PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00729
Zitting 3 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
1. De verdachte is bij arrest van 28 februari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (parketnr. 21-001891-23) onder parketnummers 16-309947-22, 16-315286-22 en 16-335251-22 telkens wegens diefstal en onder parketnummer 16-325283-22 wegens 1. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd en 2. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/00732 en 24/00731. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.F.J. Kramer, advocaat in Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel is gelijkluidend aan het eerste middel in de samenhangende zaak met nummer 24/00731 waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde motivering van de afwijzende beslissing door het hof. In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan eveneens worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM geschonden. Gelet op de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf en de te verwachten overschrijding van de redelijke termijn, kan worden volstaan met een constatering van die overschrijding.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden