ECLI:NL:PHR:2026:226

ECLI:NL:PHR:2026:226

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 23/04546
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Diefstal (art. 310 Sr). Middel klaagt over oordeel hof over betekening van oproeping van verdachte voor tz hb en beslissing tot verlenen verstek. 1. Falende klacht dat vertaling van oproeping niet naar juiste adres is verzonden. 2. Falende klacht dat geen sprake is van bekend buitenlands adres in zin van art. 36e lid 3 Sv, omdat gebruikte BRP-adres niet was aangevuld met een postcode. 3. Falende klacht dat voor oproeping verdachte niet bemiddeling van buitenlandse autoriteiten is ingeroepen op basis van art. 5 lid 2 EU-rechtshulpovk. Conclusie strekt tot constatering dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04546

Zitting 10 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 29 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens in de zaken met parketnummers 13-301866-20 en 13-306530-20 telkens “diefstal” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Verder heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen afgewezen.

Namens de verdachte heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt – naar ik begrijp – over het oordeel van het hof dat de betekening van de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2021 geldig was, althans over de beslissing van het hof om verstek tegen de verdachte te verlenen en met de behandeling van de zaak voort te gaan.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2021 houdt niets in waaruit kan volgen dat de niet-gemachtigde raadsman de gelegenheid heeft gehad te klagen over de betekening van de oproeping voor die terechtzitting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsman die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de betekening van deze oproeping. De steller van het middel wijst daar terecht op.

Gedingstukken en procesverloop

Op 29 april 2021 heeft in hoger beroep een rolzitting plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting is noch de verdachte noch haar raadsvrouw ter terechtzitting verschenen. De raadsvrouw van de verdachte had vooraf per mail van 25 maart 2021 laten weten dat het hoger beroep is gericht tegen de opgelegde straf. Daarop is het onderzoek geschorst tot 30 juli 2021. Vervolgens is de raadsvrouw op voorhand medegedeeld dat het onderzoek op 30 juli 2021 zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, omdat voor die terechtzitting geen tolk in de Letse taal beschikbaar is.

Op de terechtzitting van 29 november 2021 is de zaak inhoudelijk behandeld. Bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken bevinden zich – in verband met deze terechtzitting – de volgende documenten:

i) een informatiestaat SKDB van 6 oktober 2021, waarop onder “Huidig BRP-adres” wordt vermeld: Status: niet-ingezetene, Adres: “ [a-straat 1] [plaats] ”, Land: Letland, met als ingangsdatum 18 september 2020. Verder blijkt daaruit dat zij op dat moment niet was gedetineerd;

ii) een oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 29 november 2021, gedateerd 6 oktober 2021, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande;

iii) een akte van uitreiking van de onder ii) vermelde oproeping aan een medewerker van het openbaar ministerie op 6 oktober 2021, waaruit blijkt dat door een medewerker van het openbaar ministerie is gecontroleerd dat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;

iv) een oproeping van de verdachte voor de terechtzitting van 29 november 2021, gedateerd 6 oktober 2021 en met als adres: [a-straat 1] , [plaats] (Letland);

v) een in het Lets vertaald gerechtelijk document gedateerd 6 oktober 2021 waarin de verdachte kennelijk wordt opgeroepen voor de terechtzitting op 29 november 2021;

vi) een akte van uitreiking van het onder v) vermelde document, waaruit blijkt dat het openbaar ministerie op 8 oktober 2021 een afschrift van de vertaalde oproeping naar het adres [a-straat 1] , [plaats] (Letland) heeft verzonden en

vii) een controleformulier van 29 november 2021, waaruit blijkt dat volgens het SKDB systeem de verdachte noch op het moment van oproeping, noch vier dagen voor de terechtzitting, noch op de dag van de terechtzitting was gedetineerd.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 november 2021 houdt in:

“De verdachte, opgeroepen als:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [plaats] (Letland),

adres: [a-straat 1] , [plaats] (Letland),

is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. [betrokkene 1] , advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

Bespreking van het middel

Het middel valt uiteen in drie deelklachten. Ten eerste wordt geklaagd dat uit de akte van betekening blijkt dat de (vertaalde) oproeping voor de terechtzitting van 29 november 2021 niet naar het juiste Letse postadres van de verdachte is verzonden, zodat de oproeping als nietig diende te worden beschouwd. Ten tweede wordt geklaagd dat het Letse postadres van de verdachte bovendien onvolledig was, omdat het niet was voorzien van een geldige postcode, zodat de oproeping ook om die reden als nietig diende te worden beschouwd. Ten derde wordt geklaagd dat het hof, gelet op het voorgaande en het daaruit voortvloeiende vermoeden omtrent de onvolledigheid en twijfelachtigheid van het bekende adres in Letland, de oproeping voor de zitting alsnog met bemiddeling van de bevoegde autoriteiten had moeten laten toezenden aan het bekende Letse postadres van de verdachte, opdat de oproeping dat adres daadwerkelijk zou bereiken.

