datum van de inhoudelijke behandeling is gepland. Vanaf dat moment is het bekend dat de zitting vandaag staat gepland. De raadsman geeft aan dat hij verdachte hier had verwacht. Er is geen uitleg over een reden voor afwezigheid en het is niet duidelijk waarom verdachte de volgende keer wel aanwezig zal zijn.
De raadsman voert het woord:
Het aanhoudingsverzoek in de e-mail van 26 februari 2024 ziet op andere gronden, namelijk een gebrekkige voorbereiding en het laten opmaken van een reclasseringsrapport. Nu gaat het om het aanwezigheidsrecht van cliënte.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Het onderzoek wordt hervat.
De voorzitter deelt mede:
Het is spijtig dat verdachte niet aanwezig is. Verdachte wist dat vandaag de zitting stond gepland en heeft gezegd dat ze aanwezig zal zijn. Verdachte is niet verschenen. Kennelijk heeft verdachte bij nader inzien toch geen belangstelling om aanwezig te zijn. De zaken moeten worden afgedaan, De reclassering heeft eerder een poging gedaan om in contact te komen met verdachte. Dit is niet gelukt. Er bestaat weinig kans dat dit nu wel zal slagen. De voortgang van de zaak is ook belangrijk. Het aanhoudingsverzoek van de raadsman zal worden afgewezen.”
8. Vervolgens heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 februari en de aantekening van het mondeling arrest houden, voor zover van belang, het volgende in:
“De voorzitter stelt vast dat de dagvaarding, op juiste wijze is betekend.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte.
De advocaat-generaal vordert dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het
ingestelde hoger beroep.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van
het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
(…)
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 20 juni 2023, dat is gewezen in de zaken met parketnummers 16-103601-23 en 16-081537-23 (gevoegd ter terechtzitting) en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.”
De bespreking van het eerste middel
9. Het eerste middel bevat de klacht dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof geen blijk heeft gegeven van een behoorlijke belangenafweging.
10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting op 28 februari 2024 kan het volgende worden afgeleid. De verdachte was op de hoogte van de datum van de terechtzitting, maar is niet verschenen. De niet-gemachtigde raadsman heeft verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Aan dat verzoek is slechts ten grondslag gelegd dat de verdachte niet is verschenen, terwijl zij aan de raadsman had laten weten aanwezig te zullen zijn. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raadsman geen redenen voor de afwezigheid van de verdachte opgegeven en evenmin het aanhoudingsverzoek nader onderbouwd. Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen en daarbij bijzonder belang toegekend aan de voortgang van de strafzaak. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte kennelijk geen belangstelling had om aanwezig te zijn en bovendien toegelicht waarom er weinig kans bestaat dat zij op een later moment alsnog zal verschijnen.
11. Hoewel niet alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen nadrukkelijk zijn afgewogen, meen ik dat het hof daartoe ook niet gehouden was. Van een verdachte of diens raadsman mag worden verlangd dat hij een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de strafzaak onderbouwt en daarbij gegevens verstrekt die de rechter noodzakelijk acht voor de beslissing op dat verzoek. Het aanvoeren van een omstandigheid die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt, is immers vereist om de rechter in staat te stellen te beoordelen of grond bestaat voor aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting. Als zo’n omstandigheid in het geheel niet wordt aangevoerd, kan de rechter zonder belangenafweging beslissen dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen.
12. De raadsman heeft in deze zaak niet méér aangevoerd dan dat de verdachte aan hem heeft laten weten dat zij aanwezig zou zijn, terwijl de afwezigheid van de verdachte niet nader is toegelicht. Het oordeel van het hof dat het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen, is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
13. Het middel faalt.
De bespreking van het tweede middel
14. Het tweede middel bevat de klacht dat de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep, omdat het daaraan ten grondslag liggende oordeel dat de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, onbegrijpelijk is.
15. Bij de stukken in het geding bevindt zich een ‘schriftuur houdende grieven ex art. 410 Sv’ die door de raadsman van de verdachte tijdig is ingediend en door de griffier van de rechtbank Midden-Nederland is ontvangen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een appelschriftuur in het geheel ontbreekt, is dat oordeel niet begrijpelijk.
16. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de appelschriftuur geen grieven in de zin van artikel 410 Sv bevat, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld. Wel moeten de opgegeven grieven duidelijk maken wat de inzet van het hoger beroep is. Namens de verdachte is in de appelschriftuur te kennen gegeven dat het hoger beroep is gericht tegen “de strafmaat, de gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging en de gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding”.
17. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk is in het hoger beroep niet begrijpelijk.
18. Het middel slaagt.
Slotsom
19. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
20. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Indien de Hoge Raad oordeelt dat het tweede middel faalt, kan gelet op de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn worden volstaan met een constatering van die overschrijding.
21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG