PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04340
Zitting 6 maart 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[beschermingsbewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [schuldenaar] ,
verzoeker tot cassatie,
advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen,
en
[WSNP-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [schuldenaar] ,
belanghebbende,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als de beschermingsbewindvoerder en de WSNP-bewindvoerder. De rechthebbende tevens schuldenaar wordt hierna kort aangeduid als de schuldenaar.
1. Inleiding en samenvatting
De goederen van de schuldenaar zijn onder bewind gesteld. Nadien is de schuldenaar toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Haar beschermingsbewindvoerder heeft verzocht dat de kosten van het beschermingsbewind worden opgenomen in het zogenoemde ‘vrij te laten bedrag’ (hierna vtlb) als bedoeld in art. 295 lid 3 Fw. De rechter-commissaris heeft dat verzoek afgewezen. Hoewel van die beslissing op grond van art. 315 lid 2 Fw geen hoger beroep openstaat (en op grond van art. 360 Fw evenmin cassatieberoep), heeft de beschermingsbewindvoerder daartegen hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarbij een aantal zogeheten doorbrekingsgronden aangevoerd, waardoor hij volgens hem toch ontvankelijk is in het hoger beroep. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen van die gronden slaagt. In cassatie komt de beschermingsbewindvoerder hiertegen op.
De beschermingsbewindvoerder heeft het cassatieberoep evenwel te laat ingesteld en is daarin dus niet-ontvankelijk. Hiernaast is het beroep ongegrond.
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 23 januari 2024 is de schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met benoeming van de rechter-commissaris en de bewindvoerder tot zodanig.
(ii) Bij de aanvang van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vtlb. Dit verzoek is geweigerd omdat bijzondere bijstand voor deze kosten kon worden aangevraagd.
(iii) Het verzoek om bijzondere bijstand is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de schuldenaar afgewezen. Het tegen die beschikking gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard evenals het daartegen bij de rechtbank ingestelde beroep.
(iv) De rechter-commissaris heeft in de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedures geen aanleiding gezien om de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vtlb. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de rechter-commissaris een verzoek daartoe van de beschermingsbewindvoerder afgewezen.
(v) Een herhaald verzoek van de beschermingsbewindvoerder met gelijke strekking heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 11 augustus 2025 opnieuw afgewezen.
De beschermingsbewindvoerder heeft tegen de beschikking van 11 augustus 2025 hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Limburg. Hij heeft een aantal gronden aangevoerd waarop hij volgens hem ontvankelijk is in het hoger beroep, ondanks de wettelijke uitsluiting van dat rechtsmiddel in art. 315 lid 2 Fw.
Bij beschikking van 19 november 2025 heeft de rechtbank het beroep verworpen. De rechtbank heeft geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden aanwezig geacht.
De beschermingsbewindvoerder heeft op 28 november 2025 cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, door indiening van een procesinleiding in cassatie bij de Hoge Raad. De WSNP-bewindvoerder is in cassatie niet verschenen.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Met het oog op de bespreking van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep sta ik kort stil bij het karakter van de onderhavige beschikking en de mogelijkheid om daartegen een rechtsmiddel aan te wenden.
Op grond van art. 295 lid 2 Fw valt een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet buiten de boedel van de schuldsaneringsregeling. De rechter-commissaris kan op grond van art. 295 lid 3 Fw dit bedrag op verzoek of ambtshalve verhogen. Het bedrag bedoeld in art. 295 lid 2 Fw en, als dit is vastgesteld, het bedrag bedoeld in art. 295 lid 3 Fw vormen tezamen het vtlb. Zoals hiervoor in 2.1 onder (iv) en (v) vermeld, heeft de beschermingsbewindvoerder de rechter-commissaris in dit geval verzocht om toepassing van art. 295 lid 3 Fw, door verhoging van het vtlb met de kosten van het beschermingsbewind.
Op grond van art. 315 lid 2 Fw staat tegen een beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 295 lid 3 Fw geen hoger beroep open. De ratio van dit verbod is min of meer gelijk aan die van het appelverbod van art. 67 derde zin Fw, namelijk het voorkomen van onderbrekingen van het verloop van de schuldsaneringsregeling naar aanleiding van punten van ondergeschikt belang. De rechter-commissaris kan echter wel opnieuw worden verzocht om het vtlb te verhogen. Ook de beslissing daarop is een beschikking zoals bedoeld in art. 295 lid 3 Fw, waartegen geen hoger beroep openstaat.
Een wettelijk rechtsmiddelenverbod geldt volgens vaste rechtspraak niet als zich een zogeheten doorbrekingsgrond voordoet. Als gezegd heeft de beschermingsbewindvoerder in dit geval op dergelijke gronden een beroep gedaan om te betogen dat hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep, en heeft de rechtbank die gronden niet aanwezig geacht. De vraag kan allereerst zijn of van die beslissing van de rechtbank cassatieberoep openstaat.
Art. 360 Fw bepaalt dat tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van Titel III van de Faillissementswet gegeven, geen hogere voorziening openstaat, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet. Deze bepaling brengt mee dat tegen de beschikking van de rechtbank in deze zaak in beginsel geen cassatieberoep openstaat, nu de Faillissementswet daarin niet uitdrukkelijk voorziet. Dat is uiteraard weer anders als zich een doorbrekingsgrond voordoet met betrekking tot deze uitsluiting van een rechtsmiddel.
In weerwil van art. 360 Fw staat echter óók cassatieberoep open als in cassatie wordt geklaagd dat de appelrechter ten onrechte de aan- of afwezigheid van een doorbrekingsgrond heeft aangenomen. In dat geval berust de beslissing immers evenmin op een van de bepalingen van Titel III Faillissementswet waarvoor het rechtsmiddelverbod is bedoeld, terwijl met die mogelijkheid bovendien recht wordt gedaan aan het wezenlijke belang dat is gemoeid met de uitzondering op het rechtsmiddelverbod in het geval dat zich een doorbrekingsgrond voordoet (zeer kort gezegd: dat er sprake is van een schending van art. 6 lid 1 EVRM dan wel van een overschrijding of ontkenning door de rechter van de bevoegdheid om een bepaalde voorziening of beslissing te geven). In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt die mogelijkheid dan ook zonder meer aangenomen. De huidige literatuur luidt ook in deze zin.
Nu de beschermingsbewindvoerder de verwerping van de door hem gestelde doorbrekingsgronden in zijn cassatieberoep aan de orde stelt, is hij dus naar ik meen in zoverre ontvankelijk in dat beroep.
Cassatieberoep is niet-ontvankelijk vanwege overschrijding termijn
De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op een doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. In dat geval is daarom in beginsel de algemene termijn voor het instellen van het rechtsmiddel van toepassing, in dit geval dus de termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv. In een beschikking van 12 november 2021 – die nadien is herhaald in een beschikking van 19 januari 2024 – heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel waarmee de doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak is, ongeacht of het gaat om hoger beroep of cassatie. Er is geen grond om voor een zeer nauw verwant geval als het onderhavige – waarin niettegenstaande art. 360 Fw cassatieberoep openstaat om de juist hiervoor in 3.6 genoemde reden en dat zonder meer gelijk valt te stellen met het geval waarin rechtstreeks een beroep op een doorbrekingsgrond wordt gedaan – van een andere termijn uit te gaan. Ook in dit geval geldt dus de termijn van acht dagen.
Zoals hiervoor vermeld, heeft de rechtbank in deze zaak op 19 november 2025 haar beschikking gegeven. De termijn van acht dagen na de dag van die uitspraak eindigde dus op 27 november 2025. Dit was geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet, zodat de termijn niet is verlengd. De procesinleiding in cassatie is als gezegd op (vrijdag) 28 november 2025 bij de Hoge Raad ingediend. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld en daarom niet-ontvankelijk.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
Volledigheidshalve bespreek ik nog kort het middel, dat vier onderdelen telt. Als gezegd geldt volgens vaste rechtspraak een wettelijk rechtsmiddelenverbod niet als zich een zogeheten doorbrekingsgrond voordoet. De doorbrekingsgronden zijn dat de rechter de betrokken bepaling ten onrechte heeft toegepast of juist buiten toepassing heeft gelaten dan wel een zo fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden bij de totstandkoming van zijn uitspraak, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Bij deze gronden gaat het om fundamentele gebreken die een uitzondering op een rechtsmiddelenverbod rechtvaardigen. De eerste twee gronden zien op het geval dat de rechter ten onrechte zegt dat de betrokken bevoegdheid (dus de bevoegdheid die de betrokken bepaling hem geeft) niet op het voorgelegde geval van toepassing is, en op het geval dat hij de betrokken bevoegdheid op het voorgelegde geval heeft toegepast, terwijl het daarop juist niet van toepassing is. In die gevallen zou het verbod worden toegepast in een situatie waarvoor het niet is bedoeld en zou de uitspraak van de rechter ten onrechte aan de mogelijkheid van een rechtsmiddel worden onttrokken. Bij de derde grond valt vooral te denken aan schending van het beginsel van hoor en wederhoor en het partijdig zijn van de rechter, blijkens de rechtspraak.
De rechtbank heeft als gezegd geen van de door de beschermingsbewindvoerder gestelde doorbrekingsgronden aanwezig geacht. Daarmee heeft zij geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ik loop haar in cassatie aan de orde gestelde oordelen en de klachten daartegen na.
In rov. 4.4 heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de rechter-commissaris in zijn beschikking niet buiten het toepassingsbereik van art. 295 lid 3 Fw is getreden. De bevoegdheid van de rechter-commissaris uit hoofde van art. 295 lid 3 Fw is een discretionaire bevoegdheid. Die bepaling kan steeds wel en niet door hem worden toegepast op het inkomen van de schuldenaar tijdens de wettelijke schuldsanering, naar gelang hem passend voorkomend. Om een dergelijke beslissing gaat het buiten twijfel in dit geval. Deze bevindt zich dus binnen het toepassingsbereik van art. 295 lid 3 Fw.
