PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00198
Zitting 6 maart 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
1. Mercedes-Benz Group AG
2. Mercedes-Benz Nederland B.V.
3. ASV Automobielbedrijven B.V.
4. [eiseres 4] B.V.
5. Van Mossel MB B.V., mede als (indirect) rechtsopvolgster onder algemene titel van [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V.
6. [eiseres 6] B.V.
7. Louwman MB G B.V.
8. Louwman MB R B.V.
9. [eiseres 9] B.V.
10. [eiseres 10] B.V.
11. [eiseres 11] B.V.
12. Louwman MB B.V.
13. AGAM B.V., als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van Mercedes-Benz Dealer Bedrijven B.V.
14. Smeets M.B. Eindhoven B.V.
15. Smeets M.B. Venlo B.V.
16. Smeets M.B. Zuid-Limburg B.V.
17. Hedin Automotive 1M B.V., als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van Stern 1M B.V.
18. Wensink Automotive B.V.
eiseressen tot cassatie,
advocaat: W.H. van Hemel,
tegen
Stichting Emission Claim,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Feiten en procesverloop
3. Inzet cassatiemiddel; hoofdlijnen regeling WAMCA en art. 3:305a (oud) BW
Collectieve actie o.g.v. de WAMCA en art. 3:305a (oud) BW (3.2-3.4)
Evaluatie WAMCA (3.5)
4. Bespreking onderdeel 1: internationale bevoegdheid Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen Mercedes
Bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.3-4.5)
Arrest in de zaak Apple (4.6-4.7)
Standpunt Mercedes over bevoegdheid o.g.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.8)
Slotsom t.a.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (4.9)
Bespreking klachten onderdeel 1 (4.10)
Bespreking subonderdelen 1.1-1.3 (4.11-4.20)
Bespreking subonderdeel 1.4 (4.21-4.22)
Geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties in Brussel I-bis (4.23)
Hof van Justitie EU rechtspraak, algemeen (4.24-4.25)
Arrest in zaak Apple (4.26)
Toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie (4.27-4.32)
Concentratie bij één gerecht op grond van het nationaal procesrecht? (4.33-4.37)
Bespreking subonderdelen 1.5-1.7 (4.38-4.43)
5. Onderdeel 2: toepasselijk collectieve actieregime
Het belang van het overgangsrecht (5.2)
Algemene uitgangspunten van overgangsrecht (5.3-5.4)
Totstandkoming WAMCA overgangsrecht (5.5-5.8)
Amendement van het lid Van Gent c.s. (5.9-5.13)
Wijziging overgangsrecht naar aanleiding van Richtlijn (EU) 2020/1828 (5.14-5.16)
Betekenis van het overgangsrecht bij de WAMCA, inleiding (5.17)
Betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ (5.18-5.22)
Lagere rechtspraak en literatuur (5.23)
Betwisting gedaagde relevant? (5.24-5.26)
Een of meerdere gebeurtenissen (5.27-5.28)
Gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als op en na 15 november 2016 (5.29)
De tekst van art. 119a lid 2 ONBW en de toelichting van het Amendement duiden op een ‘knip’ in het toepasselijke collectieve actieregime (5.30-5.32)
Consequentie van de knip (5.33)
Uitzondering op knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’? (5.34)
HR 11 maart 2022 (SMMT/Warner) (5.35-5.36)
Toepassing van de uitzondering op de knip in lagere rechtspraak (5.37-5.40)
Aanvaardbaarheid van uitzondering op de knip in het licht van de doelstellingen van het Amendement (5.41-5.43)
Belgisch recht (5.44-5.46)
Engels recht (5.47-5.48)
Afronding van de beschouwingen over het overgangsrecht; slotsom (5.49-5.50)
Toepasselijk collectieve actieregime bij subjectieve cumulatie (5.51-5.52)
Bespreking van het oordeel van het hof over het overgangsrecht (5.53-5.55)
Bespreking onderdeel 2; toepassing overgangsrecht (5.56-5.74)
Slotsom m.b.t. onderdeel 2 (5.75)
6. Bespreking onderdeel 3; SEC niet-ontvankelijk vanwege ontbreken tijdig verlengingsverzoek dagvaardingstermijn
Gevolg slagen onderdeel 3 (6.3)
7. Bespreking onderdeel 4; belang van SEC bij haar collectieve actie
8. Onderdeel 6; relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen de Importeur en de Partners
Geen hogere voorziening toegelaten (8.2)
Onderdeel 6 toch behandelen? (8.3)
Art. 107 Rv, vereiste van samenhang (8.4-8.5)
Vereiste van samenhang in het internationale bevoegdheidsrecht (8.6-8.7)
Collectieve actie en relatieve bevoegdheid (8.8-8.9)
Forumkeuze voor een relatief bevoegd forum (8.10)
Bespreking van de klachten van onderdeel 6 (8.11-8.13)
9. Afsluiting; terugwijzen door de appelrechter in WAMCA-zaken
Slotsom beroep (9.1)
Terugwijzen van de zaak door het hof naar de rechtbank (9.2-9.3)
Terugwijzen in WAMCA-zaken (9.4-9.11)
10. Conclusie
*****
Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds Mercedes (eiseres tot cassatie onder 1), de Importeur (eiseres tot cassatie onder 2) en de Partners (eiseressen tot cassatie onder 3-18), gezamenlijk Mercedes c.s., en anderzijds SEC.
1. Inleiding
In deze zaak stelt de belangenorganisatie SEC collectieve vorderingen in tegen Mercedes c.s. De vorderingen hebben betrekking op door Mercedes geproduceerde voertuigen met dieselmotoren, die door de Importeur in Nederland zijn geïmporteerd en die personen die behoren tot de achterban van SEC, hebben gekocht of geleased van de Partners. SEC heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat deze voertuigen zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, waardoor deze voertuigen, anders dan opgegeven door Mercedes c.s., in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen Euro 5 en Euro 6.
SEC heeft gemeend dat de WAMCA op haar vorderingen van toepassing is. Zij heeft beoogd om met haar inleidende dagvaarding aan te sluiten bij een reeds op grond van de WAMCA ingestelde collectieve actie van een andere stichting, Stichting Diesel Emissions Justice (SDEJ), met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen). Zij heeft zich overeenkomstig de WAMCA in de door die andere stichting begonnen procedure gemeld. De rechtbank heeft voor die procedure een procesorde vastgesteld, op grond waarvan in de eerste fase aan de orde zouden komen: (i) de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, (ii) de toepasselijkheid van de WAMCA of art. 3:305a (oud) BW op elk van de vorderingen en (iii) de positie van SEC volgens de WAMCA. De rechtbank heeft hierna in haar vonnis met betrekking tot deze fase SEC niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Over de onderwerpen (i) en (ii) heeft de rechtbank ten opzichte van SEC geen oordeel gegeven.
SEC is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Het hof heeft op twee verschillende gronden geoordeeld dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof heeft zich mede uitgelaten over de hiervoor genoemde onderwerpen (i) en (ii). Het heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis internationaal bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen en dat de rechtbank Amsterdam ook relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen, wat betreft de vorderingen tegen Mercedes op grond van opnieuw art. 8 lid 1 Brussel I-bis en wat betreft de vorderingen tegen de Importeur en de Partners op grond van art. 107 Rv. Verder heeft het hof geoordeeld dat de vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op voertuigen waarvoor de Euro 5 emissienorm geldt, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, en voor zover deze betrekking hebben op voertuigen waarvoor de Euro 6 emissienorm geldt, door de WAMCA. In cassatie komen Mercedes c.s. tegen al deze beslissingen en oordelen op.
In deze zaak spelen deels dezelfde vragen als in de bij de Hoge Raad aanhangige zaak 24/04589 tussen SDEJ en Stellantis c.s. Ook in die zaak is sprake van een collectieve actie met betrekking tot dieselvoertuigen die volgens de ingestelde vordering zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument, waardoor zij, anders dan bij verkoop of bij leasing opgegeven, in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen. Ook in die zaak spelen de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van de WAMCA dan wel art. 3:305a (oud) BW op vorderingen die betrekking hebben op gebeurtenissen die dateren van vóór de invoering van de WAMCA. In beide zaken wordt vanwege deze samenhang (vandaag) gelijktijdig geconcludeerd door het parket.
Voorts zij opgemerkt dat op dit moment ook andere zaken bij de Hoge Raad lopen waarin vragen van uitleg van art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA aan de orde zijn. Het betreft de zaken 24/03432, 24/03443, 24/03448, 24/03449 en 24/03452 (LIBOR rentebenchmark), waarin ook de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter speelt, met betrekking tot een collectieve actie volgens art. 3:305a (oud) BW, en waarin A-G Ibili op 23 januari 2026 heeft geconcludeerd en de zaken 24/04650 en 24/04656 (AVG), waarin A-G de Bock op 30 januari 2026 heeft geconcludeerd. In een aantal van deze zaken speelt de vraag of het hof bij de vernietiging van een niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg de zaak kan terugwijzen naar de rechtbank, zoals het hof ook in de onderhavige zaak heeft gedaan (zie de conclusies in zaak 24/03432, onder 3.44 e.v., en in zaken 24/04650 en 24/04656, onder 13.1 e.v.).
2. Feiten en procesverloop
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) SEC is op 11 december 2020 opgericht. Art. 2 van haar statuten luidt – voor zover van belang – als volgt:
"De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die een of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
(a) het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van een of meer manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden;
(b) het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland (...), zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval;
(c) het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims;
(d) het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;
(e) het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden (...) in juridische procedures binnen Nederland (...) zoals civiele (...) procedures, al naar gelang het geval;
(f) al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
In de statuten wordt verstaan onder:
Gedupeerden: “(rechts)personen die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased”;
Gemanipuleerd Voertuig: “een voertuig uitgerust met of voorzien van een Manipulatie-instrument of software of technologie die is geïnstalleerd om – als zodanig te werken”;
Manipulatie-instrument: “een op grond van art. 5 lid 2 van EU Verordening (EG) nummer 715/2007 verboden constructieonderdeel van een motorvoertuig dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn”;
Claims: “een of meer klachten, eisen, stellingen en/of (rechts)vorderingen van de Gedupeerden en/of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens de Motorvoertuigfabrikanten of andere Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van de manipulatie van de uitstoot van Gemanipuleerde Voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door Motorvoertuigfabrikanten, Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot de werkelijke niveaus van de uitstoot, inclusief maar niet beperkt tot vorderingen of stellingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen.”
(ii) Mercedes produceert onder meer voertuigen met dieselmotoren. De Importeur importeert onder meer deze voertuigen in Nederland. De Partners zijn onder te verdelen in ‘dealers’ en ‘servicepartners’. De dealers verkopen nieuwe Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud aan deze voertuigen uit. De servicepartners verkopen geen nieuwe Mercedesvoertuigen. Zij handelen onder meer in gebruikte Mercedesvoertuigen en voeren onderhoud uit.
(iii) Op 30 juli 2020 heeft SDEJ een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s. waarin zij de belangen behartigt van (onder meer) personen die binnen Nederland in de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2019 een Mercedesdieselvoertuig met een Euro 5 of 6 goedkeuring hebben gekocht of hebben geleased. Deze dagvaarding is op 31 juli 2020 aangetekend in het WAMCA-register.
(iv) Op verzoek van Stichting Car Claim (hierna: SCC), die wenste aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie, is de dagvaardingstermijn voor collectieve acties met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) als de SDEJ-collectieve actie bij rolbeslissing van 30 september 2020 verlengd tot 31 december 2021. SCC heeft binnen deze termijn een dagvaarding uitgebracht in een collectieve actie tegen Mercedes c.s.
(v) SEC beoogde eveneens met haar inleidende dagvaarding, die is uitgebracht binnen de verlengde termijn en is aangetekend in het WAMCA-register, aan te sluiten bij de SDEJ-collectieve actie.
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 30 december 2020 heeft SEC Mercedes c.s. gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd, voor zover van belang, dat voor recht zal worden verklaard dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door gedupeerden geleden schade en gehouden zijn die schade te vergoeden en dat Mercedes en de Importeur hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade, nader op te maken bij staat, en dat voor recht zal worden verklaard dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van art. 7:17 e.v. BW en dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn.
De vorderingen van SEC hebben betrekking op door Mercedes geproduceerde voertuigen met dieselmotoren die zijn goedgekeurd op basis van de Euro 5 en Euro 6 emissienormen, die door de Importeur in Nederland zijn geïmporteerd en op dergelijke voertuigen die door de Partners zijn verkocht. SEC heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de voertuigen zijn voorzien van een verboden manipulatie-instrument, waardoor de voertuigen, anders dan opgegeven door Mercedes c.s., in werkelijkheid niet voldeden aan de toepasselijke emissienormen (Euro 5 en Euro 6). De gedupeerden waarvoor SEC opkomt, zijn alle (eerste en opvolgende) kopers of lessees van voertuigen die zijn voorzien van het instrument de Bosch EDC17 en die in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 in Nederland zijn geïmporteerd, geregistreerd (bij de RDW) of verkocht of geleased, steeds met uitzondering van Mercedes c.s. SEC onderscheidt de gedupeerden in ‘groep A’, voor wie zij schadevergoeding vordert, en ‘groep B’, voor wie zij ontbinding van de koopovereenkomst vordert.
Bij rolbeslissing van 21 april 2021 heeft de rechtbank een procesorde voor de procedure vastgesteld. Deze procesorde houdt in, kort gezegd, dat de procedure uit drie fasen zal bestaan. De eerste fase heeft betrekking op de volgende onderwerpen: de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, de toepasselijkheid van de WAMCA of art. 3:305a (oud) BW op elk van de vorderingen en de positie van SEC volgens de WAMCA.
Bij vonnis van 22 juni 2022 heeft de rechtbank SEC niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank moet de positie van SEC worden beoordeeld aan de hand van de procesrechtelijke regels van de WAMCA, omdat de keuze van partijen – die daaruit blijkt dat SDEJ een dagvaarding heeft uitgebracht op de voet van art. 1018c Rv en SCC en SEC haar daarin zijn gevolgd – in beginsel het voor de ingang van de procedure geldende regime bepaalt. Omdat SEC haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van art. 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van art. 1018d lid 2 Rv, moet zij niet-ontvankelijk worden verklaard, aldus de rechtbank (rov. 6.3-6.8).
Voor het overige, en dus uitsluitend ten aanzien van SDEJ en SCC, heeft de rechtbank in het vonnis geoordeeld dat zij internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SDEJ en SCC kennis te nemen, met uitzondering van de tegen Mercedes gerichte vorderingen die strekken tot bescherming van de belangen van (rechts)personen die niet bij een van de in Nederland gevestigde Partners een voertuig hebben gekocht of via lease onder zich hebben gekregen, maar bij een autodealer elders in de Europese Unie (rov. 6.10-6.23), en dat op grond van het toepasselijke overgangsrecht het oude recht van art. 3:305a (oud) BW van toepassing is op de vorderingen van SDEJ en SCC (rov. 6.24-6.33).
SEC heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank bij het hof Amsterdam. In hoger beroep heeft SEC haar eis vermeerderd en, voor zover van belang, mede gevorderd dat, voor zover de WAMCA niet van toepassing is, voor recht wordt verklaard dat Mercedes en de Importeur onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gedupeerden en schadeplichtig zijn, en dat de door de Partners verkochte dieselvoertuigen non-conform zijn in de zin van art. 7:17 e.v. BW en dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en een deel van de gedupeerden als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. In hoger beroep heeft SEC betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om (allereerst) te beoordelen of zij rechtsmacht heeft en (vervolgens) of de WAMCA van toepassing is, ten onrechte heeft geoordeeld dat SEC geen gebruik mocht maken van de op verzoek van SCC verlengde dagvaardingstermijn, en, als de WAMCA niet van toepassing zou zijn – zoals de rechtbank heeft geoordeeld ten aanzien van de collectieve acties van SDEJ en SCC – SEC in staat had moeten stellen om haar collectieve actie op de voet van art. 3:305a (oud) BW te vervolgen.
Mercedes en de Importeur hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en betoogd dat de rechtbank zich ten onrechte (impliciet) bevoegd heeft geacht om te oordelen over de collectieve actie van SEC.
Bij arrest van 13 augustus 2024 heeft het hof een regiezitting gelast. In dit arrest heeft het hof geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven.
Het hof heeft allereerst in het arrest geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Het heeft daarover overwogen:
“Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen Mercedes
De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. De rechtsmacht dient vast te staan alvorens toegekomen kan worden aan de verdere (inhoudelijke) beoordeling van de collectieve actie. Het hof moet dus (ook) ambtshalve beoordelen of de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Dat moet in deze zaak gebeuren aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1, Verordening Brussel I-bis).
De bepalingen van deze verordening moeten autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen ervan waarbij als uitgangspunt geldt dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn. Het hof zoekt aansluiting bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over deze verordening en haar voorlopers: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) en het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59) (EEX-Verdrag) in die gevallen waarin de toe te passen bepalingen van de verordening aan die van haar voorlopers gelijkluidend zijn. Het hof zal niet alleen acht slaan op de stellingen van SEC, maar ook op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van Mercedes c.s. en de Partners (zie HR 23 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.4). Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten (zie HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 44-45).
Het tijdstip waarop de procedure in eerste aanleg aanhangig is gemaakt, dus het tijdstip waarop de inleidende dagvaarding is betekend, is in het algemeen beslissend voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Voorts moet de voor art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis vereiste samenhang bestaan op het tijdstip dat de vorderingen worden ingediend (zie onder meer HvJEU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 28). Het tijdens de procedure in hoger beroep uitgesproken faillissement van [D] heeft dan ook geen gevolg voor beoordeling van de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de vorderingen van SEC.
Verordening Brussel I-bis kent geen specifieke bevoegdheidsgrondslag of toepassingen van de (bijzondere) bevoegdheidsregels met betrekking tot collectieve acties. Partijen nemen terecht tot uitgangspunt dat de artt. 7 lid 2 en 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis de enige mogelijke bevoegdheidsgrondslagen zijn voor de vorderingen tegen Mercedes.
Artikel 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis
Art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis bepaalt ter vermijding van onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting dat de verweerder, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner kan worden opgeroepen op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Deze bevoegdheidsregel strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (art. 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen (zie onder meer HvJEU 20 april 2016, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 63). Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil; daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens (zie onder meer arrest Profit Investments, punt 65).
Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de door dit hof op 19 september 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) gestelde prejudiciële vragen over de uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Onder meer is gevraagd of deze bepaling rechtstreeks, met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv, zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en of bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Bij deze stand van zaken, waarin de vragen nog niet zijn beantwoord, gaat het hof met betrekking tot de onderwerpen waarover de vragen gaan uit van de meest beperkte uitleg van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het hof neemt tot uitgangspunt dat deze bepaling met terzijdestelling van de artt. 99 tot en met 110 Rv rechtstreeks zowel het internationaal als het relatief bevoegde gerecht aanwijst en dat bij toepassing van deze bepaling slechts één verweerder kan fungeren als ankergedaagde. Het hof ziet geen aanleiding om nadere prejudiciële vragen te stellen over art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis.
[eiseres 4] en [D] zijn voor de toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis de enige mogelijke ankergedaagden omdat zij hun hoofdvestiging in het arrondissement hebben en [D] daar is gevestigd (zie art. 63 Verordening Brussel I-bis). Mercedes stelt onweersproken dat zij alleen gebruikte Voertuigen kunnen hebben verkocht omdat zij servicepartners zijn. De onder 4 (in de nummering van de vorderingen door SEC) gevorderde verklaring voor recht ziet echter ook op gebruikte Voertuigen en kan dus fungeren als ankervordering.
Voor zover de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis – dit hof heeft daar een vraag over gesteld aan het HvJEU (zie ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) – en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, is daarin in het onderhavige geval gelet op de door SEC gegeven onderbouwing van haar vorderingen geen beletsel gelegen voor het aannemen van rechtsmacht. Bovendien hebben ook volgens Mercedes zowel [eiseres 4] als [D] (enkele) Voertuigen verkocht die mogelijk binnen de reikwijdte van de ankervordering vallen.
Voor rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis is vereist dat de vorderingen tegen Mercedes een ‘nauwe band’ in de zin van deze bepaling hebben met de ankervordering. Zowel met [eiseres 4] als met [D] als ankergedaagde, bestaat tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervordering een zodanige verhouding waardoor bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen een gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Het aan het adres van Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de Voertuigen is niet gericht tegen de ankergedaagde, maar de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat (mede) met de gegrondheid van dit verwijt. Dat wordt niet anders door de door Mercedes genoemde verschillen in onder meer de verwijten, juridische grondslag en regimes en de niet ter discussie staande onbekendheid bij de ankergedaagde met de gestelde manipulatie door Mercedes. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde moeten voorts gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord worden, bijvoorbeeld de vraag naar het (nog steeds) niet voldoen aan de emissievoorschriften van de Voertuigen, de effecten daarvan en de vraag of die effecten adequaat zijn verholpen.
De nauwe band tussen de vorderingen op de ankergedaagde en de vorderingen op Mercedes is niet beperkt tot dat deel van de collectieve actie dat ziet op de koop van een gebruikt Voertuig bij de ankergedaagde. Er zijn voor de ankergedaagde en Mercedes gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen die niets van doen hebben met de Voertuigen die de ankergedaagde heeft verkocht. Hieruit volgt dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven. Voor Mercedes was het voorts voorzienbaar dat zij zou kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder die in Amsterdam. Zij moest er immers rekening mee houden dat zij zou kunnen worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door haar geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht. Zij mocht in de gegeven omstandigheden niet ervan uit gaan dat zij binnen een lidstaat alleen kon worden gedaagd voor een vordering van, namens of ten behoeve van een koper of kopers in het desbetreffende arrondissement.
De slotsom luidt dat de rechtbank Amsterdam met toepassing van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis rechtsmacht heeft zowel in het geval [eiseres 4] de ankergedaagde is als wanneer [D] dat is. Onbesproken kan blijven of de rechtbank Amsterdam eveneens bevoegd is op grond van art. 7 lid 2 Verordening Brussel I-bis.”
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam ook relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners die niet in het arrondissement van de rechtbank Amsterdam zijn gevestigd of daar een filiaal hebben:
“De Importeur en de Partners
De herstelfunctie van het hoger beroep brengt mee dat de door de Importeur en de Partners bestreden relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam alsnog dient te worden beoordeeld aan de hand van artt. 99 tot en met 110 Rv.
De Importeur en de Partners menen dat de rechtbank Amsterdam uitsluitend relatief bevoegd is ten aanzien van vorderingen tegen Partners die hun statutaire zetel hebben in het arrondissement Amsterdam, of (bij een statutaire zetel elders) indien Partners een filiaal hebben in Amsterdam en het aangelegenheden betreft die zien op dit filiaal. Dit betoog gaat niet op.
[D] , [eiseres 4] , [eiseres 11] en Stern 1M zijn gevestigd in het arrondissement Amsterdam of hebben daar een filiaal. Ook als in aanmerking wordt genomen dat [D] en [eiseres 4] servicepartners zijn en dus geen nieuwe voertuigen verkopen – hetgeen SEC niet (gemotiveerd) betwist – bestaat tussen de vorderingen tegen deze vier Partners (voor zover nodig ieder voor zich) en die tegen de Importeur en de andere Partners een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Deze vorderingen vloeien allemaal voort uit de aankoop bij een Partner van een gesteld nonconform Voertuig, dat is geïmporteerd door de Importeur. De eventuele verschillen in feitelijke en juridische grondslagen van de vorderingen tegen de Partners en/of de Importeur nemen niet weg dat bij beoordeling van de toewijsbaarheid van deze vorderingen in belangrijke mate dezelfde of met elkaar samenhangende feitelijke en juridische vragen zullen moeten worden beantwoord. De rechtbank Amsterdam is dan ook op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de Importeur en de Partners die niet gevestigd zijn in Amsterdam of daar geen filiaal hebben.
MBDB en Smeets beroepen zich op de forumkeuzes die zij met hun klanten zijn overeengekomen voor de rechtbanken Den Haag respectievelijk Limburg. Deze forumkeuzes kunnen niet worden tegengeworpen aan SEC, die in deze procedure een eigen vorderingsrecht uitoefent en geen partij is bij de koopovereenkomsten waarop deze forumkeuzes van toepassing zijn.
Daarnaast moest SEC haar vorderingen waarmee zij beoogde aan te haken bij de SDEJ-collectieve actie, voor zover de WAMCA daarop van toepassing is op grond van art. 1018d lid 2 Rv instellen bij de rechtbank Amsterdam. Uit deze bepaling vloeit voort dat de keuze voor de rechtbank waar de collectieve actie wordt behandeld wordt overgelaten aan de eerste rechtspersoon die een collectieve vordering aanhangig maakt. In het zich hier niet voordoende geval dat de eerste collectieve vordering is ingesteld bij een niet relatief bevoegde rechtbank, kunnen de belangenbehartigers die ook een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen wijzen op de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank en vragen om verwijzing. Zie Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 7, p. 6, waar wordt opgemerkt dat het belangrijkste is dat alle collectieve vorderingen voor de dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen eerst als één zaak worden aangemerkt en na eventuele verwijzing naar de wel relatief bevoegde rechter verder ook als één zaak worden behandeld.”
Het hof heeft verder geoordeeld dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, worden beheerst door het oude recht van art. 3:305a (oud) BW, en voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, door de WAMCA:
“Toepasselijk collectieveactieregime
Met de invoering van de WAMCA is art. 3:305a BW, dat het instellen van collectieve vorderingen regelt, gewijzigd en zijn nieuwe processuele bepalingen voor dergelijke vorderingen toegevoegd in titel 14A Rv. Het relevante overgangsrecht voor art. 3:305a BW is neergelegd in art. 119a lid 2 Overgangswet NBW (ONBW). Deze bepaling bevat een uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking (art. 68a ONBW) die inhoudt dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor na 1 januari 2020 ingestelde collectieve vorderingen “voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.” Het overgangsrecht dat geldt voor de met de WAMCA ingevoerde titel 14A Rv houdt in dat deze titel van toepassing is op gedingen die op of na 1 januari 2020 aanhangig zijn gemaakt en betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016 (art. III onder 2 WAMCA).
De met de WAMCA doorgevoerde wijzigingen in het BW en het Rv zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelet hierop en omdat het WAMCA-overgangsrecht uitzondering maakt op het uitgangspunt van onmiddellijke werking van wijzigingen van het BW en het Rv, is de WAMCA niet van toepassing op collectieve vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (vlg. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4). Dit strookt met de met het WAMCA-overgangsrecht nagestreefde rechtszekerheid en het voorkomen van procedures over dezelfde gebeurtenis(sen) onder verschillende collectieve actie regimes.
Voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 heeft of hebben plaatsgevonden dient acht geslagen te worden op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden. Bewijs is dus niet aan de orde, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen is voldoende (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4).
De gemene deler van de collectieve vorderingen van SEC is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (een vermeend manipulatie-instrument) waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de toepasselijke emissievoorschriften. Het hof merkt daarom het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument aan als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien. Het hof onderschrijft dus niet de door de rechtbank bepaalde ‘gebeurtenis’, te weten het ontwikkelen van de emissiebeheersingssoftware. De door SEC voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van de betreffende software, betreffen het voortduren of het niet wegnemen van de gestelde schade die het gevolg is van het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die niet aan de emissievoorschriften voldoen. Het (ook) aanmerken daarvan als de voor toepassing van het overgangsrecht relevante gebeurtenis(sen) zou leiden tot strijd met de met het overgangsrecht beoogde rechtszekerheid.
Bij toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SEC dient onderscheid te worden gemaakt tussen Voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk Euro 6 emissienormen gelden. De Euro 5 norm gold tot september 2015, daarna gold de Euro 6 norm. Gezien de partijdiscussie is er geen aanwijzing dat op of na 15 november 2016 Euro 5 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen van SEC met betrekking tot de Euro 5 Voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden en worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. De keuze van SEC om in één procedure collectieve vorderingen in te stellen met betrekking tot Voertuigen die in een lange periode zijn geproduceerd waarin verschillende emissievoorschriften (Euro 5/Euro 6) gelden, kan niet ertoe leiden dat collectieve vorderingen met betrekking tot Voertuigen die op en na 15 november 2016 niet langer werden geproduceerd onder het WAMCA-regime worden gebracht. Dat strookt niet de door de wetgever met art. 119a ONBW beoogde rechtszekerheid.
De partijdiscussie biedt voldoende aanwijzingen dat de Euro 6 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien (ook) op en na 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016. De WAMCA is daarop van toepassing. Dit strookt met het uitgangspunt van de WAMCA dat alle vorderingen met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) geconcentreerd worden in één collectieveactieprocedure, de bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat tegelijkertijd verschillende regimes van toepassing zijn op collectieve acties over dezelfde gebeurtenis(sen) en de door de wetgever nagestreefde rechtszekerheid, die onder meer inhoudt dat (potentiële) gedaagden kunnen verwachten dat zij met betrekking tot gebeurtenissen die niet of niet uitsluitend voor 15 november 2016 hebben plaatsgehad kunnen worden geconfronteerd met een collectieve actie waarop de WAMCA van toepassing is.
De slotsom luidt dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 Voertuigen worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. Voor zover de vorderingen zien op Euro 6 Voertuigen worden zij beheerst door de WAMCA. Dit kan onmiskenbaar leiden tot processuele complicaties. Dit is echter de consequentie van het door SEC in één collectieveactieprocedure samenvoegen van vorderingen met betrekking tot van elkaar te onderscheiden gebeurtenissen die wel en niet (uitsluitend) voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden.”
Het hof heeft hierna op twee verschillende gronden geoordeeld dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vorderingen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. In de eerste plaats is deze bepaling volgens het hof niet toepasselijk voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 5 voertuigen, aangezien die worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, bij welke bepaling geen termijn geldt voor het instellen daarvan. Voor zover de collectieve vorderingen van SEC zien op Euro 6 voertuigen, en daarom naar het oordeel van het hof wel worden beheerst door de WAMCA, heeft de rechtbank volgens het hof SEC ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, omdat de verlengde dagvaardingstermijn ook geldt voor belangenorganisaties die zelf niet om verlenging hebben verzocht (rov. 4.20-4.24).
Tot slot heeft het hof overwogen dat het betoog van de Partners dat het hoger beroep van SEC reeds bij gebrek aan belang moet stranden omdat dit haar niet in een betere positie kan brengen, niet opgaat “gezien het voorgaande”, en dat het betoog van de Partners dat belang ontbreekt bij de collectieve actie van SEC omdat deze louter financieel gedreven is en geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de collectieve acties van SDEJ en SCC, waarmee de belangen van de achterban van SEC reeds worden gediend, als onvoldoende concreet gemotiveerd en onderbouwd wordt gepasseerd (rov. 4.25).
De regiezitting heeft het hof gelast om met partijen over het vervolg van de procedure te praten, onder meer wat betreft terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
Bij arrest van 22 oktober 2024 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd, de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere afdoening, en verlof verleend om (tussentijds) cassatieberoep in te stellen.
Bij herstelarrest van 26 november 2024 heeft het hof op de voet van art. 31 Rv een kennelijke verschrijving hersteld in rov. 4.17 eerste zin van het tussenarrest van 13 augustus 2024.
Mercedes c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het hof van 13 augustus 2024, 22 oktober 2024 en 26 november 2024. SEC is in cassatie niet verschenen. Mercedes c.s. hebben hun standpunt schriftelijk doen toelichten.
3. Inzet cassatiemiddel; hoofdlijnen regeling WAMCA en art. 3:305a (oud) BW
Het middel richt uitsluitend klachten tegen het arrest van 13 augustus 2024 (dat daarom hierna verder kort als ‘het arrest’ (van het hof) zal worden aangeduid). Het middel telt zes onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes. Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van het hof dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, worden beheerst door de WAMCA. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk in haar vorderingen heeft verklaard wegens het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.25, waarin het hof het beroep van de Partners op een gebrek aan belang bij het hoger beroep en de collectieve actie van SEC heeft verworpen. Onderdeel 5 bevat een voortbouwklacht tegen de proceskostenveroordeling in het arrest van 22 oktober 2024. Die klacht mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. Deze klacht komt daarom hierna niet meer ter sprake. Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners.
Collectieve actie o.g.v. de WAMCA en art. 3:305a (oud) BW
Alvorens de onderdelen te bespreken, schets ik eerst kort de mogelijkheid om een collectieve actie in te stellen ten behoeve van de gedupeerden van een bepaalde gebeurtenis of van bepaalde gebeurtenissen. Die mogelijkheid werd en wordt gegeven in art. 3:305a e.v. BW. Vóór 1 januari 2020 voorzag de regeling van de collectieve actie niet in het verkrijgen van schadevergoeding voor de gedupeerden, maar enkel in het verkrijgen van andere voorzieningen, zoals een verbod, bevel of verklaring voor recht.
Hierin is verandering gekomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de WAMCA, waarbij de regeling van 3:305a e.v. BW vrij ingrijpend is gewijzigd. De WAMCA heeft een collectieve schadevergoedingsprocedure geïntroduceerd. In de WAMCA-procedure – die goeddeels is geregeld in de nieuwe titel 14A van Boek 3 Rv – worden massazaken gecoördineerd door de rechter afgedaan. Het doel van de WAMCA is volgens de bij het ontwerp daarvan gegeven toelichting om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen.
De coördinatie bestaat erin dat collectieve acties over dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen bij één rechter in één procedure worden behandeld en beslist. Nadat de eerste actie aanhangig is gemaakt, bestaat een korte termijn voor andere belangenorganisaties om betrekking tot dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen ook een collectieve actie in te stellen (art. 1018d leden 1 en 2 Rv). De acties worden tezamen behandeld en beslist als één zaak (art. 1018d lid 3 Rv). Van de belangenorganisaties wordt de meest geschikte door de rechter als exclusieve belangenbehartiger aangewezen (art. 1018e lid 1 Rv). Deze voert de procedure tegen de gedaagde partij(en), in overleg met de andere organisaties (vgl. art. 1018e lid 3 Rv). De uitspraak die de rechter in de procedure doet, is bindend is voor alle gedupeerden op wie de zaak betrekking heeft en die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid van een opt-out (art. 1018k lid 1 Rv).