De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Hoewel de in het Lets vertaalde oproeping (genoemd in randnummer 2.3 onder v) inderdaad een onjuist adres vermeldt, namelijk [a-straat 2] in plaats van [a-straat 1] , geldt dit niet voor de akte van uitreiking bij deze oproeping (genoemd onder randnummer 2.3 onder vi). Daarop wordt het adres vermeld waarnaar de vertaling is verzonden en dit betreft het juiste adres, te weten [a-straat 1] .

De tweede deelklacht, waarin wordt geklaagd over de ontbrekende postcode, faalt wat mij betreft ook. Ingevolge art. 36e lid 3 Sv geschiedt de uitreiking van een gerechtelijke mededeling, bedoeld in art. 36b lid 2 Sv, aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is door toezending van de mededeling hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Aangezien Letland een EU-lidstaat is, is in de onderhavige zaak de EU-rechtshulpovereenkomst van toepassing. Uit art. 5 van deze overeenkomst volgt dat gerechtelijke stukken in beginsel rechtstreeks over de post dienen te worden toegezonden. Wat betreft het buitenlandse adres waarnaar moet worden toegezonden, merk ik op dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden dat als de postcode deel uitmaakt van het in het BRP genoteerde adres of de postcode anderszins bekend is, de akte van uitreiking moet vermelden dat toezending naar het adres, inclusief de postcode, is geschied. In een geval zoals het onderhavige, waarin het BRP-adres geen postcode bevat en ook anderszins uit het dossier geen postcode blijkt, blijft – anders dan de steller van het middel veronderstelt – sprake van een bekend buitenlands adres in de zin van art. 36e lid 3 Sv. Op de autoriteiten rust wat mij betreft niet zonder meer de plicht om de bijbehorende postcode te achterhalen en aan te vullen voordat toezending plaatsvindt, zoals de steller van het middel betoogt. Dit kan anders liggen als een eerder verzonden dagvaarding of de oproeping met hetzelfde (onvolledige) adres retour is gekomen met de mededeling dat het poststuk niet bezorgd kon worden vanwege het ontbreken van een postcode. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. Daarmee staat het niet vermelden van de postcode in de onderhavige zaak naar mijn mening niet in de weg aan het kennelijke oordeel van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting van 29 november 2021 geldig is betekend, dan wel aan het door het hof verleende verstek.

Tot slot faalt ook de klacht dat voor de oproeping van de verdachte niet de bemiddeling van de bevoegde autoriteiten in Letland is ingeroepen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat ingeval de naar het buitenland, maar binnen de EU verzonden dagvaarding onbestelbaar retour is gekomen, op de autoriteiten – met het oog op het door art. 6 lid 3 EVRM en art. 8 Richtlijn (EU) 2016/343 gewaarborgde recht op aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting – de verplichting kan rusten overeenkomstig art. 5 lid 2 EU-rechtshulpovereenkomst de bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat in te roepen. In dat geval kan de rechter er immers niet zonder meer van uitgaan dat de niet-verschenen verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Hetzelfde heeft te gelden voor de oproeping van de verdachte na een schorsing van het onderzoek buiten aanwezigheid van de verdachte.

In de onderhavige zaak doet zich niet het geval voor dat de dagvaarding of oproeping op het Letse adres onbestelbaar retour is gekomen en ook anderszins zie ik geen aanleiding om te veronderstellen dat het adres van de verdachte twijfelachtig was. Op de autoriteiten rustte daarmee geen aanvullende inspanningsverplichting de bemiddeling van de Letse autoriteiten in te roepen. Het hof kon er vervolgens van uitgaan dat de niet-verschenen verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht om aanwezig te zijn op de terechtzitting van 29 november 2021.

Het voorgaande brengt mee dat het kennelijke oordeel van het hof dat de betekening van de oproeping voor de zitting van 29 november 2021 geldig was, niet getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting, noch ontoereikend is gemotiveerd. Hetzelfde geldt – in het verlengde daarvan – voor de beslissing dat verstek kon worden verleend aan de verdachte en dat het onderzoek kon worden voortgezet.

3. Slotsom

Het middel faalt.

Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie op 23 november 2023 meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee weken kan worden volstaan met de constatering daarvan.

Deze conclusie strekt tot de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?