Onderdeel 1 van het middel betoogt dat de rechter-commissaris de bevoegdheid van art. 295 lid 3 Fw in dit geval op de door de beschermingsbewindvoerder gewenste wijze had moeten gebruiken, omdat de schuldenaar anders onder het bestaansminimum moet leven, dan wel sprake zou zijn van een niet te rechtvaardigen rechtsongelijkheid tussen personen in de schuldsaneringsregeling met een laag inkomen (die bijzondere bijstand voor hun beschermingsbewindkosten kunnen krijgen), en mensen in de schuldsaneringsregeling met een hoog inkomen, zoals de schuldenaar in deze zaak (die geen bijzondere bijstand voor hun beschermingsbewindkosten krijgen en die kosten zelf moeten dragen).
Deze klacht faalt omdat zij uitsluitend ziet op het gebruik van de bevoegdheid van art. 295 lid 3 Fw en dus niet op het treden buiten het toepassingsbereik van die bepaling. Vaste rechtspraak is dat een onjuiste toepassing van de aan de orde zijnde bepaling geen grond voor doorbreking oplevert. Overigens valt niet in te zien dat de schuldenaar in dit geval onder het bestaansminimum zou moeten leven door de beslissing van de rechter-commissaris of dat daardoor sprake zou zijn van een niet te rechtvaardigen rechtsongelijkheid.
In rov. 4.6 heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat het niet-stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad door de rechter-commissaris evenmin grond voor doorbreking oplevert. Volgens onderdeel 3 zou de rechter-commissaris tot het stellen van die vraag verplicht zijn geweest, waarvoor het onderdeel verwijst naar de rechtspraak van het Hof van Justitie over de verplichting om prejudiciële vragen te stellen voor de rechter die in hoogste instantie in een lidstaat uitspraak moet doen. Dit onderdeel faalt reeds omdat het schenden van een eventueel op dit punt bestaande verplichting niet valt onder te brengen bij een van de gronden waarop doorbreking van een rechtsmiddelenverbod mogelijk is. Bovendien is het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad geen verplichting van de lagere rechter, maar uitsluitend een bevoegdheid, in het gebruik waarvan hij vrij is.
Evenzeer terecht heeft de rechtbank in rov. 4.9 geoordeeld dat het niet meer horen van de WSNP-bewindvoerder door de rechter-commissaris voor de beschikking van 11 augustus 2025 evenmin tot doorbreking van het appelverbod leidt. Het horen van de WSNP-bewindvoerder door de rechter-commissaris op een verzoek ex art. 295 lid 3 Fw wordt niet door de wet voorgeschreven, anders dan bijvoorbeeld bij een verzoek ex art. 317 lid 1 Fw (in welk geval art. 317 lid 2 Fw dat voorschrijft). De rechtbank stelt bovendien vast dat de rechter-commissaris bij de hiervoor in 2.1 onder (iv) genoemde beschikking van 24 juli 2025, waarbij hij tweeëneenhalve week vóór zijn beschikking van 11 augustus 2025 op hetzelfde verzoek van de beschermingsbewindvoerder eveneens afwijzend heeft beslist, de WSNP-bewindvoerder al heeft gehoord. Hiernaast geldt dat niet valt in te zien dat de beschermingsbewindvoerder een beroep toekomt op het niet gehoord zijn van de WSNP-bewindvoerder. Alleen degene die zelf niet is gehoord, kan daartegen immers opkomen. Dat geldt zeker in het geval van het maken van een uitzondering op een rechtsmiddelenverbod, welke uitzondering naar haar aard beperkt moet blijven tot gevallen dat die uitzondering daadwerkelijk gerechtvaardigd en vanuit een oogpunt van een behoorlijke rechtsbescherming noodzakelijk is.
Onderdeel 2, dat tegen dit oordeel van de rechtbank is gericht, is daarom ongegrond. Overigens doet dit onderdeel het ten onrechte voorkomen dat aan het herhaalde verzoek dat tot de beschikking van 11 augustus 2025 heeft geleid, nieuwe stellingen ten grondslag waren gelegd. Lezing van de verzoeken die tot beide beschikkingen hebben geleid, leert dat daartussen geen noemenswaardige verschillen bestaan. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is dat ook het oordeel van de rechtbank in rov. 4.9.
Het middel bevat in onderdeel 4 nog de klacht dat de rechtbank zelf prejudiciële vragen aan de Hoge Raad had moeten stellen over de uitleg van art. 295 lid 3 Fw. Dit onderdeel faalt reeds omdat volgens art. 392 lid 1 Rv alleen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kunnen worden gesteld als dat nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en het oordeel van de rechtbank erop neerkomt dat dit laatste niet het geval is. Hiernaast ziet ook dit onderdeel eraan voorbij dat het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad niet verplicht is.
5. Conclusie
Deze strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G