De bedoeling is dat in de procedure exclusief voor eenieder over de massaschade wordt beslist. Weliswaar is een opt-out mogelijk (art. 1018f lid 1 Rv), maar wie daarvan gebruik maakt, zal individueel moeten procederen. Een collectieve actie is niet meer mogelijk, zo bepaalt de wet uitdrukkelijk (art. 1018f lid 4 Rv).
In verband met de ingevoerde wijzigingen stelt het nieuwe art. 3:305a BW in beginsel ook zwaardere eisen dan het oude recht aan de organisatie die een collectieve vordering wil instellen (art. 3:305a leden 1-2 BW). Die bepaling stelt bovendien nu ook bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden (art. 3:305a lid 3 BW).
Opmerking verdient dat de WAMCA het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht als zodanig onverlet heeft gelaten, dat de basis vormt voor de collectieve afwikkeling van schadeclaims. Op dit punt is er dus geen wijziging. Aansprakelijkheid en schadevergoeding moeten in de WAMCA-procedure derhalve volgens de gewone regels van het BW worden vastgesteld. Dat betekent dat gekeken moet worden naar de vorderingen van de individuen die de achterban van de belangenorganisatie vormen.
Zoals hiervoor bleek, is in deze procedure, op grond van de beslissing van het hof over de ingestelde vorderingen, sprake van een combinatie van een WAMCA-procedure – waarin SEC onder meer schadevergoeding voor de gedupeerden vordert – en van een procedure op basis van art. 3:305a (oud) BW – waarin SEC alleen verklaringen voor recht voor haar achterban vordert.
Evaluatie WAMCA
De WAMCA is al in 2025 geëvalueerd, in opdracht van het WODC, waarvan een rapport is verschenen. Het eerste deel van dit evaluatierapport betreft een onderzoek naar nadere eisen voor de representativiteit van belangenorganisaties met een ideëel doel. Het tweede deel van het rapport betreft een breder onderzoek naar de vraag hoe de collectieve actie werkt in het licht van de doelstellingen van de WAMCA. De bevindingen van de evaluatie zullen hierna, waar relevant, worden vermeld.
Naar aanleiding van het tweede deel van het rapport heeft de staatssecretaris bij brief van 19 november 2025 de Tweede Kamer geïnformeerd dat hij, gelet op de demissionaire status van het kabinet, geen aanleiding ziet om op dit moment wetgevende maatregelen te treffen ten aanzien van de WAMCA en dat hij het aan het volgende kabinet laat om met een nadere inhoudelijke reactie te komen op het onderzoek.
4. Bespreking onderdeel 1: internationale bevoegdheid Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen Mercedes
Onderdeel 1 is als gezegd gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes (rov. 4.4-4.11). SEC heeft voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de rechtbank Amsterdam een beroep gedaan op art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, dat bepaalt dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan (dat is onder meer het Erfolgsort). Het hof heeft in rov. 4.6 overwogen dat als mogelijke bevoegdheidsgrondslagen die bepaling en art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in aanmerking komen. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bepaalt dat indien er meer dan één verweerder is, het gerecht van de woonplaats van een hunner bevoegd is, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Het hof heeft in rov. 4.9-4.10 geoordeeld dat aan de voorwaarde voor toepasselijkheid van de laatstgenoemde bepaling is voldaan. Over de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis heeft het hof zich daarom niet uitgelaten (rov. 4.11).
Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.9-4.11 dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen. Het onderdeel bevat een groot aantal klachten tegen dat oordeel, die zijn vervat in zeven subonderdelen.
Het onderdeel kan reeds niet tot cassatie leiden omdat als vaststaand in deze procedure moet worden aangenomen dat de rechtbank Amsterdam in elk geval bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. Daarvoor valt te wijzen op het volgende.
Bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis
Het Hof van Justitie EU heeft zich in de zaak VKI/Volkswagen uitgelaten over de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort) in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in een geval, zoals ook hier aan de orde, waarin een fabrikant van voertuigen op grond van onrechtmatige daad wordt aangesproken voor het gebruik van een verboden manipulatie-instrument in haar voertuigen. De eiser VKI is een vereniging, die onder meer tot statutair doel heeft het in rechte geldend maken van vorderingen die consumenten aan haar hebben overgedragen met het oog op procesvoering. VKI vorderde schadevergoeding van Volkswagen, die bestond uit het prijsverschil tussen de door de consumenten betaalde prijs en de daadwerkelijke marktwaarde gelet op het in de voertuigen aanwezige gebrek.
Het Hof van Justitie EU oordeelde dat wanneer voertuigen door de fabrikant in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt, zich in deze laatste lidstaat bevindt. Dat oordeel achtte het Hof in overeenstemming met de doelstelling van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien een in een lidstaat gevestigde autofabrikant die zich schuldig maakt aan onrechtmatige manipulaties van in andere lidstaten in de handel gebrachte voertuigen, redelijkerwijs mag verwachten te worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaten.
Zoals hiervoor in 2.2 tweede alinea al vermeld, komt SEC in deze zaak uitsluitend op voor de belangen van personen die in Nederland een door Mercedes geproduceerd voertuig met een manipulatie-instrument hebben gekocht of geleased. Zij vordert voor hen (de gedupeerden), zoals eveneens hiervoor in 2.2 al vermeld, een verklaring voor recht tegen Mercedes dat Mercedes hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg van haar onrechtmatig handelen door de gedupeerden geleden schade en gehouden is die schade te vergoeden, en een veroordeling van Mercedes tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade. De gevorderde schadevergoeding bestaat in de eerste plaats uit de ‘cumulatieve overcharge’, dat wil zeggen het bedrag dat kopers en lessees volgens SEC teveel voor een voertuig van Mercedes hebben betaald. Grondslag van al deze vorderingen is dat Mercedes onrechtmatig jegens de gedupeerden heeft gehandeld. Deze vorderingen vallen onmiskenbaar onder de omschrijving ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie EU in het arrest VKI/Volkswagen. In het licht van dat arrest is ook duidelijk dat het schadebrengende feit zich bij de vorderingen van SEC tegen Mercedes heeft voorgedaan in Nederland en dat de Nederlandse rechter dus bevoegd is.
Art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis wijst niet alleen het internationaal bevoegde gerecht aan, maar ook het relatief bevoegde gerecht. In de zaak Volvo overweegt het Hof van Justitie EU daarover:
“33. Wat de vraag betreft welk gerecht binnen de aldus aangewezen lidstaat bevoegd is, volgt reeds uit de bewoordingen van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 dat die bepaling zowel de internationale als de relatieve bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk toekent aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden. Zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt die analyse met name kracht bijgezet door het rapport van P. Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1979, C 59, blz. 1).”
De vraag moet dus worden beantwoord of art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in dit geval niet alleen de Nederlandse rechter aanwijst, maar ook de rechtbank Amsterdam. Het antwoord op deze vraag volgt voor dit geval uit het recente arrest van het Hof van Justitie EU in zaak Apple.
Arrest in de zaak Apple
In dit arrest heeft het hof zich, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam, uitgelaten over de uitleg van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. In de zaak die tot het arrest heeft geleid, hebben twee stichtingen een collectieve actie ingesteld tegen Apple Distribution International Ltd en Apple Inc., omdat zij onrechtmatig zouden hebben gehandeld jegens gebruikers van apps die werken op basis van het iOS-besturingssysteem. Aan hun vorderingen hebben de stichtingen onder meer ten grondslag gelegd dat Apple c.s. een machtspositie innemen op de markt voor de distributie van apps voor Apple-apparaten en het betalingssysteem van de App Store en dat zij misbruik maken van hun positie door een buitensporige commissie van 30% in te houden op de prijs die voor de aankoop van die apps is betaald.
De rechtbank had reeds in de zaak vastgesteld dat zij internationaal bevoegd is om van de vorderingen van de stichtingen kennis te nemen, omdat de schade in Nederland is ingetreden. Zij vroeg zich af, kort gezegd, hoe tot een relatief bevoegde rechter kan worden gekomen in een collectieve actie die betrekking heeft op een online platform dat is gericht op de lidstaat als geheel. Het hof heeft die vraag als volgt beantwoord:
“58 Gelet op de in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, volgens welke door deze bepaling zowel de internationale als de territoriale bevoegdheid rechtstreeks en onmiddellijk wordt toegekend aan het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden, vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af welk of welke van deze internationaal bevoegde gerechten territoriaal bevoegd is of zijn om kennis te nemen van dit geding.
59 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof, met betrekking tot een vordering tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door heimelijke afspraken over prijzen en prijsverhogingen van goederen, reeds heeft geoordeeld dat op de markt die door die afspraken wordt beïnvloed, de internationale en territoriale bevoegdheid om op grond van de plaats waar de vermeende schade is ingetreden kennis te nemen van een dergelijke vordering berust bij de rechter in wiens rechtsgebied de rechtspersoon die stelt schade te hebben geleden de goederen waarop die afspraken betrekking hebben heeft gekocht, dan wel, wanneer die rechtspersoon de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht, bij de rechter in wiens rechtsgebied de zetel van die rechtspersoon is gevestigd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Volvo e.a., C‑30/20, EU:C:2021:604, punt 43).
60 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze aanknopingscriteria niet mutatis mutandis kunnen worden toegepast in een geval als dat in de hoofdgedingen, waarin op een onlineplatform digitale producten zijn aangekocht door een onbepaald aantal natuurlijke personen en/of rechtspersonen die op het tijdstip waarop de vordering is ingesteld niet zijn geïdentificeerd.
61 De moeilijkheden bij de toepassing van die aanknopingscriteria vereisen dan ook dat deze criteria worden aangepast om het nuttig effect van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 te behouden en bij te dragen tot een goede rechtsbedeling.
62 Aangezien de NL App Store specifiek is ontworpen voor de Nederlandse markt en de Nederlandse taal hanteert om apps te koop aan te bieden aan gebruikers met een aan Nederland gekoppeld Apple ID, waaronder bepaalde apps die specifiek voor die markt zijn ontwikkeld, kan in casu voor de vaststelling van de plaats waar de schade is ingetreden overeenkomstig artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, worden geoordeeld dat de virtuele ruimte die de NL App Store vormt en waarbinnen de aankopen hebben plaatsgevonden overeenkomt met het gehele grondgebied van die staat. De schade die bij aankopen in deze virtuele ruimte is geleden kan dus op dat grondgebied intreden, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de betrokken aankoop bevonden.
63 In de tweede plaats moet ook worden opgemerkt dat verzoeksters in de hoofdgedingen – anders dan de entiteit die de collectieve vordering heeft ingesteld die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 21 mei 2015, CDC Hydrogen Peroxide (C‑352/13, EU:C:2015:335) – zich niet beroepen op een reeks schadevorderingen die aan hen zouden zijn overgedragen door geïdentificeerde benadeelden van een mededingingsverstorende gedraging.
64 Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing treedt een stichting of vereniging die een representatieve vordering instelt, naar Nederlands recht immers op als zelfstandige belangenbehartiger van personen die, ook al zijn zij niet individueel geïdentificeerd, gelijksoortige belangen hebben. Verzoeksters in de hoofdgedingen oefenen aldus een eigen recht uit, namelijk het recht om de collectieve belangen te behartigen en te beschermen van een „nauw omschreven groep” die bestaat uit niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen, te weten de gebruikers – zowel consumenten als professionele gebruikers – die door de ontwikkelaars ontworpen apps hebben gekocht in de NL App Store waartoe zij toegang hebben via hun aan Nederland gekoppelde Apple ID en waarvan de woonplaats of zetel zich voor de meeste gebruikers op het gehele grondgebied van die staat zal bevinden.
65 Deze groep moet voldoende nauwkeurig worden omschreven om de belanghebbenden in staat te stellen hun standpunt over de uitkomst van de betrokken procedure kenbaar te maken en, in voorkomend geval, schadevergoeding te ontvangen. In dit verband heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting verduidelijkt dat de uitkomst van een representatieve vordering ter bescherming van de collectieve belangen van niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen bindend is voor de in Nederland gevestigde personen die deel uitmaken van die groep en niet hebben aangegeven dat zij wensen af te zien van deelname aan die procedure.
66 In die omstandigheden kan van een gerecht niet worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn territoriale bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, voor iedere beweerde benadeelde individueel de specifieke plaats bepaalt waar de mogelijk geleden schade is ingetreden – aangezien deze benadeelden op het tijdstip waarop het zijn bevoegdheid toetst (nog) niet zijn geïdentificeerd –, noch dat het een benadeelde of een aantal daarvan identificeert.
67 Ten slotte kan, anders dan Apple in haar schriftelijke opmerkingen aanvoert, niet worden geoordeeld dat de omstandigheid dat niet voor iedere persoon die beweert benadeeld te zijn door mededingingsverstorende gedragingen kan worden vastgesteld waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, impliceert dat deze bepaling niet van toepassing is. Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest is uiteengezet, komt die plaats in casu immers overeen met een afgebakend geografisch gebied, namelijk het gehele grondgebied waarop zich de markt bevindt die door de betrokken mededingingsverstorende gedragingen wordt beïnvloed, zodat het niet onmogelijk is om die plaats vast te stellen, hetgeen in voorkomend geval zou kunnen rechtvaardigen dat het algemene bevoegdheidscriterium van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 wordt toegepast, namelijk dat van de woonplaats van de verweerder (zie naar analogie arrest van 19 februari 2002, Besix, C‑256/00, EU:C:2002:99, punten 49 en 50).
68 Uit het voorgaande volgt dat in situaties als die in de hoofdgedingen iedere rechterlijke instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering.
69 Een dergelijke conclusie is in overeenstemming met de doelstellingen van verordening nr. 1215/2012.
(…)
76 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder a) en b), te worden geantwoord dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.”
Het Hof van Justitie EU heeft dus geoordeeld dat in de collectieve actie tegen Apple c.s. ieder gerecht dat materieel bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vordering, waaronder de rechtbank Amsterdam, ook relatief bevoegd is om dat te doen. Bij de bepaling van zijn bevoegdheid op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis mag het gerecht abstraheren van de (kenmerken van de) individuele leden van de achterban voor wie de belangenorganisatie in de collectieve actie opkomt. Dit oordeel berust kennelijk op twee gronden. De eerste grond houdt verband met de feiten van de zaak: de schade die bij aankopen in de virtuele ruimte van de App Store is geleden, kan optreden in het gehele grondgebied van de staat waarop de App Store is gericht, ongeacht waar de betrokken gebruikers zich op het tijdstip van de betrokken aankoop bevonden (punt 60-62). De tweede grond houdt verband met de aard van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW: de belangenorganisatie oefent een eigen recht uit, namelijk het recht om de collectieve belangen te behartigen en te beschermen van een ‘nauw omschreven groep’ die bestaat uit niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare personen (punt 63-65). Opmerking verdient dat de weergave van het Nederlandse recht door het hof, inhoudende dat de belangenorganisatie bij collectieve actie optreedt op grond van een eigen recht – en dus niet (slechts) de rechten van haar achterban uitoefent – juist is, zowel onder art. 3:305a (oud) BW als onder de WAMCA.
Uit de als tweede in het arrest genoemde grond volgt m.i. onmiskenbaar – in de zin van een acte clair of acte éclairé – dat de rechtbank Amsterdam in de onderhavige zaak op grond van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis als materieel bevoegd gerecht relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van SEC tegen Mercedes ten aanzien van haar gehele achterban.
Standpunt Mercedes over bevoegdheid o.g.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis
Mercedes heeft in de feitelijke instanties van deze procedure – nog niet bekend met het arrest in de zaak Apple – betoogd dat in een collectieve actie naar zijn aard geen 'individualiseerbare' schade aan de orde is, zodat het Erfolgsort geen bruikbaar aanknopingspunt voor bevoegdheid in collectieve acties vormt, en dat, als dat anders zou zijn, de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam is beperkt tot de vorderingen van SEC in verband met schade die concreet is geleden in het arrondissement Amsterdam, gelet op het gegeven dat art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen een lidstaat aanwijst.
Vergelijkbare argumenten zijn aan de orde gesteld in de zaak Apple. Ten aanzien van het eerstgenoemde argument heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat niet kan worden geoordeeld dat de omstandigheid dat in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW niet voor iedere persoon die beweert te zijn benadeeld, kan worden vastgesteld waar de schade is ingetreden in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, impliceert dat deze bepaling niet van toepassing is, aangezien die plaats in die zaak immers overeenkomt met een afgebakend geografisch gebied, namelijk het gehele grondgebied van een lidstaat, zodat het niet onmogelijk is om die plaats vast te stellen (punt 67). Ten aanzien van het als tweede genoemde argument heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat ieder gerecht dat materieel bevoegd is om kennis te nemen van een collectieve vordering van een belangenorganisatie op grond van de plaats waar de schade is ingetreden in de zin van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, zowel internationaal als relatief bevoegd is om van die collectieve vordering kennis te nemen ten aanzien van de gehele achterban van de belangenorganisatie (punt 76). Op dit punt onderscheidt de onderhavige zaak zich ook van de zaak VKI/Volkswagen, nu het in die zaak niet ging om een collectieve actie, maar werd geprocedeerd ten behoeve van een achterban die haar vorderingen aan VKI had gecedeerd.
De door Mercedes aangevoerde argumenten kunnen volgens het Hof van Justitie EU dus in beginsel niet in de weg staan aan de internationale en relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam ten aanzien van de (gehele) collectieve vordering van SEC tegen Mercedes in deze zaak.
Slotsom t.a.v. art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis
Het voorgaande wordt niet anders door het feit dat SEC tegen de Partners geen vorderingen uit onrechtmatige daad heeft ingesteld, maar uitsluitend vorderingen wegens non-conformiteit van de verkochte dan wel geleasede voertuigen. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie EU moet de bevoegdheid per vordering en grondslag daarvoor worden bepaald. De internationale bevoegdheid vormt ten aanzien van de Importeur en de Partners geen probleem, nu zij allen in Nederland zijn gevestigd.
Er is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is om van de vorderingen van SEC tegen Mercedes kennis te nemen, ook als de daartoe door het hof in rov. 4.9-4.10 genoemde grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet juist zou zijn. Als al gezegd kan onderdeel 1 daarom niet tot cassatie leiden en behoeft het daarom geen behandeling.
Bespreking klachten onderdeel 1
Volledigheidshalve en mede ten behoeve van de praktijk – waarin met regelmaat sprake is van grensoverschrijdende collectieve acties, terwijl collectieve acties veel van de tijd en menskracht van de gerechten vragen – bespreek ik de klachten van onderdeel 1. In de conclusie van heden van A-G Ibili in de hiervoor in 1.4 genoemde zaak 24/04589 tussen SDEJ en Stellantis c.s. wordt uitvoerig ingegaan op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Ik verwijs dan ook in de eerste plaats naar de uiteenzettingen daarover in die conclusie onder 3.2-3.8. Hierna zal ik uitsluitend op die aspecten van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ingaan die niet in de conclusie van A-G Ibili aan de orde komen. Dat zijn steeds aspecten die specifiek betrekking hebben op het oordeel van het hof en het middel in deze zaak en die geen (belangrijke) rol spelen in zaak 24/04589.
Bespreking subonderdelen 1.1-1.3
Subonderdeel 1.1 heeft betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 4.9 eerste alinea dat [eiseres 4] en [D] voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis de enige mogelijke ankergedaagden zijn, dat Mercedes onweersproken heeft gesteld dat zij alleen gebruikte voertuigen kunnen hebben verkocht omdat zij servicepartners zijn, maar dat de onder 4 (in de nummering van de vorderingen door SEC) gevorderde verklaring voor recht ook ziet op gebruikte voertuigen en dus kan fungeren als ankervordering. Het subonderdeel klaagt dat het laatstgenoemde oordeel onbegrijpelijk is, omdat de vorderingen tegen de Partners uitsluitend strekken ten behoeve van kopers van nieuwe voertuigen. Het subonderdeel wijst op de wijze waarop SEC haar vorderingen tegen de Partners heeft geformuleerd, de toelichting en onderbouwing van die vorderingen door SEC en op het betoog van Mercedes dat die vorderingen tot die groep zijn beperkt.
Het hof heeft, als al gezegd, in rov. 4.1.2 vastgesteld dat SEC met haar collectieve actie opkomt voor alle eerste en opvolgende kopers en alle lessees van voertuigen die zijn voorzien van een manipulatie-instrument en in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 in Nederland zijn geïmporteerd, geregistreerd en/of verkocht of geleased. Verder heeft het hof in rov. 4.1.2 vastgesteld dat SEC onderscheid maakt tussen de gedupeerden van ‘groep A’, voor wie zij een schadevergoeding vordert en die geen opt-out verklaring zullen indienen als bedoeld in art. 1018f Rv, en de gedupeerden van ‘groep B’ bestaande uit “de Gedupeerden die (cumulatief) 1) de Sjoemeldiesel nieuw hebben gekocht van een [Partner], 2) op dit moment nog in het bezit zijn van de Sjoemeldiesel, 3) bij registratie bij [SEC] of op een later moment specifiek hebben aangeven (of zullen aangeven) dat zij de koopovereenkomst met de [Partner] willen ontbinden en 4) geen opt-out verklaring hebben ingediend als bedoeld in art. 1018f Rv”. Uit deze vaststellingen, die als zodanig in cassatie niet worden bestreden, volgt dat de collectieve vorderingen van SEC in algemene zin zowel betrekking hebben op nieuwe voertuigen (‘eerste kopers’) als op gebruikte voertuigen (‘opvolgende kopers’), en dat de beperking tot nieuwe voertuigen alleen geldt voor de groep van gedupeerden (‘groep B’) die ontbinding van de koopovereenkomst wenst. Deze beperking is, door de verwijzing naar groep B, tevens tot uitdrukking gebracht in de door SEC gevorderde verklaring voor recht, zoals weergegeven door het hof in rov. 4.1.1, dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en de gedupeerden van groep B ten gevolge van non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. SEC heeft echter daarnaast, zoals het hof in rov. 4.9 vaststelt en ook al volgt uit zijn vaststelling in rov. 4.1.2, een verklaring voor recht gevorderd dat de door de Partners verkochte voertuigen non-conform zijn, zonder die vordering te beperken tot groep B. Dat heeft SEC gedaan in het petitum van haar inleidende dagvaarding onder 4, waarnaar het hof in rov. 4.9 met zoveel woorden verwijst. De vaststelling van het hof in rov. 4.9 dat ‘de onder 4 [in het petitum door SEC] gevorderde verklaring voor recht’ ook ziet op gebruikte voertuigen, is dus niet onbegrijpelijk, zoals in het subonderdeel ook wel wordt erkend (onder 28).
Die vaststelling is, anders dan het subonderdeel met name betoogt, evenmin onbegrijpelijk in het licht van de toelichting en onderbouwing van de vorderingen door SEC. In de dagvaarding heeft SEC uiteengezet dat zij ten behoeve van de gedupeerden – die door haar zijn omschreven als ‘alle eerste en opvolgende kopers en alle lessees van de voertuigen die in de relevante periode in Nederland zijn verkocht, geleaset en/of geregistreerd’ – schadevergoeding vordert van Mercedes en de Importeur en verklaringen voor recht tegen de Partners dat de voertuigen non-conform zijn en dat de koopovereenkomsten met betrekking tot de voertuigen voor ontbinding vatbaar zijn wegens non-conformiteit. De reden dat SEC niet ook tegen de Partners een vordering heeft ingesteld die strekt tot betaling van schadevergoeding, is, naar zij heeft uiteengezet, dat zij niet kan uitsluiten dat er gedupeerden zijn die geen schadevergoeding van de Partners wensen, maar de koopovereenkomst met de desbetreffende Partner wensen te ontbinden. Door schadevergoeding noch ontbinding van de overeenkomsten tegen de Partners te vorderen, maar enkel verklaringen voor recht te verlangen die voor individuele gedupeerden grond voor beide vorderingen kunnen vormen, kan, zo volgt uit haar betoog, worden bewerkstelligd dat gedupeerden na afloop van de collectieve actie, op grond van de beide uit te spreken verklaringen voor recht, kunnen kiezen welke vordering zij tegen de Partners zullen uitoefenen: die tot schadevergoeding wegens non-conformiteit of die tot ontbinding wegens non-conformiteit.
SEC heeft voorts uiteengezet de ontbinding van overeenkomsten alleen mogelijk te willen maken voor de kopers van nieuwe voertuigen. De kopers van nieuwe voertuigen die deze ontbinding wensen, heeft zij aangeduid als groep B. Zoals hiervoor in 4.12 al opgemerkt, is de door SEC gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomsten voor ontbinding vatbaar zijn, uitdrukkelijk beperkt tot de koopovereenkomsten die met deze groep zijn gesloten. De gedupeerden die schadevergoeding wensen, heeft SEC aangeduid als groep A. Daarvan heeft zij gesproken als gedupeerden ‘voor wie zij schadevergoeding zal vragen’ en ‘gedupeerden die schadevergoeding vorderen’. De hiervoor in 4.12 genoemde tegen de Partners gevorderde verklaring voor recht onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding dat de voertuigen non-conform zijn, is klaarblijkelijk mede ten behoeve van deze groep A ingesteld.
Het onderscheid tussen beide groepen is dus gelegen in het resultaat dat de personen die tot deze groepen behoren, (blijken te) wensen. Het subonderdeel verwijst voor een andere uitleg van de vorderingen naar de toelichting die SEC in de inleidende dagvaarding heeft gegeven op de vorderingen voor groepen A en B. Daarin wijst SEC er inderdaad niet op dat ook de al meermalen genoemde verklaring voor recht onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding mede wordt ingesteld voor groep A.
Dat laatste moet echter toch wel door SEC bedoeld zijn, gelet op de hiervoor genoemde toelichting die zij op haar vorderingen heeft gegeven – kort gezegd: kopers moeten kunnen kiezen tussen schadevergoeding en ontbinding wegens non-conformiteit –, en de omstandigheid dat uitgaande van de uitleg van het subonderdeel de onder 4 van het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderde verklaring voor recht geheel overbodig zou zijn en niet meer zou aansluiten op genoemde toelichting. In elk geval is, in het licht van een en ander, deze uitleg van de vorderingen door het hof – die als zodanig van feitelijke aard is – niet onbegrijpelijk.
Het subonderdeel faalt dus.
Subonderdeel 1.2 heeft betrekking op het oordeel van het hof in rov. 4.9 tweede alinea dat, voor zover de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van rechtsmacht op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, in dat gegeven in het onderhavige geval, gelet op de door SEC gegeven onderbouwing van haar vorderingen, geen beletsel is gelegen voor het aannemen van rechtsmacht. Het subonderdeel klaagt dat dit laatste oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, mede gelet op de stellingen van Mercedes dat [eiseres 4] hooguit drie en [D] hooguit een verwaarloosbaar aantal gebruikte voertuigen hebben verkocht, welke feiten in cassatie volgens het subonderdeel als juist moeten worden aangenomen, en dat de tegen [eiseres 4] en [D] ingestelde collectieve acties kansloos zijn en geen ander doel dienen dan het creëren van rechtsmacht. Ook ambtshalve had het hof tot het oordeel moeten komen dat de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] niet als ankervorderingen kunnen fungeren, aldus het subonderdeel. Tot slot klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof van oordeel was dat het de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding niet in aanmerking had hoeven nemen, zijn oordeel onjuist is, althans, voor zover het hof heeft onderkend dat het dat wel had moeten doen, onbegrijpelijk is.
Bij de bespreking van dit subonderdeel stel ik, in aanvulling op hetgeen in 3.6-3.7 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is vermeld, het volgende voorop. De keuze voor de ankergedaagde staat ter vrije keuze van de eiser. De tekst van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis stelt als enige eis dat een ankergedaagde woonplaats dient te hebben in het arrondissement van het gerecht waar de eiser het geschil aanbrengt. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis stelt geen eisen aan de inhoud of het gewicht van de vordering tegen de ankergedaagde of de positie van de ankergedaagde ten opzichte van de andere gedaagden. Anders dan in de gevallen als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 2 (vrijwaring, voeging of tussenkomst) en onder 3 (reconventie) Brussel I-bis bestaat er geen vooraf gegeven ‘procedurele orde’ die als vanzelf meebrengt dat prioriteit moet worden toegekend aan een bepaald gerecht (in die gevallen volgens die bepalingen het gerecht waarvoor de oorspronkelijke vordering aanhangig is gemaakt). De vorderingen tegen de verschillende gedaagden zijn in dit verband gelijkwaardig aan elkaar.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU kan art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis echter niet zodanig worden uitgelegd dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden kan instellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis te omzeilen door de voorwaarden voor de toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven. De kans dat een eiser een vordering tegen meerdere gedaagden heeft ingesteld met een dergelijk doel, is volgens het hof echter uitgesloten wanneer de nauwe band bestaat tussen de tegen elk van de gedaagden ingestelde vorderingen zoals deze in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis wordt geëist voor het bestaan van rechtsmacht op grond van subjectieve cumulatie. Het aangezochte gerecht kan genoemde omzeiling slechts vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de eiser de voorwaarden voor toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
Van misbruik in deze zin zal niet snel sprake zijn. In een geval waarin naar nationaal recht de vordering tegen de ankergedaagde reeds op het tijdstip van de instelling ervan niet-ontvankelijk werd geoordeeld vanwege een lopende faillissementsprocedure, overwoog het Hof van Justitie EU dat ook in een dergelijk geval een beroep kan worden gedaan op art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis en dat geen sprake is van misbruik in de hiervoor bedoelde zin. In een geval waarin de eiser na aanvang van de procedure, maar nog vóór het verstrijken van de termijn voor indiening van de verweerschriften, afstand had gedaan van de vordering tegen de ankergedaagde, en een deel van de gedaagden had aangevoerd dat de eiser reeds voor aanvang van de procedure een schikking met de ankergedaagde had getroffen, maar de formele sluiting daarvan had uitgesteld tot na de instelling van de procedure, oordeelde het Hof van Justitie EU dat om art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet van toepassing te doen zijn voor die bewering afdoende bewijs moest worden overgelegd dat de betrokken partijen zich schuldig hebben gemaakt aan samenspanning. De enkele omstandigheid dat onderhandelingen zijn aangegaan om een eventuele schikking te bereiken, vormt nog geen bewijs voor het bestaan van een dergelijke samenspanning. Dat zou anders zijn, aldus het hof, als blijkt dat de gestelde transactie inderdaad is gesloten, maar is verheimelijkt om de schijn te wekken dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis is voldaan.
In het oordeel van het hof in rov. 4.10 – dat een nauwe band bestaat tussen de ingestelde vorderingen – ligt als zijn oordeel besloten dat SEC de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet heeft getracht te omzeilen door de voorwaarden voor de toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven. In die omstandigheid kan in deze zaak dus geen grond zijn gelegen om art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet van toepassing te oordelen. In rov. 4.9 is het hof er echter veronderstellenderwijs van uitgegaan (“voor zover (…) van belang zou zijn”) dat de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagden [eiseres 4] en [D] van belang is voor de vaststelling van de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Kennelijk heeft het hof hiermee een vereiste op het oog gehad dat verder strekt dan de hiervoor genoemde toets op misbruik. De grond voor dat oordeel is vermoedelijk daarin gelegen dat het hof in twee kartelschadezaken aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vragen heeft gesteld of bij de vaststelling van de rechtsmacht ook acht moet worden geslagen op de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, en zo ja, of voor die beoordeling toereikend is dat niet op voorhand uitgesloten kan worden dat de vordering zal worden toegewezen. Op 3 april 2025 heeft A-G Kokott in deze zaken geconcludeerd en de vraag als volgt beantwoord (voetnoten weggelaten):
“36. Zoals het Hof in zijn arrest in de zaak Athenian Brewery en Heineken heeft benadrukt, beoordeelt de aangezochte rechter in de fase van het onderzoek van de internationale bevoegdheid noch de ontvankelijkheid noch de gegrondheid van de vordering, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat die zijn bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening rechtvaardigen. De aangezochte rechter moet zich namelijk op grond van de doelstelling van rechtszekerheid over zijn eigen bevoegdheid kunnen uitspreken zonder uitspraak ten gronde te doen.
37. Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening mag echter niet worden misbruikt door op grond daarvan een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft. Dit zou het geval zijn indien op grond van afdoende bewijs kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
38. Dat kan echter niet als de vordering tegen de ankergedaagde alleen maar (mogelijk) ongegrond lijkt. Veeleer moet deze vordering op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, kennelijk ongegrond of kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn.
39. Bijgevolg moet de tweede prejudiciële vraag in beide zaken aldus worden beantwoord dat er bij de toetsing van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening weliswaar rekening moet worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, maar alleen als een aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd, hetgeen wel het geval kan zijn wanneer de vordering kennelijk ongegrond is.”
A-G Kokott komt aldus tot de conclusie dat de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde niet van belang is voor de toepasselijkheid van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, en dat het geval dat een kennelijk ongegronde vordering wordt ingesteld, moet worden beoordeeld aan de hand van de toets op misbruik.
Het Hof van Justitie EU heeft ten tijde van het nemen van deze conclusie nog geen uitspraak gedaan in deze zaken. Uitgaande van de conclusie van A-G Kokott, die op dit punt grotendeels berust op de hiervoor besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU, heeft het hof in de onderhavige zaak de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] niet behoeven te beoordelen om vast te stellen of op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis rechtsmacht bestaat. Indien het Hof van Justitie EU de conclusie van A-G Kokott volgt – zoals voor de hand ligt –, moet subonderdeel 1.2 stranden, omdat in het oordeel van het hof in rov. 4.10 besloten ligt dat geen sprake is van misbruik. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Ook uitgaande van de maatstaf aan de hand waarvan het hof heeft beslist, gaat het subonderdeel niet op. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat SEC haar vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] voldoende heeft onderbouwd ten behoeve van de bepaling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, nu [eiseres 4] en [D] volgens SEC allebei voertuigen met een manipulatie-instrument hebben verkocht aan leden van de achterban van SEC. Anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, kan in dit stadium van de zaak nog geen beoordeling ten gronde plaatsvinden van de toewijsbaarheid van de vorderingen van SEC op [eiseres 4] en [D] of van de mogelijkheid voor SEC om voor gedupeerden op te komen met collectieve acties tegen [eiseres 4] en [D] . Het hof heeft immers nog slechts over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beslist en niet over de zaak ten gronde. Zoals het subonderdeel zelf ook tot vertrekpunt neemt, vindt de beslissing over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter plaats op basis van een prima facie beoordeling aan de hand van de stellingen van eiser, de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, en in voorkomend geval, de reactie van gedaagde. Het hof is blijkens rov. 4.4 tweede alinea ook van die beoordelingsmaatstaven uitgegaan, anders dan het subonderdeel aan het slot daarvan (onder 42) nog aanneemt. Derhalve kan, anders dan het subonderdeel onder 36 meent, in cassatie evenmin op grond van de stellingen van Mercedes c.s. tot uitgangspunt worden genomen dat [eiseres 4] en [D] hooguit enkele gebruikte voertuigen aan de gedupeerden zouden hebben verkocht. Dat zal in het vervolg van de procedure nog moeten blijken. Dat het hof de stellingen van SEC in het stadium van de beoordeling van de rechtsmacht genoegzaam heeft geoordeeld voor een collectieve vordering tegen [eiseres 4] en [D] – voldoende gesubstantieerd, zoals het letterlijk overweegt, waarmee het impliceert: niet bij voorbaat zonder grond –, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Onjuist is de stelling van het subonderdeel dat SEC geen verwijt zou hebben geformuleerd aan het adres van [eiseres 4] en [D] . Dat heeft zij wel, in de vorm van de hiervoor al meermalen genoemde stelling dat de (mede door hen) verkochte voertuigen non-conform waren.
Subonderdeel 1.2 faalt dus.
Subonderdeel 1.3 is gericht tegen de vaststelling van het hof in rov. 4.9 laatste zin dat ook volgens Mercedes zowel [eiseres 4] als [D] (enkele) voertuigen hebben verkocht die mogelijk binnen de reikwijdte van de ankervordering vallen. Het subonderdeel klaagt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, nu Mercedes steeds uitdrukkelijk heeft betwist dat SEC enige vordering tegen [eiseres 4] en [D] kan instellen en ook heeft gesteld dat op die grond geen sprake kan zijn van een aan SEC toekomende vordering tegen [eiseres 4] of [D] die als ankervordering zou kunnen fungeren. Het subonderdeel klaagt verder dat, ook als Mercedes dat wel zou hebben erkend, het hof heeft miskend dat het erkennen van de (enkele) mogelijkheid dat iets binnen de reikwijdte van een vordering valt, niets zegt over de (onderbouwing, substantiëring of) toewijsbaarheid van die vordering, althans, niet voldoende om tot het oordeel te (kunnen) komen dat zij (in deze zaak) zou kunnen fungeren als ankervordering.
Het subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof. Zoals in subonderdeel 1.2 wordt vermeld (onder 36, met vermelding van vindplaatsen in de stukken), hebben Mercedes c.s. aangevoerd dat [eiseres 4] en [D] slechts enkele gebruikte voertuigen hebben verkocht. Die stelling heeft het hof kennelijk op het oog in de laatste zin van rov. 4.9. Gelet op het gebruik van het woord ‘mogelijk’, heeft het hof, anders dan het subonderdeel veronderstelt, daarin geen erkenning door Mercedes c.s. gelezen dat SEC een vordering heeft op [eiseres 4] of [D] dan wel dat die vorderingen als ankervordering kunnen fungeren.
Bespreking subonderdeel 1.4
Subonderdeel 1.4 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 dat zowel met [eiseres 4] als met [D] als ankergedaagde er tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervordering een nauwe band als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bestaat. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat (Mercedes heeft aangevoerd dat) aan het vereiste van een nauwe band alleen kan zijn voldaan als zou zijn vastgesteld dat alle personen in het belang van wie SEC met haar collectieve vordering tegen Mercedes optreedt, een voertuig bij [eiseres 4] of [D] zouden hebben gekocht, althans het overgrote deel van die personen, althans de meerderheid daarvan, althans een aanzienlijk deel daarvan. In cassatie moet als uitgangspunt gelden dat hooguit enkele personen een voertuig hebben gekocht bij [eiseres 4] of [D] . Voor zover die omstandigheid niet aan rechtsmacht ten aanzien van Mercedes op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in de weg staat, heeft de rechter die rechtsmacht hooguit voor zover SEC daarmee de belangen behartigt van personen die een voertuig hebben gekocht van [eiseres 4] of [D] . Het hof heeft dat miskend, zodat ook om die reden het oordeel van het hof onjuist, althans, mede gelet op het betoog van Mercedes, onbegrijpelijk is, aldus het subonderdeel.
Aan deze klachten leggen Mercedes c.s. ten grondslag dat, kort gezegd, een belangenorganisatie niet ruimer gebruik zou mogen kunnen maken van de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis dan haar achterban op individuele basis zou kunnen doen. Volgens Mercedes c.s. strekt de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet zover dat Mercedes op grond van die bepaling voor de rechtbank Amsterdam kan worden gedaagd ten aanzien van een collectieve actie die strekt tot de behartiging van belangen van personen van wie het overgrote deel geen individuele vorderingen had kunnen instellen tegen Mercedes bij de rechtbank Amsterdam (zie onder 54-68 van de procesinleiding).
Het subonderdeel stelt in essentie de wijze aan de orde waarop de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moet worden toegepast bij een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. In 3.22 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is uiteengezet dat wanneer wordt vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, dat voor het aangezochte gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde de bevoegdheid oplevert om in volle omvang te oordelen over de samenhangende vorderingen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten. Verder volgt uit hetgeen in 4.7 van die conclusie is vermeld, dat voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet is vereist dat tussen de groep van gedupeerden ten behoeve van wie de vordering tegen de ankergedaagde is ingesteld en tussen de groep van gedupeerden ten behoeve van wie de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagde is ingesteld, een bepaalde mate van overlap bestaat, anders dan dat de vorderingen waarmee voor de beide groepen wordt opgekomen nauw met elkaar samenhangen in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. In aanvulling hierop merk ik het volgende op.
Geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties in Brussel I-bis
In Brussel I-bis zijn geen speciale bevoegdheidsregels voor collectieve acties opgenomen. Evenmin bevat Brussel I-bis bepalingen op grond waarvan vorderingen van verschillende eisers tegen dezelfde gedaagde(n) kunnen worden ingesteld bij één gerecht.
De ‘gewone’ bevoegdheidsregels van Brussel I-bis zijn dus van toepassing op de vorderingen van belangenorganisaties in collectieve acties.
Hierin is geen verandering gekomen met Richtlijn (EU) 2020/1828, die erop is gericht om te verzekeren dat een doelmatig en doeltreffend procedureel mechanisme voor representatieve vorderingen beschikbaar is voor consumenten in elke lidstaat en die voorziet in een collectieve actie voor consumenten in het geval van een inbreuk op hun Unierechten. In de preambule onder (21) van deze richtlijn is uitdrukkelijk bepaald dat deze geen afbreuk mag doen aan de toepassing van regels inzake internationaal privaatrecht betreffende de rechterlijke bevoegdheid, en evenmin dergelijke regels mag vaststellen, en dat de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie zoals Brussel I-bis van toepassing moeten zijn op de door de richtlijn vereiste procedurele mechanismen voor representatieve vorderingen. De lidstaten zullen het dus moeten doen met Brussel I-bis.
Hof van Justitie EU rechtspraak, algemeen
Het Hof van Justitie EU heeft zich slechts in enkele gevallen uitgelaten over de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis in procedures met een collectief karakter.
In de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest CDC/Akzo Nobel had het claim vehicle CDC een reeks schadevorderingen die aan haar waren overgedragen door meerdere ondernemingen die meenden te zijn benadeeld door het waterstofperoxidekartel, gebundeld ingesteld. Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag hoe de plaats van het schadebrengende feit als bedoeld in thans art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis moet worden bepaald in een geval dat in meerdere lidstaten gevestigde gedaagden in rechte worden aangesproken tot schadevergoeding ter zake van één enkele voortdurende inbreuk van het Europese mededingingsrecht, stelde het hof voorop dat de overdracht van vorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens de genoemde bevoegdheidsregel en dat bijgevolg de plaats van het schadebrengende feit voor iedere schadevordering moet worden bepaald, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan.
In het arrest Schrems/Facebook heeft het Hof van Justitie EU deze regel bevestigd. Schrems had verschillende vorderingen ingesteld met betrekking tot particuliere Facebookaccounts van zowel hemzelf als van zeven andere personen die hun rechten in dat verband aan hem hadden gecedeerd. Het hof overwoog dat het niet mogelijk is dat andere dan de uitdrukkelijk door de verordening aangeduide gerechten bevoegd worden wanneer meerdere rechten bij een enkele eiser worden gebundeld. In het voorliggende geval brengt die regel mee dat de bevoegdheidsregel voor consumenten van thans art. 17 Brussel I-bis (het forum actoris) niet van toepassing is op de vordering van een consument die ertoe strekt om niet alleen zijn eigen rechten geldend te maken, maar ook rechten die hem werden gecedeerd door andere consumenten.
De vraag of de aard en de kenmerken van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW meebrengen dat over de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis anders moet worden geoordeeld dan in bovenstaande rechtspraak is lange tijd onbeantwoord gebleven door het Hof van Justitie EU.
In de zaak VEB/BP, waarin VEB op de voet van art. 3:305a BW een collectieve actie had ingesteld ten behoeve van personen die via een beleggingsrekening aandelen in BP hadden gekocht, aangehouden of verkocht, heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU de prejudiciële vraag voorgelegd of en, zo ja, hoe in een dergelijk geval bijkomende specifieke omstandigheden die voor de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (het Erfolgsort) van belang kunnen zijn, zoals de individuele (aankoop)transacties, moeten worden vastgesteld. De Hoge Raad vroeg zich namelijk af of de “strenge regels” zoals geformuleerd in het arrest CDC/Akzo Nobel ook gelden voor het lokaliseren van het Erfolgsort in een collectieve actie, nu daarin slechts sprake is van een collectief belang en die regels aan de effectiviteit van het instrument van art. 3:305a BW afbreuk zouden doen. Volgens A-G Campos Sánchez-Bordona moest uit de besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU worden afgeleid dat de collectieve belangenbehartiging niets wijzigt aan de voorwaarden van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. Daarbij nam hij aan dat VEB in haar collectieve actie opkwam voor de individuele belangen van beleggers die haar hun bescherming ten overstaan van de rechter hebben toevertrouwd en dat daarom het arrest CDC/Akzo Nobel van toepassing is. Die aanname is onjuist, gelet op het hiervoor in 4.7 vermelde kenmerk van de collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW dat daarbij sprake is van een eigen recht van de belangenorganisatie. Het Hof van Justitie EU heeft de vraag niet beantwoord, omdat uit zijn overwegingen over het Erfolgsort volgde dat de woonplaats van de beleggers – kennelijk de enige bijkomende specifieke omstandigheid die door het hof van belang werd geacht – daarvoor op zichzelf beschouwd niet beslissend is.
Een vergelijkbare prejudiciële vraag heeft de rechtbank Midden-Nederland nadien gesteld in een zaak waarin de curator in het faillissement van BMA Nederland een Peeters/Gatzen-vordering had ingesteld tegen de in Duitsland gevestigde grootmoedermaatschappij van BMA. In de procedure was een belangenorganisatie die opkwam voor de belangen van de schuldeisers van BMA tussengekomen met een collectieve vordering op de voet van art. 3:305a BW. De rechtbank wilde vernemen of de plaats van het schadebrengende feit als bedoeld in art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis anders moet worden vastgesteld in het geval van de belangenorganisatie, gelet op de omstandigheid dat in een collectieve actie geen rekening wordt gehouden met de individuele omstandigheden van de schuldeisers. Het Hof van Justitie EU liet beantwoording van die vraag wederom achterwege, nu de belangenorganisatie slechts tussenkomende partij was en haar situatie en de procedurele voorrechten die haar door het toepasselijke recht zijn verleend, geen invloed hebben op de vraag of de verwijzende rechter bevoegd is om kennis te nemen van de door de curator ingestelde vordering. Ten aanzien van de Peeters/Gatzen-vordering oordeelde het Hof van Justitie EU dat de plaats van het schadebrengende feit zich bevindt op de plaats van de zetel van de failliete vennootschap, in welk verband volgens het hof irrelevant is dat bij een dergelijke vordering geen rekening wordt gehouden met de individuele positie van elk van de schuldeisers.
Arrest in zaak Apple
In het hiervoor in 4.6 weergegeven arrest in de zaak Apple heeft het Hof van Justitie EU zich voor het eerst daadwerkelijk uitgelaten over de betekenis van de collectieve actie bij de toepassing van Brussel I-bis. Het arrest is baanbrekend te achten. A-G Campos Sánchez-Bordona had in zijn conclusie vóór het arrest nog betoogd dat het voor de uitleg van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis geen verschil maakt dat de vordering is ingesteld door een organisatie die naar nationaal recht bevoegd is om in eigen naam representatieve vorderingen in te stellen om de belangen van een groot aantal gebruikers te behartigen. De huidige regels brengen volgens hem mee dat de belangenorganisatie die een collectieve actie wil instellen wegens inbreuken die zich op verschillende plaatsen in Nederland voordoen en waarvan de gevolgen zich in verschillende arrondissementen van dat land doen voelen, haar vordering moet instellen in een andere lidstaat indien zij deze richt tegen een gedaagde die daar is gevestigd, dat wil zeggen op grond van de hoofdregel van art. 4 onder 1 Brussel I-bis. In de tot nu toe over het arrest verschenen commentaren is, overeenkomstig deze zienswijze, wel de kritiek geuit dat het Hof van Justitie EU daarmee de toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zodanig heeft opgerekt dat zij treedt in het domein van de Uniewetgever.
Dat het arrest voorziet in een behoefte is echter wel duidelijk. In een recent rapport, dat nog dateert van voor het arrest, heeft de Europese Commissie opgemerkt dat de toepassing van de bevoegdheidsregels van Brussel I-bis in collectieve acties bij een volgende herziening van Brussel I-bis haar aandacht verdient:
“Het lijkt erop dat de verordening onnodige lasten met zich mee kan brengen voor de eisers bij vorderingen tot collectief verhaal, omdat zij zich in de meeste gevallen tot meer dan één rechter zouden moeten wenden om een zaak aanhangig te maken. Dit kan dan weer leiden tot onverenigbare beslissingen. Hoewel de regel inzake samenhangende vorderingen in artikel 30 van de verordening [dat een regeling kent voor litispendentie en connexiteit] een oplossing kan bieden voor deze situatie, moeten de eisers het verzoek nog steeds bij verschillende gerechten indienen vóór een eventuele voeging bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Dit leidt tot bijkomende lasten voor de eisers, met name wanneer zij zwakkere partijen zijn.
Derhalve zou bij een mogelijke toekomstige herziening van de verordening verder over deze aangelegenheid kunnen worden nagedacht, met name over de vraag of de verordening de rechterlijke bevoegdheid bij collectieve (consumenten)vorderingen op bevredigende wijze regelt.”
Toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie
In de onderhavige zaak heeft het hof als gezegd de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam gebaseerd op art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Het Hof van Justitie EU heeft zich nog niet uitgelaten over de toepassing van deze bevoegdheidsregel op vorderingen bij een collectieve actie.
In de literatuur wordt op grond van de tekst van die bepaling aangenomen dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, net als art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis, niet alleen de internationale bevoegdheid, maar ook de relatieve bevoegdheid van een gerecht binnen een lidstaat bepaalt. In de al genoemde kartelschadezaken waarvan het hof er één in deze zaak noemt in rov. 4.8, heeft het hof de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU gesteld of art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis het relatief bevoegde gerecht rechtstreeks en onmiddellijk aanwijst, met terzijdestelling van het nationale recht. De aanleiding van deze vraag was in die zaken gelegen in de omstandigheid dat de in Amsterdam gevestigde gedaagde mogelijk geen ankergedaagde kon zijn vanwege het ontbreken van een nauwe band met de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagden, maar een andere in Nederland gevestigde medegedaagde wel.
A-G Kokott heeft deze vraag in haar conclusie in die zaken bevestigend beantwoord, op de grond dat de bewoordingen die ook in andere artikelen van Brussel I-bis voorkomen (“het gerecht van” een bepaalde plaats vs. de “gerechten van een lidstaat”), door het Hof van Justitie EU steeds op dezelfde wijze worden uitgelegd. Een dergelijke uitleg vindt bovendien bevestiging in het rapport van P. Jenard over het EEX-Verdrag, waaruit ten aanzien van de voorloper van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, ook specifiek volgt dat het gerecht bedoeld is “van de plaats” waar zich de woonplaats van een van de gedaagden zich bevindt, aldus de A-G. Het Hof van Justitie EU heeft, als gezegd, in deze zaken nog geen uitspraak gedaan, maar gelet op het voorgaande ligt een bevestigende beantwoording voor de hand. In deze conclusie wordt dan ook, met het hof in de onderhavige zaak in rov. 4.8, tot uitgangspunt genomen dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen een lidstaat aanwijst.
In de genoemde kartelschadezaken heeft het hof Amsterdam tevens de prejudiciële vraag gesteld of voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis verschillende in dezelfde lidstaat gevestigde gedaagden (tezamen) ankergedaagde kunnen zijn. Het hof wenst te vernemen of voor de toepassing van die bepaling zou kunnen worden volstaan met een nauwe band tussen de vorderingen tegen de in een andere lidstaat gevestigde gedaagden en de vordering tegen een ankergedaagde die niet in het arrondissement Amsterdam is gevestigd, maar wel elders in Nederland. A-G Kokott heeft in haar conclusie in de zaken opgemerkt dat deze vraag een hypothetisch karakter heeft, maar ten overvloede opgemerkt, in lijn met het voorgaande, dat de bewoordingen van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis duidelijk verwijzen naar een specifieke gedaagde die in het arrondissement van de aangezochte rechter woonplaats heeft, zodat een medegedaagde die woonplaats heeft in een ander arrondissement, als ankergedaagde geen bevoegdheid kan scheppen voor de aangezochte rechter.
Als met subonderdeel 1.4 tot uitgangspunt wordt genomen dat bij collectieve actie moet worden gekeken naar de vorderingen die de gerepresenteerde individuen pretenderen te hebben, dan kan het gegeven dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook de relatief bevoegde rechter binnen de lidstaat aanwijst, snel tot aanzienlijke complicaties leiden. Het kan zich immers makkelijk voordoen – en doet zich in de praktijk dan ook regelmatig voor; deze zaak is een voorbeeld – dat een belangenorganisatie in een collectieve actie vorderingen tegen gedaagden instelt die niet alle strekken ten behartiging van de belangen van haar gehele achterban, maar slechts van een deel daarvan of – onder omstandigheden – slechts enkele individuen daarvan. In de onderhavige zaak bestaat de achterban van SEC uit benadeelden die bij de verschillende Partners een voertuig hebben gekocht of geleased. Volgens SEC hebben zij allen een vordering op Mercedes en de Importeur, maar niet op ieder van de Partners. De benadeelden die hun voertuig hebben gekocht of geleased bij Partner A, hebben immers slechts een vordering op Partner A, en niet op Partner B, terwijl beide Partners wel als gedaagden in dezelfde collectieve actie zijn betrokken, gelet op de samenhang en verwantschap tussen die vorderingen.
Mercedes c.s. hebben op grond van genoemd uitgangspunt betoogd dat in een dergelijk geval – en dus in dit geval – de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ertoe leidt dat binnen Nederland de bevoegdheid om kennis te nemen van een collectieve actie wordt verdeeld over de rechters in de verschillende arrondissementen waar de Partners zijn gevestigd, met als gevolg dat ieder van die rechters slechts bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vorderingen jegens Mercedes voor zover die zijn gericht tegen de Partners die in zijn arrondissement is gevestigd. Aanvaarding van dit betoog brengt mee dat het niet mogelijk is dat in gevallen als het onderhavige – zoals in de voorgaande alinea omschreven – één rechter kan kennisnemen van de collectieve actie als geheel, behoudens in het bijzondere geval dat alle leden van de achterban een vordering hebben op een ankergedaagde die in het arrondissement van de aangezochte rechter is gevestigd.
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen Mercedes c.s. onder meer naar de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU waaruit volgt, kort gezegd, dat een bundeling van vorderingen niet kan afdoen aan de op grond van Brussel I-bis te bepalen bevoegdheid van een gerecht. De internationale en relatieve bevoegdheid van een gerecht zou volgens hen op grond van die rechtspraak moeten worden beoordeeld alsof de leden van de achterban van een collectieve belangenbehartiger zelf een vordering zouden hebben ingesteld tegen meerdere gedaagden, waarvan er ten minste een in een andere lidstaat is gevestigd.
Dit standpunt lijkt me niet juist. Ten eerste kan de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU niet zonder meer worden toegepast op een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW, nu de bundeling van vorderingen in die zaken berustte op een cessie van de vorderingen van de oorspronkelijke schuldeisers aan de eiser. Dit verschilt fundamenteel van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. Daarin procedeert een belangenorganisatie als gezegd op grond van een eigen recht ter bescherming van de belangen van andere personen (zie hiervoor in 4.7). De wetgever is daarvan ook uitdrukkelijk uitgegaan bij de totstandkoming van de WAMCA wat betreft de relatieve bevoegdheid naar Nederlands recht (zie de passage uit de wetsgeschiedenis die hierna in 8.8 wordt aangehaald).
Ten tweede heeft de hiervoor in 4.24 besproken rechtspraak van het Hof van Justitie EU geen betrekking op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis, maar op art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis en art. 17 Brussel I-bis (het forum consumentis). Dit is van belang, omdat de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis een andere ratio heeft dan die bepalingen. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU dat de bevoegdheidsregel van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis berust op het bestaan van een bijzonder nauwe samenhang tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn. De bijzondere bevoegdheidsregel van art. 17 Brussel I-bis strekt tot bescherming van de consument die als zwakkere partij wordt beschouwd.
De ratio van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis is enkel van processuele aard. Die bepaling beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kent, overeenkomstig de hoofdregel van art. 4 onder 1 Brussel I-bis, bevoegdheid toe aan het gerecht van de woonplaats van een van de gedaagden. De bevoegdheid ten aanzien van de medegedaagden berust uitsluitend op een nauwe band tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vorderingen tegen de medegedaagden. Zoals kort aangestipt in 4.7 van de genoemde conclusie van A-G Ibili (zie ook hiervoor in 4.22), valt niet in te zien dat genoemde ratio van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis zou meebrengen dat voor het vaststellen van een nauwe band tussen de door een belangenorganisatie tegen verschillende gedaagden ingestelde vorderingen in een collectieve actie, vereist is dat de ‘onderliggende’ individuele vorderingen van de leden van haar achterban zich tegen dezelfde gedaagden zouden moeten richten.
Tot slot volgt uit het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak Apple onmiskenbaar dat een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW juist anders moet worden behandeld dan een bundeling van gecedeerde vorderingen. Het Hof van Justitie EU heeft, als al gezegd, in dat arrest geoordeeld dat gelet op de aard en de kenmerken van de collectieve actie van een gerecht niet kan worden verlangd dat het met het oog op de vaststelling van zijn relatieve bevoegdheid de achterliggende vorderingen van de benadeelden op het relevante aanknopingspunt – in die zaak: het Erfolgsort – onderzoekt (punt 66), dat de onmogelijkheid daartoe niet impliceert dat de bevoegdheidsregel van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis niet van toepassing is (punt 67), en dat in een collectieve actie zoals in die zaak aan de orde was, ieder internationaal bevoegd gerecht ook relatief bevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen (punt 68). Het Hof van Justitie EU heeft daarbij ook uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt met het geval van bundeling van gecedeerde vorderingen dat in de zaak CDC/Akzo Nobel aan de orde was. Dat betreft naar zijn oordeel een ander geval dat anders wordt behandeld (punt 63).
Uit het arrest kan worden afgeleid dat in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW de relatieve bevoegdheid van een gerecht zich steeds laat vaststellen zonder acht te slaan op de (vorderingen van de) benadeelden waarvoor in de collectieve actie wordt opgekomen, zolang vaststaat dat het aangezochte gerecht internationaal bevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen. Niet valt immers in te zien waarom dit uitsluitend zou gelden bij art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis. De bijzondere aard van de collectieve actie, die is om tot een efficiënte en effectieve behandeling en beslissing van massazaken te komen, vormt daarvoor voldoende rechtvaardiging. Die rechtvaardiging past naadloos bij de al genoemde ratio van Brussel I-bis in het algemeen en van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in het bijzonder om zoveel mogelijk een goede rechtsbedeling te bevorderen.
Wanneer het voorgaande als regel wordt toegepast in de onderhavige zaak, heeft het hof met juistheid geoordeeld dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen. De Nederlandse rechter is dan immers internationaal bevoegd om op grond van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis kennis te nemen van de vorderingen tegen Mercedes, gelet op het feit dat haar medegedaagden de Partners en de Importeur in Nederland zijn gevestigd. Ook de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam is dan gegeven, omdat elk gerecht in het arrondissement waarin een Partner is gevestigd, waaronder dus ook de rechtbank Amsterdam, relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen, ongeacht de vraag welk deel van de achterban van SEC van die Partner een voertuig heeft gekocht of geleased. Ik meen dat de overwegingen van het Hof van Justitie EU in zijn arrest in de zaak Apple dat oordeel kunnen dragen.
Het Hof van Justitie EU heeft echter, als gezegd, nog geen uitspraak gedaan over hoe art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moet worden toegepast met betrekking tot een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW. De hiervoor besproken rechtspraak van het hof heeft ook geen betrekking op de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. De zaak Apple kan hiernaast feitelijk worden onderscheiden van de onderhavige zaak, aangezien in die zaak de relevante aankopen hebben plaatsvonden in een virtuele ruimte, zodat de plaats van de aankoop door een individuele gebruiker niet kan worden bepaald, terwijl in de onderhavige zaak de aankopen hebben plaatsgevonden op fysieke verkooppunten, die theoretisch bezien per gebruiker kunnen worden bepaald. Het arrest gaat mede op dat aspect in.
Het is mogelijk dat het Hof van Justitie EU in de al meermalen genoemde kartelschadezaken meer duidelijkheid zal geven over de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bij een collectieve actie. Zoals in 3.19 van de conclusie van A-G Ibili wordt opgemerkt, wordt op korte termijn een uitspraak verwacht. In die zaken ligt echter niet uitdrukkelijk de prejudiciële vraag voor of de collectieve aard van de vorderingen van invloed is op de vaststelling van een nauwe band tussen de vordering op de ankergedaagde en de vorderingen op de in een andere lidstaat gevestigde medegedaagde, en ja, op welke wijze.
Gelet op het voorgaande kan in dit stadium worden geaarzeld over het antwoord op de vraag of sprake is van een acte clair of van een acte éclairé. Het antwoord op de vraag wat geldt, lijkt moeilijk anders te kunnen luiden dan zoals hiervoor is vermeld. Het Hof van Justitie EU heeft echter nog geen uitspraak in die zin gedaan. Daarom zou kunnen worden gedacht aan het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU op dit punt.
In verband daarmee wijs ik nog op een andere route.
Concentratie bij één gerecht op grond van het nationaal procesrecht?
De hiervoor in 4.29 omschreven problematiek laat zich namelijk ook op een andere wijze oplossen dan met het internationale bevoegdheidsrecht. Het Nederlandse procesrecht kent verschillende mogelijkheden om samenhangende zaken te concentreren bij één gerecht. In dit cassatieberoep moet worden aangenomen dat die concentratie niet mogelijk is op grond van de nationaalrechtelijke regels over relatieve bevoegdheid, zoals art. 107 Rv, nu het hiervoor in 4.27 omschreven uitgangspunt dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ook een relatief bevoegde rechter aanwijst, meebrengt dat die regels niet van toepassing zijn. Er zijn echter ook andere mogelijkheden om naar nationaal recht tot concentratie te komen. Zo maakt art. 220 Rv het mogelijk dat zaken over hetzelfde onderwerp of verknochte zaken door middel van verwijzing worden geconcentreerd bij één gerecht. Verder geldt onder de WAMCA het uitgangspunt dat collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenissen over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als één zaak, en dus voor één gerecht, worden afgedaan (art. 1018d lid 3 Rv). In hoeverre staat Brussel I-bis toe dat op grond van nationaal recht een geschil wordt onttrokken aan het op grond van die verordening internationaal en relatief bevoegde gerecht ten behoeve van de concentratie van gelijksoortige geschillen bij een ander gerecht in dezelfde lidstaat?
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU dat art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich er niet tegen verzet dat een lidstaat besluit om een bepaald soort geschillen aan één enkel gerecht toe te wijzen, dat dus bij uitsluiting bevoegd is, ongeacht de plaats waar de schade in die lidstaat is ingetreden. Een dergelijke concentratie van bevoegdheid bij één gespecialiseerde rechterlijke instantie kan volgens het Hof van Justitie EU gerechtvaardigd zijn in het belang van een goede rechtsbedeling.
Het Hof van Justitie EU heeft nog geen beslissing gegeven over de vraag of nationaal recht ook mag voorzien in concentratie van geschillen bij één gerecht ex post, dat wil zeggen nadat de desbetreffende vorderingen aanhangig zijn gemaakt bij de op grond van Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegde rechter. In de zaak Apple had de rechtbank Amsterdam ook hierover prejudiciële vragen gesteld, voor het geval dat het Hof van Justitie EU zou oordelen dat toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis ertoe leidt dat niet slechts één maar meerdere relatief bevoegde rechters in Nederland worden aangewezen, of dat een relatief bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen die slechts voor de vorderingen ten behoeve van een deel van de gebruikers bevoegd is, terwijl voor de vorderingen ten behoeve van een ander deel van de gebruikers andere relatief bevoegde rechters in Nederland bevoegd zijn. De rechtbank wenste voor die gevallen te vernemen of art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich verzet tegen de toepassing van nationaal procesrecht dat verwijzing naar één gerecht mogelijk maakt. De rechtbank had bij deze vragen art. 220 Rv op het oog.
A-G Campos Sánchez-Bordona heeft in zijn conclusie in deze zaak opgemerkt dat, gelet op de juist hiervoor genoemde vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU, art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich niet verzet tegen een Nederlandse regeling waarin is bepaald dat één enkel gerecht kennisneemt van alle collectieve vorderingen tot schadevergoeding die voortvloeien uit inbreuken op het mededingingsrecht. Art. 220 Rv voorziet echter in een concentratie van zaken als de zaken al aanhangig zijn bij verschillende gerechten, dus ex post. De A-G overweegt in dat verband dat een nationale regel die het resultaat van de toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis corrigeert door procedures die aanhangig zijn bij de krachtens die bepaling bevoegde gerechten ex post te concentreren bij één gerecht, in beginsel geen rekening houdt met het nuttig effect van die bepaling, waaraan het nationale recht geen afbreuk mag doen. Volgens de A-G kan een concentratiebepaling echter toelaatbaar zijn, wanneer zij bijdraagt aan een goede rechtsbedeling, die onder meer (i) de procesinrichting optimaliseert, (ii) tijd en totale kosten bespaart, en (iii) het risico op onsamenhangende of onverenigbare beslissingen vermindert. Het enkele feit dat de parallel lopende procedures betrekking hebben op collectieve vorderingen acht de A-G daarvoor echter onvoldoende. Het is volgens hem aan de nationale rechter om in elk afzonderlijk geval een afweging van genoemde belangen te maken, teneinde te bepalen of het vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling de beste oplossing is om de procedures te concentreren. Het Hof van Justitie EU is, gelet op zijn hiervoor in 4.6 weergegeven oordeel, niet aan beantwoording van de vragen toegekomen.
Het hof Amsterdam heeft in de al meermalen genoemde kartelschadezaken een vergelijkbare prejudiciële vraag gesteld, namelijk of er bij toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ruimte bestaat voor verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat. Het hof heeft hierbij specifiek de situatie op het oog dat er geen nauwe band kan worden vastgesteld met de vordering tegen de ankergedaagde, maar wel met een vordering tegen een andere verweerder in dezelfde lidstaat en wenst te vernemen of de zaak zonder de mogelijkheid van verwijzing opnieuw moet worden aangebracht bij het gerecht van de woonplaats van die andere verweerder binnen dezelfde lidstaat (waarna dus verwijzing ex art. 220 Rv zou kunnen volgen). A-G Kokott heeft deze vraag als volgt beantwoord (voetnoten weggelaten):
“96. Daarbij aansluitend wenst de verwijzende rechter met vierde vraag, onder c, te vernemen of er bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening ruimte bestaat voor interne verwijzing tussen rechters van de betrokken lidstaat wanneer de aangezochte rechter niet bevoegd is voor de vordering jegens de ankergedaagde.
97. De Brussel I bis-verordening heeft enkel betrekking op de internationale bevoegdheid en de erkenning van beslissingen, maar niet op de nationale procesregels van de lidstaten. Bijgevolg moet dienaangaande te rade worden gegaan bij de nationale regelgeving die door de aangezochte rechter moet worden toegepast, voor zover de toepassing daarvan geen afbreuk doet aan het nuttig effect van de Unierechtelijke bevoegdheidsregels. Bijgevolg kan een rechter die zich onbevoegd heeft verklaard, gebruikmaken van de door zijn nationale procesrecht geboden mogelijkheid tot verwijzing, voor zover daarmee de effectieve handhaving van de Brussel I bis-verordening niet wordt belemmerd.
98. Al met al moet de vierde vraag bijgevolg aldus worden beantwoord dat er bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening slechts één verweerder met woonplaats in het rechtsgebied van de aangezochte rechter ankergedaagde kan zijn, aangezien deze bepaling niet alleen de internationale, maar ook de relatieve bevoegdheid rechtstreeks regelt. Dit staat niet in de weg aan interne verwijzing naar een andere rechter van dezelfde lidstaat, voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de effectieve handhaving van deze verordening.”
Het Hof van Justitie EU heeft, zoals al gezegd, in die zaken nog geen uitspraak gedaan.
In samenhang gelezen, kan uit beide conclusies worden afgeleid dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis zich niet verzet tegen de concentratie van geschillen bij één gerecht in een lidstaat, mits die concentratie bijdraagt aan een goede rechtsbedeling en geen afbreuk doet aan de effectieve handhaving van de verordening. Aan de eerste eis zal mijn inziens steeds zijn voldaan in collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW voor dezelfde gebeurtenis(sen) over dezelfde feitelijke en rechtsvragen. De tweede eis laat zich wat minder vlotjes vervullen, nu de ex post concentratie van geschillen bij een bepaald gerecht tot gevolg heeft dat een of meerdere geschillen worden onttrokken aan de door de verordening als internationaal en relatief bevoegd aangewezen gerechten. De door A-G Campos Sánchez-Bordona verlangde rechtvaardiging daarvoor is, naar ik meen, echter zonder meer aanwezig bij collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW voor dezelfde gebeurtenis(sen) over dezelfde feitelijke en rechtsvragen.
De mogelijkheid van ex post concentratie op grond van art. 220 Rv lost het probleem echter maar ten dele op. De belangenorganisatie zal nog steeds meerdere collectieve acties aanhangig moeten maken bij verschillende gerechten, met alle tijd, moeite en kosten van dien. Pas daarna kunnen de acties tot één zaak worden samengevoegd door middel van art. 220 Rv. In recente lagere rechtspraak (van na de conclusie van A-G Campos Sánchez-Bordona maar vóór het arrest in de zaak Apple) is in het kader van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (daarom) wel geoordeeld dat het verweer dat de aangezochte rechter relatief onbevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen, wordt gepasseerd wegens strijd met de goede procesorde en de plicht van de rechter uit hoofde van art. 20 lid 1 Rv om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure, omdat niet van de eiser kan worden verwacht dat hij procedures verspreid over Nederland aanhangig maakt, terwijl op grond van art. 220 Rv de procedures nadien kunnen worden verwezen naar één rechtbank.
De beschrijving van deze route leidt mij wat betreft dan ook eens te meer tot de uitkomst dat de juistheid van het hiervoor in 4.29 genoemde betoog van Mercedes niet kan worden aanvaard en dat bij art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moeilijk anders kan worden geoordeeld dan in het arrest in de zaak Apple is gebeurd.
Ook subonderdeel 1.4 valt dus ongegrond te oordelen.
Bespreking subonderdelen 1.5-1.7
Subonderdeel 1.5 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 derde alinea dat als vereist voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is en dat met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, gelet op de (door Mercedes aangedragen) verschillen in feitelijke grondslag, rechtsgrondslag en ingeroepen rechtsgevolg tussen enerzijds de vorderingen tegen Mercedes en anderzijds de vorderingen tegen de Partners, onder wie [eiseres 4] en [D] . Voor zover het hof één of meer van de in rov. 4.7-4.8 beschreven maatstaven – waaronder de regel dat de bevoegdheidsgrond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis eng moet worden uitgelegd – heeft miskend, is zijn oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.
Verder klaagt het subonderdeel dat de overweging van het hof in rov. 4.10 derde zin dat de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat met de gegrondheid van het aan Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de voertuigen, onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat als het genoemde verwijt aan Mercedes zou opgaan, daarmee niet is gezegd dat de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] gegrond zouden zijn. Ook als deze overweging juist en begrijpelijk zou zijn, zou zij niet (althans, niet voldoende) aan de zojuist aangevoerde klachten afdoen, aldus het subonderdeel.
Tot slot voert het subonderdeel aan dat de overweging van het hof in rov. 4.10 vijfde zin dat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord moeten worden, niet aan de gegrondheid van de klachten in de weg staat, omdat niet kan worden gezegd dat als gevolg van deze beperkte overlap wel een nauw verband als bedoeld in art. 8 Brussel I-bis zou bestaan.
In 3.7-3.8 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is uiteengezet hoe moet worden vastgesteld of een nauwe band als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bestaat tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vordering tegen de in een andere lidstaat gevestigde medegedaagde. Voor de leesbaarheid haal ik de voor de behandeling van het subonderdeel relevante passages aan (met de bijbehorende voetnoten):
“3.7 (…) Art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening. Aangezien art. 8 sub 1 Brussel I-bis afwijkt van de hoofdregel van rechtsmacht in art. 4 lid 1 Brussel I-bis, moet deze bijzondere bevoegdheidsregel strikt worden uitgelegd. Deze uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist dat tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil (dat wil zeggen: de uitkomst van de procedure). Daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Immers, alleen in situaties die feitelijk en rechtens hetzelfde zijn, bestaat het risico dat bij een gefragmenteerde behandeling van nauw met elkaar samenhangende vorderingen door gerechten in verschillende lidstaten beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende om de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te rechtvaardigen. Het artikel vereist niet dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders dezelfde rechtsgrondslag hebben, maar dit kan wel een relevante omstandigheid zijn. (…)
De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens zoals bedoeld in (de rechtspraak van het HvJ EU over) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dient te worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. (…)”
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, en om daarbij rekening te houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier.
Het hof is uitgegaan van de juiste maatstaf, naar volgt uit rov. 4.7 en rov. 4.10 eerste zin. Tegen die overwegingen wordt in cassatie ook niet opgekomen (vergelijk het middel onder 60 en 74). Het hof heeft, anders dan het middel aanvoert, ook de juiste maatstaf gehanteerd bij de toepassing van de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in rov. 4.10. Het hof heeft geoordeeld dat tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervorderingen tegen Auto Köckü en [D] een zodanige verhouding bestaat dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen een gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen in de zin van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Dit heeft het hof gemotiveerd door erop te wijzen dat de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat met de gegrondheid van het aan Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de voertuigen, en dat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord moeten worden. Volgens het hof is daarom in voldoende mate sprake van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven, aldus het hof.
Hieruit blijkt dat het hof heeft onderzocht of tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vordering tegen Mercedes een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Onjuist, noch onbegrijpelijk is dat het hof die samenhang heeft gegrond op de omstandigheid dat de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde afhankelijk is van de toewijsbaarheid van de vordering tegen Mercedes en dat aan beide vorderingen gemeenschappelijke (voor)vragen moeten worden beantwoord. Het hof heeft daarbij uitdrukkelijk gerespondeerd op de door Mercedes c.s. aangevoerde verschillen tussen beide vorderingen, en op begrijpelijke wijze geoordeeld dat die echter niet afdoen aan de aanwezige samenhang op de genoemde punten. Met zijn oordeel dat “in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is” (rov. 4.10 derde alinea, eerste zin), heeft het hof tot slot tot uitdrukking gebracht dat de samenhang tussen beide vorderingen ook voldoende is voor het aannemen van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Ook dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Er bestaat immers een zeer nauwe band tussen het verwijt aan Mercedes en de gestelde non-conformiteit van de voertuigen bij het kopen en het leasen daarvan.
De klacht van het subonderdeel die specifiek is gericht tegen rov. 4.10 derde zin faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest, nu het hof daar niet oordeelt dat, als het aan Mercedes gemaakte verwijt opgaat, de vorderingen tegen de potentiële ankergedaagden op die grond alleen kunnen worden toegewezen.
Het subonderdeel faalt dus.
Subonderdeel 1.6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 laatste alinea dat het voor Mercedes voorzienbaar was dat zij zou kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder die in Amsterdam. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel en de daarmee samenhangende overwegingen onjuist zijn, althans onbegrijpelijk, omdat Mercedes niet hoefde te voorzien dat zij met een vordering als de onderhavige voor de rechter in Amsterdam zou worden gedagvaard, en in ieder geval niet met een vordering die strekt tot behartiging van de belangen van personen die voertuigen hebben gekocht bij anderen dan [eiseres 4] en [D] .
In 3.12-3.19 van genoemde conclusie van A-G Ibili wordt uiteengezet dat voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet als zelfstandige voorwaarde geldt dat het voor de buitenlandse medegedaagde voorzienbaar moet zijn geweest dat zij kon worden gedagvaard in de lidstaat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft. Het oordeel van het hof in rov. 4.10 laatste alinea draagt daarom niet zijn beslissing. Het subonderdeel berust hiernaast op dezelfde onjuiste rechtsopvatting over art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis als subonderdeel 1.4. Ook dit subonderdeel kan dus niet tot cassatie leiden.
Subonderdeel 1.7 bevat een voortbouwklacht die geen bespreking behoeft.
5. Onderdeel 2: toepasselijk collectieve actieregime
Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.15-4.19 dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, worden beheerst door de WAMCA. Mercedes c.s. stellen uitdrukkelijk niet het oordeel van het hof aan de orde dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW (zie onder 91 van het middel).
Het onderdeel bevat elf subonderdelen. Deze hebben alle betrekking op het overgangsrecht bij de WAMCA en de toepassing daarvan door het hof in deze zaak. Voordat de klachten van de subonderdelen worden besproken, wordt hierna eerst stilgestaan bij het overgangsrecht. Omdat dit recht, zoals geregeld en toegelicht door de wetgever, de nodige vragen oproept en de kwestie voor de praktijk van wezenlijk belang is (zoals ik hierna zal toelichten), ga ik nogal uitvoerig daarop in.
Het belang van het overgangsrecht
Zoals hiervoor in 3.2 al aan de orde kwam, houdt de op 1 januari 2020 in werking getreden WAMCA een ingrijpende wijziging van art. 3:305a BW in, alsmede de toevoeging aan Boek 3 Rv van een nieuwe Titel 14A met procesrecht. Door een en ander is het als gezegd mogelijk geworden om bij een collectieve actie een veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan gedupeerden te laten uitspraken door de rechter. Daarvoor geldt nu een bijzondere in genoemde titel geregelde procedure.
In deze wijzigingen is het belang van het overgangsrecht bij de WAMCA in de allereerste plaats gelegen. Onder het collectieve actieregime zoals dat voorheen gold – en krachtens het overgangsrecht voor sommige gevallen nog steeds geldt –, bestaat een verbod op het vorderen van schadevergoeding in geld voor anderen, dus voor de collectiviteit voor wie wordt opgetreden, met andere woorden voor degenen voor wie de vorderingen door de belangenorganisatie worden ingesteld (art. 3:305a lid 3 (oud) BW). Een belangenorganisatie kan onder het oude regime, wat betreft eventuele schadevergoeding voor de gedupeerden voor wie zij in rechte opkomt (haar achterban), slechts een verklaring voor recht vorderen dat de gedaagde aansprakelijk is voor de schade van die gedupeerden. In het geval dat het tussen partijen tot een schikking komt over de betaling van schadevergoeding aan haar achterban, kan die schikking op grond van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM) algemeen verbindend worden verklaard. Andere middelen tot het collectief verkrijgen van schadevergoeding bestaan er onder het oude regime niet.
Hiermee is overigens niet gezegd dat een belangenorganisatie altijd gebaat is bij de toepasselijkheid van de WAMCA. Zoals hiervoor in 3.2 vermeld, zijn de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties voor het instellen van een collectieve vordering onder de WAMCA juist vergaand aangescherpt ten opzichte van het oude regime. Belangenorganisaties moeten in beginsel aan allerlei deugdelijkheids- en representativiteitseisen voldoen, die staan opgesomd in art. 3:305a leden 1-3 BW (zie voor een uitzondering art. 3:305a lid 6 BW). Zij moeten zich bovendien binnen beperkte tijd melden, op straffe van niet-ontvankelijkheid (art. 1018d leden 1 en 2 Rv).
Bovendien wordt één van de eisende belangenorganisaties als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, die de proceshandelingen in de procedure verricht en die de overige eisende belangenorganisaties vertegenwoordigt (wat overleg met hen veronderstelt). De overige eisende belangenorganisaties blijven wel procespartij en mogen ook proceshandelingen verrichten, maar alleen als de rechter dat heeft bepaald (art. 1018e lid 3 Rv).
Algemene uitgangspunten van overgangsrecht
Een nieuwe wet heeft als hoofdregel zogeheten onmiddellijke werking. Onmiddellijke werking houdt in dat een nieuwe wet van toepassing is vanaf het moment van haar inwerkingtreding. De wet is daardoor niet alleen van toepassing op nieuwe gevallen – die zich voordoen ná haar inwerkingtreding –, maar ook op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Dat is alleen anders als het bij een wet opgenomen overgangsrecht anders inhoudt. Een en ander staat met zoveel woorden in aanwijzing 5.61 lid 1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en is specifiek met betrekking tot het BW bepaald in art. 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW). Onmiddellijke werking is dus uitgangspunt en afwijking daarvan moet blijken uit een bijzondere bepaling.
Wanneer onmiddellijke werking onwenselijk is, kan de wetgever in een overgangsrechtelijke regeling bij een wet kiezen voor eerbiedigende of uitgestelde werking van de nieuwe wet. Eerbiedigende werking houdt in dat het oude recht blijvend van toepassing is op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend gelding toekomt aan door het oude recht in het leven geroepen rechten of verplichtingen (aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Bij uitgestelde werking is het effect niet blijvend maar geldt dat voor een bepaalde periode (eveneens aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Volgens de toelichting op aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving kan eerbiedigende of uitgestelde werking wenselijk zijn als de nieuwe wet afbreuk zal doen aan verwachtingen die onder het oude recht zijn ontstaan.
Van terugwerkende kracht is formeel gesproken alleen dan sprake wanneer de rechtsgevolgen van de nieuwe wet intreden vóór haar inwerkingtreding. Het verlenen van terugwerkende kracht aan een nieuwe wet is aan nationaalrechtelijke en internationaalrechtelijke beperkingen onderhevig. Aanwijzing 5.62 lid 1 van de Aanwijzingen van de regelgeving bepaalt dan ook dat aan een wet slechts terugwerkende kracht wordt verleend als daarvoor een bijzondere reden bestaat.
In de context van het procesrecht brengt onmiddellijke werking mee dat een nieuwe wet vanaf de datum van haar inwerkingtreding van toepassing is op alle lopende en nog aan te vangen procedures. Het is duidelijk dat het eerste – toepassing op lopende procedures – onwenselijk kan zijn, want tot verstoringen in de procesvoering kan leiden. Voor het civiele procesrecht is het dan ook gebruikelijk om met betrekking tot wijzigingen te bepalen dat het oude recht van toepassing blijft op aanhangige procedures, zo lang de lopende instantie duurt. Dit is een vorm van eerbiedigende werking, die voorkomt dat hangende een instantie in een procedure het daarop toepasselijke procesrecht wijzigt.
Voor het materiële recht is het beeld minder eenvormig. Hoewel art. 68a lid 1 ONBW, zoals gezegd, onmiddellijke werking tot uitgangspunt neemt, heeft de wetgever bij de invoering van het nieuwe BW telkens per bepaling “afgewogen wat voor het rechtsleven de beste keuze lijkt, en of de voordelen van het nieuwe recht in het concrete geval wel opwegen tegen het belang van degenen wier rechtsverhouding nog onder het oude recht begon en die op de handhaving daarvan rekenden”. Dit heeft geresulteerd in een betrekkelijk groot aantal specifieke overgangsrechtelijke bepalingen in de ONBW, die in meer of mindere mate afwijken van de hoofdregel van onmiddellijke werking.
Totstandkoming WAMCA overgangsrecht
Het oorspronkelijke wetsvoorstel van de WAMCA bevatte geen overgangsrecht, zodat die wet onmiddellijke werking zou hebben. Het overgangsrecht bij de WAMCA lijkt voor het eerst aan de orde te zijn gesteld in een brief van VNO-NCW, MKB-Nederland en de Consumentenbond aan de Tweede Kamer van 20 december 2016, waarin werd gevraagd om een verduidelijking van het overgangsrecht, nu daarover in het wetsvoorstel en de toelichting niets was bepaald. Bij de behandeling van het wetsvoorstel door de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 28 december 2016 hebben de SP- en CDA-fracties de regering gevraagd om op die brief te reageren.
Bij nota van wijziging heeft de minister hierna een bepaling van overgangsrecht in het wetsvoorstel opgenomen. Deze bepaling hield in dat aan de ONBW een nieuw art. 119a wordt toegevoegd, dat bepaalt dat, in afwijking van de art. 68a en 74 leden 2-4 ONBW, voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de art. 3:305a-305d BW en die is ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van de wet, de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum. Voorts werd in art. III lid 2 van het gewijzigd voorstel bepaald dat de procesrechtelijke bepalingen van de WAMCA – die zijn vervat in Titel 14A van Boek 3 Rv – uitsluitend van toepassing zijn op gedingen waarin de procesinleiding is ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de WAMCA. De keuze voor dit overgangsrecht heeft de minister als volgt toegelicht:
“Het nieuw voorgestelde artikel III regelt het overgangsrecht voor het gewijzigde artikel 3:305a BW en de nieuw voorgestelde titel 14a in Rechtsvordering. In het voorstel was geen overgangsrecht opgenomen.
Voor de wijziging van artikel 3:305a BW geldt zonder afzonderlijk overgangsregeling de Overgangswet Nieuw BW. Die bevat in artikel 68a en 74 bepalingen van overgangsrecht die in beginsel ook van toepassing zijn op een wijziging van artikel 3:305a BW. Uitgangspunt is daarbij onmiddellijke werking. In artikel 74 is voorzien in een mogelijkheid van aanvulling van stellingen door partijen in een aanhangig geding aan de nieuwe wet. Alleen als de zaak in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen is, blijft volgens artikel 74 lid 3 het oude recht van toepassing. Dit zou betekenen dat belangenbehartigers in aanhangige 3:305a-procedures opeens aan strengere wettelijke eisen moeten voldoen dan waar zij bij het starten van de procedure rekening mee moesten houden. De ontvankelijkheidseisen in artikel 3:305a BW zijn grotendeels een codificatie van een aantal bepalingen uit de Claimcode, die door rechters steeds meer lijkt te worden toegepast als toets voor de ontvankelijkheid van een belangenbehartiger. Het lijkt niet redelijk om de spelregels voor belangenbehartigers hangende een collectieve actie te veranderen. Ik heb daarom gekozen voor afwijking van de hoofdregel van de Overgangswet Nieuw BW en voor toepassing uitsluitend op nog te starten collectieve procedures. Daartoe bevat artikel III een wijziging van de Overgangswet Nieuw BW. In een nieuw in te voegen artikel 119a is geregeld dat voor collectieve rechtsvorderingen die zijn ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van de wet, ook de voorwaarden voor het instellen van voor inwerkingtreding blijven gelden.
Ook voor de bepalingen van de nieuw voorgestelde titel 14A is overgangsrecht nodig. Onmiddellijke werking zou vragen oproepen over hoe de nieuwe procedure moet worden toegepast als er al een collectieve vordering voor een bepaalde gebeurtenis aanhangig is gemaakt. In artikel III is daarom bepaald dat de nieuwe procedure alleen van toepassing op procesinleidingen die op of na inwerkingtreding van de wet worden ingediend. Op aanhangige gedingen blijft dus het oude recht van toepassing.”
Het voorgestelde overgangsrecht hield dus in dat de WAMCA eerbiedigende werking heeft voor het voorheen bestaande recht met betrekking tot collectieve vorderingen die bij de inwerkingtreding van die wet al waren ingesteld.
Dit overgangsrecht heeft in de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie tot vragen en opmerkingen geleid, die als volgt in het nader verslag zijn vermeld:
“De leden van de VVD-fractie zien nog een onduidelijkheid in het overgangsrecht. De voorgestelde overgangsregel neemt als leidend criterium het aanhangig zijn van een collectieve actie ten tijde van inwerkingtreding van de wet. Hoe kan zo voorkomen worden dat met betrekking tot één en dezelfde gebeurtenis straks zowel een actie «oude stijl» als een actie «nieuwe stijl» aanhangig is?
Dezelfde vraag geldt voor die massaschadezaken waarin wordt geprocedeerd zonder dat daarbij het instrument van artikel 3:305a BW is gehanteerd. Geldt voor bij dergelijke acties betrokken partijen niet dat het onredelijk zou zijn als gedurende hun procedures plotseling de spelregels worden gewijzigd en een exclusieve belangenbehartiger wordt benoemd die hen in feite overbodig maakt? Hoe wordt dit voorkomen?
Voornoemde leden vragen of deze problematiek te voorkomen is door in plaats van voor het overgangsrecht aan te knopen bij het tijdstip van aanhangigheid van een collectieve actie, het tijdstip waarop de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft beslissend te laten zijn?
De leden van de CDA-fractie vinden een bepaling van overgangsrecht een welkome aanvulling op het wetsvoorstel gezien de hoofdregel in de Overgangswet Nieuw BW in gevallen van zaken over massaschade tot onduidelijke situaties zou hebben geleid. Naar aanleiding hiervan vragen deze leden of het mogelijk is voor deelnemers aan een zaak gestart op basis van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel ook een collectieve actie kunnen starten of dat men de WCAM-procedure moet doorlopen nu op het aanhangige geding het oude recht van toepassing blijft.”
In de literatuur zijn vergelijkbare vragen gesteld bij de voorgestelde regeling. In een NJB-artikel dat in dezelfde periode verscheen, heeft J.S. Kortmann betoogd dat het tijdstip van de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft, doorslaggevend moet zijn, omdat daarmee wordt voorkomen dat de wetswijziging op onredelijke wijze ingrijpt in lopende massaschadezaken. Daarvoor zou naar zijn mening inspiratie kunnen worden geput uit ervaringen met vergelijkbare regelingen in het buitenland, zoals die van het Belgische en Engelse recht. Naast de door de VVD aangehaalde bezwaren, wees hij onder meer erop dat de “tussentijdse verandering van de ‘spelregels’” onaangename consequenties kan hebben voor gedaagden, omdat het nieuwe regime er immers toe zou kunnen leiden dat “massaschadezaken die onder het huidige recht tot geen of hooguit enkele individuele schadevergoedingsacties aanleiding geven, opeens het onderwerp worden van een alomvattende collectieve schadevergoedingsactie ‘nieuwe stijl’”.
De minister zag in een en ander geen reden om het overgangsrecht aan te passen. Dat een eiser die een collectieve actie ‘oude stijl’ heeft ingesteld, met betrekking dezelfde gebeurtenis na de inwerkingtreding van de WAMCA een collectieve actie ‘nieuwe stijl’ instelt, noemde de minister onwenselijk, maar zou zich naar zijn oordeel laten oplossen door regievoering door de rechter. Zo kan een rechter, naar hij opmerkte, de collectieve actie ‘nieuwe stijl’ aanhouden totdat in de collectieve actie ‘oude stijl’ een verklaring voor recht is uitgesproken omtrent de aansprakelijkheid van de gedaagde. Verder verwachtte de minister niet dat de WAMCA massaschadezaken waarin wordt geprocedeerd met gebruikmaking van andere instrumenten zoals volmacht, op ongeoorloofde wijze zou doorkruisen. Tot slot vond de minister de keuze om de toepassing van de WAMCA te beperken tot gebeurtenissen die na de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden, ‘lastig te rechtvaardigen’:
“Voornoemde leden vragen of deze problematiek te voorkomen is door in plaats van voor het overgangsrecht aan te knopen bij het tijdstip van aanhangigheid van een collectieve actie, het tijdstip van de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft, beslissend te laten zijn. Voor zover deze leden doelen op de keuze om de toepassing van de wet te beperken tot de gebeurtenissen die na de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden, vind ik dat lastig te rechtvaardigen. Het wetsvoorstel biedt een gecoördineerde en efficiënte procedure met waarborgen voor een collectieve afwikkeling. Ook voor schadeveroorzakende gebeurtenissen uit het verleden is wenselijk dat deze op een goede manier kunnen worden afgewikkeld. Het zou jammer zijn als de problemen die dit wetsvoorstel oplost, zich jaren kunnen blijven voortslepen omdat gebeurtenissen toevallig voor de inwerkingtreding hebben voorgedaan. Een dergelijke gang van zaken doet ook geen recht aan de jarenlange voorbereiding die aan dit wetsvoorstel vooraf is gegaan. Sinds de aanname van de motie in 2011 is over een voorontwerp geconsulteerd en is meermalen gesproken met zowel vertegenwoordigers van gedupeerden als aangesproken partijen. Er is meerdere malen advies gevraagd aan de Raad voor de rechtspraak en aan verschillende adviescommissies. Ook zijn er twee stakeholdersbijeenkomsten georganiseerd en zijn aanbevelingen overgenomen van praktijkjuristen die zowel aangesproken als gedupeerde partijen vertegenwoordigen.
In het voorstel is met betrokkenheid van vele stakeholders gestreefd naar een balans tussen het belang van gedupeerden om hun rechten te kunnen verwezenlijken en het belang van aangesproken partijen om beschermd te worden tegen ongefundeerde of lichtvaardige massaclaims. Ik meen dat het voorstel in de huidige vorm een evenwichtige en redelijke regeling
biedt. Ik zie geen noodzaak deze procedure aan bepaalde partijen te onthouden. Daar zijn voornoemde betrokkenen ook niet vanuit gegaan. Dat neemt niet weg dat ik nauwlettend zal blijven volgen of deze balans ook in de toekomst in stand blijft. Om de uitwerking van het wetsvoorstel in de praktijk te volgen en zo nodig bij te sturen heb ik in de eerste nota van wijziging een evaluatiebepaling toegevoegd. Door het verplichte register voor collectieve procedures wordt het volgen van deze zaken vergemakkelijkt.”
Amendement van het lid Van Gent c.s.
Op 20 december 2018 hebben VVD-lid Van Gent, SGP-lid Van der Staaij en CDA-lid Van Dam een amendement ingediend dat strekt tot wijziging van het overgangsrecht (hierna: het Amendement). Het Amendement handhaaft de door de minister voorgestelde regel dat voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de art. 3:305a-305d BW die is ingesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de WAMCA, de voorwaarden van toepassing blijven van het oude recht. Hieraan voegt het Amendement echter toe dat, in afwijking van art. 68a ONBW, voor een dergelijke rechtsvordering die is ingesteld op of na de datum van inwerkingtreding van de wet, de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016:
“1. In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor [datum inwerkingtreding wet] de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.
2. In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na [datum inwerkingtreding wet] de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.”
Het Amendement wijzigde het overgangsrecht voor de nieuwe Titel 14A van Boek 3 Rv voorts aldus dat die titel van toepassing is op gedingen waarin de procesinleiding is ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet én die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Art. III lid 2 WAMCA zou hierdoor moeten gaan luiden:
““Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”
De toelichting op het Amendement luidt als volgt:
“Dit amendement verbetert het overgangsrecht.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals de regering dat op 15 november 2016 naar de Kamer heeft gestuurd, bevatte geen overgangsrecht. Hierop is veel kritiek gekomen. De regering heeft er daarom voor gekozen op 11 januari 2018 per nota van wijziging een beperkte vorm van overgangsrecht in te voegen. De indieners vinden deze wijziging een stap in de goede richting, maar zijn van mening dat het overgangsrecht verder kan worden verbeterd.
Op grond van het huidige wetsvoorstel (zoals gewijzigd in de eerste nota van wijziging) kunnen tot in lengte van dagen vorderingen worden ingediend met gebruikmaking van het nieuwe recht naar aanleiding van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, voor zover geen sprake is van verjaring. Dat levert een onterechte verruiming op van de bevoegdheden voor eisende partijen, terwijl de verwerende partij onmogelijk met gebruikmaking van dit instrument door de eiser rekening had kunnen houden. Deze vorm van overgangsrecht staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Bedrijven, organisaties of andere partijen hebben immers geen mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de komst van de nieuwe wet als deze ook van toepassing is op oude gebeurtenissen. Bovendien ontstaat de theoretische mogelijkheid dat verschillende rechtsvorderingen op grond van verschillende regimes door elkaar gaan lopen als er reeds een procedure op grond van het oude recht aanhangig is. Zolang onduidelijk is welk recht op welke situatie van toepassing is, zal dit extra juridische procedures in de hand werken. Om deze redenen roept het overgangsrecht, zoals voorgesteld door de regering, meer problemen op dan dat het duidelijkheid creëert.
Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dat is de datum dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie kunnen weten dat de nieuwe wet eraan komt. Als iemand een massaschadeprocedure wil beginnen wegens een gebeurtenis die vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden, kan dat op basis van de wet zoals die toen gold. Bij een procedure wegens een gebeurtenis die op of ná die datum heeft plaatsgevonden geldt de wet zoals die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal komen te gelden. In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
De voordelen van deze vorm van overgangsrecht, ten opzichte van het overgangsrecht zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, is dat het rechtszekerheidsbeginsel beter wordt gewaarborgd. Bovendien wordt de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes kleiner. Tot slot sluit deze vorm van overgangsrecht beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.”
Het Amendement stoelt blijkens het slot van deze toelichting dus op drie gedachten: (i) de rechtszekerheid van gedaagde partijen, die in de visie van de indieners meebrengt dat de wet niet van toepassing moet zijn op gebeurtenissen die zich voor 15 november 2016 hebben voorgedaan – wat de datum is waarop gedaagde partijen met het wetsvoorstel bekend hadden kunnen raken –, (ii) de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes (namelijk het nieuwe en het oude recht) met betrekking tot één en dezelfde gebeurtenis is kleiner, en (iii) het overgangsrecht sluit zo beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.
Uit de toelichting op het Amendement en ook uit de algemene beraadslaging over het wetsvoorstel blijkt dat voor de indieners met name van belang was dat, hoewel het wetsvoorstel alleen procesrechtelijk van aard is en geen wijziging van het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht met zich brengt (zie daarvoor hiervoor in 3.3), de verruiming van de bevoegdheden van belangenorganisaties een materiële – en dan met name feitelijk financiële – impact kan hebben op gedaagde partijen, zodat toepassing van de WAMCA op feiten uit het verleden niet gerechtvaardigd is en moet worden voorkomen. Zo is bij die beraadslaging opgemerkt:
“De heer Van Gent (VVD):
(…)
Wij zijn ook van mening dat het wetsvoorstel dat vandaag wordt ingediend geen terugwerkende kracht mag hebben. Daarom stelt het tweede amendement dat de VVD samen met de SGP en het CDA heeft ingediend dat enkel schade veroorzaakt door gebeurtenissen die na 15 november 2016,
de dag waarop de wet naar de Kamer is gestuurd, in aanmerking kan komen voor een massaschadeclaim op grond van deze nieuwe wet. Dat schept niet alleen rechtszekerheid, maar voorkomt ook dat er meerdere procedures door elkaar lopen.”
“De heer Van Dam (CDA):
(…)
Voorzitter. Wij steunen voor een groot deel de amendementen van de VVD, maar hebben nog een enkele opmerking over het amendement over het overgangsrecht. Ja, het is zo dat over het algemeen materieel recht pas wijzigt op de datum dat de wet in werking treedt en dat formeel recht
met terugwerkende kracht bepalend is. Als je nu in het Wetboek van Strafvordering iets verandert, geldt dat ook voor de op te lossen moord die jaren geleden is gepleegd. Dat adagium geldt natuurlijk ook bij dit verhaal. Bij rechtsbescherming is het tegelijkertijd natuurlijk zo dat het heel erg belangrijk is dat individuele burgers — dat is ook de charme van dit wetsvoorstel — een uitgebreide rechtsbescherming hebben. Wij vinden dat ook bedrijven een bepaalde vloer moeten hebben om op te kunnen staan, willen ze zaken kunnen doen. Deze wetgeving is ook wereldwijd zeer ruim in de toepassing om mensen middelen te geven om massaschades op te pakken en voor de rechter te brengen. Het klopt dat het formeel recht is, maar het betekent materieel wel degelijk wat voor de financiële risico's die bedrijven kunnen lopen. In dat kader spreken wij steun uit voor dit amendement van de VVD, wetende dat de bestaande wetgeving gewoon van toepassing is op casussen van voor 15 november 2016.”
“De heer Van der Staaij (SGP):
(…)
Collega Van Gent heeft een aantal amendementen ingediend. (…) Dan is er het amendement op het terrein van de ideële doelen, de zogenaamde opt-in, en tot slot dat over het overgangsrecht, waarover zich zojuist de meest uitgebreide discussie ontspon. Ik denk dat het duidelijk is dat je in feite een keuze maakt en dat er niet per se dwingende argumenten zijn om voor het een of het ander te kiezen. Voor elke keuze kan je ook weer argumenten aanvoeren. Dat geef ik graag toe. Of je kan zeggen: materieel verandert er niks, dus waarom ga je niet zo snel mogelijk terug? Je kan ook zeggen — de SGP-fractie geeft daar ook het zwaarste gewicht aan — dat het hoe dan ook toch gaat om de rechtszekerheid van betrokken partijen. Daar zijn ook financiële belangen mee gemoeid. Wij vonden het eigenlijk wel een mooie tussenweg om de lijn te kiezen die door collega Van Gent in het amendement op stuk nr. 13 is verwoord. Vandaar dat wij dit amendement mede hebben getekend.”
De minister heeft tijdens de algemene beraadslaging over het wetsvoorstel geen voorkeur uitgesproken voor de door hem voorgestelde overgangsregeling of het Amendement, en de keuze aan de Tweede Kamer gelaten:
“Minister Dekker:
(…)
Dan is er een amendement ingediend — het amendement onder nr. 13 van de VVD, het CDA en de SGP — dat eigenlijk die overgangsbepaling nog verder wil aanscherpen. De nieuwe procedure is dan alleen van toepassing voor gebeurtenissen vanaf 15 november 2016, het moment van indiening van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel biedt voordelen ten opzichte van de huidige praktijk. Je kan dus aan de ene kant redeneren dat het eigenlijk jammer is dat zaken van voor die datum daar niet voor in aanmerking komen en dat daarvoor de oude procedure moet worden gevolgd. Aan de kant kan je kiezen voor zekerheid voor alle partijen, ook partijen die worden aangesproken op de schade, zodat ze helderheid hebben dat het vanaf een bepaalde datum ingaat. Uiteindelijk vind ik dat een keuze die aan de Kamer is. Daarom wil ik dit amendement oordeel Kamer geven.”
Het Amendement is hierna aangenomen.
Wijziging overgangsrecht naar aanleiding van Richtlijn (EU) 2020/1828
Na de inwerkingtreding van de WAMCA is het overgangsrecht bij die wet nog gewijzigd in verband met de implementatie van de hiervoor in 4.23 al genoemde Richtlijn (EU) 2020/1828. Als gezegd strekt deze richtlijn onder meer tot de invoering van een collectieve schadevergoedingsactie voor de inbreuk van consumentenrechten uit het Unierecht. De WAMCA voldeed reeds grotendeels aan de eisen uit de Richtlijn, zodat omzetting in een nieuwe regeling niet nodig was.
Art. 24 van de Richtlijn bepaalt dat de nationale bepalingen tot omzetting van de richtlijn van toepassing zijn op collectieve acties die zijn ingesteld op of na 25 juni 2023. Deze bepaling van overgangsrecht is in de preambule toegelicht met de algemene opmerking dat het passend is om regels voor de toepassing van deze richtlijn in de tijd vast te stellen. In de Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten is het overgangsrecht van de WAMCA hierop aangepast. Aan art. 119a ONBW is een nieuw derde lid toegevoegd, dat erop neerkomt dat de wijzigingen en invoegingen van de art. 3:305a, 3:305c en 3:305e BW door de Implementatiewet niet van toepassing zijn op rechtsvorderingen die voor 25 juni 2023 zijn ingesteld en dat op deze rechtsvorderingen de voor die datum geldende bepalingen van toepassing blijven. De leden 1 en 2 van art. 119a ONBW zijn dienovereenkomstig aangepast. Verder bepaalt art. VI van de Implementatiewet dat Titel 14A van Boek 3 Rv zoals die op de dag voor 25 juni 2023 luidt van toepassing blijft op collectieve vorderingen die zijn ingesteld voor die datum.
De wetgever heeft zich bij de totstandkoming van de implementatie van Richtlijn (EU) 2020/1828 niet uitgelaten over de vraag of de temporele beperking van de toepasselijkheid van de WAMCA tot gebeurtenissen van op of na 15 november 2016 ook geldt voor collectieve acties die onder de Richtlijn vallen. Hierover is verwarring ontstaan in de literatuur en de lagere rechtspraak. Met de Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025 is het BW-overgangsrecht verder aangepast op dit punt. De staatssecretaris heeft in dat verband toegelicht dat de beperking in de toepasselijkheid van de WAMCA tot gebeurtenissen van op of na 15 november 2016 niet is toegestaan bij de implementatie van de Richtlijn en die beperking daarom niet geldt voor collectieve acties die binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn vallen en die zijn ingesteld op of na 25 juni 2023. Art. 119a ONBW luidt door deze wijzigingen nu als volgt:
“1 In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.
2 In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.
3 Lid 2 is niet van toepassing op een rechtsvordering die strekt tot bescherming van een belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409) en die is ingesteld op of na 25 juni 2023.
4 De wijzigingen van de artikelen 305a en 305c van Boek 3 door de Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten zijn niet van toepassing op rechtsvorderingen die voor 25 juni 2023 zijn ingesteld. Op deze rechtsvorderingen blijven de voor die datum geldende artikelen 305a en 305c van Boek 3 van toepassing.”
Opvallend is dat een vergelijkbare aanpassing niet heeft plaatsgevonden voor het Rv-overgangsrecht (dat hiervoor aan het slot van 5.9 is aangehaald). Dat lijkt een omissie te zijn, omdat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een door de WAMCA beheerste collectieve vordering wordt afgewikkeld zonder toepassing van Titel 14A van Boek 3 Rv.
In deze zaak staat vast dat de Richtlijn niet van toepassing is, omdat de collectieve actie van SEC is ingesteld bij dagvaarding van 30 december 2020.
Betekenis van het overgangsrecht bij de WAMCA, inleiding
Het Amendement heeft het overgangsrecht bij de WAMCA voor de praktijk gecompliceerd. Als gezegd heeft de WAMCA nogal wat veranderd (zie hiervoor in 3.2). Het is dus van wezenlijk belang om al in een vroeg stadium – liefst al vóór het aanspannen van een procedure – te kunnen bepalen of de WAMCA dan wel het oude recht van toepassing is. Dat bepaalt immers zeer veel voor de te volgen aanpak. Het overgangsrecht is daarover echter niet geheel duidelijk. De lagere rechtspraak en de literatuur worstelen dan ook met de precieze betekenis van het overgangsrecht. Dat leidt tot rechtsverscheidenheid.
De onduidelijkheid van het overgangsrecht is ook in deze zaak aan de orde. Het gaat om de vragen (i) wat moet precies worden verstaan onder het begrip ‘gebeurtenis’ in de bepalingen van het overgangsrecht, en (ii) welk collectieve actieregime is van toepassing op een rechtsvordering die betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die zich uitstrekken over een periode die zowel voor als op en na 15 november 2016 beslaat?
Hierna ga ik op deze beide vragen in.
Betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’
De betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ volgt niet uit art. 119a ONBW of art. III lid 2 WAMCA. In de toelichting op het Amendement is de betekenis van dit begrip ook niet als zodanig toegelicht. Het ligt echter voor de hand om dit begrip in dezelfde zin te verstaan als dit begrip wordt gebruikt in de rest van de WAMCA. Daarin wordt dit begrip gebezigd in de art. 3:305a lid 3 onder b onder 3° BW, 1018c leden 1, onder a en e, 3 en 6, 1018d leden 1 en 2, 1018f leden 4 en 6, en 1018m lid 1 Rv. Ook de WCAM gebruikt dit begrip, namelijk in de art. 7:907, 1013 lid 1 onder b, en 1018a Rv. Het ligt nogal voor de hand om het begrip ‘gebeurtenis’ op al deze plaatsen te verstaan als het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de aan de orde zijnde vordering (de collectieve actie). In deze zin wordt het begrip ‘gebeurtenis’ ook onmiskenbaar gebezigd in de art. 3:310, 6:96 lid 2 onder a, 6:98-6:100, 6:107-6:108, en 6:110 BW. Art. 119a lid 2 ONBW spreekt ook uitdrukkelijk over de gebeurtenis(sen) ‘waarop de rechtsvordering betrekking heeft’, wat hierbij onmiddellijk aansluit. ‘Vordering’ heeft hier zowel zijn materieel privaatrechtelijke als procesrechtelijke betekenis. Met dat laatste sluit een en ander op zijn beurt weer aan bij het wezenskenmerk van het burgerlijk proces(recht) dat het onderzoek daarin (door de rechter) steeds plaatsvindt aan de hand van de ingestelde vordering en de grondslag daarvan (de art. 23 en 24 lid 1 Rv).
Als het gaat om schadevergoeding – wat in veel van de hiervoor in 5.18 genoemde bepalingen het geval is –, kan ‘gebeurtenis’ in de genoemde zin kort worden aangeduid als de ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’. Dat valt dan – meer uitgeschreven – aldus te verstaan dat dit de gebeurtenis is waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. Art. 3:305a (oud) BW en de WAMCA hebben echter (anders dan de WCAM) niet alleen betrekking op schadevergoeding, maar op alle mogelijke collectieve vorderingen. Dat zijn dus ook een bevel of een verbod, of een verklaring voor recht ten behoeve van de achterban dat zij die tot de achterban behoren, desgewenst ergens (anders) aanspraak op kunnen maken (dan schadevergoeding), zoals bijvoorbeeld de ontbinding van een bepaalde overeenkomst, wat een verklaring is die in deze zaak door SEC wordt gevorderd voor een deel van haar achterban. De ‘gebeurtenis’ is ook bij deze vorderingen het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de hierop gerichte vordering.
In een context waarin het (vooral) gaat om schadevergoeding, duikt de omschrijving ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’ zeer vaak op. Dat is onder meer het geval in de toelichting op het Amendement:
“Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”
Het is evident dat deze omschrijving in de hiervoor genoemde betekenis is bedoeld, van de gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. In die betekenis wordt immers daadwerkelijk de (hoofd)doelstelling van het Amendement gediend, die de indieners ervan hebben omschreven als het waarborgen van de rechtszekerheid van de gedaagde (aansprakelijk gestelde) partijen.
Dat ‘gebeurtenis’ in de WAMCA in de hiervoor in 5.18 genoemde zin valt te verstaan, kan ook worden afgeleid uit andere passages van de wetsgeschiedenis van de WAMCA. Zo is over art. 3:305a lid 3 onder b aanhef en onder 3° BW opgemerkt:
“De uitbreiding [onder 3°] dat de gebeurtenis of gebeurtenissen in Nederland heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden, brengt mee dat een belangenbehartiger wel mag opkomen voor in meerderheid benadeelde personen van buiten Nederland als de gebeurtenis of gebeurtenissen zich in Nederland heeft of hebben voorgedaan. Ook dit vereiste leidt tot een voldoende nauwe band met Nederland. Stel, een groep buitenlandse toeristen afkomstig uit diverse landen wordt in Amsterdam beroofd door een buitenlandse bende. De bende wordt gepakt en de toeristen willen hun schade op de bendeleden verhalen. Omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis (de beroving) zich in Nederland heeft voorgedaan, mag een belangenbehartiger die voldoet aan de eisen van 3:305a BW in Nederland een collectieve actie starten, ook al komt hij op voor de belangen van personen die hun gewone verblijfplaats buiten Nederland hebben. (…)
Het vereiste [onder 3°] dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland moet worden onderscheiden van het criterium voor internationale bevoegdheid dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (vgl. artikel 7 sub 2 verordening Brussel Ibis en artikel 6 sub e Rv). (…) Het vereiste sub (iii) dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland verwijst uitsluitend naar de plaats waar zich daadwerkelijk de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben voorgedaan. Het is dus niet tevens een verwijzing naar de plaats waar de directe schade is geleden.”
Met betrekking tot art. 1018d lid 1 Rv, dat mogelijk maakt dat een belangenbehartiger binnen drie maanden na de aantekening van een dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties een collectieve vordering instelt voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de reeds aanhangige collectieve vordering betrekking heeft en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, heeft de regering opgemerkt:
“Daarnaast is vereist dat het gaat om een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Gaat het om bijvoorbeeld misleidende informatie van een bedrijf, dan kan deze misleiding gevolgen hebben voor zowel beleggers (door een koersdaling) als voor consumenten (door bijvoorbeeld niet-waargemaakte claims t.a.v. een product). In beginsel is hier sprake van dezelfde gebeurtenis, ook al heeft deze gebeurtenis verschillende gevolgen voor verschillende groepen personen. Ook moet het gaan om gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. In het genoemde voorbeeld is de vraag welke feitelijke informatie het bedrijf naar buiten heeft gebracht voor de verschillende soorten vorderingen van verschillende soorten gedupeerden in beginsel gelijk. De vraag of hierbij sprake is van misleidende informatie is een rechtsvraag die mogelijk verschillend wordt ingevuld, afhankelijk van de vraag of het gaat om een vordering wegens misleidende koersinformatie of wegens een oneerlijke handelspraktijk. Dit staat op zichzelf niet in de weg aan voldoende gelijksoortigheid. Het hoeft dus niet te gaan om precies dezelfde vordering. Als bijvoorbeeld de oorspronkelijke collectieve vordering gebaseerd is op wanprestatie, dan kan een andere belangenorganisatie ervoor kiezen voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering in te dienen die is gebaseerd op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, als zij meent dat dit de meer geëigende grondslag is. Waar het om gaat is of de collectieve vorderingen voldoende betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen”
Ten aanzien van art. 1018f Rv, dat de opt-out mogelijkheid regelt voor benadeelden na de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger, heeft de regering opgemerkt:
“De vraag is steeds of de feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gelijksoortig zijn dat afwikkeling als één zaak de voorkeur heeft. Er zullen gevallen zijn waarin de collectieve vorderingen gebaseerd op dezelfde gebeurtenis zó verschillend zijn, dat niet efficiënt is om deze als één zaak af te wikkelen. Gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel kan worden gezien als één gebeurtenis maar kan leiden tot een grote diversiteit aan vorderingen bij een diverse groep aan personen en bedrijven. Dealers van de desbetreffende auto’s hebben mogelijk een heel ander soort vordering uit contract gebaseerd op andere feiten en met ander soort schade dan benadeelde consumenten. Mochten de feitelijke en rechtsvragen in de collectieve vorderingen onvoldoende gelijksoortig zijn, dan zal de rechter deze niet als één collectieve zaak behandelen maar als afzonderlijke massazaken. In dat geval is er ook geen risico op tegenstrijdigheden omdat de in beide massazaken aan de orde zijnde vragen niet dezelfde zijn. Ik verwacht dat de praktijk met de eis van gelijksoortigheid voldoende uit de voeten kan.”
Deze citaten doen naar ik meen duidelijk uitkomen dat moet worden aangeknoopt bij de vordering en de grondslag daarvoor. Onder de WCAM, waarin een deel van de oorsprong van de WAMCA is gelegen, is ‘gebeurtenis’ eveneens in deze zin bedoeld, zoals al blijkt uit de tekst van art. 7:907 lid 1 BW, dat bepaalt dat een overeenkomst strekkende tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een gebeurtenis of gelijksoortige gebeurtenissen, verbindend kan worden verklaard. Het is duidelijk dat in de art. 3:310, 6:96 lid 2 onder a, 6:98-6:100, 6:107-6:108, en 6:110 BW ‘gebeurtenis’ steeds is bedoeld als de (schadeveroorzakende) gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust.
Lagere rechtspraak en literatuur
In de lagere rechtspraak wordt voor de toepassing van het overgangsrecht vaak uitgegaan van het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Daarvoor wordt uiteraard gekeken naar de vordering. Een deel van de literatuur spreekt de hiervoor in 5.18 vermelde betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ duidelijk uit.
Als sprake is van met elkaar verband houden feiten die aan de vordering ten grondslag worden gelegd, wordt soms echter in de rechtspraak uitgegaan van de (of beter gezegd: een) achterliggende gebeurtenis van die feiten, zoals de rechtbank en het hof allebei in deze zaak hebben gedaan, als een soort (grootste) gemene deler. Deze rechtspraak betreft steeds zaken als de onderhavige, waarin het gaat om een manipulatie-instrument in een voertuig.
De rechtbank heeft in deze procedure namelijk het tot stand brengen van het manipulatie-instrument als die gebeurtenis aangewezen, waarmee zij alle vorderingen van degenen voor wie de stichtingen in deze procedure optreden, op één oorzakelijke noemer heeft gebracht (de daarbij gevorderde schade valt steeds op die gebeurtenis terug te voeren, zo is de gedachte). Andere handelingen van Mercedes c.s. zijn volgens de rechtbank slechts uitvoeringshandelingen geweest en daarom niet relevant. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank het oude recht van toepassing, omdat de totstandbrenging van het manipulatie-instrument dateert van ruim vóór 15 november 2016 (rov. 6.31-6.32).
Het hof heeft in deze zaak en ook in de hiervoor in 1.4 genoemde zaak SDEJ/Stellantis als ‘gemene deler van alle vorderingen’ aangeknoopt bij het in het verkeer brengen van voertuigen met een manipulatie-instrument, voor welke voertuigen een bepaalde norm gold (Euro 5 of 6 in de relevante periode). Omdat er geen aanwijzingen zijn dat voertuigen waarvoor de norm Euro 5 gold op of na 15 november 2016 in het verkeer zijn gebracht, is op de vorderingen met betrekking tot die voertuigen het oude recht van toepassing (art. 305 a (oud) BW), aldus het hof.
Het bezwaar van deze benadering is dat alle door de eiser aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde gebeurtenissen op een hoop worden gegooid en worden teruggebracht tot één (gelijksoortige) (hoofd)gebeurtenis, die echter voor de vorderingen, althans voor een deel daarvan, in feite niet relevant is. Die benadering staat haaks op het hiervoor in 5.18 genoemde wezenskenmerk van het burgerlijke proces(recht) en miskend wat een vordering naar een materieel recht is (een aanspraak gebaseerd op bepaalde feiten volgens het recht, die het bestaan van die aanspraak bij de aanwezigheid van die feiten meebrengt). Zij heeft bovendien als onpraktisch gevolg dat het toepasselijk recht onvoorspelbaar wordt voor partijen. Die moeten immers maar zien wat de rechter in hun geval als ‘gemene deler’ aanwijst, terwijl die voorspelbaarheid voor procederende partijen juist van wezenlijk belang is.
Betwisting gedaagde relevant?
Soms wordt bij het voorgaande uitgegaan van de opvatting dat ook relevante betwistingen van de gedaagde partijen bij de bepaling van het toepasselijke collectieve actieregime moeten worden betrokken. Ook het hof heeft dat in deze zaak gedaan (rov. 4.15 laatste alinea). Deze zienswijze is kennelijk ontleend aan de hiervoor in 4.17 al genoemde regel die in het internationale bevoegdheidsrecht geldt, dat de rechter zich niet dient te beperken tot de stellingen van de eiser, maar ook acht moet slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde, die het hof in rov. 4.4 tweede alinea noemt. De beoordeling of een als WAMCA-vordering ingestoken vordering inderdaad onder de WAMCA valt, is echter een ontvankelijkheidskwestie met betrekking tot die vordering (net als de vraag of die vordering voldoet aan alle (andere) eisen die de WAMCA daaraan stelt) of is daaraan gelijk te stellen.
De beoordeling van de ontvankelijkheid van een partij in haar vordering of rechtsmiddel is een wezenlijke andere dan die van het bestaan van internationale bevoegdheid van de rechter. Bij de beoordeling van het bestaan van internationale bevoegdheid wordt vaak aangeknoopt bij de werkelijk bestaande toestand of het werkelijk tussen partijen bestaande geschil, bij de vaststelling waarvan allicht mede valt te letten op hetgeen de gedaagde daarover aanvoert (zie hiervoor in 4.17). De internationale bevoegdheid wordt bovendien beoordeeld aan de hand van het zogeheten perpetuatio fori-beginsel, dat wil zeggen uitsluitend aan de hand van de toestand zoals die bestaat ten tijde van de inleidende dagvaarding, waardoor het gevaar van manipulatie van het gerecht bestaat als uitsluitend wordt afgegaan op de stellingen van de eiser.
Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een vordering gaat het om het recht waarin eiser vraagt beschermd te worden. Dat is per definitie een door hem beweerd recht. Of de feiten waarop de eiser dat recht baseert (de grondslag van zijn vordering), zich daadwerkelijk voordoen en of de ingeroepen feiten het beweerde recht kunnen dragen, maakt deel uit van de beoordeling ten gronde die de rechter moet uitvoeren met betrekking tot de vordering. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid valt daarom uitsluitend te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. Die betwistingen komen pas aan de orde bij de (inhoudelijke) beoordeling van de vordering. Dat alléén op de vordering en de grondslag van de vordering valt te letten is dan ook vaste regel bij de beoordeling van de bevoegdheid van burgerlijke rechter ten opzichte van andere nationale rechters, van de bevoegdheid van de kantonrechter, en van de appellabiliteit van vonnissen.
Het voorgaande betekent dat als bij de beoordeling van de collectieve vordering blijkt dat, anders dan daarbij gesteld, deze geen betrekking heeft op een gebeurtenis die dateert van op of na 15 november 2016, de vordering niet kan worden toegewezen op grond van de WAMCA (wel op grond van art. 3:305a (oud) BW, als dat gelet op de ingestelde vordering mogelijk is). Dat heeft op zichzelf het bezwaar dat veel werk voor niets kan zijn gedaan, gelet op de zware formele eisen die de WAMCA aan een vordering stelt. Deze uitkomst is echter onvermijdelijk, gelet op het feit dat de inhoudelijke beoordeling van de vordering in de WAMCA eerst plaatsvindt ná de ontvankelijkheidsbeoordeling van art. 1018c lid 5 Rv. Daarbij verdient wel opmerking dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering volgens art. 1018c lid 5, aanhef en onder c, Rv alleen plaatsvindt indien en nadat de rechter, zo nodig ambtshalve, heeft beslist dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering is gebleken. Vorderingen die evident onjuist zijn ingestoken, gelet op het overgangsrecht, kunnen dus in de eerste fase worden ‘afgevangen’. Overigens heeft een belangenorganisatie vooral zichzelf ermee als zij onnodig een WAMCA-vordering instelt, waar dat een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW had moeten zijn.
De betekenis van begrip ‘gebeurtenis’ lijkt met het voorgaande duidelijk.
Een of meerdere gebeurtenissen
De wet gaat ervan uit dat de belangenorganisatie meerdere gebeurtenissen aan de collectieve vordering ten grondslag kan leggen, waarmee er dan dus meerdere relevante gebeurtenissen zijn. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat sprake is van meerdere gebeurtenissen vanuit het perspectief van de individuele benadeelde voor wiens belangen de belangenorganisatie in rechte opkomt, en de situatie dat sprake is van meerdere gebeurtenissen vanuit het perspectief van de belangenorganisatie die de collectieve vordering heeft ingesteld. De in deze zaak aan de orde zijnde verkoop van een beweerd gebrekkig product aan een veelheid aan consumenten, betreft vanuit het perspectief van de consument bezien (veelal) een eenmalige gebeurtenis, namelijk uitsluitend de aankoop van dat product door de consument. Dat de vordering van de consument kan worden meegenomen in een collectieve actie, wordt in het wettelijk stelsel (en ook praktisch gezien) gerechtvaardigd door het feit dat andere consumenten hetzelfde gebrekkige product hebben gekocht en een zelfde vordering (zullen) willen instellen. Hier is dan sprake van meerdere gebeurtenissen, waarvan de vergaande gelijksoortigheid de gezamenlijke berechting in een collectieve vordering mogelijk maakt en ook rechtvaardigt, want meer effectief en efficiënt doet zijn. De WCAM spreekt hier van ‘gelijksoortige gebeurtenissen’ (art. 1018a lid 1 Rv), de WAMCA stelt – wat meer uitgesponnen – de eis dat ‘de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn’ (art. 1018c lid 5 onder b Rv), maar bedoelt daarmee (vermoedelijk) uiteindelijk hetzelfde. Vanuit het perspectief van de belangenorganisatie is hierbij sprake van meerdere gebeurtenissen, nu de acties wegens alle verkopen worden gebundeld in de collectieve vordering en aan die vordering ten grondslag liggen. Het ligt voor de hand dat ook in de zin van de WAMCA in dat geval sprake is van meerdere gebeurtenissen. Ook de hiervoor in 5.21 geciteerde uitlatingen in de wetsgeschiedenis komen hierop neer of wijzen daarop.
Ook kan een collectieve vordering allicht betrekking hebben op een gebeurtenis die voor alle betrokkenen één gebeurtenis is. Voorbeelden die in de parlementaire stukken worden genoemd, zijn die van de vuurwerkramp in Enschede en de brand in nieuwjaarsnacht in Volendam.
Het is duidelijk dat in laatstgenoemde gevallen de gebeurtenis op één bepaald – in de regel gemakkelijk aan te wijzen – tijdstip plaatsvindt, terwijl in eerstgenoemd geval juist sprake is van meerdere gebeurtenissen die veelal gespreid in de tijd hebben plaatsgevonden. Voor het overgangsrecht bij de WAMCA is dat uiteraard relevant.
Voorts kan zich het geval voordoen dat sprake is van één (eventueel voortdurende) gebeurtenis of van meerdere (zich repeterende) gebeurtenissen die sluipenderwijs schade veroorzaken – bijvoorbeeld de uitstoot van vervuilende stoffen –, zonder dat duidelijk is wanneer de schade precies is ingetreden (en door welk deel van de gebeurtenissen deze is veroorzaakt). In dat geval valt juist niet één bepaald tijdstip voor de gebeurtenis(sen) aan te wijzen waarop de vordering berust, maar alléén een tijdvak.
De wet laat toe dat een belangenorganisatie meer dan één collectieve vordering instelt, al dan niet in de verhouding van primair en subsidiair, en dat zij ook vorderingen instelt tegen meerdere gedaagden. De WAMCA voorziet er bovendien uitdrukkelijk in – heeft zelfs juist ten doel – dat een belangenorganisatie zich met collectieve vorderingen aansluit bij de al ingestelde collectieve actie van een andere belangenorganisatie op de voet van art. 1018d Rv, dus voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop die collectieve actie betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen (art. 1018d lid 1 Rv). Daarbij is duidelijk dat met ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ mede is bedoeld dezelfde soort gebeurtenis of gebeurtenissen. In de hiervoor in 5.21 weergegeven citaten wordt dan ook bijvoorbeeld ‘gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel’ (wat een zich repeterende handeling zal zijn) aangemerkt als één handeling.
Het is ook langs deze wegen mogelijk dat meerdere gebeurtenissen aan de orde zijn in een procedure waarin collectieve acties worden ingesteld. In theorie zou ieder van de ingestelde vorderingen over iets anders kunnen gaan en dus zelfs betrekking kunnen hebben op een andere gebeurtenis, zij het dat de ingestelde vorderingen volgens de al vermelde wettelijke eisen van de art. 1018c lid 5 onder b en art. 1018d lid 1 Rv wel voldoende op hetzelfde betrekking zullen moeten hebben of een voldoende nauwe samenhang zullen moeten vertonen, om een gezamenlijke behandeling en beslissing te rechtvaardigen.
Gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als op en na 15 november 2016
Het overgangsrecht bij de WAMCA houdt op zichzelf rekening met de mogelijkheid dat de procedure betrekking heeft op meerdere gebeurtenissen. Art. 119a lid 2 ONBW en art. III lid 2 WAMCA spreken van een rechtsvordering die, dan wel een geding dat, betrekking heeft op ‘een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016’. De vraag is echter als gezegd wat geldt als de vorderingen betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die zowel voor als op en na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Het hiervoor in 5.27 en 5.28 vermelde laat zien dat dit geval zich vrij gemakkelijk kan voordoen.
Voor dit geval zijn in theorie twee uitkomsten denkbaar: (i) de collectieve vorderingen worden als geheel beheerst door het ene of het andere collectieve actieregime, of (ii) de collectieve vorderingen worden voor zover mogelijk opgeknipt, in die zin dat de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016, worden beheerst door het oude collectieve actieregime en voor zover deze betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, worden beheerst door de WAMCA. De vraag is welke van deze twee uitkomsten de door de wetgever bedoelde is.
De tekst van art. 119a lid 2 ONBW en de toelichting van het Amendement duiden op een ‘knip’ in het toepasselijke collectieve actieregime
Wie kijkt naar het doel van de WAMCA – dat is om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen; zie hiervoor in 3.2 –, kan geneigd zijn om aanstonds voor de eerste uitkomst te kiezen, en wel in de variant dat de WAMCA dan van toepassing is. Bij die uitkomst vindt immers zoveel mogelijk de met de WAMCA beoogde afwikkeling plaats volgens één efficiënt en effectief regime. De lagere rechtspraak lijkt zich tot nu toe in nogal wat zaken hierdoor te laten leiden, zoals hierna nog zal blijken. Ook het hof heeft dat in rov. 4.18 als een argument voor zijn oordeel genoemd.
De tekst van art. 119a lid 2 ONBW wijst echter duidelijk een andere kant op. Art. 119a lid 2 ONBW bepaalt immers dat het oude collectieve actieregime van toepassing blijft voor zover de collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het spiegelbeeld daarvan is dat de WAMCA dus alleen van toepassing is voor zover de collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Het BW-overgangsrecht lijkt dus met zoveel woorden voor te schrijven dat als het ware een ‘knip’ wordt aangebracht in het toepasselijke collectieve actieregime als de relevante gebeurtenis of gebeurtenissen zich zowel vóór als na 15 november 2016 hebben voorgedaan.
Art. III lid 2 WAMCA, dat het overgangsrecht regelt voor Titel 14A Boek 3 Rv, bevat de woorden ‘voor zover’ niet. Dit zou wellicht geduid kunnen worden als een aanwijzing voor de hiervoor in 5.29 als eerste genoemde uitkomst. De toelichting op de WAMCA kan echter moeilijk anders worden begrepen dan dat de wetgever heeft bedoeld om Titel 14A van Boek 3 Rv steeds van toepassing te laten zijn als de art. 3:305a e.v. (nieuw) BW van toepassing zijn, als het daarbij behorende procesrecht. Het ‘Rv-overgangsrecht’ (art. III lid 2 WAMCA) zal dus het BW-overgangsrecht (art. 119 lid 2 ONBW) dus steeds zonder meer moeten volgen.
Ook zou het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in art. III lid 2 WAMCA kunnen worden geduid als dat de procedure over een collectieve actie slechts volgens één regime mogelijk is wat betreft de WAMCA, met andere woorden dat in een procedure waarin de WAMCA van toepassing is, niet ook andere vorderingen kunnen worden behandeld, zoals een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW of lastgeving of volmacht. In de praktijk gebeurt dat echter inmiddels wel, zoals in deze zaak blijkt waarin WAMCA-vorderingen met andere vorderingen zijn gecombineerd. De wetsgeschiedenis biedt voor deze uitleg van art. III lid 2 WAMCA ook geen steun. De minister lijkt er juist van te zijn uitgegaan dat in een procedure waarin de WAMCA van toepassing is, ook een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW kan worden behandeld (zie hiervoor in 5.8).
Aannemelijk is dan ook dat bij het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in art. III lid 2 WAMCA simpelweg niet is stil is gestaan. Kennelijk hebben de indieners van het Amendement geen aanleiding gezien die bepaling ook op dit punt aan te passen. Aan de reeds bestaande tekst van die bepaling (die door de regering was voorgesteld in de nota van wijziging) hebben zij slechts de woorden toegevoegd “en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016”. De al door de regering voorgestelde tekst van art. 119 lid 1 ONBW hebben zij niet gewijzigd.
Kortom: aan het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in de andere bepalingen van het overgangsrecht bij de WAMCA lijkt geen betekenis te kunnen worden toegekend.
De belangrijkste grond voor het Amendement – de rechtszekerheid van de aangesproken partijen – wijst er ook onmiskenbaar op dat met het overgangsrecht een knip is beoogd. In de gedachtegang van de indieners behoefden de aangesproken partijen immers geen rekening te houden met een WAMCA-vordering met betrekking tot gebeurtenissen vóór 15 november 2016. Dat betekent dat voor zover de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de vordering ziet, op of na die datum hebben plaatsgevonden, de WAMCA kan worden toegepast en dat voor zover dat niet het geval is, het oude recht van toepassing is.
De toelichting van het amendement noemt voorts nog als grond voor het Amendement dat dubbele procedures onder verschillende regimes worden voorkomen, maar die uitlating heeft klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op de eerder door een deel van de indieners geuite vrees dat in zaken waarin onder het oude recht al een collectieve vordering is ingesteld, ook nog onder het nieuwe recht een collectieve vordering zou worden ingesteld over dezelfde feiten, om alsnog te kunnen profiteren van het meer gunstige regime met betrekking tot schadevergoedingsvorderingen van de WAMCA (zie voor die vrees hiervoor in 3.12) en dus niet op het resultaat van de door het Amendement aangebrachte knip dat over dezelfde gebeurtenis, voor zover deze heeft plaatsgevonden vóór 15 november 2016, naar oud recht, en, voor zover deze heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016, naar nieuw recht moet worden geprocedeerd. De knip heeft immers tot gevolg dat eerstgenoemd geval – dat over hetzelfde feit (naar tijd en plaats) naar oud en nieuw recht kan worden geprocedeerd – zich niet meer kan voordoen, en niet dat laatstgenoemd geval – dat over dezelfde gebeurtenis onder verschillende regimes wordt geprocedeerd als deze zich op verschillende tijdstippen hebben voorgedaan – zich niet meer zou kunnen voordoen.
Ook wijst in deze richting dat in de toelichting op het Amendement wordt verwezen naar het Belgisch recht, waarin het overgangsrecht van diezelfde knip uitgaat (zie daarover verderop in deze conclusie).
Consequentie van de knip
Consequentie van het overgangsrecht zoals begrepen in de hiervoor genoemde zin, is dat een splitsing van de procedure moet plaatsvinden in het geval dat de knip zich daarin laat gevoelen. Op de collectieve vordering voor zover deze wordt beheerst door de WAMCA, is het procesrecht van Titel 14A van Boek 3 Rv van toepassing, op de collectieve vordering voor zover deze wordt beheerst door het oude recht, is art. 3:305a (oud) BW en het reguliere civiele procesrecht van toepassing. Zoals hiervoor in 3.36 gezegd, lijken de collectieve vorderingen in dat geval nog steeds in dezelfde procedure te kunnen worden behandeld en beslist, maar zitten daaraan wel de nodige haken en ogen. Denkbaar is dat de zaak eerst volgens het ene regime wordt uitgeprocedeerd en dan volgens het andere. In de lagere rechtspraak wordt hiermee verschillend omgegaan.
Uitzondering op knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’?
In de toelichting op het Amendement lijkt aan een uitzondering op het maken van een knip te zijn gedacht. Opgemerkt is namelijk:
“In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.”
Deze uitzondering is niet opgenomen in de voorgestelde en aangenomen tekst van het Amendement. Zij is daarmee bovendien in strijd. In plaats van de knip houdt zij immers in dat wanneer sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor, als op en na 15 november 2016 plaatsvindt, de collectieve vordering als geheel wordt beheerst door één collectieve actieregime en wel dat van de WAMCA.
De uitzondering lijkt bovendien niet goed te zijn doordacht. In de toelichting op het Amendement, noch elders is uiteengezet wat onder een ‘reeks van gebeurtenissen’ moet worden verstaan en waarom dit als een ‘theoretisch geval’ zou moeten worden aangemerkt. De taalkundige betekenis van het woord ‘reeks’ is in deze context een chronologische of lineaire opeenvolging van gelijksoortige handelingen of gebeurtenissen. Een dergelijke uitleg van het begrip ‘reeks’ leidt er echter toe dat een zeer ruime uitzondering op het beoogde overgangsrecht wordt gemaakt, die bovendien haaks staat op wat de indieners van het Amendement bij het overgangsrecht voor ogen stond, namelijk het dienen van de rechtszekerheid van de aansprakelijk gestelde partijen. Deze zaak illustreert dat. De verkoop van voertuigen die volgens de vordering niet aan de emissienorm voldeden, begon al in 2009 en zou bij deze uitleg geheel onder de toepassing van de WAMCA vallen. Onbegrijpelijk is ook waarom in dat geval sprake zou zijn van een ‘theoretisch geval’. Zoals hiervoor in 5.21 bleek, kwam in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de WAMCA al met zoveel woorden het geval voorbij van ‘gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel’, wat een dergelijk geval lijkt te zijn. Het ligt bovendien ook bepaald voor de hand dat de WAMCA in elk geval vaak tot toepassing komt bij fouten die plaatsvinden bij massaproductie en het Amendement lijkt bovendien ook juist door dat feit te zijn ingegeven. Dat betreft dus in het geheel geen theoretisch geval, maar juist een in de regel te verwachten geval.
De uitzondering is ook niet goed in de toelichting geformuleerd. De uitzondering houdt immers letterlijk gelezen in dat het collectieve actieregime van toepassing is zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dat wanneer de laatste gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016 maar vóór 1 januari 2020 – de datum van inwerkingtreding van de WAMCA – de WAMCA níet van toepassing is, ook niet wanneer de collectieve actie is ingesteld op of na 1 januari 2020. Het is duidelijk dat dit niet kan zijn bedoeld. In de lagere rechtspraak wordt er dan ook van uitgegaan dat bedoeld is om de WAMCA van toepassing te laten zijn als aan de omschrijving van een ‘reeks’ in de zin van de toelichting is voldaan.
HR 11 maart 2022 (SMMT/Warner)
De in de toelichting op het Amendement geformuleerde uitzondering op de knip is ter sprake gekomen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2022, inzake SMMT/Warner. In deze zaak had de stichting SMMT verzocht om een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij bewijs wilde verzamelen voor een collectieve actie tegen Warner. In de collectieve actie zou een bevel worden gevorderd dat Warner zich aan haar eigen ethische gedragscode moest houden dan wel een verbod of een verklaring voor recht dat Warner onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het structurele wangedrag door artiesten in de muziekbranche. Het hof had het verzoek afgewezen, omdat SMMT onvoldoende naar voren had gebracht om te kunnen oordelen dat zij voldeed aan de eisen van art. 3:305a (nieuw) BW, zodat het haar aan belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor ontbrak. In cassatie klaagde SMMT onder meer dat het hof ten onrechte aan de hand van art. 3:305a (nieuw) BW had getoetst of SMMT belang had bij een voorlopig getuigenverhoor. Volgens SMMT was het oude collectieve actierecht van toepassing, omdat zij het verzoek had ingediend op 13 december 2019. De Hoge Raad verwierp deze klacht met de volgende overweging (voetnoot in origineel):
“3.1.4 De vraag of SMMT onvoldoende belang heeft bij toewijzing van haar verzoek heeft het hof terecht beoordeeld met behulp van de vereisten van art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020. In dit geval is op de voet van de art. 68a en 119a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020 van toepassing, aangezien tot aan die datum geen hoofdzaak is ingesteld en er geen aanwijzing is dat de rechtsvordering in de hoofdzaak (uitsluitend) betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (zie art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).”
De vraag is hoe de tweede zin van deze rechtsoverweging moet worden begrepen. Mercedes c.s. betogen in dit cassatieberoep dat de omstandigheid dat het woord ‘uitsluitend’ hier tussen haakjes is geplaatst, impliceert dat er naar het oordeel van de Hoge Raad twee gevallen denkbaar zijn waarin de beoordeling door het hof niet aan de hand van de WAMCA had mogen plaatsvinden. In het eerste geval, waarin de haakjes worden weggedacht, heeft de collectieve vordering uitsluitend betrekking op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016. Uit art. 119a lid 2 ONBW volgt dan reeds dat de WAMCA niet van toepassing is. In het tweede geval, waarin het tussen haakjes geplaatste woord ‘uitsluitend’ wordt weggedacht, heeft de rechtsvordering betrekking op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, maar kennelijk ook – want niet uitsluitend – op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Als dat geval zich had voorgedaan, dan had het oordeel van het hof ook niet in stand kunnen blijven, omdat het dan een ‘knip’ had moeten maken. Zoals de Hoge Raad in de rechtsoverweging zegt, is er evenmin een aanwijzing dat dit scenario zich voordeed.
Tegen dit betoog kan worden ingebracht dat de overweging van de Hoge Raad ook zo kan worden gelezen dat de WAMCA niet deels maar volledig van toepassing is wanneer de collectieve vordering mede betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Een aanwijzing voor de juistheid van deze lezing vormt de verwijzing door de Raad in de voetnoot aan het eind van de rechtsoverweging naar pagina 2 van het Amendement, waar, in de toelichting op het Amendement, de uitzondering op de knip wordt genoemd. A-G Valk verwijst in zijn conclusie vóór het arrest ook naar die passage voor het overgangsrecht.
Voor het betoog van Mercedes c.s. pleit echter weer dat het gebruik van haakjes wel pleegt te worden verklaard op de wijze zoals Mercedes c.s. bij hun betoog doen: de overweging heeft betrekking op de situatie zoals omschreven met het tussen haakjes geplaatste woord en op de situatie zoals omschreven zonder het tussen haakjes geplaatste woord.
Naar ik meen kan het arrest worden gelezen als een verwerping noch als een bevestiging van de gelding van de uitzondering op de knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’. De vraag of deze (uitsluitend) in de toelichting geformuleerde uitzondering geldt, lag in de zaak van het arrest in cassatie namelijk niet voor. De Hoge Raad heeft de klacht van SMMT dan ook niet afgedaan op de grond dat in elk geval een deel van de gebeurtenissen op of na 15 november 2016 heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad overweegt immers, op de keper beschouwd, uitsluitend dat het hof de zaak terecht naar nieuw recht heeft beoordeeld nu de vordering na 1 januari 2020 zal worden ingesteld en er geen aanwijzingen zijn dat de vordering betrekking heeft op gebeurtenissen van vóór 15 november 2016. Het ‘(uitsluitend)’ heeft goed beschouwd geen (dragende) functie/betekenis in het arrest. Het arrest biedt dus geen uitsluitsel op het in dit cassatieberoep aan de orde zijnde punt.
Toepassing van de uitzondering op de knip in lagere rechtspraak
De lagere rechtspraak lijkt enigszins onzeker over de uitzondering van de toelichting van het Amendement. Opvallend is dat steeds wordt aangenomen dat die uitzondering geldt, ook al is deze niet in de wettekst opgenomen.
Bij het toepassen van de uitzondering bestaat allereerst de rechtspraaklijn om deze toe te passen op een collectieve vordering die betrekking heeft op een gebeurtenis die kan worden aangemerkt als een voortdurende gebeurtenis en die zich uitstrekt over een periode die zowel voor als op en na 15 november 2016 beslaat. Een goed voorbeeld vormt het vonnis in de zaak Stichting Bescherming Privacybelangen c.s./Google c.s. In deze zaak hebben de stichtingen aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat Google onrechtmatig handelt door bovenmatig veel gegevens van gebruikers te verzamelen, te bundelen en te verwerken. Google c.s. hebben het standpunt ingenomen dat de gebeurtenissen waarop de collectieve vorderingen betrekking hebben, beleidswijzigingen uit 2012 en 2016 betreffen, zodat het oude collectieve actierecht van toepassing is. De rechtbank verwerpt dat standpunt in haar vonnis en oordeelt dat sprake is van een tot op de dag van vandaag voortdurende gebeurtenis, waarop de WAMCA (in het geheel) van toepassing is:
“5.7 De vraag is of de door SBP gestelde inbreuken kwalificeert als een individuele inbreuk ten tijde van de implementatie van het gestelde beleid (zoals Google voorstaat) of dat sprake is van één voortdurende inbreuk die op dat moment is aangevangen en nog steeds voortduurt (zoals SBP betoogt).
In het kader van de beantwoording van de voorvraag naar het toepasselijk collectief actierecht is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen die voortduren. Uit de stellingen van SBP volgt dat de implementatie van het gestelde beleid het beginpunt is van de beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen. Verder leidt het blijven uitvoeren en het niet opheffen van dat beleid ertoe dat die beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen blijven voortduren. De door SBP gestelde inbreuken zijn immers het verzamelen van persoonsgegevens in verschillende diensten en producten van Google en het vervolgens koppelen van die verzamelde persoonsgegevens voor de verkoop van advertentieruimte op websites en in apps en het doorgeven van die verzamelde persoonsgegevens aan derden, en daarbij die persoonsgegevens exporteren naar de VS. Deze gestelde inbreuk is volgens SBP begonnen na de beleidswijziging uit 2012 en duurt voort tot de dag van vandaag. Daarnaast heeft SBP als inbreuk gesteld het verzamelen van persoonsgegevens van gebruikers uit cookies van websites van derden, hetgeen mogelijk is geworden door de beleidswijziging uit 2016. Ook die gestelde inbreuk duurt tot op de dag van vandaag voort.
Het voorgaande brengt mee dat de WAMCA van toepassing is op de vorderingen van SBP jegens Google.”
Er lijkt geen consensus in de lagere rechtspraak te bestaan over de toepassing van de uitzondering op de knip wanneer de rechtsvordering betrekking heeft op een opeenvolging van vergelijkbare gebeurtenissen. In de zaak Stichting Bureau Clara Wichmann/Allergan c.s., dat een collectieve actie betrof met betrekking tot beweerdelijk gevaarlijke borstimplantaten voor vrouwen, achtte de rechtbank Amsterdam de toepassing van de uitzondering op de knip niet aanvaardbaar, gelet op de rechtszekerheid. De eisende stichting meende dat sprake was van een reeks van gebeurtenissen, omdat de producent gedurende 30 jaar de implantaten in het verkeer had gebracht. Dat beroep werd verworpen:
“5.49. Niet ter discussie staat dat de Nederlandse Implantaten gedurende een periode van ruim dertig jaar in het verkeer zijn gebracht, ook nog na 15 november 2016. Dit levert echter niet op een (voortdurende) gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen waarvan het amendement (overigens zonder concrete duiding) rept. Het is geen voortdurende handeling, omdat het in het verkeer brengen elke keer opnieuw gebeurt. Het is ook geen reeks van gebeurtenissen. Dit was wellicht wel denkbaar geweest als het begrip uitsluitend taalkundig wordt uitgelegd. De taalkundige betekenis is volgens Van Dale: “chronologische of lineaire opeenvolging van gelijksoortige handelingen of gebeurtenissen”, en onder dit betrekkelijke algemene begrip kan een geval als het onderhavige wellicht worden begrepen. De wetgever benadrukt echter het belang van het rechtszekerheidsbeginsel en staat nadrukkelijk een beperktere uitleg van het begrip ‘reeks van gebeurtenissen’ voor, nu hij in het amendement spreekt van een ‘theoretisch geval’, en dus een geval dat zich in de praktijk zelden tot nooit voordoet. In deze zaak gaat het om het afzonderlijk, bij herhaling in het verkeer brengen van vele varianten van een bepaald soort product gedurende een periode van ruim 30 jaar. Het gaat dus om een samenstel van handelingen dat zowel wat betreft duur als de betrokken productvarianten veelomvattend is. Niet valt in te zien dat een dergelijke veelomvattende handeling kan worden beschouwd als een reeks van gebeurtenissen in de beperkte betekenis die de wetgever voor ogen staat.
De conclusie is dat de WCAM geldt voor vorderingen die betrekking hebben op Implantaten die vóór 15 november 2016 in de EER zijn geïmporteerd. Alleen voor vorderingen die betrekking hebben op Implantaten die zijn geïmporteerd op of na 15 november 2016 geldt dus de WAMCA.”
In de zaak Stichting Essure Claims c.s./Bayer c.s. kwam de rechtbank Midden-Nederland tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een permanente sterilisatiemethode van Bayer die bij vrouwen werd geïmplanteerd. Grondslag van de vordering was dat dit een onveilig product was en schade veroorzaakte. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een reeks van gebeurtenissen als bedoeld bij de uitzondering op de knip, die pas na 15 november 2016 was geëindigd, zodat de WAMCA op alle implantaties van toepassing was:
In dit geval is er sprake van een reeks van gebeurtenissen, omdat de vrouwen gemeenschappelijk hebben dat bij hen de implantatie van Essure heeft plaatsgevonden, maar op een ander moment in tijd. Deze reeks bestaat uit eenzelfde, repeterende gebeurtenis die de gestelde schade heeft veroorzaakt tegenover meerdere individuele vrouwen die horen tot de kring van personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt. Daarbij is het geen vereiste dat tegenover die individuele vrouwen ook sprake moet zijn van een herhaling van die gedraging(en).
3.30.De reeks van gebeurtenissen is pas na 15 november 2016 geëindigd, waardoor de WAMCA van toepassing is op alle vorderingen van de Stichting. Bayer heeft haar betwisting dat Essure uitsluitend vóór 15 november 2016 voor implantatie beschikbaar was in Nederland onvoldoende onderbouwd. (enz., enz.) Gelet hierop heeft Bayer onvoldoende weersproken dat Essure ook ná 15 november 2016 bij vrouwen uit de achterban in Nederland is geïmplanteerd.
Er is in dit geval sprake van een reeks van gebeurtenissen die niet uitsluitend vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden. De WAMCA is daarom van toepassing op alle vorderingen van de Stichting. De rechtbank past niet de zogeheten ‘knip’ toe, zoals Bayer heeft bepleit en eerder onder meer is gedaan door de rechtbank Amsterdam in de zaak tegen Allergan c.s. Als de rechtbank een knip zou toepassen, zou het oude recht (WCAM) van toepassing zijn op (schade)vorderingen van vrouwen die Essure voor 15 november 2016 hebben laten implanteren en het nieuwe recht (WAMCA) op schadevorderingen van vrouwen die Essure op of na die datum hebben laten implanteren. Dat vindt de rechtbank niet doelmatig en efficiënt.
De rechtszekerheid komt (…) niet in het geding als de WAMCA wordt toegepast op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016. Bayer heeft zichzelf blootgesteld aan het temporele bereik van de WAMCA doordat zij wist dat er vanaf 15 november 2016 nog Essures in Nederland en andere EER-landen in omloop waren die bij vrouwen in Nederland geïmplanteerd konden worden. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat door toepassing van de WAMCA de vrouwen geen rechten verwerven en anderzijds Bayer geen rechten verliest ten opzichte van de WCAM. De beoordeling of aansprakelijkheid bestaat en wat de inhoud en omvang van de schadevergoeding is, wordt namelijk zowel vóór als ná 15 november 2016 aan de hand van het op dat moment geldende materiële recht beoordeeld. De WAMCA brengt daarin geen verandering. De WAMCA faciliteert alleen dat de schadevergoeding collectief kan worden beoordeeld door dezelfde rechter in dezelfde procedure. Dit enkele verschil tussen de WAMCA en WCAM weegt onvoldoende zwaar om een ‘knip’ te zetten, mede gezien het feit dat het onder het oude recht ook al mogelijk was om in collectief verband schadevergoeding te vorderen, bijvoorbeeld via een procesvolmacht namens meerdere benadeelden of op basis van lastgeving of cessie, en ook ruimte bestond voor (objectivering van) abstracte (schade)begroting. De WAMCA zal daarom op alle vorderingen worden toegepast.”
De annotaties bij de hiervoor genoemde uitspraken laten een wisselend beeld zien van bijval en kritiek op de beide lijnen die bestaan bij een opeenvolging van vergelijkbare gebeurtenissen. Voor de volledigheid merk ik op dat er ook een aantal uitspraken bestaat waarin min of meer als een gegeven lijkt te worden beschouwd dat een collectieve vordering die mede betrekking heeft op gebeurtenissen die plaatsvinden op of na 15 november, in het geheel onder de WAMCA kan worden gebracht, zonder dat dit nader wordt toegelicht in de uitspraak.
Aanvaardbaarheid van uitzondering op de knip in het licht van de doelstellingen van het Amendement
De uitzondering op de knip past, zoals hiervoor al opgemerkt, bij de hoofddoelstelling van de WAMCA om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen (zie hiervoor in 3.2 en 5.30). Zij past echter (erg) slecht bij de hiervoor in 5.10 laatste alinea genoemde doelstellingen van het Amendement, te weten (i) het dienen van de rechtszekerheid van gedaagde partijen, (ii) het verkleinen van de mogelijkheid van procedures op grond van zowel het nieuwe als het oude recht met betrekking tot één en hetzelfde feit, en (iii) het beter laten aansluiten van het overgangsrecht bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.
Als gezegd is de eerste doelstelling duidelijk het belangrijkste voor het indienen van het Amendement geweest. Het Amendement is, omdat het bij die doelstelling genoemde argument – dat sprake is van een feitelijke verzwaring van de positie van aansprakelijke partijen – valide is, door de regering ook niet afgeraden. Zoals juist hiervoor in 5.39 bleek, is in de lagere rechtspraak wel geoordeeld dat bij de toepassing van de uitzondering op de knip zich geen strijd zou voordoen met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht niet is gewijzigd. Dat oordeel ziet echter voorbij aan de feitelijke verzwaring van positie waarop het Amendement met het rechtszekerheidsargument het oog heeft en waarvan het bestaan op zichzelf moeilijk betwist kan worden. De omstandigheid dat de WAMCA het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht onverlet heeft gelaten, doet er niet aan af dat die wet een materiële (financiële) impact kan hebben op de positie van aansprakelijke partijen, doordat die wet de kans vergroot dat de verschuldigde schadevergoeding daadwerkelijk moet worden betaald. Het rechtszekerheidsbeginsel kan eventueel ook voor een dergelijk geval meebrengen dat partijen in staat moeten worden gesteld om hun handelen op de nieuwe wet aan te passen.
Bij het voorgaande komt nog dat het argument dat het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht niet wordt gewijzigd, uitdrukkelijk bij de parlementaire behandeling is besproken en gewogen, en van minder gewicht is bevonden dan het rechtszekerheidsargument.
Het in de lagere rechtspraak genoemde argument dat degene die vanaf 15 november 2016 een schadeveroorzakende handeling voortzet, weet dat de WAMCA van toepassing is, gaat niet op omdat dit pas vanaf die datum geldt en dit moeilijk grond kan zijn om het volgens de wetgever zwaardere regime van de WAMCA ook van toepassing te laten zijn op die handeling voor zover die vóór die datum heeft plaatsgevonden.
Ook de tweede doelstelling wordt als gezegd het beste bereikt met enkel de knip die in de wettekst is geformuleerd. Wat betreft de derde doelstelling kan worden opgemerkt dat ten behoeve van de totstandkoming van de WAMCA onderzoek is gedaan naar de ervaringen met collectieve schadevergoedingsacties in het buitenland en de Europese Unie. Daarbij zijn onder andere de ervaringen in België met de ‘rechtsvordering tot collectief herstel’ en in Engeland en Wales met een collectieve schadevergoedingsactie voor mededingingsinbreuken zoals opgenomen in de Competition Act 1998 betrokken. Het overgangsrecht van deze regelingen is daarbij echter niet aan de orde gekomen. De verwijzing naar België en Engeland in de toelichting op het Amendement lijkt dus op eigen onderzoek van de indieners, hun medewerkers of hun zegslieden te berusten. Omdat hetgeen op dit punt in België en Engeland geldt, de bedoeling van het Amendement nader kan verduidelijken, heb ik daarnaar onderzoek gedaan.
Belgisch recht
In België is bij Wet van 28 maart 2014 tot invoeging van titel 2 ‘Rechtsvordering tot collectief herstel’ in boek XVII ‘Bijzondere rechtsprocedures’ van het Wetboek van Economisch Recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van Economisch Recht, een vertegenwoordigde collectieve rechtsvordering ingevoerd voor consumentenzaken. Deze wet is in werking getreden op 1 september 2014.
Met betrekking tot het overgangsrecht is in art. 4 van de wet bepaald dat de rechtsvordering tot collectief herstel enkel kan worden ingesteld wanneer de gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet, dus 1 september 2014. Onder de ‘gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade’ moet worden verstaan het feit dat ten grondslag ligt aan de schade waarvan verschillende consumenten het slachtoffer zijn. Het overgangsrecht knoopt dus aan bij (het moment van) de gebeurtenis die tot de collectieve vordering aanleiding geeft. Een rechtsvordering tot collectief herstel is slechts ontvankelijk wanneer de ingeroepen oorzaak een mogelijke inbreuk betreft door een onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de in de wet genoemde Europese verordeningen of wetten of op hun uitvoeringsbesluiten. Het feit dat ten grondslag ligt aan de schade, zal daarom telkens in de mogelijke inbreuk zijn gelegen.
In de wetgeschiedenis is opgemerkt dat de overgangsbepaling ertoe strekt om de rechtszekerheid te garanderen. Een nadere toelichting op de ratio van de bepaling ontbreekt in de parlementaire toelichting.
De strekking van het overgangsrecht is aan de orde geweest in een uitspraak van het Grondwettelijk Hof van België van 17 maart 2016 over een beroep tot vernietiging van onder meer art. 4 van de wet. Aan dat beroep was ten grondslag gelegd dat het verschil in behandeling tussen slachtoffers van collectieve schade die zich na 1 september 2014 heeft voorgedaan, en slachtoffers van collectieve schade die zich voor 1 september 2014 heeft voorgedaan, in strijd is met de art. 10 (gelijkheidsbeginsel) en 11 (discriminatieverbod) van de Belgische Grondwet en met art. 14 EVRM, en dat aan de laatstgenoemde categorie van slachtoffers het recht op juridische bijstand en het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in art. 23 van de Belgische Grondwet en art. 6 EVRM, wordt ontnomen.
Het Grondwettelijk Hof wees het beroep af. Het oordeelde dat de uitsluiting van het toepassingsgebied van de wet van collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak zich heeft voorgedaan voor de inwerkingtreding van de wet, pertinent is in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen:
“B.10. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet–discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.
B.11. De parlementaire voorbereiding verantwoordt de niet-toepassing van de bestreden wet op collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van die wet, door de bekommernis om « de rechtszekerheid te garanderen ».
B.12.1. Het is denkbaar dat het verstrijken van enige tijd, mogelijk verschillende jaren, tussen het zich voordoen van de gemeenschappelijke oorzaak van een collectieve schade en het instellen van een rechtsvordering tot collectief herstel, het vaststellen van de bestanddelen van de aansprakelijkheid, zoals die door de bestreden wet wordt georganiseerd, kan bemoeilijken.
B.12.2. Bovendien impliceert de exclusieve bevoegdheid die door artikel XVII.35 van het WER aan de Brusselse rechtscolleges wordt toegekend om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel, ook al kan zij worden gerechtvaardigd door onder meer redenen van specialisatie, van coherente rechtspraak en van doeltreffendheid, die werden uiteengezet tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/001, pp. 12 en 16), dat het niet mogelijk zou zijn geweest de bestreden wet toepasselijk te maken op het geheel van de collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de wet, zonder de voormelde rechtscolleges een risico van overbelasting en achterstand te doen lopen, dat niet verenigbaar is met de bekommernis van de wetgever om, via de bestreden wet, een betere rechtsbedeling en een betere verdediging van de consumentenrechten te waarborgen.
B.12.3. Ten slotte is het doel van de wetgever de ondernemingen aan te sporen de Europese verordeningen en wetgevingen die behoren tot het toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel beter in acht te doen nemen, van nature toekomstgericht.”
Verder oordeelde het Grondwettelijk Hof dat die uitsluiting geen onevenredige gevolgen heeft voor de consumenten die het slachtoffer zijn van zulke collectieve schade, omdat zij het voordeel behouden van andere juridische instrumenten en rechtsvorderingen, in het bijzonder de individuele vordering tot vergoeding van de geleden schade, en dat niet ervan mag worden uitgegaan dat voor elke schade met een collectief karakter de rechtsvordering tot collectief herstel voor de slachtoffers noodzakelijkerwijs een meer effectief rechtsmiddel is dan de individuele vordering, noch bijgevolg dat het ontnemen ervan de rechtsbescherming van die slachtoffers op onevenredige wijze zou raken (rov. B.13).
De toepassing van het overgangsrecht zelf is – voor zover mij is gebleken – eenmaal aan de orde geweest in de lagere rechtspraak. In een uitspraak van 18 december 2017 heeft de Brusselse rechtbank van eerste aanleg geoordeeld over een zaak die ook betrekking heeft op vermeende manipulatie-instrumenten in dieselvoertuigen. De consumentenorganisatie Test Aankoop vorderde in die zaak schadevergoeding van een aantal autofabrikanten voor elke consument die na 1 september 2014 de eigendom heeft verkregen van een voertuig dat niet aan de emissienormen zou voldoen. De rechtbank verwierp het verweer van de autofabrikanten dat de wet van 28 maart 2014 temporeel niet van toepassing is op deze vordering:
“12. Verweersters wijzen er op dat de gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade plaatsgevonden moet hebben op of na 1 september 2014. De individuele aankopen door de verschillende consumenten zouden geen gemeenschappelijke oorzaak zijn die een inbreuk vormt op de in artikel XVII.37 opgesomde verplichtingen. Een aankoop zou immers geen inbreuk kunnen vormen op een contractuele of wettelijke plicht en bovendien zou het gaan om individuele en dus afzonderlijke gebeurtenissen.
13. Door de aankoop wordt de consument eigenaar van een wagen die door de verweersters werd geproduceerd en/of verkocht. Daardoor kunnen producent en verkoper verplichtingen krijgen ten overstaan van die consument en kan hun handelen een inbreuk vormen op wettelijke of contractuele verplichtingen. Het is deze inbreuk en de schade die daaruit voortvloeit die dan ten grondslag ligt aan de huidige vordering. Of de productiedatum van de vermeend gebrekkige producten dan vóór 1 september 2014 valt, speelt dan geen rol. Een vordering met betrekking tot die producten kan dus worden ingeleid voor producten aangekocht op of na 1 september 2014.
Dat de oorzaak gemeenschappelijk moet zijn, betekent voorts niet dat er sprake moet zijn van gelijktijdige aankopen/verkopen en dus mogelijke inbreuken. De oorzaak kan ook gemeenschappelijk zijn wanneer zij dezelfde feiten, gebeurtenis of handeling betreffen ten overstaan van individuele consumenten op een verschillend tijdstip. De vorderingen van de leden van de groep geven in dat geval immers aanleiding tot gemeenschappelijke (feitelijke en/of juridische) geschilpunten (…).
14. Naast de huidige rechtsvordering in collectief herstel werd ook een gemeenrechtelijke vordering ingeleid waarin Test Aankoop als gevolmachtigde optreedt voor de consumenten die schade hebben geleden vóór 1 september 2014 door de verkoop van « geaffecteerde voertuigen ». Het bestaan van deze procedure toont echter niet aan dat er sprake is van een gemeenschappelijke oorzaak die dateert van vóór 1 september 2014.
Dat er twee verschillende rechtsvorderingen hangende zijn, is enkel en alleen het gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2014 (op 1 september 2014). Deze wet kan dus onmogelijk van toepassing zijn op consumenten die een wagen hebben aangekocht vóór 1 september 2014 zelfs al zou dit in wezen eenzelfde individuele handeling inhouden en eenzelfde mogelijke inbreuk in hoofde van de verkoper of producent tot gevolg hebben (…).
15. Tot slot zeggen verweersters dat sinds 1 september 2014 niet meer geadverteerd werd voor de wagen met motortype EA189 waardoor de beweerde inbreuken in essentie voor die datum hebben plaatsgevonden. Uiteraard kan die bewering – voor zover al bewezen – niet verhinderen dat een vordering wordt ingesteld voor de wagens die sinds 1 september 2014 nog aangekocht werden.”
Het Amendement sluit dus inderdaad aan bij het Belgische recht, wat betreft de knip en de rechtszekerheid als ratio daarvoor.
Engels recht
In Engeland en Wales is een collectieve schadevergoedingsactie voor mededingingsinbreuken ingevoerd met de Enterprise Act 2002. Deze wet heeft de Competition Act 1998 aldus gewijzigd dat een follow-on schadevergoedingsvordering, dat wil zeggen een vordering die is gebaseerd op een reeds door de Engelse mededingingsautoriteit of de Europese Commissie vastgestelde mededingingsinbreuk, kan worden ingesteld bij het Competition Appeal Tribunal (CAT) (s 18 Enterprise Act 2002), en dat een dergelijke vordering ook namens een groep van consumenten kan worden ingesteld die daarvoor toestemming hebben gegeven (s 19 Enterprise Act 2002). Deze onderdelen van de wet zijn op 20 juni 2003 in werking getreden.
In s 18(2) Enterprise Act 2002 is bepaald dat een schadevergoedingsactie onder het nieuwe recht mag worden ingesteld zowel ten aanzien van vorderingen die voor als ten aanzien van vorderingen die na de inwerkingtreding van de bepaling zijn ontstaan.
De Competition Act 1998 is nadien gewijzigd door de Consumer Rights Act 2015. Deze wet heeft onder meer het toepassingsbereik van de schadevergoedingsactie ten overstaan van de CAT uitgebreid tot stand-alone vorderingen (s 81 jo Schedule 8(4) Consumer Rights Act 2015) en mogelijk gemaakt dat een collectieve schadevergoedingsactie op een opt-out basis wordt gevoerd (s 81 jo Schedule 8(5) Consumer Rights Act 2015). Deze onderdelen van de wet zijn op 1 oktober 2015 in werking getreden.
S 81 jo Schedule 8(4)(2) Consumer Rights Act 2015 bevat overgangsrecht dat vergelijkbaar is met dat van s 18(2) Enterprise Act 2002. Onder het gewijzigde recht mag dus een schadevergoedingsactie worden ingesteld zowel ten aanzien van vorderingen die voor als ten aanzien van vorderingen die na de inwerkingtreding van de bepaling zijn ontstaan. Anders dan de Enterprise Act 2002 bevat de Consumer Rights Act 2015 ook overgangsrecht voor de wijzigingen van de regeling voor de collectieve schadevergoedingsactie. S 81 jo Schedule 8(5)(2) Consumer Rights Act 2015 bepaalt dat de gewijzigde bepaling in de Competition Act 1998 zowel van toepassing is op vorderingen die zijn ontstaan voor als op vorderingen die zijn ontstaan na de inwerkingtreding van de bepaling.
Uit het voorgaande blijkt dat het Engelse overgangsrecht, ongeacht welke wijziging van de Competition Act 1998 in aanmerking wordt genomen, fundamenteel verschilt van hetgeen de toelichting op het Amendement over het Engelse recht vermeldt. Naar het recht van Engeland en Wales zijn de bepalingen uit de Competition Act 1998 van toepassing zoals die golden ten tijde van het starten van de collectieve schadevergoedingsactie bij het CAT. Een collectieve schadevergoedingsactie wordt dan ook uitsluitend begrepen als een “new procedure not a new form of claim”.
De verwijzing in de toelichting op het Amendement naar het Engelse recht is dus onjuist. Die verwijzing naar dat recht valt wellicht te verklaren uit de inhoud van het hiervoor in 5.7 genoemde NJB-artikel van Kortmann uit 2018. Kortmann vermeldt daarin namelijk dat de Engelse wetgever in de context van de implementatie van de Kartelschaderichtlijn heeft gekozen voor een overgangsregel waarbij het nieuwe recht alleen geldt voor schadevergoedingsvorderingen die na inwerkingtreding van de wet worden ingesteld en die zijn gebaseerd op “an infringement of competition law that takes place on or after that day”. Mogelijk hebben de indieners van het Amendement zich hierdoor laten leiden.
Het gaat bij deze regeling echter niet om overgangsrecht naar het Engelse recht, maar om een onderdeel van de Kartelschaderichtlijn. Deze schrijft in art. 22 lid 1 voor dat de lidstaten ervoor zorg dienen te dragen dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen ter naleving van de materiële bepalingen van de richtlijn. De Engelse wetgever heeft deze bepaling geïmplementeerd met genoemd overgangsrecht. Het overgangsrecht van de Kartelschaderichtlijn berust op de overwegingen van de Europese wetgever, die vermoedelijk daarop dat berust dat de richtlijn ten dele het materiële aansprakelijkheidsrecht verandert (steeds volledige schadevergoeding, hoofdelijkheid en uniforme verjaringstermijn).
Het Engelse recht biedt dus geen steun voor het Amendement, anders dan de indieners ervan hebben verondersteld. Hetzelfde geldt voor de Kartelschaderichtlijn.
Afronding van de beschouwingen over het overgangsrecht; slotsom
De doelstellingen van het Amendement wijzen dus uitsluitend op het maken van de knip – met uitzondering van het willen aansluiten bij het Engelse recht, wat valt aan te merken als een abuis van de indieners en dat hier daarom verder buiten beschouwing kan blijven – en niet op het maken van een uitzondering daarop. Dat pleit ervoor om, in overeenstemming met die doelstellingen, die uitzondering zo beperkt mogelijk op te vatten. Dat stemt ook overeen met de gedachte in de toelichting op het Amendement dat de uitzondering slechts betrekking heeft op een ‘theoretisch geval’. De als zodanig ruime omschrijving voor de uitzondering van een ‘reeks van gebeurtenissen’ valt dan ook zo beperkt mogelijk te begrijpen.
Een belangrijk nader argument daarvoor kan zijn – dat weliswaar niet als zodanig in de wetgeschiedenis is genoemd, maar wel van wezenlijk belang is voor de praktijk – dat een regel van overgangsrecht in de praktijk makkelijk te hanteren moet zijn, zeker als het gaat om procesrecht. In dat verband wijs ik erop dat een van de bevindingen uit het tweede deel van het evaluatierapport is dat de voorfase van WAMCA-procedures te veel tijd in beslag neemt. Gelet op de hiervoor weergegeven, inmiddels betrekkelijke omvangrijke lagere rechtspraak over het overgangsrecht kan de onduidelijkheid over dat recht als een van de redenen voor de lange duur van de voorfase worden genoemd. Het zoveel mogelijk hanteren van de knip van het overgangsrecht heeft als voordeel dat nog uitsluitend behoeft te worden gekeken naar de datum van de aan de vorderingen ten grondslag gelegde gebeurtenissen en vervolgens overeenkomstig de knip kan worden beslist over het toepasselijke regime. De lastige en voor discussie vatbare beoordeling of in het gegeven geval sprake is van ‘reeks van gebeurtenissen’, die wat anders meebrengt, kan dan achterwege blijven.
Het enige – inderdaad enigszins theoretische – geval dat m.i. onder de uitzondering op de knip valt te brengen is dat van de hiervoor in 5.27 laatste alinea genoemde voortdurende gebeurtenis of repeterende reeks van gebeurtenissen waarbij de toebrenging van de schade die als gevolg daarvan is ontstaan of waarbij de gebeurtenissen die de oorzaak van de schade zijn geweest, niet goed gedateerd kunnen worden vóór dan wel op of na 15 november 2016. Een regel over dat geval in de wet was op zijn plaats geweest. Voortdurende gebeurtenissen of zich herhalende gelijksoortige gebeurtenissen die niet aan de omschrijving van dit geval voldoen, vallen niet onder de uitzondering op de knip. Voor die gebeurtenissen geldt de knip.
Van bedoelde voortdurende gebeurtenis of repeterende gebeurtenissen kan alleen sprake zijn als deze zich voordoen jegens degenen die tot de achterban van de belangenorganisatie behoren. Dat past bij het karakter van de collectieve actie als een afgeleide van de vorderingen van de individuele benadeelden.
Toepasselijk collectieve actieregime bij subjectieve cumulatie
SEC heeft haar collectieve vorderingen in deze zaak gericht tegen meerdere gedaagden. Er is dus sprake van subjectieve cumulatie aan de zijde van gedaagden. In de WAMCA zijn uitsluitend regels voor subjectieve cumulatie opgenomen voor het geval meerdere eisers per afzonderlijke dagvaarding een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. Daarbij gaat het in feite om een vorm van tussenkomst. Volgens art. 1018d lid 3 Rv is in dat geval (dan ook) sprake van één zaak (net als in het geval dat tussenkomst wordt toegestaan). Voor dat geval bestaat dus een afwijking van de hoofdregel bij subjectieve cumulatie dat deze geen verandering brengt in de zelfstandigheid van de zaken tussen de individuele eisers en gedaagden.
Hierbuiten bevat de WAMCA geen bijzondere regels over subjectieve cumulatie. Dat betekent – gelet op art. 1018b lid 2 Rv, dat de gewone dagvaardingsregels op de WAMCA-procedure van toepassing verklaart, voor zover daarvan in Titel 14A Boek 3 Rv niet is afgeweken – dat de gewone regels van subjectieve cumulatie op die procedure van toepassing zijn. Deze regels brengen mee dat voor elke zaak tegen de individuele gedaagden afzonderlijk het toepasselijke collectieve actieregime moet worden bepaald. Dat betekent dat verschillende collectieve actieregimes op de afzonderlijke zaken tegen de gedaagden van toepassing kunnen zijn.
Dit kan de procedure nogal belasten. Daarom merk ik op dat de rechter subjectieve cumulatie, als deze onwenselijk is, ongedaan kan maken door (af)splitsing van (de) zaken tegen de gedaagden.
In het tweede deel van het evaluatierapport over de WAMCA is de aanbeveling gedaan om een wettelijke regel te introduceren die subjectieve cumulatie aan de zijde van gedaagden stroomlijnt, zodat helder wordt hoe moet worden omgegaan met verschillende vorderingen van verschillende 305a-organisaties ingesteld tegen diverse gedaagden. In de focusgroepbijeenkomsten die als onderdeel van de evaluatie hebben plaatsgevonden tussen advocaten, belangenorganisaties, gedaagde partijen en rechters, is voorgesteld dat wordt bepaald dat alle gedagvaarde partijen geacht worden gedaagden te zijn ten opzichte van alle 305a-organisaties, oftewel dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Een dergelijke regel zou echter nog niet zonder meer meebrengen dat het toepasselijke collectieve actieregime voor alle vorderingen hetzelfde zou zijn. Of dat het geval is, blijft afhankelijk van die vorderingen en de grondslag daarvan.
Bespreking van het oordeel van het hof over het overgangsrecht
Het hof heeft in rov. 4.15 het overgangsrecht juist weergegeven, met dien verstande (i) dat het arrest SMMT / Warner niet als een aanvaarding van de uitzondering voor een ‘reeks van gebeurtenissen’ kan worden gelezen en (ii) niet mede valt te letten op de betwistingen van gedaagden (zie voor beide hiervoor). Het hof heeft zich echter niet gehouden aan het uitgangspunt dat de vordering en de grondslag daarvan beslissend zijn voor de vraag op welke gebeurtenissen moet worden gelet voor het toepasselijke collectieve actieregime. Aan het slot van rov. 4.15 en in de aanvang van rov. 4.16 acht het hof terecht de stellingen van SEC beslissend (het hof spreekt aan het slot van rov. 4.15 van ‘SDEJ’, maar dat is onmiskenbaar een verschrijving, die zijn oorzaak zal vinden in het feit dat zijn arrest in de zaak SDEJ/Stellantis c.s. op dit onderdeel gelijkluidend is; er is geen reden waarom het hof aan het slot van rov. 4.15 naar stellingen van SDEJ zou verwijzen). Het hof is echter vervolgens in rov. 4.16 eerste zin ten onrechte op zoek gegaan naar een ‘gemene deler’ van de collectieve vorderingen van SEC, kennelijk met het doel om een aan alle collectieve vorderingen en alle gedaagden gemeenschappelijke gebeurtenis te selecteren (“alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners”). Zoals hiervoor in 5.23 opgemerkt, is die benadering ook in andere uitspraken van de lagere rechter te zien over vorderingen met betrekking tot een manipulatie-instrument. Die benadering is onjuist voor zover daarmee eraan wordt voorbijgegaan dat bepalend is wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag wordt gelegd en dat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welk collectieve actieregime van toepassing is. Het hof heeft dat in rov. 4.16 en verder niet onderzocht.
Het hof heeft in rov. 4.16 de door de rechtbank bepaalde ‘gebeurtenis’, te weten het (laten) ontwikkelen van de emissiebeheersingssoftware, niet van belang geacht. Daarmee heeft het eraan voorbij gezien dat die gebeurtenis mede door SEC aan haar vordering ten grondslag is gelegd. Het hof had dus in beginsel ook die grondslag voor de vordering in ogenschouw moeten nemen, zoals het ook de andere grondslagen van de vorderingen van SEC in de beoordeling had moeten betrekken. Naar ik meen, heeft het hof echter wel in rov. 4.16 de door SEC gestelde handelingen die bestaan in het voortduren of het niet wegnemen van de gestelde schade die het gevolg is van het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die niet aan de emissievoorschriften voldoen, niet relevant kunnen oordelen. Dergelijke handelingen hebben immers in beginsel geen zelfstandige betekenis naast de grondslag van de vordering dat het veroorzaken van de schade een onrechtmatige daad of wanprestatie oplevert.
In rov. 4.17 heeft het hof een onderscheid gemaakt tussen voertuigen waarvoor de emissienorm Euro 5 gold en voertuigen waarvoor de emissienorm Euro 6 gold. Het hof stelt vast dat de laatste norm gold vanaf september 2015. Het hof heeft in rov. 4.18 vastgesteld dat het in het verkeer brengen van voertuigen die niet voldeden aan emissienorm Euro 6, ook plaatsvond na 15 november 2016. Het heeft in rov. 4.18 geoordeeld dat de vorderingen die zien op die voertuigen dus niet uitsluitend zien op gebeurtenissen van vóór 15 november 2016. Daarom is volgens het hof de WAMCA van toepassing op het in het verkeer brengen van voertuigen die niet voldeden aan emissienorm Euro 6.
Dit oordeel houdt kennelijk in dat het in het verkeer brengen van voertuigen die niet voldeden aan emissienorm Euro 6, is aan te merken als een reeks van gebeurtenissen als bedoeld bij de uitzondering op het Amendement. Daarbij heeft het hof zich, blijkens de door hem gebezigde formulering (‘niet uitsluitend zien op gebeurtenissen van na 15 november 2016’) en het slot van rov. 4.15 (waar het naar de hiervoor aangehaalde overweging van het arrest SMMT/Warner verwijst), op de hiervoor genoemde lezing van het arrest SMMT/Warner gebaseerd, bij welke lezing deze uitkomst past.
Zoals volgt uit het voorgaande, is dit oordeel van het hof onjuist en had het hof – uitgaande van zijn oordeel dat het erom gaat wanneer het betrokken voertuig in het verkeer is gebracht – een knip moeten maken tussen de voertuigen die in het verkeer zijn gebracht vóór 15 november 2016 en de voertuigen die in het verkeer zijn gebracht op of na 15 november 2016.
Bespreking onderdeel 2; toepassing overgangsrecht
Mercedes c.s. bestrijden als gezegd niet het oordeel van het hof dat voor zover de vorderingen van SEC betrekking hebben op voertuigen waarop de emissienorm Euro 5 van toepassing was, deze worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. Onderdeel 2 is uitsluitend gericht tegen het oordeel van het hof dat de WAMCA van toepassing is op de vorderingen die zien op voertuigen waarop de emissienorm Euro 6 van toepassing was. De subonderdelen van het onderdeel worden hierna besproken in de volgorde waarin ze zijn voorgesteld.
Subonderdeel 2.1 is gericht tegen de overweging van het hof in rov. 4.15 dat voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, acht dient te worden geslagen op de stellingen van SDEJ. Het subonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat SDEJ geen partij is in de onderhavige procedure tussen SEC en Mercedes c.s., en dat, voor zover het hof inderdaad acht heeft geslagen op de stellingen van SDEJ, het buiten de rechtsstrijd is getreden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.
Deze klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van rov. 4.15. Zoals hiervoor in 5.53 al opgemerkt, is duidelijk dat ‘SDEJ’ in de laatste alinea van die rechtsoverweging een verschrijving betreft en dat het hof daar ‘SEC’ heeft bedoeld.
Subonderdeel 2.2 keert zich tegen de overweging van het hof in rov. 4.15 dat de WAMCA niet van toepassing is op collectieve vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, onder verwijzing (“vgl.”) naar het arrest SMMT/Warner. Het subonderdeel klaagt dat deze overweging onjuist is, omdat het tussen haakjes geplaatste woord ‘uitsluitend’ in de tekst van art. 119a lid 2 ONBW en art. III onder 2 WAMCA niet voorkomt. Deze bepalingen brengen volgens het subonderdeel mee dat in het geval dat een deel van de gebeurtenissen vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden en een deel van de gebeurtenissen na 15 november 2016, eerstgenoemd deel wordt beheerst door het oude recht en laatstgenoemd deel door de WAMCA.
Deze klacht slaagt om de juist hiervoor in 5.55 genoemde reden: het hof had moeten uitgaan van de knip die art. 119a lid 2 ONBW maakt. Voor toepassing van de uitzondering op die knip bestaat geen grond in dit geval. Die grond volgt niet uit het arrest SMMT/Warner.
Subonderdeel 2.3 is gericht tegen de overweging van het hof in rov. 4.15 dat voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, bewijs niet aan de orde is, maar dat een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen voldoende is, wederom onder verwijzing (“vgl.”) naar het arrest SMMT/Warner. Het onderdeel klaagt dat deze overweging onjuist is, voor zover het hof daarmee heeft miskend dat de rechter, bij de vaststelling van het toepasselijke collectieve actieregime, niet mag treden buiten hetgeen partijen in het tussen hen in de procedure daarover gevoerde debat aan hun stellingen ten grondslag hebben gelegd, althans, niet mag treden buiten hetgeen eiser aan zijn collectieve actie ten grondslag heeft gelegd.
Dit onderdeel is ongegrond. In rov. 4.15 heeft het hof op zichzelf terecht voor het overgangsrecht dat toepasselijk is, beslissend geoordeeld wat de stellingen van de eisende partij inhouden. Dat het hof (i) mede betwistingen van de gedaagde relevant heeft geoordeeld – waarvan de juistheid niet door het middel wordt bestreden – en dat het hof (ii) geen bewijs, maar aanwijzingen voldoende heeft geacht – waarover het middel wel klaagt, maar enkel op de grond dat het hof niet buiten de rechtsstrijd van partijen, althans de grondslag van de vorderingen mag treden – is niet dragend voor zijn beslissing. Het baseert zijn oordeel immers op de ‘gemene deler’ van de ingestelde vorderingen.
Overigens zijn beide oordelen ((i) en (ii)) onjuist. Zie hiervoor in 5.24-5.25. Voor het tweede oordeel verwijst het hof naar het arrest SMMT/Warner, maar die verwijzing berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Zie de hiervoor in 5.35 aangehaalde passage uit dat arrest. De daarvan deel uitmakende overweging van de Hoge Raad over het ontbreken van een aanwijzing ziet op de beoordeling van het belang bij het verzochte voorlopige getuigenverhoor. Dat is een andere beoordeling dan aan de orde bij de vraag welk collectieve actieregime van toepassing is op een vordering, gelet op het overgangsrecht bij de WAMCA.
De subonderdelen 2.4-2.6 zijn gericht tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.16 dat de gemene deler van de collectieve vorderingen van SEC is dat alle op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners zien op in Nederland in het verkeer gebrachte voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (het manipulatie-instrument), waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de toepasselijke emissievoorschriften, en dat het hof daarom het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een manipulatie-instrument aanmerkt als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien.
Subonderdeel 2.4 klaagt primair dat het hof met deze overwegingen buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat geen van partijen heeft gesteld dat “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument” moet worden aangemerkt als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien. Het subonderdeel klaagt subsidiair dat het hof in ieder geval niet had mogen treden buiten hetgeen SEC als grondslag voor haar collectieve vorderingen tegen Mercedes c.s. heeft aangevoerd. Voor hetgeen SEC aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, verwijst het subonderdeel in dit verband naar twee passages uit de dagvaarding van SEC, die niet de door het hof genoemde grondslag inhouden.
Het onderdeel faalt. SEC heeft een heel aantal stellingen aan haar vorderingen ten grondslag gelegd in haar inleidende dagvaarding. Die houden verschillende onrechtmatige daden van Mercedes c.s. in, van het ontwikkelen van een manipulatie-instrument en het aanprijzen van haar voertuigen als schoon en conform de regelgeving, tot de verkoop van voertuigen met dat instrument aan de consument, alsmede wanprestatie door de verkoop van voertuigen die niet conform waren hetgeen de consument op grond van de overeenkomst mocht verwachten (art. 7:17 BW). Kennelijk heeft het hof in deze stellingen mede gelezen dat SEC aan Mercedes c.s. mede verwijten dat zij voertuigen die zijn voorzien van een manipulatie-instrument, in Nederland in het verkeer hebben gebracht. De uitleg van de stellingen van partijen door de lagere rechter is feitelijk van aard en kan dus alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht, wat een (zeer) beperkte toets is. De uitleg door het hof is niet onbegrijpelijk. De stellingen van SEC impliceren namelijk mede deze grondslag, zo zij deze niet al met andere woorden inhouden. Zo vallen die stellingen althans zeer wel te lezen (Mercedes en de Importeur zijn in de kennelijke gedachtegang van SEC mede aansprakelijk voor de door de Partners verkochte voertuigen, omdat zij deze in het verkeer hebben gebracht).
Subonderdeel 2.5 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 4.16 over de ‘gemene deler’ van de collectieve vorderingen van SEC onbegrijpelijk is, omdat er verschillende andere gemene delers voor die vorderingen aan te wijzen zijn. Verder klaagt het subonderdeel dat het hof (ook) met deze overweging buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat geen van de partijen heeft gesteld dat ‘de gemene deler’ van de vorderingen zou zijn wat het hof daaronder heeft verstaan.
Voor zover dit subonderdeel inhoudt dat SEC meer grondslagen voor haar vorderingen heeft aangevoerd en die grondslagen evenzeer relevant zijn, slaagt het subonderdeel. Voor het overige behoeft het subonderdeel gelet op het slagen van de subonderdelen 2.2 en 2.10 (zie voor subonderdeel 2.10 hierna) geen behandeling.
Subonderdeel 2.6 klaagt dat, ook wanneer de hiervoor weergegeven overweging van het hof over de gemene deler van de collectieve vorderingen van SEC tot uitgangspunt wordt genomen, het oordeel van het hof dat “daarom” het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument, moet worden aangemerkt als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SEC zien, onjuist, althans onbegrijpelijk is. Ten eerste is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, voor zover het hof heeft miskend dat het een ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’ moet betreffen. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit zijn overwegingen niet op begrijpelijke wijze is af te leiden waarom “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument” zou moeten worden aangemerkt als een gebeurtenis die (de) schade heeft (of kan hebben) veroorzaakt, en ook geen van partijen heeft gesteld dat dit als gebeurtenis als bedoeld in art. 119a lid 2 ONBW moet worden aangemerkt. Ten tweede is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, voor zover het hof heeft miskend dat onder “gebeurtenis” als bedoeld in art. 119a lid 2 ONBW moet worden verstaan “de initiële (en/of gemeenschappelijke en/of alles overkoepelende) schadeveroorzakende gebeurtenis” waarop de collectieve vorderingen zijn gebaseerd. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit het arrest niet op begrijpelijke wijze is af te leiden waarom de door het hof beslissend geachte gebeurtenis als “initiële (en/of gemeenschappelijke en/of alles overkoepelende)” schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen worden aangemerkt, althans, waarom niet gebeurtenissen die zich eerder hebben voorgedaan als zodanig zouden gelden, terwijl de rechtbank een eerdere gebeurtenis – namelijk het tot stand brengen van een illegaal manipulatie-instrument – als zodanig heeft aangemerkt en Mercedes c.s. hetzelfde hebben bepleit. Ten derde is het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat onduidelijk is wat het hof verstaat onder “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen”, op welk tijdstip een voertuig naar het oordeel van het hof in Nederland in het verkeer wordt gebracht en hoe dat tijdstip moet worden vastgesteld.
Dit onderdeel behoeft gelet op het slagen van de subonderdelen 2.2 en 2.10 geen behandeling. De benadering door het hof van de (grootste) gemene deler is als gezegd onjuist en het slagen van de subonderdelen 2.2 en 2.10 brengt al mee dat die benadering niet in stand kan blijven. Volledigheidshalve bespreek ik de klachten van dit subonderdeel kort, omdat deze mede aan andere aspecten van het oordeel van het hof raken.
De eerste klacht van subonderdeel faalt. Weliswaar is minder aannemelijk dat het enkele in het verkeer brengen van voertuigen met een manipulatie-instrument zoals Mercedes c.s. door SEC wordt verweten, al de schade van de achterban van SEC heeft veroorzaakt, uitgesloten is dat niet. Daarbij neem ik in aanmerking dat SEC mede heeft aangevoerd dat Mercedes c.s. de voertuigen als schoon en normconform hebben aangeprezen, welke stelling omvat dat Mercedes c.s. de achterban van SEC tot aankoop van voertuigen hebben bewogen. Of die stellingen inderdaad zo moeten worden begrepen en of die stellingen kunnen leiden tot toewijzing van de vorderingen, zal in het vervolg van de procedure moeten worden nagegaan.
Ook de tweede klacht van het subonderdeel faalt, nu deze uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, zoals uit het voorgaande volgt. De derde klacht faalt omdat het hof in dit stadium van de procedure de daarbij gewenste duidelijkheid nog niet behoefde te geven.
De subonderdelen 2.7-2.9 zijn gericht tegen de overwegingen van het hof in rov. 4.17 dat bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SEC onderscheid dient te worden gemaakt tussen voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk de Euro 6 emissienorm geldt, dat de Euro 5 norm gold tot september 2015 en dat daarna de Euro 6 norm gold, en dat er gezien de partijdiscussie geen aanwijzing is dat op of na 15 november 2016 Euro 5 voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien, in Nederland in het verkeer zijn gebracht. Ook voor deze subonderdelen geldt dat deze geen behandeling behoeven, gelet op het slagen van de subonderdelen 2.2 en 2.10. Volledigheidshalve ga desalniettemin op de klachten van de subonderdelen in.
Subonderdeel 2.7 bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
Subonderdeel 2.8 klaagt dat de overwegingen van het hof om de volgende redenen niet in stand kunnen blijven. Ten eerste is het hof volgens het subonderdeel buiten de rechtsstrijd van partijen getreden of heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, omdat geen van partijen heeft gesteld dat bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SEC onderscheid moet worden gemaakt tussen voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk de Euro 6 emissienorm geldt. Ten tweede is het oordeel van het hof dat bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW een dergelijk onderscheid moet worden gemaakt onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat SEC aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat Mercedes de door haar geproduceerde voertuigen zou hebben voorzien van een verboden manipulatie-instrument, en voor de vraag of en wanneer sprake is van (het in Nederland in het verkeer brengen van een voertuig voorzien van) een ongeoorloofd verboden manipulatie-instrument, niet bepalend is (althans, niet relevant) of en wanneer welke emissienorm gold. Ten derde hebben partijen volgens het subonderdeel in het tussen hen gevoerde debat over de vraag welk collectieve actieregime van toepassing is, niets gesteld over het tijdstip waarop Euro 5 voertuigen of Euro 6 voertuigen in Nederland in het verkeer zijn gebracht, zodat het hof ook in zoverre buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Ten vierde heeft dat tijdstip evenmin een rol gespeeld bij de grondslag van de vorderingen van SEC of het daartegen door Mercedes c.s. gevoerde verweer. Ten vijfde is de overweging van het hof dat er gezien de partijdiscussie geen aanwijzing is dat op of na 15 november 2016 Euro 5 voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien, in Nederland in het verkeer zijn gebracht, onbegrijpelijk, omdat daarover door partijen in het geheel niet is gediscussieerd. Ook met deze overweging is het hof buiten de rechtsstrijd getreden of heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. Ten zesde kan deze overweging niet in stand blijven voor zover het hof daarmee tot uitgangspunt heeft genomen dat het zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actieregime mag baseren op “een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen”.
De eerste klacht van het subonderdeel is ongegrond. De rechter moet binnen de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve nagaan welk recht van toepassing is op de ingestelde vorderingen en is daarbij niet gebonden aan de stellingen daarover van partijen (art. 25 Rv). Het hof was daarom niet gebonden aan hetgeen partijen over de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW in dit geval hebben aangevoerd.
De tweede klacht is gegrond. In het licht van de door het hof zelf vastgestelde grondslag van de vordering in de tweede zin van rov. 4.1.2 – waarnaar bij de klacht wordt verwezen en die als ik goed zie overeenstemt met hetgeen SEC heeft aangevoerd in de stukken – valt niet goed in te zien dat het onderscheid in emissienormen Euro 5 en Euro 6 van belang is voor de vorderingen van SEC. De grondslag van haar vorderingen is dat de voertuigen werden verkocht met de verzekering dat zij aan de geldende emissienorm voldeden. Welke norm dat precies was, speelt bij die grondslag geen rol. Het is daarom niet begrijpelijk dat het hof een onderscheid tussen beide emissienormen heeft gemaakt bij de toepassing van het overgangsrecht. Het betreft bovendien een verrassingsbeslissing. Partijen hebben met dit onderscheid in de stukken geen rekening gehouden en, gelet op het partijdebat, geen rekening behoeven te houden. Het hof had hen daarom in de gelegenheid moeten stellen zich over de betekenis daarvan uit te laten. Mogelijk hadden partijen dan nog iets relevants hierover naar voren gebracht.
Het subonderdeel behoeft voor het overige geen bespreking na het voorgaande.
Subonderdeel 2.9 klaagt dat de overweging van het hof dat de Euro 5 norm gold tot september 2015, en daarna de Euro 6 norm, onjuist is, omdat dat niet volgt uit de Emissieverordening, noch uit enige andere bron. Het subonderdeel doet daarvoor een beroep op de relevante bepalingen van de Emissieverordening, die te vinden zijn in art. 10 leden 2-5 daarvan.
Deze klacht is m.i. ongegrond. Uit art. 10 leden 2-5 Emissieverordening volgt dat het oordeel van het hof niet zozeer onjuist is, maar hoogstens incompleet, nu de emissienorm Euro 6 wel degelijk in werking is getreden op 1 september 2015, zoals in het subonderdeel zelf ook is vermeld (onder d onder 132), zij het slechts voor bepaalde nieuwe voertuigen. Omdat het hof als relevante gebeurtenis heeft aangemerkt het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een manipulatie-instrument, heeft het hof klaarblijkelijk aangesloten bij die emissienorm. De alternatieve ingangsdatum van 1 september 2016 voor andere voertuigen geldt op grond van art. 10 lid 5 Emissieverordening slechts voor voertuigen van de categorie N1 klassen II en III, en de categorie N2. Dat zijn middelzware tot zware bedrijfsauto’s, waaronder vrachtauto’s. Kennelijk heeft het hof bij zijn oordeel de personenauto’s (M1) en lichte bedrijfsauto’s (N1 klasse I) op het oog, waarvoor wel de datum van 1 september 2015 geldt op grond van art. 10 lid 5 Emissieverordening. De beperking tot deze voertuigen is m.i. niet onbegrijpelijk, gelet op de omschrijving van de gedupeerden in de dagvaarding van SEC. Zoals hiervoor in 5.69 vermeld, had het hof partijen echter wel in de gelegenheid moet stellen zich over dit punt uit te laten.
Subonderdeel 2.10 is gericht tegen rov. 4.18, waarin het hof heeft geoordeeld dat de partijdiscussie voldoende aanwijzingen biedt dat de Euro 6 voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien (ook) op en na 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht, dat de collectieve vorderingen met betrekking tot deze voertuigen dan ook niet (uitsluitend) betrekking hebben op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016, en dat de WAMCA daarop van toepassing is. Het subonderdeel bevat klachten onder A-C. Onder A bevat het subonderdeel slechts een voortbouwklacht, die geen bespreking behoeft.
Onder B klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat het hof op grond van art. 119a lid 2 ONBW tot de conclusie had moeten komen dat de collectieve vorderingen van SEC die zien op Euro 6 voertuigen die vóór 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, en de collectieve vorderingen die zien op Euro 6 voertuigen die vanaf 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht, worden beheerst door de WAMCA.
Onder C klaagt het subonderdeel dat, voor zover rov. 4.18 zo moet worden gelezen dat het in Nederland in het verkeer brengen van Euro 6 voertuigen naar het oordeel van het hof moet worden aangemerkt als “een reeks van gebeurtenissen” zoals bedoeld in de toelichting op het Amendement, de laatste gebeurtenis daarvan op of na 15 november 2016 heeft plaatsgevonden en dat daarom de WAMCA ook van toepassing is op de collectieve vorderingen van SEC voor zover die zien op Euro 6 voertuigen die vóór 15 november 2016 in Nederland in het verkeer zijn gebracht, het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk is. Deze algemene klacht is uitgewerkt in zes subklachten, die genummerd zijn van 1 tot 5 (klacht 3 komt tweemaal voor).
Onder C.1 klaagt het subonderdeel dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat partijen (onder meer) niet hebben gesteld dat “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen” zou zijn aan te merken als de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis, en dus evenmin hebben gesteld dat “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen” een reeks van gebeurtenissen zou vormen.
Onder C.2 klaagt het subonderdeel dat het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat SEC haar vorderingen heeft gebaseerd op (gestelde) feiten die zich hebben voorgedaan in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019. Als deze feiten op zichzelf een reeks van gebeurtenissen zouden vormen zoals bedoeld in de toelichting op het Amendement, dan heeft de laatste gebeurtenis waarop de collectieve vorderingen betrekking hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2020. Aangezien de WAMCA pas geldend recht is geworden per 1 januari 2020, is op grond van de tekst van die toelichting het oude recht van toepassing.
De eerste als C.3 genummerde klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van een reeks van gebeurtenissen zoals bedoeld in de toelichting op het Amendement, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de individuele benadeelden in het belang van wie de collectieve actie is ingesteld. Er is per definitie, althans in beginsel, geen sprake van een reeks wanneer vanuit het perspectief van de individuele benadeelden sprake is van losse, afzonderlijke gebeurtenissen, aldus het subonderdeel. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat uit de overwegingen van het hof niet valt af te leiden waarom er in dit geval sprake zou zijn van een gebeurtenis of gebeurtenissen die een reeks zou(den) vormen. Althans is onbegrijpelijk dat het “in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument” vanuit het perspectief van een individuele benadeelde niet steeds één afzonderlijke gebeurtenis zou betreffen.
De tweede als C.3 genummerde klacht houdt in dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, om de volgende redenen. Ten eerste is die rechtsopvatting ontleend aan een zin uit de toelichting op het Amendement, terwijl de daarin tot uitdrukking gebrachte gedachte op geen enkele wijze in de tekst van art. 119a lid 2 ONBW zelf is verwoord. Ten tweede valt die gedachte niet te rijmen met hetgeen wél in de tekst van art. 119a lid 2 ONBW tot uitdrukking is gebracht, nu daaruit volgt dat een ‘knip’ moet worden aangebracht. Ten derde laat de genoemde rechtsopvatting zich niet rijmen met de strekking van het overgangsrecht, namelijk het bevorderen van de rechtszekerheid en het voorkomen van dubbele procedures.
Onder C.4 klaagt het subonderdeel dat het hof heeft miskend dat de genoemde zin uit de toelichting op het Amendement een tot terughoudendheid nopende maatstaf veronderstelt, omdat daarin wordt gesproken van het “theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 heeft plaatsgevonden”. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk.
Onder C.5 klaagt dat het oordeel van het hof (hoe dan ook) onbegrijpelijk is, omdat het hof geen motivering heeft gegeven voor zijn oordeel dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen, althans geen motivering die dat oordeel begrijpelijk maakt.
De klachten onder B, de tweede C.3 en C.4 slagen (deels) (naar hun strekking). In beginsel moet bij art. 119a lid 2 ONBW worden uitgegaan van een knip per 15 november 2016. Voor een uitzondering daarop bestaat alleen aanleiding bij een voortdurende gebeurtenis, waarvan in dit geval onmiskenbaar geen sprake is.
De andere klachten van het subonderdeel behoeven geen behandeling. Over een enkele klacht daarvan merk ik nog kort het volgende op. De klacht onder C.1 miskent opnieuw dat de rechter het overgangsrecht ambtshalve moet toepassen, maar is wel gegrond voor zover het (opnieuw) klaagt dat het hof op dit punt een verrassingsbeslissing heeft gegeven. De klacht onder C.2 ziet eraan voorbij dat de WAMCA van toepassing is als de procedure, zoals in dit geval, is begonnen na 1 januari 2020 en ziet op een gebeurtenis van op of na 15 november 2016. De klacht onder de eerste C.3 faalt omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het perspectief van de individuele benadeelden in het belang van wie de collectieve actie, is niet zonder meer beslissend. Het gaat om de grondslag van de collectieve vorderingen.
Subonderdeel 2.11 bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
Slotsom m.b.t. onderdeel 2
Een aantal klachten van onderdeel 2 slaagt (onder 2.2, 2.5, 2.8 en 2.10). De beslissing van het hof kan in verband daarmee niet in stand blijven. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beslist over de toepasselijkheid van het regime van de WAMCA. De omvang van het cassatieberoep brengt mee dat het daarbij alleen kan gaan om de collectieve vorderingen van SEC voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. Vaststaat als gezegd dat op de Euro 5 voertuigen het regime van art. 3:305a (oud) van toepassing is, nu dat oordeel van het hof in cassatie niet is bestreden.
6. Bespreking onderdeel 3; SEC niet-ontvankelijk vanwege ontbreken tijdig verlengingsverzoek dagvaardingstermijn
Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.21-4.24 dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar collectieve vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv, omdat de op verzoek van SCC verlengde dagvaardingstermijn ook geldt voor SEC. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, omdat een verlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv alleen geldt voor de belangenorganisatie die daarom heeft verzocht, en niet voor andere belangenorganisaties die een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen).
Deze klacht slaagt. In zijn arrest van 14 maart 2025 in de zaak CCC/Apple c.s. heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beslissing op een verlengingsverzoek in de zin van art. 1018d lid 2 Rv is toegesneden op de situatie van de belangenorganisatie die om verlenging heeft verzocht, en dat daarom moet worden aangenomen dat een verlenging naar de bedoeling van de wetgever uitsluitend voor die belangenorganisatie geldt en dus geen algemene werking heeft. SEC kon dus geen beroep doen op de inwilliging van het verlengingsverzoek van SCC. Er is geen andere slotsom mogelijk dan dat SEC haar vordering, voor zover ingesteld op grond van de WAMCA, te laat heeft ingesteld en dus niet op basis van de WAMCA kan procederen.
Gevolg slagen onderdeel 3
Mercedes c.s. hebben in cassatie niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 4.20 dat art. 1018d Rv niet van toepassing is op de collectieve vorderingen van SEC voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, omdat die worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, en dat SEC in zoverre dus niet was gebonden aan enige termijn om haar dagvaarding uit te brengen. De rechtbank heeft op dit punt anders geoordeeld, namelijk dat de vraag of SEC tijdig haar collectieve vorderingen heeft ingesteld, moet worden beantwoord aan de hand van de procesrechtelijke regels van de WAMCA, ongeacht of de in het geding zijnde vorderingen moeten worden beoordeeld naar het regime van de WAMCA of van art. 3:305a (oud) BW (rov. 6.6). Nu over dit oordeel van het hof in cassatie niet wordt geklaagd – m.i. is dat terecht, omdat dit oordeel juist is –, moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Het slagen van de klacht van onderdeel 3 heeft daarom tot gevolg dat SEC in deze procedure slechts niet-ontvankelijk is in haar collectieve vorderingen voor zover het hof na verwijzing oordeelt dat die vorderingen door de WAMCA worden beheerst. Daarbij merk ik op dat SEC weliswaar primair in de procedure heeft betoogd dat de WAMCA van toepassing is, maar haar vorderingen subsidiair – namelijk voor het geval dat de WAMCA niet van toepassing is – heeft gebaseerd op art. 3:305a (oud) BW. De uitkomst na verwijzing kan dus zijn dat SEC ook voor de Euro 6 voertuigen collectieve vorderingen kan instellen omdat (in elk geval op een deel daarvan) het regime van art. 3:305a (oud) BW van toepassing is.
7. Bespreking onderdeel 4; belang van SEC bij haar collectieve actie
Onderdeel 4 bevat twee subonderdelen. Subonderdeel 4.1 is gericht tegen rov. 4.25 eerste zin, waarin het hof heeft geoordeeld dat het betoog van de Partners dat het hoger beroep van SEC reeds bij gebrek aan belang moet stranden omdat dit haar niet in een betere positie kan brengen, niet opgaat, en klaagt dat dit oordeel niet in stand kan blijven als de voorgaande klachten van het middel slagen, omdat het hof met dit oordeel voortbouwt op zijn voorgaande overwegingen.
Deze klacht faalt. Het oordeel van het hof in rov. 4.25 wordt gedragen door twee voorgaande overwegingen, die ieder dat oordeel zelfstandig kunnen dragen, namelijk de overweging in rov. 4.20 (die juist hiervoor in 6.3 is genoemd en besproken) en die in rov. 4.21-4.24, die met succes door onderdeel 3 worden bestreden. Als al gezegd bestrijden Mercedes c.s. de overweging in rov. 4.20 (terecht) niet. Het oordeel van het hof in rov. 4.25 eerste zin wordt dus niet meegesleept in de val van zijn overwegingen in rov. 4.21-4.24.
Subonderdeel 4.2 keert zich tegen rov. 4.25 tweede zin, waarin het hof heeft geoordeeld dat het betoog van de Partners dat belang ontbreekt bij de collectieve actie van SEC omdat deze louter financieel gedreven is en geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de collectieve acties van SDEJ en SCC waarmee de belangen van de achterban van SEC reeds worden gediend, als onvoldoende concreet gemotiveerd en onderbouwd wordt gepasseerd. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is, omdat de Partners hebben aangevoerd dat zowel de samenstelling en omvang van de achterban van SEC als het aantal en de reikwijdte van haar collectieve vorderingen beperkter zijn dan die van SDEJ en SCC, zodat de collectieve acties van SEC de toets van art. 3:303 BW en art. 3:305a BW niet doorstaan, dat in de zaken van SDEJ en SCC eerder inhoudelijk zal worden beslist dan in deze zaak en dat het erop lijkt dat SEC louter een commercieel belang heeft bij deze procedure. Hierbij komt dat SEC het betoog van de Partners niet heeft weersproken, zodat het hof van de juistheid daarvan had moeten uitgaan, althans geen hoge eisen aan de motivering en onderbouwing had mogen stellen. Voor zover het hof heeft miskend dat onder het oude collectieve actieregime een collectieve actie eerder zal afstuiten op een gebrek aan belang vanwege het reeds aanhangig zijn van een soortgelijke collectieve actie van een andere belangenbehartiger dan onder de WAMCA, is zijn oordeel ook onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd.
Het subonderdeel faalt. Aanleiding voor de WAMCA was onder meer dat onder het oude recht gedaagde partijen werden geconfronteerd “met een veelheid aan organisaties die in meer of mindere mate dezelfde achterban vertegenwoordigen”, wat de schikkingsbereidheid van die partijen deed afnemen (gelet op een gebrek aan finaliteit) en de afwikkeling van massaschade compliceerde. De WAMCA voorziet daarom in een gestroomlijnde schadevergoedingsprocedure, waarbij, zoals hiervoor al aan de orde kwam, meerdere belangenorganisaties een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis(sen) kunnen instellen (art. 1018d Rv) en uit hun midden een exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen die in de procedure voor alle gedupeerden en alle belangenorganisaties optreedt (art. 1018e Rv).
Voor iedere belangenorganisatie geldt de ontvankelijkheidseis dat zij voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (art. 3:305a lid 2 BW). Deze eis dient ertoe te voorkomen dat een organisatie een collectieve vordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden. De rechter kan dit bijvoorbeeld toetsen op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de collectieve vordering bij de belangenorganisatie heeft aangemeld.
Bij de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger neemt de rechter onder meer in aanmerking de omvang van de achterban en de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang (art. 1018e lid 1, onder a en b, Rv). De rol van de niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen belangenorganisaties in de procedure is overgelaten aan de rechter en hangt onder meer af van de vraag of zij een overlappende achterban hebben, of juist een verschillende. Een verschil in achterban kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een sub- of co-exclusieve belangenbehartiger moet worden aangewezen.
In dit systeem bestaat mijn inziens weinig tot geen ruimte om een belangenorganisatie op grond van art. 3:303 BW of art. 3:305a BW niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een overlap in achterban of in collectieve vorderingen met een andere belangenorganisatie die voor dezelfde gebeurtenis(sen) een collectieve vordering heeft ingesteld. Voor zover het betoog van de Partners is gebaseerd op de WAMCA, kan de klacht daarom niet tot cassatie leiden.
Onder het collectieve actieregime van art. 3:305a (oud) BW geldt geen zelfstandige representativiteitseis. Sinds de introductie van het zogeheten waarborgvereiste in art. 3:305a (oud) BW in 2013 moet als een onderdeel van dat vereiste wel worden getoetst in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen. Een relevante aanwijzing kan daarbij zijn het aantal benadeelden dat aangesloten is bij of lid is van de organisatie en de vraag in hoeverre benadeelden zelf de collectieve actie ondersteunen. Het stellen van deze eis had echter slechts tot doel om te bewerkstelligen dat belangenorganisaties geen acties instellen die door hun (beweerde) achterban niet worden gewenst.
Het oude recht bevat geen regels voor het geval dat meerdere belangenorganisaties een collectieve actie aanhangig maken ten behoeve van dezelfde of een vrijwel identieke achterban voor dezelfde gebeurtenis(sen), al dan niet met een commercieel motief.
Dat betekent dat slechts het belangvereiste van art. 3:303 BW speelt. Bij een beroep op het ontbreken van belang geldt de regel dat (voldoende) belang bij een rechtsvordering wordt verondersteld. De stelplicht en bewijslast van het ontbreken van belang rustten dus bij degene die daarop een beroep doet.
Het oordeel van het hof in rov. 4.25 tweede zin komt erop neer dat de Partners het gestelde gebrek aan belang onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld. Dat oordeel is feitelijk. Het middel doet geen beroep op passages in de processtukken die dit oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd doen zijn. Het enkele feit dat ook andere belangenorganisaties dezelfde vorderingen voor dezelfde achterban instellen, zoals de Partners hebben aangevoerd, maakt nog niet dat dit belang bij SEC zou ontbreken.
8. Onderdeel 6; relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen de Importeur en de Partners
Onderdeel 6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.12-4.14 dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners. Het onderdeel bevat twee subonderdelen. Subonderdeel 6.1 klaagt, samengevat weergegeven, dat het hof heeft miskend dat er tussen de vorderingen tegen de Amsterdamse Partners enerzijds en de vorderingen tegen de Importeur en de niet-Amsterdamse Partners anderzijds niet een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, zoals bedoeld in art. 107 Rv. Subonderdeel 6.2 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de forumkeuzes die enkele Partners met hun klanten zijn overeengekomen voor andere rechtbanken dan die van Amsterdam, niet aan SEC kunnen worden tegengeworpen.
Geen hogere voorziening toegelaten
Art. 110 lid 3 Rv bepaalt dat tegen een vonnis waarbij het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, wordt verworpen, geen hogere voorziening is toegelaten. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat ook geen hogere voorziening is toegelaten in het geval dat de rechter zich ambtshalve relatief bevoegd of onbevoegd heeft geacht. Tegen deze beslissingen staat dus geen rechtsmiddel open. De achtergrond van dit rechtsmiddelenverbod is dat de relatieve bevoegdheid van de rechter van onvoldoende belang is om het openstaan van een rechtsmiddel te rechtvaardigen. Bij de invoering van het verbod is destijds opgemerkt dat “bij de ontwikkeling die de verkeerstechniek genomen heeft”, het voor partijen “niet meer van veel belang [is] welke rechter relatief bevoegd is van een zaak kennis te nemen: zij hebben er slechts belang bij dat snel een rechter wordt aangewezen”. In een recent arrest van de Hoge Raad wordt deze ratio kortweg omschreven als dat ‘vertraging van de procedure moet worden voorkomen’.
Mercedes c.s. zijn dus niet-ontvankelijk in hun klachten tegen het oordeel van het hof.
Onderdeel 6 toch behandelen?
Mercedes c.s. hebben de Hoge Raad verzocht om de klachten van het onderdeel desalniettemin te behandelen, omdat daarin vragen aan de orde komen die in de praktijk vaak spelen in collectieve acties met meerdere gedaagden en waarover onzekerheid bestaat, wat afbreuk kan doen aan de efficiënte en effectieve rechtsbescherming die de WAMCA beoogt te bieden. Omdat dit inderdaad opnieuw een kwestie is die in de praktijk bij WAMCA-procedures kan spelen, sta ik kort stil bij de vragen over de relatieve bevoegdheid die het onderdeel aan de orde stelt.
Art. 107 Rv, vereiste van samenhang
Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op art. 107 Rv. Deze bepaling is van toepassing wanneer sprake is van subjectieve cumulatie aan de zijde van de gedaagden. Art. 107 Rv bepaalt voor dat geval dat, indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Het in art. 107 Rv bepaalde was vóór de herziening van het civiele procesrecht in 2002 opgenomen in art. 126 lid 7 (oud) Rv. Art. 126 lid 7 (oud) Rv bepaalde dat als er meer gedaagden zijn, de eiser de rechter van de woonplaats van een van hen kan kiezen. In het commentaar van Cleveringa op deze bepaling wordt opgemerkt dat deze geen onderscheid maakt “al naar gelang van het aandeel, dat ieder hunner in dezen rechtsstrijd heeft”. De grens is volgens Cleveringa daarin gelegen dat “door mededagvaarding van een volkomen willekeurige derde kunstmatig steeds de meest onredelijke bevoegdheid” wordt geschapen.
Anders dan art. 107 Rv, bevatte art. 126 lid 7 (oud) Rv niet het vereiste dat sprake moet zijn van een bepaalde mate van samenhang tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden. Dat vereiste is afkomstig uit de rechtspraak van de Hoge Raad.
In een arrest van 12 januari 1939 over de toelaatbaarheid van subjectieve cumulatie oordeelde de Hoge Raad dat gedaagden zich ertegen kunnen verzetten dat zij ter zake van verschillende vorderingen samen met anderen in rechte worden betrokken, indien niet ten minste een zodanige samenhang tussen die vorderingen bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. In een arrest van 27 oktober 1978 heeft de Hoge Raad beslist dat het ontbreken van een dergelijke samenhang geen grond oplevert voor niet-ontvankelijkheid. De rechter kan het geding, op verlangen van een partij of ambtshalve, wel splitsen op de grond dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. In zijn noot onder het arrest merkt Heemskerk terecht op dat de door de Hoge Raad gegeven maatstaf een zuiver procesrechtelijke is, waarbij de doelmatigheid centraal staat.
In een arrest van 16 mei 1986 heeft de Hoge Raad het vereiste van samenhang toegepast op een geval waarin de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde was. Dat betreft een wezenlijk andere materie. Onder het oude recht werd aangenomen dat art. 126 lid 7 (oud) Rv ook de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaalt. De Hoge Raad oordeelde dat aan de eisen van art. 126 lid 7 (oud) Rv ten aanzien van de in het buitenland gevestigde gedaagde is voldaan, als met de vordering tegen de in Nederland gevestigde gedaagde tenminste een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen.
Met de invoering van het huidige art. 107 Rv is het vereiste van samenhang gecodificeerd.
Uit de wetgeschiedenis kan worden afgeleid dat het oordeel of een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen in de zin van art. 107 Rv, geheel aan de rechter is overgelaten. Beslissend is blijkens het hiervoor in 8.4 vermelde of vanuit procesrechtelijk oogpunt voldoende rechtvaardiging voor een gezamenlijke behandeling bestaat. Van die rechtvaardiging is zeer snel sprake.
Vereiste van samenhang in het internationale bevoegdheidsrecht
In de toelichting op art. 107 Rv is onder meer verwezen naar art. 7 lid 1 Rv. Dat artikel bevat een vergelijkbare bepaling voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Art. 7 lid 1 Rv bepaalt dat in dagvaardingszaken de Nederlandse rechter, wanneer hij ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, deze hem ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Het in art. 7 lid 1 Rv bepaalde is ontleend aan art. 6 lid 1 EEX-Verdrag en art. 126 lid 7 (oud) Rv. In deze bepalingen was, zoals met betrekking tot art. 126 lid 7 (oud) Rv reeds opgemerkt, niet met zoveel woorden bepaald dat samenhang moet bestaan tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden. Art. 7 lid 1 Rv is beperkter geredigeerd, “omdat rechtsmacht op de grond dat ook andere verweerders in het geding betrokken zijn, exorbitant zou zijn indien er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders geen verband is”, aldus de toelichting. Volgens de wetgever is van een afwijking van art. 6 lid 1 EEX-Verdrag echter geen sprake, nu de rechtspraak van het Hof van Justitie EU in de tekst van art. 7 lid 1 Rv is verwerkt, waarin het vereiste van samenhang was aangenomen voor de toepassing van art. 6 lid 1 EEX-Verdrag. Zoals hiervoor opgemerkt, had de Hoge Raad reeds hetzelfde gedaan voor art. 126 lid 7 (oud) Rv, voor zover die bepaling internationale bevoegdheid schept.
Het in art. 6 lid 1 EEX-Verdrag bepaalde wordt nu bepaald in art. 8 lid 1 Brussel I-bis. De betekenis van de samenhangeis daarvan kwam hiervoor al uitvoerig aan de orde bij de bespreking van onderdeel 1, met name bij die van subonderdeel 1.5, in 4.38 en verder.
Het onderdeel lijkt tot uitgangspunt te nemen dat het samenhangvereiste van art. 107 Rv overeenkomstig het samenhangvereiste van art. 7 lid 1 Rv en art. 8 lid 1 Brussel I-bis moet worden uitgelegd. Dat uitgangspunt lijkt me niet juist. De internationale bevoegdheid van de rechter betreft een kwestie die fundamenteler van aard is dan zijn relatieve bevoegdheid. Toepassing van art. 107 Rv is alleen aan de orde in nationale verhoudingen, waarbij het belang van een of meer gedaagden uitsluitend erin is gelegen om (bijvoorbeeld) zo dicht mogelijk bij huis te kunnen procederen.
Dit verschil in aard komt onder meer tot uitdrukking in het gegeven dat het internationale bevoegdheidsrecht van openbare orde is en dus ambtshalve moet worden toegepast. Aan de relatieve bevoegdheid wordt pas toegekomen nadat vaststaat dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Alleen in het geval van een daartoe strekkend verweer dient de rechter in eerste aanleg zijn relatieve bevoegdheid te beoordelen. Zoals hiervoor besproken, staat van de beslissing daarover geen rechtsmiddel open, gelet op het geringe belang daarvan. Het samenhangvereiste van art. 107 Rv is in de rechtspraak van de Hoge Raad mede tot ontwikkeling gekomen in het kader van de vraag naar de toelaatbaarheid van subjectieve cumulatie aan de zijde van gedaagden. Hoewel de wetgever ten tijde van de herziening van het civiele procesrecht de vereisten van samenhang bij beide soorten van bevoegdheid uitdrukkelijk met elkaar in verbinding heeft gebracht, bestaat er wat betreft inhoud en ratio dus een heel duidelijk en wezenlijk verschil tussen beide vereisten.
Het beroep op de bepalingen over internationale bevoegdheid van het onderdeel mist dus doel.
Collectieve actie en relatieve bevoegdheid
Voor de collectieve actie gelden geen bijzondere regels met betrekking tot de relatieve bevoegdheid. De art. 99-107 Rv zijn ook van toepassing op de collectieve actie, wat betreft de WAMCA op grond van art. 1018b lid 2 Rv. Belangenorganisaties treden als procespartij voor zichzelf op – dus als formele én materiële procespartij – en dus dient ook de relatieve bevoegdheid te worden beoordeeld aan de hand van de door hen ingestelde vorderingen. In de toelichting op de WAMCA is de minister daar ook van uitgegaan:
“De hoofdregel van relatieve bevoegdheid is de woonplaats van de verweerder. Deze regel is ook van toepassing in massazaken. Alternatieve mogelijkheden voor relatieve bevoegdheid zijn er onder meer voor geschillen over een consumentenovereenkomst (de rechter van de woonplaats consument), geschillen uit onrechtmatige daad (de rechter van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis), en voor rechtsbetrekkingen die ter vrije bepaling van partijen staan, zoals een overeenkomst (de forumkeuze). Dit betekent dat een andere rechtbank in dit soort zaken mede bevoegd is om de zaak te behandelen, naast de rechter van de woonplaats van de verweerder. Maar niet al deze mogelijkheden zijn bruikbaar voor een belangenbehartiger in massazaken. De alternatief bevoegde rechter in consumentenzaken is niet bruikbaar omdat een collectieve vordering wordt ingesteld door een belangenbehartiger. De woonplaats van een willekeurige consument behorend tot achterban voor wie de belangenbehartiger opkomt, is onvoldoende aanknopingspunt voor het aannemen van bevoegdheid voor de collectieve vordering van de belangenbehartiger over een consumentenovereenkomst. De plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis omvat normaal gesproken ook de plaats waar de directe schade is geleden (zie ook p. 27 memorie van toelichting hierover). Deze laatste aanknoping voor
relatieve bevoegdheid is niet bruikbaar in massazaken. De plaats van de schade van een willekeurige gedupeerde behorend tot de achterban voor wie wordt opgekomen is onvoldoende aanknopingspunt voor het aannemen van bevoegdheid voor de collectieve schadevordering voor deze gebeurtenis. Bovendien is het niet de belangenbehartiger die zelf de schade heeft geleden. Ook om die reden lijkt deze alternatieve bevoegdheid alleen bruikbaar als de collectieve vordering wordt ingesteld op de plaats waar daadwerkelijk de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, ongeacht de plaats waar de schade is geleden. Een forumkeuze lijkt in massazaken waarin partijen er kennelijk niet in zijn geslaagd tot een collectieve schikking te komen, niet meer dan een theoretische mogelijkheid voor alternatieve bevoegdheid.
De praktische mogelijkheden voor belangenbehartigers om te kiezen bij welke rechtbank zij hun collectieve vordering instellen, zijn dus beperkt. Daarmee is ook het risico van een race tussen belangenbehartigers om als eerste een collectieve vordering in te stellen bij de rechtbank van hun
keuze beperkt.”
Zoals hiervoor in 4.6-4.7 en 4.30-4.32 al aan de orde kwam, is de zelfstandige processuele positie die belangenorganisaties onder art. 3:305a BW innemen, onder zowel het oude als het nieuwe recht, inmiddels ook erkend door het Hof van Justitie EU bij de uitleg van Brussel I-bis. In het al meermalen genoemde arrest in de zaak Apple heeft het hof geoordeeld dat wanneer een belangenorganisatie als eiser optreedt, bij de vaststelling van de relatieve bevoegdheid door het gerecht mag worden geabstraheerd van de vorderingen van de achterban. Daardoor is iedere materieel bevoegde rechter ook relatief bevoegd.
Forumkeuze voor een relatief bevoegd forum
Art. 108 Rv maakt het onder bepaalde voorwaarden mogelijk dat partijen bij overeenkomst een relatief bevoegde rechter aanwijzen. Een dergelijke forumkeuze schept exclusieve bevoegdheid voor het aangewezen gerecht. Onduidelijk is of de mogelijkheid van subjectieve cumulatie een dergelijke forumkeuze opzij kan zetten.
Bespreking van de klachten van onderdeel 6
Uit het voorgaande volgt dat voor zover het subonderdeel 6.1 ervan uitgaat dat voor de beoordeling van de vraag of de rechtbank op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om van de vorderingen van SEC kennis te nemen, van belang is dat er (een bepaalde mate van) samenhang bestaat tussen de individuele vorderingen van de leden van de achterban van SEC onderling of dat die vorderingen een (andersoortig) beperkend effect kunnen of moeten hebben op de toepassing van art. 107 Rv in dit geval, het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Hetzelfde geldt voor zover het subonderdeel tot uitgangspunt neemt dat het samenhangvereiste van de art. 8 lid 1 Brussel I-bis en 7 lid 1 Rv hetzelfde meebrengt als dat van art. 107 Rv. Voor het overige geldt dat het oordeel van het hof berust op een toepassing van het samenhangvereiste die in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Die beoordeling is als gezegd aan de feitenrechter.
Wat betreft het forumkeuzebeding waarop subonderdeel 6.2 ziet, merk ik eerst op dat de belangenorganisatie bij een collectieve actie optreedt op grond van een eigen recht (zie hiervoor in 4.7 en 8.8) en dat zij als zodanig niet is gebonden aan een forumkeuzebeding dat leden van haar achterban zijn aangegaan. Opgemerkt moet worden dat met betrekking tot de absolute bevoegdheid blijkens de rechtspraak geldt dat een belangenorganisatie, ook al treedt zij op krachtens een eigen recht, de voor haar achterban openstaande bijzondere rechtsgang niet kan ontgaan door een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. Dat is m.i. echter anders als vaststaat dat anders de rechtsbescherming van de personen voor wie zij optreedt, daadwerkelijk tekortschiet. Dan prevaleert immers de grondwettelijke taak van de burgerlijke rechter om aanvullende rechtsbescherming te verlenen als die bij een andere rechter tekortschiet (art. 112 Grondwet).
Zoals uit het voorgaande volgt, is er veel minder reden om gewicht toe te kennen aan een forumkeuzebeding dat betrekking heeft op de relatieve bevoegdheid. Daar komt bij dat een collectieve actie wordt ingesteld voor een betere rechtsbescherming. Daarop gelet heeft het hof m.i. in rov. 4.14 kunnen oordelen dat de onderhavige forumkeuzebedingen niet kunnen worden tegengeworpen aan SEC. Aan het belang bij handhaving van dat beding komt minder gewicht toe dan aan een behoorlijke rechtsbedeling. Daaruit volgt dat ook subonderdeel 6.2 ongegrond is.
Overigens valt er nog op te wijzen dat de zaken van de belangenorganisaties onder de WAMCA op grond van art. 1018d lid 3 Rv als één zaak gelden en de relatieve bevoegdheid dus voor deze zaken gezamenlijk moet worden bepaald.
9. Afsluiting; terugwijzen door de appelrechter in WAMCA-zaken
Slotsom beroep
Wegens het slagen van klachten van de onderdelen 2 en 3 kan het arrest van het hof niet in stand blijven. De arresten van het hof van 22 oktober 2024 en 26 november 2024 kunnen evenmin in stand blijven, nu deze voortbouwen op het arrest van 13 augustus 2024. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beslist over de ontvankelijkheid van SEC op grond van de WAMCA in haar vorderingen. Zoals hiervoor in 6.3 al gezegd, staat vast dat SEC ontvankelijk is in haar vorderingen met betrekking tot de Euro 5 voertuigen en gaat het alleen om haar vorderingen met betrekking tot de Euro 6 voertuigen. Over de terugwijzing van de zaak naar de rechtbank zal ook opnieuw moeten worden beslist, nu deze beslissing meegaat in de vernietiging van het arrest van 22 oktober 2024, waarin die beslissing is vervat. Daarom sta ik stil bij de vraag of het hof de zaak heeft mogen terugwijzen naar de rechtbank en of de rechter na verwijzing dat mag.
Terugwijzen van de zaak door het hof naar de rechtbank
Zoals A-G Ibili en A-G De Bock in hun hiervoor in 1.5 genoemde conclusies op de daar genoemde plaatsen al hebben uiteengezet – waarnaar ik verder verwijs –, is terugwijzing naar de rechtbank niet mogelijk na een vernietiging van een vonnis van de rechtbank waarin een belangenorganisatie niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen, zoals de rechtbank in deze zaak heeft gedaan. Het hof naar wie deze zaak zal worden verwezen, zal deze dus om die reden al zelf moeten afdoen.
Daarnaast geldt dat als de Hoge Raad in zijn arrest de verwijzingsrechter geen toestemming geeft om een zaak te verwijzen naar een andere rechter, de verwijzingsrechter de zaak sowieso niet naar een andere rechter mag verwijzen. Vaste rechtspraak is namelijk dat de verwijzingsrechter, behoudens een andersluidende verwijzingsinstructie van de Hoge Raad, zelf de zaak moet afdoen en dat het hem niet is toegestaan om de zaak op zijn beurt naar een andere rechter te verwijzen. Ratio van deze regel is, zeer kort gezegd, dat het na vier instanties procederen afgelopen moet zijn (litis finiri oportet).
Omdat de ‘hoofdzaak’ (de door SDEJ aangespannen procedure) nog aanhangig was in eerste aanleg, valt de terugwijzing naar de rechtbank door het hof op zichzelf goed te begrijpen. In een WAMCA-zaak (wat deze zaak, gelet op het voorgaande, inmiddels niet meer is), met meerdere eisende belangenorganisaties in eerste aanleg waarvan ten minste één ontvankelijk wordt geoordeeld in eerste aanleg – zoals dus in deze zaak –, is zij echter – behalve in strijd met de wet – praktisch gezien bepaald problematisch. Omdat dit een wezenlijk probleem is dat in veel procedures speelt, ga ik daarop aan het slot van deze conclusie nog nader in.
Terugwijzen in WAMCA-zaken
Als in het juist genoemde geval van een WAMCA-zaak met meerdere eisende belangenorganisaties in eerste aanleg waarvan ten minste één ontvankelijk wordt geoordeeld in eerste aanleg, tegen een ‘vroege’ niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg hoger beroep wordt ingesteld – welk hoger beroep de desbetreffende belangenorganisatie onmiddellijk zal moeten instellen, omdat een niet-ontvankelijkverklaring een einduitspraak is, die onherroepelijk wordt als daarvan niet gelijk hoger beroep wordt ingesteld –, wordt in de tussentijd in eerste aanleg met betrekking tot de andere partij(en) verder gegaan met de procedure, dus met de verdere beoordeling van de ontvankelijkheid, met de eventuele aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger en met (de behandeling van) de procedure zelf, waarover de ontvankelijke belangenorganisaties als gezegd onderling dienen te overleggen. Een terugwijzing naar de rechter in eerste aanleg door de appelrechter na een vernietiging van een niet-ontvankelijkverklaring valt niet goed in te passen in het procesrecht van de procedure in eerste aanleg. Die procedure is immers op het tijdstip van de terugwijzing al een heel stuk verder. Noch het procesrecht van de WAMCA-procedure, noch het gewone procesrecht voorziet erin dat een partij weer terugkeert in de procedure in eerste aanleg. De vraag is wat na die terugwijzing de rol van de desbetreffende belangenorganisatie in de eerste aanleg van de WAMCA-procedure nog is of kan zijn. De wet geeft daarop als gezegd geen antwoord en dat antwoord is ook niet eenvoudig te bedenken, omdat de WAMCA nu eenmaal ervan uitgaat dat alle betrokken belangenorganisaties van begin af aan als een groep optrekken, zonder dat er deelnemers tussentijds buiten de boot vallen, maar later (door het hof teruggestuurd) nog weer terugkomen. De zeer beperkte aanmeldingstermijn van art. 1018d leden 1 en 2 Rv van in beginsel drie en maximaal zes maanden brengt juist mee dat na het einde van die termijn andere belangenorganisaties niet meer kunnen meedoen in de procedure. De procedure is daarop niet ingericht. Volgens het stelsel, zoals de wet dat bevat, is er dus geen plaats voor de belangenorganisatie die door het hof wordt teruggewezen naar de rechtbank.
De wetgever heeft dan ook niet in een afwijking van het algemene verbod op terugwijzing naar de rechter in eerste aanleg voorzien voor een geval zoals hier in een WAMCA-zaak. Daarom is terugwijzing in beginsel niet mogelijk te achten. De appelrechter moet volgens het appelrecht zelf de zaak afdoen (zie de hiervoor in 1.5 genoemde conclusies van A-G Ibili en A-G De Bock).
Dat is echter eveneens bepaald problematisch onder de WAMCA. Bedoeling van de WAMCA-procedure is immers dat over alle collectieve vorderingen met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) in één procedure voor alle door die gebeurtenis(sen) benadeelden bindend wordt beslist (zie al hiervoor in 3.2). Die beslissing heeft jegens hen allen gezag van gewijsde (art. 1018k lid 1 Rv). Dat is alleen anders jegens de benadeelden die tijdig gebruik hebben gemaakt van de opt-out (art. 1018k lid 1 Rv, mede door verwijzing naar art. 1018i lid 1 Rv, dat op zijn beurt weer verwijst naar art. 1018f Rv), maar voor deze benadeelden mag op grond van art. 1018f lid 4 Rv geen collectieve actie meer worden ingesteld.
Doet de appelrechter in genoemd geval zelf de zaak af, dan is de kans groot dat twee WAMCA-uitspraken over dezelfde gebeurtenis(sen) worden gedaan, die tegenstrijdig kunnen zijn en die bovendien allebei aanspraak kunnen maken op de bindende werking van art. 1018k lid 1 Rv. Dat staat haaks op de bedoeling van de WAMCA – waarin alle massaschadezaken in één effectieve en efficiënte procedure worden afgedaan – en is allicht ook zeer onwenselijk.
Op het eerste gezicht is er dus een niet oplosbaar probleem in het hiervoor bedoelde geval. Terugwijzen is in strijd met het bestaande wettelijke stelsel en niet goed in te passen in het procesrecht van de eerste aanleg van de WAMCA-procedure, zelf afdoen door de appelrechter valt niet te verenigen met de regeling van de WAMCA en is onwenselijk.
Het probleem bestaat omdat de wetgever bij de totstandkoming van de WAMCA niet ook het hoger beroep en het cassatieberoep voor dat procesregime heeft geregeld. Er is daardoor uitsluitend voorzien in een regeling van de eerste aanleg van de WAMCA-procedure. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat ‘de gewone regels van hoger beroep van toepassing zijn’, maar die voorzien niet in de bijzondere problemen van de WAMCA-procedure. Rv verklaart vaak bepalingen van de eerste aanleg van overeenkomstige toepassing in hoger beroep en cassatie, maar met die regel moet bij de WAMCA voorzichtig worden omgegaan. Op het onderhavige punt ontbreekt dus een regeling. De regering heeft naderhand nog opgemerkt dat nu de WAMCA geen regeling kent voor het hoger beroep en het cassatieberoep, het aan de hoven en de Hoge Raad is overgelaten om over de wijze van toepassing van de WAMCA in hoger beroep en cassatie te oordelen. Dit kan worden opgevat als een machtiging tot rechterlijke rechtsvorming.
De rechter in eerste aanleg zou genoemd probleem kunnen oplossen door de zaak aan te houden als sprake is van een niet-ontvankelijkverklaring van een deel van de eisende organisaties en van een hoger beroep van die organisaties daartegen. De procedure zou daarmee echter ernstige vertraging oplopen. Dat valt niet te rechtvaardigen. De rechter en partijen dienen immers te waken voor onredelijke vertraging van het geding (de art. 6 lid 1 EVRM en 20 Rv). De WAMCA-procedure moet bovendien effectief en efficiënt zijn, wat de hoofddoelstelling van de WAMCA is. Daarnaast geldt dat zolang het vonnis van de rechtbank niet is vernietigd, de juistheid daarvan uitgangspunt moet zijn. Vergaand rekening houden met de mogelijkheid dat dit niet geval is, past daar niet bij en is ook onwenselijk. Tot slot duren WAMCA-procedures nu al veel te lang (zie hiervoor in 5.49 tweede alinea). Deze weg is daarom m.i. zeer onaantrekkelijk en niet begaanbaar.
De appelrechter zou genoemd probleem kunnen proberen op te lossen door bij een vernietiging van een niet-ontvankelijkverklaring de behandeling van het hoger beroep in die zaak aan te houden, om af te wachten of in de andere zaken – waarin de belangenorganisatie(s) wel in eerste aanleg ontvankelijk zijn geoordeeld – ook hoger beroep wordt ingesteld en als dat gebeurt de zaken dan te voegen en mogelijk zelfs art. 1018d lid 3 Rv alsnog toe te passen (waardoor de verschillende zaken van de belangenorganisaties weer één zaak worden, zoals het stelsel van de WAMCA inhoudt), zo dat mogelijk wordt geacht. Die weg is echter onzeker, kan lang duren en vraagt ook de nodige alertheid van het hof. Zij biedt bovendien geen oplossing als geen hoger beroep in de andere zaken wordt ingesteld en het vonnis van de rechtbank dus bindend wordt ex art. 1018k lid 1 Rv.
In de lacune zou m.i. wel door de rechtspraak zelf op een andere wijze kunnen worden voorzien. Dat is namelijk door de WAMCA-zaken van alle eisende belangenorganisaties steeds a priori al aan te merken als één zaak, overeenkomstig art. 1018d lid 3 Rv, welke zaken om die reden steeds bij elkaar moeten blijven. Om dat laatste – het bij elkaar houden van de zaken als één zaak – praktisch te bereiken zou een rechtbank die een eisende belangenorganisatie niet-ontvankelijk in haar vorderingen acht omdat die organisatie of haar vorderingen niet voldoen aan de op grond van de wet te stellen eisen, die niet-ontvankelijkheid niet aanstonds in het dictum van haar vonnis over de ontvankelijkheid moeten uitspreken, maar pas in het dictum van haar eindvonnis in de hoofdzaak, dus in de uitspraak aan het einde van de eerste aanleg. Van een tussentijds hoger beroep door die partij zal dan geen sprake meer zijn, omdat er dan nog geen sprake is van een eindvonnis waarbij de niet-ontvankelijkheid is uitgesproken. Die partij kan haar niet-ontvankelijkheid dan pas in een hoger beroep aan de orde stellen door een beroep tegen het eindvonnis dat jegens alle procespartijen wordt gewezen. Omdat geprocedeerd wordt als groep, zal dat hoger beroep zich moeten richten tegen alle partijen en tegen alle partijen werking hebben. Op die manier blijft effectief gedurende alle instanties één procedure wat in het wettelijk stelsel één procedure is en moet zijn. Uiteraard kan in dat hoger beroep tegen het eindvonnis in de hoofdzaak ook door andere partijen hoger beroep worden ingesteld. Hier kan worden uitgegaan van het procesrecht zoals dat geldt voor ondeelbare rechtsverhoudingen. Wat de wetgever met de WAMCA heeft geschapen, lijkt sterk op een dergelijke rechtsverhouding, wat rechtvaardigt om de regels daarvan toe te passen.
Het nadeel van deze oplossing is natuurlijk dat de niet-ontvankelijk verklaarde partij in eerste aanleg niet meer kan meedoen – want dat is de consequentie van het oordeel dat zij niet-ontvankelijk in haar vorderingen is – en zal moeten wachten tot de einduitspraak in de hoofdzaak. Meedoen kan zij echter evenmin, zoals hiervoor bleek, als zij aanstonds niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen en in hoger beroep kan en moet gaan. Er is dus geen betere weg. Dat is belangrijk om voor ogen te houden. Bij de juist hiervoor in 9.9 genoemde oplossing heeft deze partij in elk geval de mogelijkheid om alsnog in het hoger beroep volwaardig mee te doen – wat bij de mogelijkheid van een onmiddellijk hoger beroep twijfelachtig is (want waar kan dat hoger beroep als gezegd toe leiden?) –, is haar processuele rol bovendien wel goed in te passen (anders dan bij een buitenwettelijke terugwijzing naar de rechtbank dan wel het zelf afdoen van de zaak door de appelrechter) én worden tegenstrijdige uitspraken voorkomen. Het zou m.i. voor de hand liggen, gelet op het voorgaande, dat de wetgever de hiervoor genoemde oplossing als een regel van dwingend recht in de regeling van de WAMCA opneemt.
Bij het voorgaande laat ik het, nu SEC in deze zaak, zoals al gezegd, niet-ontvankelijk is in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op de WAMCA.
10. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G