ECLI:NL:PHR:2026:225

ECLI:NL:PHR:2026:225

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 24/04589
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Samenvatting

Procesrecht. IPR. Collectieve actie o.g.v. art. 3:305a (oud) BW en de WAMCA. Bevoegdheid Nederlandse rechter o.g.v. art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv om kennis te nemen van collectieve actie (mede) tegen buitenlandse gedaagden. Overgangsrecht WAMCA. Samenhang met zaak 25/00198.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04589

Zitting 6 maart 2026

CONCLUSIE

F. Ibili

In de zaak

Stichting Diesel Emissions Justice,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep

tegen

1. Stellantis N.V., voorheen Fiat Chrysler Automobiles N.V.,gevestigd te Amsterdam,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht Stellantis Europe S.P.A., voorheen FCA Italy S.P.A.,gevestigd te Turijn, Italië,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht Alfa Romeo S.P.A.,gevestigd te Turijn, Italië,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht FCA US LLC,gevestigd te Auburn Hills, Michigan, Verenigde Staten van Amerika,5. FCA Netherlands B.V.,gevestigd te Amsterdam,

6. [verweersters 6 t/m 72]

verweersters in cassatie, eiseressen in het incidentele cassatieberoep.

Eiseres tot cassatie wordt aangeduid als SDEJ. Verweersters in cassatie sub 1 t/m 5 worden gezamenlijk aangeduid als Stellantis c.s. en ieder afzonderlijk als Stellantis, Stellantis Europe, Alfa Romeo, FCA US en FCA NL of de importeur. Verweersters in cassatie sub 6 t/m 72 worden gezamenlijk aangeduid als de dealers.

1. Inleiding

Deze zaak betreft een collectieve actie die SDEJ namens Nederlandse en buitenlandse gedupeerden heeft ingesteld tegen Stellantis c.s. en de dealers met betrekking tot voertuigen met dieselmotoren van de merken Fiat, Jeep en Alfa Romeo die volgens SDEJ vanwege een verboden manipulatie-instrument (emissiebeheersingssoftware) niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de emissienormen Euro 5 en Euro 6 op grond van de Europese Emissieverordening. In cassatie rijst de vraag of de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv als forum van de Nederlandse ankergedaagde (FCA NL of Stellantis) internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vorderingen tegen de buitenlandse autofabrikanten (Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US). Geldt voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv als afzonderlijke voorwaarde dat het voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar moet zijn geweest dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het thuisforum van de ankergedaagde? En in hoeverre is voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv vereist dat de belangenorganisatie met haar collectieve vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden opkomt voor dezelfde groep van gedupeerden? Verder rijst in cassatie de overgangsrechtelijke vraag of de ontvankelijkheid van SDEJ in deze collectieve actie moet worden beoordeeld volgens art. 3:305a (oud) BW of de per 1 januari 2020 in werking getreden Wet afwikkeling massaschade in een collectieve actie (WAMCA). Dit vraagt om een uitleg van art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW, waarin is bepaald dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft op collectieve acties die zijn ingesteld op of na 1 januari 2020 voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. In deze zaak spelen vergelijkbare vragen als in zaak 25/00198 tussen Mercedes c.s. en Stichting Emission Claim, waarin door A-G Snijders heden ook conclusie wordt genomen.

2. Feiten en procesverloop

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

SDEJ is opgericht op 1 juli 2019. Art. 2 lid 1 van haar statuten luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘De stichting heeft ten doel het behartigen en voortzetten van de belangen van de Gedupeerden in het algemeen en de Participanten in het bijzonder, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:

a. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claim;

b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;

c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden, waaronder Participanten, stellen te hebben geleden;

d. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;

e. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;

een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.’

In de statuten (p. 1-2) worden onder meer de volgende definities gegeven:

‘b. Claim of Claims: klachten, eisen en/of vorderingen van de Gedupeerden en/of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens een of meer Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van ongeoorloofde manipulatie van de uitstoot van voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door de Entiteiten met betrekking tot de daadwerkelijke niveaus van deze uitstoot, algemeen bekend als het dieselemissieschandaal, dat uitdrukkelijk omvat, maar niet beperkt is tot vorderingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen;

c. Gedupeerden: alle natuurlijke personen, dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen, of hun rechtsopvolgers die direct of indirect op welke manier dan ook geschaad of benadeeld zijn door het handelen of nalaten van de Entiteiten en Beleidsbepalers en waarop de Claims zijn gebaseerd, dit in de ruimste zin van het woord;

(…)

e. Ongeoorloofd Manipulatie-instrument of Ongeoorloofde Manipulatie-instrumenten: een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3 sub 10 van Europese Verordening nr. 715/2007, dan wel in de zin van een vergelijkbare bepaling in opvolgende wetgeving, dat niet valt onder een van de in deze verordening of opvolgende wetgeving omschreven uitzonderingen;

f. Participant: een Gedupeerde die een overeenkomst met de stichting heeft gesloten;

(…)’.

Stellantis is de topholding van het Fiat Chrysler concern dat op 12 oktober 2014 tot stand is gekomen als gevolg van de fusie tussen het Fiat concern en het Chrysler concern. Tot de fusie was Fiat SpA topholding van het Fiat concern en was FCA US topholding van het Chrysler concern. Fiat SpA, nu genaamd Stellantis Europe, is met de fusie opgegaan in Stellantis die sinds de fusie 100% van de aandelen in FCA US houdt. FCA NL is een dochtermaatschappij van Stellantis Europe. Zij is de importeur/distributeur voor de Nederlandse markt van nieuwe door Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US (hierna gezamenlijk: de autofabrikanten) geproduceerde voertuigen. De dealers hebben een contractuele relatie met de importeur en handelen onder meer in de van de importeur verkregen voertuigen.

Bij inleidende dagvaarding van 21 augustus 2020 heeft SDEJ een collectieve actie ingesteld tegen Stellantis c.s. en de dealers met betrekking tot voertuigen met dieselmotoren die volgens SDEJ vanwege een verboden manipulatie-instrument niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de Europese emissienormen Euro 5 en Euro 6. Deze collectieve actie ziet op de door de autofabrikanten in de periode 2009 t/m 2019 geproduceerde voertuigen, door de importeur in Nederland geïmporteerde en door de dealers verkochte en geleverde of wegens lease afgegeven voertuigen die in de periode 1 januari 2009 t/m de datum van de uitspraak door gedupeerden zijn verworven of geleased. Het gaat om voertuigen met verschillende typen dieselmotoren van de merken Fiat, Jeep en Alfa Romeo die zijn goedgekeurd op basis van de Europese emissienormen Euro 5 of Euro 6 (hierna: de voertuigen). SDEJ stelt dat de voertuigen zijn voorzien van een verboden manipulatie-instrument (emissiebeheersingssoftware) waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de Europese emissienormen Euro 5 en Euro 6.

De gedupeerden waarvoor SDEJ in deze collectieve actie opkomt, zijn personen en/of rechtspersonen die binnen de Europese Unie en, subsidiair, binnen Nederland een of meer voertuigen geleverd hebben gekregen (hierna: de gedupeerden). SDEJ heeft de gedupeerden onderverdeeld in verschillende categorieën (consumenten, zakelijke kopers, lessees en lessees kopers) en maakt ten aanzien van deze categorieën onderscheid tussen gedupeerden al naar gelang zij nog een voertuig in hun bezit hebben en tussen consumenten en zakelijke kopers die hun voertuig al dan niet van een dealer hebben gekocht. Tot de gedupeerden behoren ook lessees die een voertuig uit hoofde van financial lease in bezit hebben en nog geen juridisch eigenaar zijn geworden.

Voor gedupeerden die nog een voertuig bezitten strekken de vorderingen tot vernietiging, zaaksvervanging, terugname van de voertuigen en ontbinding, althans hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding. De vorderingen zijn gestoeld op onrechtmatige daad (waaronder oneerlijke handelspraktijken en productaansprakelijkheid), (wederzijdse) dwaling en wanprestatie. Ten behoeve van de andere gedupeerden strekken de vorderingen tot hoofdelijke veroordeling tot schadevergoeding (waardedaling van het voertuig, extra kosten en ander nadeel).

Bij tussenvonnis van 30 maart 2022 heeft de rechtbank Amsterdam internationale bevoegdheid aangenomen om kennis te nemen van de collectieve actie van SDEJ, verstaan dat art. 3:305a (oud) BW en niet de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA) van toepassing is, en de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van de gedaagden met betrekking tot de ontvankelijkheid van SDEJ volgens art. 3:305a (oud) BW en het toepasselijke recht. De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.

SDEJ is in hoger beroep gekomen van dit tussenvonnis. Stellantis c.s. hebben incidenteel appel ingesteld.

Bij tussenarrest van 13 augustus 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam, voor zover van belang, als volgt overwogen. De rechtbank heeft ten onrechte rechtsmacht aangenomen voor zover SDEJ met de collectieve actie tegen de autofabrikanten opkomt voor gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased. De rechtbank heeft terecht rechtsmacht aangenomen voor zover SDEJ met de collectieve actie tegen de autofabrikanten opkomt voor gedupeerden die in Nederland een voertuig hebben gekocht of geleased. De rechtbank heeft een onjuist oordeel gegeven met betrekking tot het toepasselijke collectieve actie-regime. Voor zover de collectieve actie ziet op Euro 5 voertuigen, is art. 3:305a (oud) BW van toepassing. Voor zover de collectieve actie ziet op Euro 6 voertuigen, wordt zij beheerst door de WAMCA. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het vervolg van de procedure, onder meer over de vraag of terugwijzing naar de rechtbank is aangewezen.

Bij eindarrest van 22 oktober 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam het tussenvonnis van de rechtbank vernietigd en de Nederlandse rechter onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen de autofabrikanten voor zover SDEJ daarmee opkomt voor gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere afdoening. Verder heeft het hof verlof verleend om cassatie in te stellen.

SDEJ is (tijdig) in cassatie gekomen van het tussen- en eindarrest van het hof. Stellantis c.s. en de dealers hebben verweer gevoerd en op hun beurt, deels voorwaardelijk, incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

3. Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep

Het middel in het principale cassatieberoep komt op tegen het oordeel van het hof over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de collectieve actie van SDEJ (onderdeel 1) en over het toepasselijke collectieve actie-regime (art. 3:305a (oud) BW of de WAMCA) op de vorderingen van SDEJ (onderdeel 2).

Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft voor zover de collectieve actie van SDEJ tegen de autofabrikanten betrekking heeft op vorderingen waarmee wordt opgekomen voor gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased. Alvorens de klachten tegen dit oordeel te bespreken, merk ik het volgende op. De internationale bevoegdheid, ook wel rechtsmacht, van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de collectieve actie van SDEJ moet worden beoordeeld volgens verschillende bronnen van internationaal privaatrecht. Hiervoor is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is voor zover de collectieve actie is gericht tegen Stellantis, de importeur en de dealers, nu deze gedaagden in Nederland zijn gevestigd. Stellantis Europe en Alfa Romeo zijn gevestigd in Italië. Dit betekent dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot de vorderingen tegen Stellantis Europe en Alfa Romeo moet worden beoordeeld volgens de Verordening Brussel I-bis (art. 4 jo. art. 63 Brussel I-bis). De collectieve actie van SDEJ betreft een burgerlijke en handelszaak en valt daarmee binnen het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel I-bis (art. 1 lid 1). De Verordening Brussel I-bis is niet van toepassing voor zover de vorderingen betrekking hebben op FCA US, omdat zij is gevestigd in (een niet-lidstaat van de Europese Unie) de Verenigde Staten (art. 6 lid 1 Brussel I-bis). Nu een relevant verdrag hierover tussen Nederland en de Verenigde Staten ontbreekt, geldt voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot de vorderingen tegen FCA US het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht (art. 1 Rv). De Nederlandse commune bevoegdheidsregeling is te vinden in art. 2 t/m 14 Rv.

De Verordening Brussel I-bis en het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht bevatten geen specifieke bevoegdheidsregels met betrekking tot collectieve acties. In cassatie geldt als onbestreden uitgangspunt dat, naar het hof in rov. 4.4 van het tussenarrest heeft vastgesteld, art. 7 sub 2 en art. 8 sub 1 Brussel I-bis (ten aanzien van Stellantis Europe en Alfa Romeo) respectievelijk art. 6 sub e en art. 7 lid 1 Rv (ten aanzien van FCA US) de enige in aanmerking komende bevoegdheidsregels zijn waarop de rechtsmacht van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd om kennis te nemen van de collectieve actie tegen de autofabrikanten. In rov. 4.14 van het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat art. 7 sub 2 Brussel I-bis en art. 6 sub e Rv in dit geval geen grondslag bieden voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen. De bevoegdheidsregels in art. 7 sub 2 Brussel I-bis en art. 6 sub e Rv kunnen dan ook verder onbesproken blijven. In cassatie zijn voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitsluitend de bevoegdheidsregels in art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv van belang. Over deze bevoegdheidsregels merk ik het volgende op.

Bij het opstellen van de bevoegdheidsregel in art. 7 lid 1 Rv heeft de wetgever aansluiting gezocht bij (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Dit is anders indien aannemelijk is dat de wetgever heeft beoogd bij de inrichting van een commune bevoegdheidsregel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ EU. In rov. 4.6 van het tussenarrest heeft het hof overwogen dat de wetsgeschiedenis van art. 7 lid 1 Rv geen aanknopingspunten bevat op basis waarvan zou moeten worden aangenomen dat het aannemelijk is dat de wetgever met de maatstaf van art. 7 lid 1 Rv heeft beoogd af te wijken van de uitleg die het HvJ EU aan (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis heeft gegeven. In rov. 4.7 van het tussenarrest heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat bij de uitleg en toepassing van art. 7 lid 1 Rv de rechtspraak van het HvJ EU over de uitleg en toepassing van (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis ‘tot richtsnoer’ moet worden genomen. Dit uitgangspunt wordt in cassatie niet bestreden. Ik zal dit uitgangspunt dan ook hanteren bij de beoordeling van de klachten tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof. Wat ik in het vervolg van mijn conclusie vermeld over de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis geldt eveneens voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.

De bevoegdheidsregel van art. 8 sub 1 Brussel I-bis komt terug in de voorlopers van de Verordening Brussel I-bis, te weten in art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 6 sub 1 Brussel I komen woordelijk overeen. Dit geldt niet voor art. 6 sub 1 EEX-Verdrag, zij het dat de uitleg die het HvJ EU aan deze bepaling heeft gegeven inhoudelijk overeenstemt met art. 6 sub 1 Brussel I en art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Gelet op de inhoudelijke overeenstemming tussen deze elkaar opvolgende bevoegdheidsregelingen en het belang van continuïteit in de uitleg van deze regelingen, is de rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 Brussel I en art. 6 sub 1 EEX-Verdrag eveneens van belang voor de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Dit verklaart waarom ik in mijn conclusie ook zal verwijzen naar rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub 1 EEX-Verdrag en art. 6 sub 1 Brussel I, hoewel deze bronnen temporeel niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak.

Uitgangspunt in de Verordening Brussel I-bis is dat internationale bevoegdheid toekomt aan de gerechten van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (art. 4 lid 1 Brussel I-bis). Op dit uitgangspunt worden verschillende uitzonderingen gemaakt, waaronder in art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Deze bepaling is van belang wanneer dezelfde eiser nauw met elkaar samenhangende vorderingen heeft tegen meerdere verweerders die woonplaats hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie. In plaats van afzonderlijke procedures te voeren bij de gerechten van de woonplaats van de verweerders in verschillende lidstaten (art. 4 lid 1 Brussel I-bis), kan de eiser ervoor kiezen om de behandeling van de nauw met elkaar verbonden vorderingen tegen alle verweerders te concentreren bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van een van hen (ook wel ankergedaagde genoemd). Met het oog hierop bepaalt art. 8 sub 1 Brussel I-bis dat een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op de voorwaarde dat tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Art. 7 lid 1 Rv bevat een vergelijkbare bevoegdheidsregel: indien in dagvaardingszaken de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Anders dan art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist art. 7 lid 1 Rv niet dat de rechtsmacht ten aanzien van de ankergedaagde is gebaseerd op diens woonplaats in Nederland.

Voor zover van belang komt de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis neer op het volgende. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening. Aangezien art. 8 sub 1 Brussel I-bis afwijkt van de hoofdregel van rechtsmacht in art. 4 lid 1 Brussel I-bis, moet deze bijzondere bevoegdheidsregel strikt worden uitgelegd. Deze uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist dat tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil (dat wil zeggen: de uitkomst van de procedure). Daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Immers, alleen in situaties die feitelijk en rechtens hetzelfde zijn, bestaat het risico dat bij een gefragmenteerde behandeling van nauw met elkaar samenhangende vorderingen door gerechten in verschillende lidstaten beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende om de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te rechtvaardigen. Het artikel vereist niet dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders dezelfde rechtsgrondslag hebben, maar dit kan wel een relevante omstandigheid zijn. Art. 8 sub 1 Brussel I-bis verzet zich ertegen dat een eiser vorderingen tegen verweerders uit verschillende lidstaten instelt bij het bevoegde gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde, met als enig doel een van die verweerders te onttrekken aan de bevoegde gerechten in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft.

De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens zoals bedoeld in (de rechtspraak van het HvJ EU over) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dient te worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Hierbij geldt dat het aangezochte gerecht in de fase van het onderzoek van zijn rechtsmacht niet de ontvankelijkheid of de inhoudelijke gegrondheid van de vorderingen tegen de verschillende verweerders beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat (het land van het aangezochte gerecht) identificeert die zijn rechtsmacht kunnen rechtvaardigen. Het ligt primair op de weg van de eiser om de feiten te stellen die nodig zijn voor het bepalen van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Het aangezochte gerecht dient zich evenwel niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Wel geldt in dit verband de beperking dat, indien de verweerder de voor de rechtsmacht relevante stellingen van de eiser betwist, het aangezochte gerecht in het kader van het vaststellen van zijn rechtsmacht geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. Deze wijze van toetsing van de internationale bevoegdheid zal ik in het vervolg aanduiden als de prima facie beoordeling van de rechtsmacht.

Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Na vooropstelling in de rov. 4.3 t/m 4.9 van het tussenarrest van de (in cassatie niet bestreden) kaders waarbinnen de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld, heeft het hof in rov. 4.10 e.v. van het tussenarrest als volgt overwogen:

‘4.10. De vorderingen tegen de Autofabrikanten hebben ieder voor zich een nauwe band respectievelijk hangen samen in de zin van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv met de vorderingen tegen de Importeur. Het aan het adres van de Autofabrikanten gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de Voertuigen is niet gericht tegen de Importeur, maar de gegrondheid van de vorderingen tegen de Importeur valt of staat (mede) met de gegrondheid van dit verwijt. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de Autofabrikanten en de Importeur moeten voorts gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord worden, bijvoorbeeld de vraag naar het (nog steeds) niet voldoen aan de emissievoorschriften van de Voertuigen, de effecten daarvan en de vraag of die effecten adequaat zijn verholpen. Voorts wordt de Importeur tezamen met de Autofabrikanten in verband met een aantal aan hen gezamenlijk gemaakte of met elkaar samenhangende verwijten hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de gehele schade van alle Gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt in deze procedure.

Hieruit volgt dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen de Autofabrikanten en de Importeur wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven.

Voor zover de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde van belang zou zijn voor de vaststelling van de rechtsmacht op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis – dit hof heeft daar een vraag over gesteld aan het HvJEU (zie ECLI:NL:GHAMS:2023:2570) – en zou moeten worden aangenomen dat dit artikel niet kan worden toegepast bij een onvoldoende substantiëring van de vordering tegen de ankergedaagde, is daarin in het onderhavige geval gelet op de door SDEJ gegeven onderbouwing van haar vorderingen geen beletsel in gelegen voor het aannemen van rechtsmacht.

Voor de Autofabrikanten was het tot slot voorzienbaar dat zij zouden kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder de rechtbank Amsterdam, voor zover SDEJ opkomt voor Gedupeerden die in Nederland een Voertuig hebben gekocht of geleased. De Autofabrikanten moesten rekening ermee houden dat zij zouden kunnen worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door hen geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht.

Voor zover SDEJ opkomt voor Gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een Voertuig hebben gekocht ligt dat anders; de Autofabrikanten behoefden geen rekening ermee te houden dat zij voor een Nederlandse rechter zouden (kunnen) worden gedaagd in verband met elders in de Europese Unie op de markt gebrachte Voertuigen. In zoverre is niet voldaan aan het vereiste van voorzienbaarheid en heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht ten aanzien van de collectieve vorderingen van SDEJ. Dit geldt ook voor rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv; niet aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om waar het gaat om de voorzienbaarheid af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJ EU.

Met Stellantis als ankergedaagde staat dit gebrek aan voorzienbaarheid ook in de weg aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor zover SDEJ met haar collectieve vorderingen opkomt voor Gedupeerden die elders in de Europese Unie, buiten Nederland, Voertuigen hebben gekocht of geleased. Onbesproken kan blijven of Stellantis ook als ankergedaagde kan fungeren, zoals SDEJ betoogt.’

De conclusie van het hof ten aanzien van de rechtsmacht is:

‘4.13. De slotsom luidt dat de rechtbank in de zaak tegen de Autofabrikanten ten onrechte op grond van art. 8 lid 1 Verordening Brussel I-bis respectievelijk art. 7 lid 1 Rv rechtsmacht heeft aangenomen voor zover SDEJ opkomt voor Gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een Voertuig hebben gekocht of geleased. De rechtbank heeft zich in de zaak tegen de Autofabrikanten terecht bevoegd geacht om kennis te nemen van de vorderingen van SDEJ voor zover SDEJ daarmee opkomt voor Gedupeerden die in Nederland een Voertuig hebben gekocht of geleased.’

Het hof herhaalt deze conclusie in rov. 2.1 van het eindarrest:

‘In het tussenarrest is geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, behalve ten aanzien van de vorderingen tegen de Autofabrikanten voor zover SDEJ daarmee opkomt voor Gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een Voertuig hebben gekocht of geleased (…)’.

Zie ook het dictum, onder 3.2, van het eindarrest:

‘3.2 verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen de Autofabrikanten voor zover SDEJ daarmee opkomt voor Gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een Voertuig hebben gekocht of geleased.’

Volgens het middel miskent het hof dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv zich uitstrekt tot alle vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten, zonder daarbij onderscheid te maken tussen gedupeerden die in Nederland of in het buitenland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased (hierna: de Nederlandse respectievelijk buitenlandse gedupeerden). De klachten van onderdeel 1 komen neer op het volgende. Het hof miskent dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv niet als zelfstandige eis geldt dat het voor de buitenlandse medegedaagden (Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US) voorzienbaar was dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht in de staat van de woonplaats van de ankergedaagde (FCA NL of Stellantis). (subonderdeel 1.1) Indien voor het aannemen van rechtsmacht wel een zelfstandige voorzienbaarheidseis geldt, miskent het hof dat dit vereiste alleen geldt wanneer de vorderingen tegen de ankergedaagde en buitenlandse medegedaagden een verschillende rechtsgrondslag hebben. Dat is in deze zaak niet het geval. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat de vorderingen van SDEJ zijn gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. (subonderdeel 1.2) Indien voor het aannemen van rechtsmacht wel een zelfstandige voorzienbaarheidseis geldt, hanteert het hof een te strenge maatstaf bij de beoordeling of aan dat vereiste is voldaan. Het gaat immers om de voorzienbaarheid van de bevoegde rechter, niet van de inhoud van de vordering of van de personen voor wie wordt opgekomen. Niet kan als eis worden gesteld dat voorzienbaar is ten behoeve van welke gedupeerden of ten aanzien van welke transacties specifiek wordt opgekomen. (subonderdeel 1.3) Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de autofabrikanten niet konden voorzien dat zij in Nederland gedagvaard zouden kunnen worden met betrekking tot voertuigen die buiten Nederland zijn gekocht of geleased. De rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv is niet beperkt tot vorderingen die zien op normschendingen of schade in Nederland. (subonderdeel 1.4) Bij het slagen van een of meer van de voorgaande klachten kan evenmin stand houden het oordeel van het hof dat met Stellantis als ankergedaagde het gebrek aan voorzienbaarheid ook in de weg staat aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor zover SDEJ met haar collectieve actie opkomt voor buitenlandse gedupeerden. (subonderdeel 1.5) Het oordeel van het hof met Stellantis als ankergedaagde geeft bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is ontoereikend gemotiveerd. Op grond van de stelling van SDEJ dat Stellantis als topholding daadwerkelijk beleidsbeslissingen neemt ten aanzien van het gehele concern, kan een nauwe band tussen de vorderingen tegen Stellantis en tegen de autofabrikanten worden gebaseerd op het vermoeden dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochtermaatschappijen waarvan zij direct of indirect het volledige kapitaal in handen heeft. Hiermee is voldaan aan een eventuele voorzienbaarheidseis. (subonderdeel 1.6)

Met het middel meen ik dat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten onrechte heeft beperkt tot de vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten waarmee wordt opgekomen voor de Nederlandse gedupeerden. Ik leg dit als volgt uit. In rov. 4.10 heeft het hof geoordeeld dat de vorderingen tegen de autofabrikanten ieder voor zich een nauwe band respectievelijk samenhang hebben in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv met de vorderingen tegen de importeur. Hieruit volgt, zo overweegt het hof, dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Dit zou het hof tot de conclusie moeten leiden dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis (Stellantis Europe en Alfa Romeo) en art. 7 lid 1 Rv (FCA US) rechtsmacht heeft met betrekking tot de collectieve actie van SDEJ. Tot deze conclusie komt het hof echter niet. In rov. 4.11 beperkt het hof de rechtsmacht van de Nederlandse rechter tot de vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten waarmee wordt opgekomen voor de Nederlandse gedupeerden, omdat het voor de autofabrikanten niet voorzienbaar was dat zij in Nederland gedagvaard zouden kunnen worden in verband met elders in de Europese Unie op de markt gebrachte voertuigen. Hieruit volgt dat het hof naast het vereiste van een nauwe band respectievelijk samenhang in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv, voor het aannemen van rechtsmacht als afzonderlijke eis heeft gesteld dat het voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden gedagvaard in de staat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft.

Anders dan het hof heeft geoordeeld geldt voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis niet als zelfstandige voorwaarde dat het voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar moet zijn geweest dat zij konden worden gedagvaard in de lidstaat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft. Een dergelijke eis wordt niet gesteld in art. 8 sub 1 Brussel I-bis en volgt evenmin uit de rechtspraak van het HvJ EU. Aan de Verordening Brussel I-bis ligt het algemene beginsel ten grondslag dat de bevoegdheidsregeling in hoge mate voorspelbaar moet zijn, zodat het voor de verweerder redelijkerwijs voorzienbaar is voor welke gerechten, anders dan die van zijn woonplaats, hij gedagvaard zou kunnen worden. Verder is van belang dat het aangezochte gerecht gemakkelijk zijn rechtsmacht kan beoordelen, zonder dat het de zaak ten gronde behoeft te onderzoeken. Dit beginsel van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht dient de met de bevoegdheidsregeling van de verordening nagestreefde rechtszekerheid. In de rechtspraak bedient het HvJ EU zich van dit beginsel bij de uitleg van bevoegdheidsregels die afwijken van de hoofdregel van rechtsmacht (art. 4 Brussel I-bis), in die zin dat rekening ermee wordt gehouden dat de uitkomst van de uitleg die het HvJ EU aan een bevoegdheidsregel geeft verenigbaar is met dit beginsel. Dit resulteert doorgaans in een overweging van het HvJ EU dat de door het Hof voorgestane uitleg van een bevoegdheidsregel in overeenstemming is met of beantwoordt aan het beginsel van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht. Dit geldt ook voor art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De uitleg die het HvJ EU aan deze bepaling heeft gegeven is erop gericht te waarborgen dat het voor de buitenlandse medegedaagden, gelet op de nauwe band tussen de tegen hen ingestelde vorderingen en de vordering tegen de ankergedaagde, redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in een lidstaat buiten hun woonplaats gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht in de lidstaat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft. Anders gezegd, de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor de buitenlandse medegedaagden wordt geacht te zijn verdisconteerd in de uitleg die het HvJ EU heeft gegeven aan art. 8 sub 1 Brussel I-bis. De voorzienbaarheid van de rechtsmacht is geen zelfstandig criterium dat los van de andere voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereiste criteria moet worden onderzocht. Nog anders gezegd, wanneer de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis zijn vervuld, in het bijzonder de voorwaarde van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, wordt verondersteld dat voor de buitenlandse medegedaagden is voldaan aan het vereiste van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht. Het aldus bereikte resultaat dat het forum van de ankergedaagde ook bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden, komt niet in strijd met het beginsel van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht.

Uit art. 8 sub 1 Brussel I-bis volgt dat het bestaan van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden de enige objectieve voorwaarde vormt om rechtsmacht aan deze bepaling te kunnen ontlenen. Het oordeel van het hof in rov. 4.11 van het tussenarrest met betrekking tot de voorzienbaarheid komt neer op het introduceren van een bijkomende voorwaarde voor het aannemen van rechtsmacht die in art. 8 sub 1 Brussel I-bis niet is voorzien. Indien met het hof wel een afzonderlijke voorzienbaarheidseis zou worden gesteld voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dan zou daarmee een open norm worden geïntroduceerd in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, die tot de nodige rechtsonzekerheid zal kunnen leiden. De invulling van een dergelijke open norm zou vragen om een beoordeling van de subjectieve verwachtingen van de buitenlandse medegedaagden over de mogelijk bevoegde fora en de kans dat zij gedagvaard zouden kunnen worden in een van deze fora. Hiervoor zullen de omstandigheden van het geval grotendeels bepalend zijn, hetgeen de voorzienbaarheid van de rechtsmacht in het gedrang brengt. Procederen over de grens brengt al de nodige onzekerheden met zich mee, ook ten aanzien van de bevoegde rechter. Een afzonderlijke voorwaarde van de voorzienbaarheid van de krachtens art. 8 sub 1 Brussel I-bis bevoegde rechter voor de buitenlandse medegedaagden, naast het vereiste dat tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse gedaagden een nauwe band bestaat, zal deze onzekerheid alleen maar vergroten. Dit komt de met de bevoegdheidsregeling van de verordening nagestreefde rechtszekerheid bepaald niet ten goede.

Het oordeel van het hof in rov. 4.11 van het tussenarrest dat het voor de autofabrikanten niet voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd in verband met elders in de Europese Unie op de markt gebrachte voertuigen, is mogelijk terug te voeren op de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Painer/Standard Verlags waarin het Hof over art. 6 sub 1 Brussel I, voor zover van belang, als volgt heeft overwogen:

‘80 Bij de beoordeling of verschillende vorderingen samenhangend zijn en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, is de omstandigheid dat de rechtsgrondslagen van de ingediende vorderingen identiek zijn niet de enige relevante factor. Zij is geen onmisbare voorwaarde voor toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001 (zie in die zin arrest Freeport (…), punt 41).

81 Wanneer tegen de diverse verweerders ingediende vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, staat dat op zich dus niet aan de weg aan toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste een van hen zijn woonplaats had (zie in die zin arrest Freeport (…), punt 47).

82 Dit geldt te meer in zaken zoals die aan de orde in het hoofdgeding, waarin de nationale bepalingen waarop de tegen de diverse verweerders ingediende vorderingen zijn gebaseerd volgens de verwijzende rechter in hoofdzaak identiek zijn.

83 Voor het overige dient de nationale rechter gelet op alle elementen van het dossier te beoordelen of er tussen de verschillende bij hem ingediende vorderingen een verband bestaat, dat wil zeggen of er gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting van de vorderingen. In dat verband kan het van belang zijn of de verweerders die de houder van een auteursrecht inhoudelijk identieke inbreuken op zijn recht verwijt, onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld.’

Zie ook de zaak Cartel Damage Claims Hydrogen Peroxide/Akzo Nobel, waarin het HvJ EU over art. 6 sub 1 Brussel I, voor zover van belang, als volgt heeft overwogen:

‘23 Niettemin zij in herinnering gebracht dat zelfs in het geval dat voor de schadevorderingen van CDC tegen verweersters in het hoofdgeding volgens de regels van internationaal privaatrecht van het aangezochte gerecht verschillende rechtsvoorschriften mochten gelden, een dergelijk verschil in rechtsgrondslag als zodanig niet in de weg staat aan toepassing van artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001, voor zover voor verweersters voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van hen zijn woonplaats heeft (zie arrest Painer, C145/10, EU:C:2011:798, punt 84).

24 Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer de Commissie een bindende beslissing heeft gegeven waarin één inbreuk op het recht van de Unie wordt vastgesteld en daarmee de aansprakelijkheid van elke deelnemer voor de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van elk van de deelnemers aan die inbreuk wordt vastgesteld. In die omstandigheden moesten die deelnemers er immers rekening mee houden dat zij zouden worden opgeroepen voor de gerechten van een lidstaat waarin een van hen zijn woonplaats heeft.’

Uit deze rechtsoverwegingen kan, zo meen ik, niet worden afgeleid dat het HvJ EU voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis een afzonderlijke voorzienbaarheidseis stelt ten aanzien van de buitenlandse medegedaagden. Ik begrijp deze rechtsoverwegingen aldus, dat een verschil in de rechtsgrondslag van de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden niet in de weg behoeft te staan aan het aannemen van een nauwe band tussen deze vorderingen in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, wanneer het, gelet op de nauwe band tussen de feitelijke grondslag van deze vorderingen, voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar was dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde. Anders gezegd, het HvJ EU lijkt de voorzienbaarheid van de rechtsmacht in deze rechtsoverwegingen te hebben geplaatst in het kader van eenzelfde situatie feitelijk. Dit verklaart ook waarom het HvJ EU in het kader van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht relevant acht of de buitenlandse gedaagden in het kader van de hen verweten gedragingen al dan niet ‘onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld’ (Painer/Standard Verlags, punt 83). Ik meen dan ook dat het HvJ EU de voorzienbaarheidseis in verband heeft willen brengen met de voorwaarde dat de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse gedaagden eenzelfde situatie feitelijk betreffen.

Tot dezelfde conclusie komt A-G Trstenjak in haar conclusie in Painer/Standard Verlags:

‘91. Een eerste voorwaarde voor een band tussen de hoofdvordering en een andere vordering is dat aan deze vorderingen hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. In dit verband moet worden bedacht dat de toepassing van artikel 6, sub 1, voor de verweerder in hoge mate voorspelbaar dient te zijn. Een minimumvoorwaarde om te kunnen aannemen dat de vorderingen op hetzelfde feitencomplex gebaseerd zijn, moet daarom zijn dat het voor een verweerder op zijn minst duidelijk dient te zijn dat hij als medeverweerder overeenkomstig artikel 6, sub 1, van de verordening ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van de hoofdverweerder.

92. Deze minimumvoorwaarde is niet vervuld indien de feiten waarop de eiser zijn hoofdvordering en de andere vordering baseert, van dien aard zijn, dat de gedragingen van de hoofdverweerder en van de andere verweerder weliswaar dezelfde of soortgelijke rechtsgoederen van de eiser betreffen en vergelijkbaar zijn, maar los van elkaar hebben plaatsgevonden zonder dat de verweerders er over en weer weet van hadden. In een dergelijke situatie van niet op elkaar afgestemde parallelle gedragingen is het voor de andere verweerder namelijk onvoldoende voorspelbaar dat hij overeenkomstig artikel 6, sub 1, van de verordening ook voor het gerecht van de woonplaats van de hoofdverweerder kan worden opgeroepen.

(…)

97. Gevallen waarin twee vorderingen juridisch zo nauw met elkaar samenhangen dat tegenstrijdige beslissingen onaanvaardbaar zouden zijn, zijn in de eerste plaats die waarin de uitkomst van de ene zaak afhankelijk is van die in de andere zaak. Ik verwijs in dit verband naar het in punt 83 van deze conclusie genoemde voorbeeld van aansprakelijkheid voor het compenseren van tekorten. Verder is er met name sprake van een voldoende nauwe juridische samenhang indien de verweerders hoofdelijke medeschuldenaren of mede-eigenaren zijn dan wel een rechtsgemeenschap vormen.

98. In gevallen waarin vergelijkbare aanspraken geldend worden gemaakt en de voorwaarden volgens het op de verschillende vorderingen toepasselijke recht in wezen vergelijkbaar zijn, pleit voor toepassing van artikel 6, sub 1, van de verordening in de eerste plaats dat daarmee tegenstrijdigheden kunnen worden vermeden die een gevolg zouden kunnen zijn van het feit dat twee gerechten de feiten verschillend beoordelen. Voor zover er gemeenschappelijke Unierechtelijke voorschriften gelden, pleit daarvoor bovendien dat op die manier juridische tegenstrijdigheden worden vermeden. Daarnaast spelen in dit verband ook proceseconomische overwegingen een rol. In dergelijke gevallen komt echter aan de voorwaarde dat aan de hoofdvordering en de andere vordering hetzelfde feitencomplex ten grondslag moet liggen, beslissende betekenis toe. Het gevaar van uiteenlopende feitelijke en juridische beoordelingen kan een verlegging van de bevoegdheid overeenkomstig artikel 6, sub 1, van de verordening namelijk alleen rechtvaardigen indien dit voor de verweerder voorzienbaar is.’

Zie ook De Boer in zijn noot onder Painer/Standard Verlags:

‘7. (…) Dat de vorderingen niet op dezelfde rechtsgrondslag berusten, is minder problematisch als de nationale bepalingen, zoals in casu, ‘in hoofdzaak identiek zijn’ (r.o. 82). Naarmate de nationale regels sterker uiteenlopen, zal er dus eerder sprake zijn van een verschil in rechtsgrondslag dat aan toepassing van art. 6 lid 1 in de weg staat. Voorts stelt het Hof de eis dat het voor de gedaagde voorzienbaar moet zijn geweest dat hij voor de rechter van het woonland van een medegedaagde kon worden opgeroepen (r.o. 81). Dat impliceert dat het aangezochte gerecht zich zal moeten afvragen of er een verband bestond tussen de litigieuze gedraging van de ex art. 6 lid 1 opgeroepen gedaagde en die van zijn medegedaagden, dan wel of hij onafhankelijk van de andere gedaagden heeft gehandeld (r.o. 83). In het laatste geval is er voor toepassing van art. 6 lid 1 geen plaats.’

Ook A-G Vlas lijkt de voorzienbaarheid van de rechtsmacht te plaatsen in de sleutel van het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk:

‘3.7 (…) In het arrest Eva-Maria Painer heeft het Hof bevestigd dat ook sprake kan zijn van samenhang als op de verschillende vorderingen verschillend nationaal recht van toepassing is dat niet volledig is geharmoniseerd, waarbij van belang kan zijn dat het toepasselijke recht ‘in de hoofdzaak identiek’ is. Hoewel het Hof zich nog niet nader heeft uitgesproken over de betekenis van de eis dat sprake moet zijn van ‘eenzelfde feitelijke situatie’, vloeit uit zijn rechtspraak voort dat voor samenhang niet is vereist dat de vorderingen op de verschillende gedaagden precies dezelfde feitelijke grondslag hebben. Wel zal tussen de gedragingen in zoverre een verband moeten bestaan dat het voor een opgeroepen gedaagde voorzienbaar was dat hij voor de rechter van de woonplaats van een medegedaagde zou worden opgeroepen, hetgeen niet het geval is als hij onafhankelijk van zijn medegedaagde(n) heeft gehandeld.’

Zie ook A-G De Bock:

‘4.49 Het oordeel van het hof dat voor [eiser 1] voorzienbaar was dat hij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd, is ook zeker niet onbegrijpelijk. Daarbij is te bedenken dat het voorzienbaarheidsvereiste is bedoeld om te voorkomen dat een gedaagde voor een rechter wordt gedaagd op grond van het handelen van een mede-gedaagde, met wie hij niets te maken heeft. Zo schrijft A-G Vlas dat géén sprake is van samenhang als een gedaagde ‘onafhankelijk van zijn medegedaagde(n) heeft gehandeld’. In de stellingen van PTV – die het hof op grond van een summierlijke beoordeling voor juist heeft gehouden – ligt echter besloten dat de verschillende gedaagden juist níet onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld.’

Uit het voorgaande meen ik te kunnen afleiden dat de voorzienbaarheid van de rechtsmacht een gezichtspunt moet zijn bij de uitleg van het vereiste van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden, in het bijzonder bij het beoordelen of sprake is van eenzelfde situatie feitelijk. Het vereiste van een nauwe band, in het bijzonder het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk, mag niet zodanig opgerekt worden dat het voor de buitenlandse medegedaagden niet voorzienbaar was dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht van de lidstaat waar de ankergedaagde woonplaats heeft. Anders gezegd, het vereiste van een nauwe band in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis dient zodanig te worden uitgelegd dat de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor de buitenlandse medegedaagden is gewaarborgd. Overigens gaat het hierbij niet om de voorzienbaarheid voor de specifieke buitenlandse medegedaagden in de voorliggende zaak, maar om de abstracte voorzienbaarheid voor ‘een gemiddeld oordeelkundig verweerder’. Hiermee is de voorzienbaarheid van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis geobjectiveerd en spelen subjectieve verwachtingen van de specifieke gedaagden geen rol.

Ik merk nog het volgende op. Het gerechtshof Amsterdam heeft in twee kartelschadezaken prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU over de uitleg van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, waarbij ook aan bod komt of de voorzienbaarheid voor een buitenlandse medegedaagde dat hij gedagvaard zou kunnen worden voor het gerecht van de lidstaat van de ankergedaagde, als een zelfstandige voorwaarde geldt voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Op 3 april 2025 heeft A-G Kokott in deze (gevoegde) zaken geconcludeerd. Over de voorzienbaarheid van de rechtsmacht schrijft zij het volgende:

‘Internationale bevoegdheid

68. Met zijn in beide zaken vrijwel identiek geformuleerde eerste vraag, onder a, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen volgens welke criteria moet worden beoordeeld of de rechtbank Amsterdam internationaal bevoegd is voor zowel de vorderingen tegen de ankergedaagde als die welke zijn ingesteld tegen de verschillende medeverweerders, aangezien er tussen deze vorderingen een „nauwe band” bestaat in de zin van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening. De eerste vraag, onder b, is erop gericht te vernemen of de voorzienbaarheid van een dergelijke cumulatie van vorderingen een apart criterium is bij toepassing van deze bepaling.

(…)

“Nauwe band” en voorzienbaarheid

79. Met zijn in beide zaken identiek geformuleerde eerste vraag, onder b, wenst de verwijzende rechter te vernemen wat voor de medeverweerder de rol van de voorzienbaarheid van de vordering bij het gerecht van de ankergedaagde is bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

80. De bevoegdheidsregels van de Brussel I bis-verordening beogen de voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid. Deze bepalingen dienen met andere woorden ertoe om het voor de verweerders voorzienbaar te maken voor welke rechterlijke instantie zij opgeroepen kunnen worden.

81. Voorzienbaarheid is dus geen zelfstandig criterium dat los van de andere criteria wordt onderzocht. Het betreft integendeel een algemeen beginsel dat aan de hand van de te onderzoeken criteria tot uitdrukking komt. Dit betekent dat de begrippen van de Brussel I bis-verordening niet zo uitgelegd mogen worden dat ze hiermee in tegenspraak zijn. Bijgevolg moet in het kader van de uitlegging worden onderzocht of de uitkomst daarvan verenigbaar is met het beginsel van voorspelbaarheid.

82. Bovendien hoeft het voor de medeverweerder bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening niet concreet voorzienbaar te zijn geweest dat hij voor het gerecht van de ankergedaagde zou worden opgeroepen. Veeleer volstaat een abstracte voorzienbaarheid waarvan sprake is wanneer een gemiddeld oordeelkundig verweerder kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen.

83. Dit geldt met name als de situaties waarin sprake is van een „nauwe band” voor een verweerder herkenbaar zijn. Bij vorderingen tot schadevergoeding wegens inbreuken op het kartelrecht is dit gelet op de in de punten 25 tot en met 33 van deze conclusie beschreven juridische situatie het geval wanneer een verweerder als deel van een onderneming, in de zin van artikel 101 VWEU aan één enkele inbreuk op het mededingingsrecht heeft deelgenomen.

84. In deze situatie moet het voor een deel van een onderneming ook duidelijk geweest zijn dat het mogelijk was om opgeroepen te kunnen worden in de plaats van de zetel van een deel van een andere onderneming die aan deze inbreuk heeft deelgenomen. Met deze deelname heeft het doorslaggevende deel van de onderneming immers tevens een nauwe samenhang met de andere deelnemers tot stand gebracht.

85. Bijgevolg staat het beginsel van voorspelbaarheid, dat bij de uitlegging van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening in acht moet worden genomen, er in gevallen als het onderhavige niet aan in de weg dat de vraag naar een „nauwe band” in de zin van deze bepaling bevestigend wordt beantwoord.

86. Derhalve moet de eerste vraag, onder b, in beide zaken aldus worden beantwoord dat de voorspelbaarheid van de rechterlijke bevoegdheid in het kader van de bepaling van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening geen criterium is, maar een algemeen beginsel dat bij de uitlegging van elke bijzondere bevoegdheidsregel van deze verordening in acht moet worden genomen.’

Het HvJ EU heeft nog geen uitspraak gedaan in deze (gevoegde) zaken. Uit de gerechtelijke kalender van het HvJ EU heb ik niet kunnen opmaken wanneer een prejudiciële beslissing in deze (gevoegde) zaken valt te verwachten. Gelet op de gemiddelde procesduur van 18,1 maanden die een prejudiciële zaak bij het HvJ EU in beslag neemt, zou de beslissing van het Hof niet lang meer op zich moeten laten wachten. Naar de huidige stand van zaken laat zich uit de rechtspraak van het HvJ EU niet afleiden dat, zoals A-G Kokott in haar conclusie ook betoogt, voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis als afzonderlijk vereiste zou (moeten) gelden dat het voor de buitenlandse medegedaagden voorzienbaar moet zijn geweest dat zij gedagvaard zouden kunnen worden voor het gerecht van de staat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft.

In het licht van het voorgaande meen ik dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis (Stellantis Europe en Alfa Romeo) en art. 7 lid 1 Rv (FCA US) zich niet uitstrekt tot de vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten waarmee wordt opgekomen voor gedupeerden die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een voertuig hebben gekocht of geleased. De hiertegen gerichte rechtsklacht van subonderdeel 1.1 is derhalve terecht voorgesteld.

Ter aanvulling nog het volgende. Het oordeel van het hof biedt geen ruimte voor een lezing waarbij het hof de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor de autofabrikanten, in lijn met (mijn lezing van) de hiervoor genoemde arresten Painer/Standard Verlags en Cartel Damage Claims/Akzo Nobel, heeft beoordeeld in het kader van het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk. Dat volgt duidelijk uit rov. 4.11, waarin het hof nagaat of voor de autofabrikanten is voldaan aan het vereiste van voorzienbaarheid, nadat het hof in rov. 4.10 heeft vastgesteld dat ‘in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is’. Hiermee heeft het hof de voorzienbaarheid van de bevoegde rechter als extra voorwaarde gesteld voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, bovenop het vereiste van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden. Verder merk ik, voor alle zekerheid, nog het volgende op. Voor zover het hof met zijn bevoegdheidsoordeel aansluiting zou hebben gezocht bij het (op grond van de WAMCA per 1 januari 2020 geïntroduceerde) territoriale ontvankelijkheidsvereiste van art. 3:305a lid 3 onder b BW, miskent het hof dat de internationale bevoegdheid op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet worden beoordeeld los van de ontvankelijkheidsvereisten naar nationaal procesrecht. De ontvankelijkheid van SDEJ komt pas aan bod nadat is vastgesteld dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van deze collectieve actie.

De motiveringsklacht van subonderdeel 1.4 slaagt ook. Wanneer wordt vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, levert dat voor het aangezochte gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde de bevoegdheid op om in volle omvang te oordelen over de samenhangende vorderingen tegen de medegedaagden uit andere lidstaten. Aan die bevoegdheid ligt ten grondslag dat de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden eenzelfde situatie feitelijk en rechtens betreffen. Tussen deze vorderingen bestaat een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling door het gerecht in de lidstaat van de woonplaats van de ankergedaagde. Die samenhang rechtvaardigt de rechtsmacht van het forum van de ankergedaagde om de vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden in volle omvang te beoordelen. Nu het hof in rov. 4.10 van het tussenarrest heeft vastgesteld dat ‘in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is’, is daarmee voldaan aan de voorwaarde van een nauwe band in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis respectievelijk samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv tussen de vorderingen van SDEJ op de importeur als ankergedaagde en de autofabrikanten als buitenlandse medegedaagden. Dit houdt in dat het voor de autofabrikanten voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in verband met de hen gemaakte verwijten (kort gezegd: het gebruik van verboden emissiebeheersingssoftware in de door hen geproduceerde voertuigen die in de Europese Unie op de markt zijn gebracht) gedagvaard zouden kunnen worden in een van de lidstaten van de Europese Unie. Het andersluidende oordeel van het hof in rov. 4.11, dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter is beperkt tot de vorderingen waarmee SDEJ tegen de autofabrikanten opkomt voor de Nederlandse gedupeerden, is onbegrijpelijk.

Subonderdeel 1.5 slaagt eveneens. Het oordeel van het hof in rov. 4.12 van het tussenarrest, dat met Stellantis als ankergedaagde het in rov. 4.11 genoemde gebrek aan voorzienbaarheid ook in de weg staat aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter voor zover SDEJ met haar collectieve actie tegen de autofabrikanten opkomt voor de buitenlandse gedupeerden, lijdt aan hetzelfde gebrek als het oordeel in rov. 4.11 waarin het hof de importeur als ankergedaagde heeft aangemerkt. Nu vast staat dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv met de importeur als ankergedaagde rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de collectieve actie tegen de autofabrikanten, heeft SDEJ geen belang bij een beoordeling van de rechtsmacht met Stellantis als ankergedaagde. In het verlengde hiervan bestaat evenmin belang bij subonderdeel 1.6.

De subonderdelen 1. 2 en 1.3 kunnen onbesproken blijven, omdat daarin tot uitgangspunt wordt genomen dat in de bevoegdheidsregels van art. 8 sub 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv een afzonderlijk vereiste van voorzienbaarheid van de bevoegde rechter wordt gesteld om rechtsmacht ten aanzien van de buitenlandse medegedaagden te kunnen aannemen. Uit de bespreking van subonderdeel 1.1 is gebleken dat een dergelijk vereiste niet geldt.

Op grond van het voorgaande meen ik dat het bevoegdheidsoordeel van het hof niet in stand kan blijven, voor zover het hof de rechtsmacht van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van de collectieve actie tegen de autofabrikanten heeft beperkt tot de vorderingen waarmee wordt opgekomen voor de Nederlandse gedupeerden.

Onderdeel 2 van het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ. Wat heeft het hof hierover overwogen? Het hof stelt het volgende voorop:

‘4.15. Met de invoering van de WAMCA is art. 3:305a BW, dat het instellen van collectieve vorderingen regelt, gewijzigd en zijn nieuwe processuele bepalingen voor dergelijke vorderingen toegevoegd in titel 14A Rv. Het relevante overgangsrecht voor art. 3:305a BW is neergelegd in art. 119a lid 2 ONBW. Deze bepaling bevat een uitzondering op de hoofdregel van onmiddellijke werking (art. 68a ONBW) die inhoudt dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor na 1 januari 2020 ingestelde collectieve vorderingen “voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.” Het overgangsrecht dat geldt voor de met de WAMCA ingevoerde titel 14A Rv houdt in dat deze titel van toepassing is op gedingen die op of na 1 januari 2020 aanhangig zijn gemaakt en betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016 (art. Ill onder 2 WAMCA).

De met de WAMCA doorgevoerde wijzigingen in het BW en het Rv zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelet hierop en omdat het WAMCA-overgangsrecht uitzondering maakt op het uitgangspunt van onmiddellijke werking van wijzigingen van het BW en het Rv, is de WAMCA niet van toepassing op vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov 3.1.4). Dit strookt met de met het WAMCA-overgangsrecht nagestreefde rechtszekerheid en het voorkomen van procedures over dezelfde gebeurtenis(sen) onder verschillende collectieveactieregimes.

Voor de vaststelling of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 heeft of hebben plaatsgevonden dient acht geslagen te worden op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden. Bewijs is dus niet aan de orde, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen is voldoende (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4).’

Ten aanzien van de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis(sen) overweegt het hof:

‘4.16. De gemene deler van de collectieve vorderingen van SDEJ is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten van SDEJ aan Stellantis, de Autofabrikanten, de Importeur en de Dealers zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (een vermeend manipulatie-instrument) waardoor zij niet voldeden en nog steeds niet voldoen aan de toepasselijke emissievoorschriften. Het hof merkt daarom het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument aan als de ‘gebeurtenis(sen)’ waarop de collectieve vorderingen van SDEJ zien. Het hof onderschrijft dus niet de door de rechtbank bepaalde ‘gebeurtenis’, te weten het ontwikkelen van de emissiebeheersingssoftware. De door SDEJ voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van bedoelde software, betreffen het voortduren of het niet wegnemen van de gestelde schade die het gevolg is van het in Nederland in het verkeer brengen van Voertuigen die niet aan de emissievoorschriften voldoen. Het (ook) aanmerken daarvan als de voor toepassing van het overgangsrecht relevante gebeurtenis(sen) zou leiden tot strijd met de met het overgangsrecht beoogde rechtszekerheid.’

Voor de gevolgen van het overgangsrecht voor de vorderingen van SDEJ maakt het hof onderscheid tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen:

‘4.17. Bij toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SDEJ dient onderscheid te worden gemaakt tussen Voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk Euro 6 emissienorm geldt. De Euro 5 norm gold tot september 2015, daarna gold de Euro 6 norm. Gezien de partijdiscussie is er geen aanwijzing dat op of na 15 november 2016 Euro 5 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SDEJ zien in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen van SEC [bedoeld is SDEJ; A-G] met betrekking tot de Euro 5 Voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden en worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. De keuze van SDEJ om in één procedure collectieve vorderingen in te stellen met betrekking tot Voertuigen die (in Nederland) in het verkeer zijn gebracht in een lange periode waarin verschillende emissievoorschriften (Euro 5/Euro 6) golden, kan niet ertoe leiden dat collectieve vorderingen met betrekking tot Voertuigen die op en na 15 november 2016 niet langer (in Nederland) in het verkeer werden gebracht onder het WAMCA-regime worden gebracht. Dat strookt niet [met; A-G] de door de wetgever met art. 119a lid 2 ONBW beoogde rechtszekerheid.

De partijdiscussie biedt voldoende aanwijzingen dat de Euro 6 Voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SDEJ zien (ook) op en na 15 november 2016 (in Nederland) in het verkeer zijn gebracht. De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016. De WAMCA is daarop van toepassing. Dit strookt met het uitgangspunt van de WAMCA dat alle vorderingen met betrekking tot dezelfde gebeurtenis(sen) geconcentreerd worden in één collectieveactieprocedure, de bedoeling van de wetgever om te voorkomen dat tegelijkertijd verschillende regimes van toepassing zijn op collectieve acties over dezelfde gebeurtenis(sen) en de door de wetgever nagestreefde rechtszekerheid, die onder meer inhoudt dat (potentiële) gedaagden kunnen verwachten dat zij met betrekking tot gebeurtenissen die niet of niet uitsluitend voor 15 november 2016 hebben plaatsgehad kunnen worden geconfronteerd met een collectieve actie waarop de WAMCA van toepassing is.’

De conclusie van het hof is:

‘4.19. De slotsom luidt dat de collectieve vorderingen van SDEJ voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 Voertuigen worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW. Voor zover de vorderingen zien op Euro 6 Voertuigen worden zij beheerst door de WAMCA. Dit kan onmiskenbaar leiden tot processuele complicaties. Dit is echter de consequentie van het door SDEJ in één collectieveactieprocedure samenvoegen van vorderingen met betrekking tot van elkaar te onderscheiden gebeurtenissen die wel en niet (uitsluitend) voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden.’

Met onderdeel 2 beoogt SDEJ te bereiken dat de WAMCA van toepassing is op de gehele collectieve actie en niet slechts voor zover het gaat om de vorderingen die betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. Onderdeel 2 valt uiteen in vier subonderdelen, die genummerd zijn als 2.1, 2.2, 2.4 en 2.5. Subonderdeel 2.3 ontbreekt, maar dat berust op een vergissing. Ik zal de nummering van het middel aanhouden. De klachten komen neer op het volgende. Het hof miskent dat, wanneer een reeks van gebeurtenissen aan een collectieve actie ten grondslag wordt gelegd waarvan sommige hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 en sommige na 15 november 2016, het overgangsrecht in art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW meebrengt dat de gehele collectieve actie wordt beheerst door de WAMCA. (subonderdeel 2.1) Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de door SDEJ aan de collectieve actie ten grondslag gelegde gebeurtenissen voor 15 november 2016 te zeer verschillen van die van daarna om te kunnen spreken van een reeks van gebeurtenissen, hanteert het hof een onjuiste maatstaf, althans is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het verweten handelen met betrekking tot Euro 5 en Euro 6 voertuigen is identiek, althans gelijksoortig. Alle modellen van deze voertuigen zijn voorzien van identieke, althans soortgelijke verboden manipulatie-instrumenten. Het verweten handelen vond zowel voor als na 15 november 2016 plaats. (subonderdeel 2.2) Onbegrijpelijk is waarom het moment waarop Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht, bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gebeurtenis of gebeurtenissen in de zin van het overgangsrecht. (subonderdeel 2.4) SDEJ heeft niet alleen een reeks van gebeurtenissen aan haar vorderingen ten grondslag gelegd maar ook een voortdurend handelen (de aanwezigheid van verboden manipulatie-instrumenten in Euro 5 en Euro 6 voertuigen) dat zich uitstrekte voor en na 15 november 2016. Het hof miskent dat als gevolg van dit voortdurend handelen de gehele collectieve actie wordt beheerst door de WAMCA. (subonderdeel 2.5)

Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. Heden heeft A-G Snijders conclusie genomen in zaak 25/00198 tussen Mercedes c.s. en Stichting Emission Claim (hierna: SEC), waarin het, net als in de onderhavige zaak, gaat om een collectieve actie met betrekking tot dieselvoertuigen die zouden zijn uitgerust met een verboden manipulatie-instrument. Beide zaken vertonen grote gelijkenissen. De rov. 4.15 t/m 4.19 van het bestreden arrest in zaak 25/00198 gaan over het overgangsrecht van de WAMCA en zijn identiek aan de rov. 4.15 t/m 19 van het bestreden arrest in de onderhavige zaak. In zijn conclusie gaat A-G Snijders (onder 5.2 e.v.) uitvoerig in op het overgangsrecht van de WAMCA. Ik deel zijn analyse en uitleg van het overgangsrecht, die kort gezegd en voor zover van belang neerkomen op het volgende. Met ‘gebeurtenis of gebeurtenissen’ in de zin van art. 119a Overgangswet nieuw BW (hierna: ONBW) wordt bedoeld het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de vorderingen van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Bij de bepaling van welk collectieve actie-regime (art. 3:305a (oud) BW of de WAMCA) van toepassing is op de vorderingen van een belangenorganisatie dient uitsluitend te worden gelet op de grondslag van de vorderingen en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. Indien de vorderingen van een belangenorganisatie betrekking hebben op een of meer gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, dient een knip te worden aangebracht in het op de vorderingen toepasselijke collectieve actie-regime. Voor zover een of meer gebeurtenissen waarop de vorderingen betrekking hebben op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, geldt de WAMCA en voor zover dat niet het geval is, geldt art. 3:305a (oud) BW. Anders dan in de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. bij het wetsvoorstel WAMCA wordt gesuggereerd, is geen uitzondering op deze knip gerechtvaardigd in geval van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden (hierna: de reeksbenadering). Het tegendeel blijkt niet uit het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2022 inzake SMMT/Warner. Een uitzondering op deze knip is (alleen) gerechtvaardigd in geval van een voortdurende of repeterende reeks van gebeurtenissen (die zich voordoen jegens degenen die tot achterban van de belangenorganisatie behoren) waarbij de toebrenging van de schade die als gevolg daarvan is ontstaan of waarbij de gebeurtenissen die de oorzaak van de schade zijn geweest, niet goed gedateerd kunnen worden voor of na 15 november 2016. Wanneer een collectieve actie is gericht tegen meerdere gedaagden, zal voor elke zaak tegen de individuele gedaagden vastgesteld moeten worden welk collectieve actie-regime van toepassing is. Denkbaar is dat verschillende collectieve actie-regimes op de afzonderlijke zaken tegen de gedaagden van toepassing zijn.

Deze (verkort weergegeven) analyse en uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA van A-G Snijders neem ik tot uitgangspunt bij de bespreking van onderdeel 2. Ik kan vrij kort zijn over de klachten. De subonderdelen 2.1 en 2.2 falen omdat zij uitgaan van een onjuiste uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA. Het middel miskent namelijk dat een knip in het toepasselijke collectieve actie-regime dient te worden gemaakt voor zover de vorderingen betrekking hebben op een door het middel bedoelde reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De door het middel bepleite uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA op grond van de reeksbenadering dient te worden verworpen. Ook subonderdeel 2.4 lijkt te zijn gebaseerd op de reeksbenadering en faalt daarmee in het voetspoor van de voorgaande subonderdelen. Maar ook overigens zal de klacht niet tot cassatie kunnen leiden. Het moment waarop de Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht kan namelijk wel relevant zijn voor het bepalen van het toepasselijke collectieve actie-regime, voor zover de vorderingen van SDEJ zijn gebaseerd op het verwijt dat Stellantis c.s. en de dealers voertuigen in het verkeer hebben gebracht die zijn voorzien van een manipulatie-instrument. Nu SDEJ haar vorderingen mede heeft gebaseerd op deze grondslag, heeft het hof het in het verkeer brengen van de voertuigen kunnen aanmerken als een relevante gebeurtenis in de zin van het overgangsrecht, maar alleen voor zover het gaat om de vorderingen die op deze grondslag zijn gebaseerd. Subonderdeel 2.5 faalt eveneens. Kennelijk heeft het hof in de stellingen van SDEJ dat Euro 5 en Euro 6 voertuigen als gevolg van de verboden manipulatie-instrumenten voor en na 15 november 2016 voortdurend niet hebben voldaan aan het levensurencriterium van art. 4 lid 2 van de Emissieverordening, geen voor de toepassing van het overgangsrecht relevante voortdurende gebeurtenis gelezen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel dat, op basis van een aan het hof voorbehouden uitleg van de stellingen van SDEJ, voldoende duidelijk is wanneer (voor en na 15 november 2016) de door SDEJ gestelde schade is ingetreden en door welk deel van de door SDEJ aan haar vordering ten grondslag gelegde gebeurtenis deze is veroorzaakt.

Onderdeel 2 faalt dan ook.

4. Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep

Stellantis c.s. en de dealers hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden tussen- en eindarrest. Het middel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 (ingesteld door Stellantis c.s.) heeft betrekking op het bevoegdheidsoordeel van het hof en is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de subonderdelen 1.1 t/m 1.4 in het principale cassatieberoep slagen. Onderdeel 2 (ingesteld door Stellantis c.s. en de dealers) heeft betrekking op het toepasselijke collectieve actie-regime (art. 3:305a (oud) BW of de WAMCA) op de vorderingen van SDEJ. De subonderdelen 2.8 en 2.9 zijn ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de klachten van onderdeel 2 in het principale cassatieberoep slagen.

Nu het principale cassatieberoep van SDEJ tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof op grond van de subonderdelen 1.1 en 1.4 doel treft, kom ik toe aan een bespreking van onderdeel 1 van het incidentele cassatieberoep. Daarin bestrijdt het middel het oordeel van het hof in rov. 4.10 van het tussenarrest dat de vorderingen tegen de autofabrikanten ieder voor zich een nauwe band hebben (art. 8 sub 1 Brussel I-bis) respectievelijk samenhangen (art. 7 lid 1 Rv) met de vorderingen tegen de importeur. Het middel leidt de klachten als volgt in. Stellantis c.s. hebben in feitelijke instanties betoogd dat SDEJ met haar vorderingen tegen de importeur (die in Nederland voertuigen heeft gedistribueerd) niet opkomt voor personen die buiten Nederland, elders in de Europese Unie, een (niet door de importeur gedistribueerd) voertuig hebben gekocht of geleased. Voor deze buitenlandse gedupeerden is aan het adres van de importeur geen verwijt gemaakt, laat staan een concreet onderbouwde vordering ingesteld. In dat geval biedt art. 8 sub 1 Brussel I-bis geen grondslag voor de Nederlandse rechter om rechtsmacht aan te nemen voor de vorderingen van SDEJ waarmee wordt opgekomen voor de buitenlandse gedupeerden en die zijn ingesteld tegen de autofabrikanten met de importeur als ankergedaagde, omdat eenzelfde situatie feitelijk en rechtens ontbreekt.

Onderdeel 1 valt uiteen in zeven subonderdelen. In subonderdeel 1.1 wordt aangevoerd dat het hof in rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin een onjuiste maatstaf hanteert bij de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Het hof beoordeelt slechts of ‘in voldoende mate’ sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, terwijl het had moeten beoordelen of afzonderlijke behandeling van de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden kan leiden tot onverenigbare beslissingen, zodanig dat niet alleen sprake is van een divergentie in de beslechting van het geschil, maar dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Door in rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin beslissend te achten of ‘in voldoende mate’ sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, miskent het hof dat art. 8 sub 1 Brussel I-bis als uitzondering op de hoofdregel in art. 4 lid 1 Brussel I-bis restrictief moet worden uitgelegd, aldus de klacht.

Anders dan het middel aanvoert, heeft het hof in rov. 4.10 geen onjuiste maatstaf gehanteerd bij de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. In rov. 4.10, eerste volzin overweegt het hof dat de vorderingen tegen de autofabrikanten ieder voor zich een nauwe band hebben in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis met de vorderingen tegen de importeur. Het hof motiveert dit als volgt (rov. 4.10, eerste alinea). Het aan het adres van de autofabrikanten gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de voertuigen is niet gericht tegen de importeur, maar de gegrondheid van de vorderingen tegen de importeur valt of staat (mede) met de gegrondheid van dit verwijt. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen de autofabrikanten en de importeur moeten voorts gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord worden, bijvoorbeeld de vraag naar het (nog steeds) niet voldoen aan de Europese emissienormen van de voertuigen, de effecten daarvan en de vraag of die effecten adequaat zijn verholpen. Voorts wordt de importeur tezamen met de autofabrikanten in verband met een aantal aan hen gezamenlijk gemaakte of met elkaar samenhangende verwijten hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de gehele schade van alle gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt in deze procedure. Hieruit volgt dat in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen de autofabrikanten en de importeur wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven, aldus het hof.

Hieruit volgt dat het hof aan de hand van de juiste maatstaf heeft beoordeeld of tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden ‘een zo nauwe band’ bestaat in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dat een gezamenlijke behandeling bij de Nederlandse rechter als het forum van de ankergedaagde gerechtvaardigd is. Hierbij is van belang dat niet iedere vorm van een band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden voldoende zal zijn voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis. Deze band kan naar intensiteit verschillen. Een te beperkte band tussen de vorderingen rechtvaardigt niet dat een buitenlandse medegedaagde op grond van (het strikt uit te leggen) art. 8 sub 1 Brussel I-bis wordt gedagvaard voor het thuisforum van de ankergedaagde. De band tussen de vorderingen moet zodanig zijn ‘dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’ (art. 8 sub 1 Brussel I-bis). Hiervan geeft het hof ook blijk met zijn overweging in rov. 4.7 dat de maatstaf van (de voorlopers van) art. 8 sub 1 Brussel I-bis wordt samengevat als ‘een geschikte en toereikende samenhang’. Met zijn oordeel dat ‘in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is’ (rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin), heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de in de eerste alinea van rov. 4.10 (en hiervoor in 4.4) omschreven band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden voldoende is voor het aannemen van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. De hiertegen gerichte klacht van subonderdeel 1.1 faalt.

Subonderdeel 1.2 voert het volgende aan. Door in rov. 4.10 van het tussenarrest niet (voldoende kenbaar) de (hiervoor in 4.2 omschreven) betwisting van de rechtsmacht door Stellantis c.s. in zijn beoordeling van de rechtsmacht te betrekken, miskent het hof dat het aangezochte gerecht zich bij die beoordeling niet dient te beperken tot de stellingen van de eiser maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Gelet op het bevoegdheidsverweer van Stellantis c.s. had het hof te beoordelen of sprake is van vorderingen van, voor of namens de buitenlandse gedupeerden tegen de importeur, die een nauwe band hebben in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis met vorderingen van, voor of namens diezelfde buitenlandse gedupeerden tegen de autofabrikanten. Althans had het hof moeten beoordelen of de vorderingen tegen de autofabrikanten een nauwe band hebben met de vorderingen tegen de importeur en in dat kader moeten nagaan of met de vorderingen tegen de importeur ook wordt opgekomen voor de buitenlandse gedupeerden waarvoor met de vorderingen tegen de autofabrikanten wordt opgekomen.

De klacht is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis is vereist dat de groep van gedupeerden waarvoor de eiser opkomt met zijn vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden dezelfde moet zijn als de groep van gedupeerden waarvoor de eiser opkomt met zijn vorderingen tegen de ankergedaagde, althans dat de eerstbedoelde groep in ieder geval onderdeel moet uitmaken van de laatstgenoemde, eventueel grotere, groep. Een dergelijke eis met betrekking tot de achterban voor wie een eiser in een collectieve actie opkomt, wordt niet gesteld door art. 8 sub 1 Brussel I-bis en volgt evenmin uit de rechtspraak van het HvJ EU. De enige voorwaarde die art. 8 sub 1 Brussel I-bis in dit verband stelt, is dat de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden feitelijk en rechtens nauw met elkaar zijn verbonden. Volgens het hof is aan deze voorwaarde voldaan op de in rov. 4.10, eerste alinea (en hiervoor in 4.4) genoemde gronden, waarna het hof in rov. 4.10, tweede alinea, eerste volzin tot de conclusie is gekomen dat ‘in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is’.

Voor zover het door het middel gestelde vereiste met betrekking tot de achterban voor wie een eiser in een collectieve actie opkomt, is ontleend aan het (op grond van de WAMCA per 1 januari 2020 geïntroduceerde) territoriale ontvankelijkheidsvereiste van art. 3:305a lid 3 onder b BW, miskent het middel dat de internationale bevoegdheid op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet worden beoordeeld los van de ontvankelijkheidseisen op grond van het nationaal procesrecht.

Tegen deze achtergrond geldt dat, nu het (hiervoor in 4.2 omschreven) bevoegdheidsverweer van Stellantis c.s. met betrekking tot de groep van gedupeerden waarvoor SDEJ met deze collectieve actie opkomt hen niet had kunnen baten, de klacht dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan dit bevoegdheidsverweer niet kan slagen. Voor het overige geldt dat in rov. 4.10 besloten ligt dat het hof bij de beoordeling van de rechtsmacht rekening heeft gehouden met de relevante stellingen van partijen over de rechtsmacht. In het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht was het hof niet gehouden om de stellingen van partijen uitdrukkelijk te vermelden of om uitdrukkelijk daarop in te gaan teneinde zijn oordeel over de rechtsmacht begrijpelijk te maken. Subonderdeel 1.2 faalt dan ook.

Overigens merk ik nog op dat het middel het oordeel van het hof in rov. 4.10 over het bestaan van een nauwe band in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse medegedaagden uitsluitend bestrijdt met het betoog dat SDEJ met haar vordering tegen de ankergedaagde niet opkomt voor de buitenlandse gedupeerden voor wie zij wel opkomt met haar vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden. Het middel voert niet aan dat het oordeel van het hof over het bestaan van een nauwe band tussen deze vorderingen op andere gronden onjuist of onbegrijpelijk is. Bij deze stand van zaken dient dan ook van de juistheid van dat oordeel te worden uitgegaan.

De klacht van subonderdeel 1.3 komt erop neer dat het hof miskent dat vorderingen van, voor of namens de buitenlandse gedupeerden tegen de autofabrikanten alleen een nauwe band in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis kunnen hebben met vorderingen tegen de importeur, indien met de vorderingen tegen de importeur wordt opgekomen voor (precies) diezelfde buitenlandse gedupeerden, althans tegen de importeur vorderingen van of namens (precies) diezelfde buitenlandse gedupeerden worden ingesteld. Althans miskent het hof, zo vervolgt de klacht, dat van een nauwe band in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis geen sprake kan zijn voor zover met de vorderingen tegen de buitenlandse medegedaagden (ook) wordt opgekomen voor personen waarvoor met de vorderingen tegen de ankergedaagde niet wordt opgekomen. De klachten van de subonderdelen 1.4 t/m 1.7 sluiten hierop aan of bouwen hierop voort.

Deze klachten falen in het voetspoor van subonderdeel 1.2. Een uitleg van het vereiste van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en de buitenlandse gedaagden op de door het middel genoemde wijze, vindt geen steun in art. 8 sub 1 Brussel I-bis of in de rechtspraak van het HvJ EU.

Op grond van het voorgaande faalt het incidentele cassatieberoep tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof.

Onderdeel 2 van het cassatiemiddel bestrijdt het oordeel van het hof met betrekking tot het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ. Met deze klachten beogen Stellantis c.s. en de dealers te bereiken dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing is op de gehele collectieve actie en niet slechts voor zover het gaat om de Euro 5 voertuigen. Het onderdeel valt uiteen in vijftien subonderdelen. Bij de bespreking van de klachten neem ik de hiervoor onder 3.28 (verkort) weergegeven analyse en uitleg van het overgangsrecht van de WAMCA van A-G Snijders in zaak 25/00198 tussen Mercedes c.s. en SEC tot uitgangspunt.

Subonderdeel 2.1 keert zich tegen rov. 4.15, tweede alinea, waarin het hof overweegt dat ‘(…) de WAMCA niet van toepassing [is] op vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4).’ Volgens de klacht wijkt het hof hiermee af van de maatstaf in art. 119a lid 2 ONBW dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing blijft voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het in rov. 4.15 tussen haakjes geplaatste woord ‘uitsluitend’ komt niet terug in art. 3:305a (oud) BW. De klacht wordt als volgt uitgewerkt. Het hof miskent dat art. 3:305a (oud) BW van toepassing is als de vordering (overwegend) betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. (subonderdeel 2.1.1) Althans, het hof miskent dat als de vordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een knip moet worden gemaakt: art. 3:305a (oud) BW is alleen van toepassing voor zover de vordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. (subonderdeel 2.1.2)

De eerste klacht faalt, maar de tweede klacht slaagt. Ik leg dit als volgt uit. In rov. 4.17 heeft het hof bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve actie van SDEJ een onderscheid gemaakt tussen voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk Euro 6 emissienorm geldt. Het hof heeft vastgesteld dat tot september 2015 de Euro 5 norm gold en daarna de Euro 6 norm. Verder heeft het hof vastgesteld dat op of na 15 november 2016 geen Euro 5 voertuigen in Nederland in het verkeer zijn gebracht. De vorderingen van SDEJ met betrekking tot de Euro 5 voertuigen hebben dan ook ‘uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden’ en worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW, aldus het Hof. Met betrekking tot Euro 6 voertuigen heeft het hof in rov. 4.18 vastgesteld dat deze voertuigen (ook) op en na 15 november 2016 (in Nederland) in het verkeer zijn gebracht. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.18 geoordeeld dat de vorderingen met betrekking tot de Euro 6 voertuigen ‘niet (uitsluitend) betrekking [hebben] op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016’. Daarom is volgens het hof de WAMCA van toepassing op het in het verkeer brengen van Euro 6 voertuigen. Dit oordeel van het hof houdt in dat het in het verkeer brengen van Euro 5 respectievelijk Euro 6 voertuigen is aan te merken als een reeks van gebeurtenissen waarmee rekening moet worden gehouden voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA. Zoals ik bij de bespreking van onderdeel 2 in het principale cassatieberoep al heb aangegeven, dient deze reeksbenadering voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA te worden verworpen. Uitgaande van zijn oordeel dat het voor de toepassing van het overgangsrecht erom gaat wanneer het betrokken voertuig in het verkeer is gebracht, had het hof voor het toepasselijke collectieve actie-regime een knip moeten maken tussen de voertuigen die in het verkeer zijn gebracht voor 15 november 2016 en de voertuigen die in het verkeer zijn gebracht op of na 15 november 2016, ongeacht het moment waarop welke emissienorm geldt. Bepalend voor het relevante collectieve actie-regime is het moment van in het verkeer brengen van het voertuig (voor of na 15 november 2016) en niet het tijdstip waarop een emissievoorschrift geldt. Door uit te gaan van de reeksbenadering en bepalend te achten of de vorderingen van SDEJ al dan niet uitsluitend betrekking hebben op gebeurtenissen van voor of na 15 november 2016, heeft het hof een onjuiste uitleg gegeven van het overgangsrecht van de WAMCA. De op subonderdeel 2.1 voortbouwende klacht van subonderdeel 2.13 slaagt hiermee eveneens.

De subonderdelen 2.2 t/m 2.4 hebben betrekking op rov. 4.15, laatste alinea, waarin het hof overweegt dat voor de vaststelling of sprake is van een of meer gebeurtenissen die (uitsluitend) voor dan wel vanaf 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, acht dient te worden geslagen op de stellingen van SDEJ en de betwistingen van geïntimeerden, dat bewijs niet aan de orde is en dat een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen voldoende is.Subonderdeel 2.2 voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 4.15, laatste alinea uit het oog zou hebben verloren dat voor het overgangsrecht beslissend is of de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 en dat het er niet om gaat of sprake is van een of meer gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De klacht mist feitelijke grondslag. Zowel uit de algemene uiteenzetting van het overgangsrecht in rov. 4.15, eerste alinea (‘voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016’) als uit de toepassing daarvan op de onderhavige zaak in rov. 4.17 (‘De collectieve vorderingen van [SDEJ] met betrekking tot de Euro 5 voertuigen hebben daarmee uitsluitend betrekking op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden’) en in rov. 4.18 (‘De collectieve vorderingen met betrekking tot deze Voertuigen hebben dan ook niet (uitsluitend) betrekking op gebeurtenis(sen) van voor 15 november 2016’), blijkt genoegzaam dat het hof heeft beoordeeld of de rechtsvordering van SDEJ betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor of na 15 november 2016.Subonderdeel 2.3 voert aan dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel in rov. 4.15, laatste alinea, dat bewijs niet aan de orde is voor de vaststelling of sprake is van een rechtsvordering die betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. De klacht faalt reeds omdat daarbij geen belang bestaat. Het hof heeft zijn overweging omtrent bewijs niet ten grondslag gelegd aan c.q. toegepast bij zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ in rov. 4.16 e.v. Stellantis c.s. en de dealers hebben ook niet gesteld dat zij in nadelige zin zijn geraakt door de overweging van het hof omtrent bewijs. Het hof heeft zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actie-regime gebaseerd op ‘de gemene deler’ van de ingestelde vorderingen (rov. 4.16). Verder heeft het hof zijn oordeel over de periode waarin Euro 5 en Euro 6 voertuigen in het verkeer zijn gebracht gebaseerd op ‘de partijdiscussie’ (rov. 4.17 en 4.18). Overigens is het oordeel van het hof dat bewijs niet aan de orde is op zichzelf genomen wel juist, omdat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid uitsluitend valt te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan.Subonderdeel 2.4 voert aan dat, anders dan het hof in rov. 4.15, laatste alinea heeft geoordeeld, een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen niet voldoende is voor de vaststelling of de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Beslissend is of, gelet op de stellingen van partijen en eventueel na bewijslevering, kan worden aangenomen dat de rechtsvordering betrekking heeft op een of meer gebeurtenissen die voor of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Volgens de klacht moet een gestelde gebeurtenis buiten beschouwing worden gelaten voor zover uit een summierlijke beoordeling van de stellingen van partijen volgt dat deze niet heeft plaatsgevonden of niet tot aansprakelijkheid kan leiden. De klacht faalt. Immers, bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een belangenorganisatie in een collectieve actie valt uitsluitend te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. Die betwistingen komen pas aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

De subonderdelen 2.5 t/m 2.9 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.16, eerste alinea, dat ‘De gemene deler van de collectieve vorderingen van SDEJ is dat alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten van SDEJ aan Stellantis, de Autofabrikanten, de Importeur en de Dealers zien op in Nederland in het verkeer gebrachte Voertuigen die zouden zijn voorzien van emissiebeheersingssoftware (…)’. Volgens subonderdeel 2.5.1 is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat SDEJ stelt (ook) op te komen voor buitenlandse gedupeerden die niet een voertuig hebben gekocht dat in Nederland in het verkeer is gebracht. Zonder nadere motivering is volgens de klacht onbegrijpelijk waarom de collectieve vorderingen met betrekking tot deze buitenlandse gedupeerden de door het hof genoemde gemene deler hebben. De klacht miskent dat het oordeel van het hof over de in Nederland in het verkeer gebrachte voertuigen in het kader van het toepasselijke collectieve actie-regime volgt op zijn oordeel over de internationale bevoegdheid in rov. 4.3 e.v. waarin het hof zijn rechtsmacht heeft beperkt tot de Nederlandse gedupeerden. Volgens subonderdeel 2.5.2 is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat verschillende andere gemene delers van de vorderingen van SDEJ zijn te benoemen, zoals de ontwikkeling van de software, de installatie van de software in de voertuigen, de productie van de voertuigen, de import van de voertuigen na productie in het buitenland, de eerste registratie van de voertuigen bij de RDW of de levering van de voertuigen. Het hof motiveert niet waarom juist het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland moet worden aangemerkt als de gebeurtenis waarop de collectieve actie van SDEJ ziet. Volgens de klacht is dat des te meer onbegrijpelijk, omdat Stellantis c.s. en de dealers hebben aangevoerd dat de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis bestaat uit de ontwikkeling van emissiecontrolesystemen voor Euro 5 en Euro 6 voertuigen met initiële kalibratie. Ik meen dat deze klacht slaagt. In rov. 4.16, eerste volzin is het hof op zoek gegaan naar een ‘gemene deler’ van de collectieve vorderingen van SDEJ, kennelijk met het doel om een aan alle collectieve vorderingen en alle gedaagden gemeenschappelijke gebeurtenis te selecteren (‘alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten van SDEJ aan Stellantis, de Autofabrikanten, de Importeur en de Dealers’). Deze benadering van het hof is onjuist, omdat daarmee eraan voorbij wordt gegaan dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA bepalend is wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag wordt gelegd en dat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welk collectieve actie-regime van toepassing is. Het hof had, aan de hand van de gebeurtenissen die door SDEJ aan haar vorderingen ten grondslag zijn gelegd, die meer omvatten dan alleen het in het verkeer brengen van de voertuigen (zoals het hof zelf ook onderkent, rov. 4.16: ‘(…) De door SDEJ voorgestane gebeurtenis(sen), waaronder de herprogrammering van de bedoelde software (…)’), per vordering, per grondslag en per gedaagde moeten nagaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde gebeurtenis heeft plaatsgevonden voor of na 15 november 2016. Door het toepasselijke collectieve actie-regime uitsluitend te beoordelen op grond van het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, heeft het hof miskend dat het daarbij ook had moeten betrekken de overige gebeurtenissen die SDEJ aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.Subonderdeel 2.6 bevat een motiveringsklacht die ik niet goed kan volgen. Anders dan de klacht aanvoert heeft het hof het toepasselijke collectieve actie-regime mede kunnen bepalen op grond van de stelling van SDEJ dat de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis bestaat uit het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, voor zover de vorderingen van SDEJ zijn gestoeld op het in het verkeer brengen van de voertuigen. De strekking van subonderdeel 2.7 lijkt te zijn dat het hof met zijn oordeel dat het in het verkeer brengen van voertuigen in Nederland moet worden aangemerkt als de gebeurtenis waarop de rechtsvordering van SDEJ ziet, miskent dat SDEJ deze gebeurtenis niet ten grondslag heeft gelegd aan alle vorderingen zodat deze gebeurtenis niet gemeenschappelijk is voor alle gedaagden en daarmee niet als gemene deler van de vorderingen kan worden aangemerkt. Als deze strekking van de klacht juist is, slaagt zij. Immers, voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA is bepalend wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag is gelegd, zodat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welke de relevante gebeurtenis is voor het bepalen van het collectieve actie-regime. Gelet op de grondslag van de vorderingen van SDEJ, die meer omvat dan alleen het in het verkeer brengen van de voertuigen in Nederland, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het toepasselijke collectieve actie-regime voor alle gedaagden uitsluitend aan de hand van deze gebeurtenis te bepalen.Subonderdeel 2.8 sluit aan bij (mijn lezing van) het vorige subonderdeel en slaagt daarmee eveneens, zij het dat de voorwaarde waaronder dit subonderdeel is voorgesteld niet is vervuld. Dit laatste geldt ook voor subonderdeel 2.9. Voor zover dit subonderdeel aanvoert dat het hof ten onrechte geen aandacht besteedt aan de stellingen van Stellantis c.s. en de dealers met betrekking tot de voor het overgangsrecht relevante gebeurtenis, gaat het middel overigens eraan voorbij dat voor de beoordeling van de ontvankelijkheid uitsluitend moet worden gelet op de grondslag van de vorderingen van SDEJ en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan door Stellantis c.s. en de dealers.

De subonderdelen 2.10 t/m 2.15 zijn gericht tegen rov. 4.17 en 4.18, waarin het hof met betrekking tot het toepasselijke collectieve actie-regime een onderscheid heeft gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen. Volgens subonderdeel 2.10 geeft het hof in rov. 4.17 een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Geen van de partijen heeft gesteld dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA een onderscheid moet worden gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen en dat de WAMCA van toepassing is voor zover de vorderingen van SDEJ betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. Het hof had dan ook, alvorens tot dit oordeel te komen, partijen in de gelegenheid moeten stellen zich hierover uit te laten. De klacht slaagt. Partijen hebben met dit onderscheid tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen geen rekening gehouden en, gelet op het partijdebat, geen rekening behoeven te houden. Het hof had partijen dan ook in de gelegenheid moeten stellen om zich over de betekenis van dit onderscheid en de gevolgen daarvan voor het overgangsrecht uit te laten. Dat heeft het hof ten onrechte nagelaten. Volgens subonderdeel 2.11 is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.17 een onderscheid heeft gemaakt tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA bepalend of relevant is welke emissienorm van toepassing was. Dat is immers niet de gebeurtenis waarop de rechtsvordering betrekking heeft. Deze klacht slaagt in het voetspoor van subonderdeel 2.1.2.Subonderdeel 2.12 klaagt dat het oordeel van het hof dat de Euro 5 norm gold tot september 2015 en daarna de Euro 6 norm gold, onjuist is, omdat de Euro 6 norm (zoals Stellantis c.s. ook hebben gesteld) voor nieuwe voertuigen al gold vanaf september 2014. Als het hof dit niet miskent, is te meer onbegrijpelijk dat het de WAMCA van toepassing acht op alle Euro 6 voertuigen; al ruim vóór 15 november 2016 (namelijk al vanaf september 2014) moesten nieuwe voertuigen aan de Euro 6 norm voldoen. Het eerste deel van de klacht faalt, omdat het oordeel van het hof is terug te voeren op een juiste uitleg van art. 10 leden 2 t/m 5 van de Emissieverordening. Het tweede deel van de klacht slaagt. Het door het hof gemaakte onderscheid tussen Euro 5 en Euro 6 voertuigen is gebaseerd op de reeksbenadering voor de toepassing van het overgangsrecht van de WAMCA. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, dient deze benadering te worden verworpen. Het hof had, uitgaande van zijn oordeel dat het erom gaat wanneer de voertuigen in het verkeer zijn gebracht, een knip moeten maken tussen voertuigen die in het verkeer zijn gebracht voor 15 november 2016 en voertuigen die in het verkeer zijn gebracht vanaf 15 november 2016, ongeacht of het gaat om Euro 5 of Euro 6 voertuigen. De hierop betrekking hebbende klacht van subonderdeel 2.14 slaagt hiermee eveneens.Subonderdeel 2.15 bevat een motiveringsklacht met betrekking tot het op de reeksbenadering gebaseerde oordeel van het hof over het overgangsrecht. Nu die reeksbenadering voor de toepassing van het overgangsrecht moet worden verworpen, behoeft deze klacht geen bespreking.

Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 2 op meerdere punten slaagt, zodat het bestreden tussen- en eindarrest niet in stand kunnen blijven. In het geding na verwijzing zal opnieuw beslist moeten worden over het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ, waarbij – met het slagen van onderdeel 1 van het principale cassatieberoep – ook betrokken zullen moeten worden de collectieve vorderingen van SDEJ waarmee tegen de autofabrikanten wordt opgekomen voor de buitenlandse gedupeerden.

Slotsom

Met het slagen van onderdeel 1 van het principale cassatieberoep en het falen van onderdeel 1 van het incidentele cassatieberoep tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof, zou de Hoge Raad de zaak voor wat betreft de internationale bevoegdheid zelf kunnen afdoen door het bestreden tussen- en eindarrest te vernietigen en te bepalen dat de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub 1 Brussel I-bis (Stellantis Europe en Alfa Romeo) en art. 7 lid 1 Rv (FCA US) internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de collectieve vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten, zonder daarbij onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse gedupeerden.

Met het slagen van onderdeel 2 van het incidentele cassatieberoep zal in het geding na verwijzing opnieuw beslist moeten worden over het toepasselijke collectieve actie-regime op de vorderingen van SDEJ, waarbij ook betrokken zullen moeten worden de collectieve vorderingen van SDEJ waarmee tegen de autofabrikanten wordt opgekomen voor de buitenlandse gedupeerden.

5. Conclusie

De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging en afdoening als hiervoor onder 4.21 vermeld, en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?