PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00732
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden