ECLI:NL:PHR:2026:231

ECLI:NL:PHR:2026:231

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 25/01053
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Caribische zaak. Profijtontneming wegens medeplegen mensensmokkel, mensenhandel en werkverschaffing illegale vrouwen in bar in Curaçao. Middel komt met verschillende klachten op tegen oordeel dat door middel van of uit baten van onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten en andere feiten wederrechtelijk voordeel is verkregen. Klachten over periode waarin voordeel zou zijn verkregen, hoeveelheid vrouwen jegens wie feiten zijn begaan, aftrekbare kosten en in mindering brengen aantal dagen dat bar gesloten was. Ook bevat middel een Jaddoe-klacht. Alle klachten falen. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep. Samenhang met 25/01052 PC.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01053 PC

Zitting 17 maart 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de betrokkene

1. Inleiding

Bij arrest van 13 maart 2025 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) (zaaknr. H-121/19), het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op NAf 667.241,35 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan het Land Curaçao van een bedrag van NAf 667.241,35, zulks ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.

Er bestaat samenhang met de zaak 25/01053 PC. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel klaagt over de gronden waarop het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd.

2. De strafzaak

In de strafzaak tegen de betrokkene heeft het Hof bij vonnis van 15 juli 2021 een drietal feiten bewezenverklaard: (1) mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, (2) mensensmokkel, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd en (3) medeplegen van het een gewoonte maken van werkverschaffing aan illegalen. De betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. Na niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie door de Hoge Raad op 14 februari 2023 is het vonnis van het Hof onherroepelijk geworden.

Ten laste van de betrokkene is bewezen verklaard:

Mensenhandel

1. dat hij in de periode van 1 maart 2017 t/m 9 september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen:

- [betrokkene 1] en

- [betrokkene 2] , en

- [betrokkene 3] en

- [betrokkene 4] , en

- andere personen

(sub a)

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die vernoemde slachtoffers/personen, en

(sub c)

heeft aangeworven, met het oogmerk om die perso(o)n(en) in een ander land, te weten Curaçao, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, en

(sub d)

met een van de in onderdeel a genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, en

(sub f)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die vernoemde slachtoffers/personen,

(sub i)

met een van de in onderdeel a genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

heeft gedwongen dan wel bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde,

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders terwijl verdachte en/of zijn mededaders wisten dat voornoemde slachtoffers/personen in een slechte financiële situatie verkeerden en/of de (financiële) situatie in Venezuela heel slecht is en/of dat die slachtoffers het Papiaments en/of de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren en/of die slachtoffers (vrijwel) niemand kenden in Curaçao en/of geen werkvergunningen en verblijfsvergunningen in Curaçao hadden,

(aan) een of meer van de voornoemde slachtoffers/personen:

- in Venezuela benaderd of laten benaderen met het verzoek om in Curaçao, bij [A] , te komen werken en/of voor hen de reis van Venezuela naar Curaçao laten regelen en betalen, en

- gehuisvest in een (kleine, gedeelde) kamer tegenover [A] , te weten in Hotel [B] te [plaats], en hen verplicht om aldaar te wonen en nergens anders, en

- 300 gulden per maand laten betalen voor deze kleine gedeelde kamer, en/of van hun salaris een onbekend huurbedrag afgetrokken, en maar 1 kamersleutel verstrekt per kamer waar 4 personen moesten verblijven, en

- uitgelegd dat met een forse schuld van ongeveer 2800 gulden aan verdachten werd begonnen in [A] en dat door daar te werken de schuld kon worden ingelost, en dat zij niet mochten stoppen met werken in [A] alvorens de schuld werd ingelost, en

- opgelegd dat de beginschuld terugverdiend moest worden met het werken in [A] , en

- in [A] laten werken, zonder contract en zonder werkvergunning, en hen daarbij opgedragen om constant met mannelijke klanten bezig te zijn en de klanten te versieren en met de klanten te dansen, en te zorgen dat de klanten zoveel mogelijk drankjes voor hen kochten, en

- uitgelegd dat tokens verdiend konden worden door als trago-meisje in [A] te werken en dat zij voor inlevering van elke token (ongeveer) 3 gulden zouden krijgen, en

- gezegd en opgelegd dat zonder (eet)pauze gewerkt moest worden van 22.00/22.30 uur tot 7.00 of 11.00, in ieder geval tot de laatste klant uit [A] weg was, en

- uitgelegd dat seks met klanten ook tot de werkzaamheden kon behoren, en dat in dat geval (ongeveer) 200 gulden betaald diende te worden aan verdachte alvorens [A] met de klant verlaten mocht worden, en dat de seks verplicht in Hotel [B] diende plaats te vinden, en

- uitgelegd en opgelegd dat als zij met een klant naar buiten wilden altijd eerst (ongeveer) 200 gulden betaald moest worden aan verdachten/of de barman, en

- een weeksalaris gegeven van 125 tot 175 gulden, waarbij voornoemde personen 6 dagen in de week moesten werken van 22.00/22.30 uur totdat alle klanten weg waren (tussen 7.00 en 11.00 in de ochtend), en

- de regel opgelegd en toegepast dat boetes van (ongeveer) 200 tot 250 gulden betaald moesten worden als zij niet op tijd op werk waren of een telefoon gebruikten tijdens werk of tijdens ziekte het Hotel [B] verlieten of andere regels overtraden, en

- geen pauze gegeven, ondanks dat zij 9 tot 12 uren achtereen moesten werken in [A]

en waarbij het trekken van voordeel uit voornoemde uitbuiting bestond uit:

- het economisch voordeel dat hij als mede-eigenaar van [A] genoot door de (verhoogde) verkoop van (trago)drankjes, en

- (de stijging van) de populariteit en het aanzien onder het publiek/bezoekers van [A] door de aanwezigheid van de trago-meisjes in [A] , en

- de besparing van kosten doordat geen serveersters hoefden te worden aangenomen en/of geen werkvergunningen en geen arbeidsovereenkomsten geregeld hoefden te worden, en

- het onder de wettelijk gestelde minimumloon betalen en geen ziektepremies en andere sociale premies afdragen;

Mensensmokkel

2. dat hij, in de periode van 1 maart 2017 t/m 9 september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, uit winstbejag, (en uit beroep), [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , en [betrokkene 2] , en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en andere personen behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang en/of verblijf in Curaçao of die bovengenoemde personen (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders,

- contact onderhouden (in Venezuela) met een of meer van vernoemde personen betreffende het verrichten van werk zonder werk- en verblijfsvergunning in Curaçao, en/of

- contact onderhouden met en/of instructies gegeven aan voornoemde personen betreffende de vergoeding van de vlucht en/of toegang van bovengenoemde personen, en/of

- een ticket naar Curaçao geboekt voor voornoemde personen en 800 tot 1000 dollars aan genoemde personen (laten) (ge)gegeven om Curaçao binnen te komen, en/of

- bovengenoemde personen tegen betaling, onderdak op Curaçao geboden;

Werkverschaffing illegalen

3. dat hij, in de periode van 1 maart 2017 t/m 9 september 2018 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander uit winstbejag, en uit gewoonte, [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , en [betrokkene 2] , en [betrokkene 6] en andere personen, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Curaçao hebben verschaft, krachtens overeenkomst arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij weet dat die toegang, of dat verblijf wederrechtelijk was.”

3. Het middel

Het middel bevat de klacht dat het Hof het oordeel dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, gebaseerd heeft op gronden die de beslissing niet kunnen dragen. In de toelichting worden de volgende vijf deelklachten geformuleerd:

(i) Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, maar heeft bij de berekening blijkens het vonnis kennelijk ook acht geslagen op periodes buiten de bewezen verklaarde periode en/of op andere personen dan de bewezen verklaarde personen jegens wie strafbare feiten zou zijn begaan. Dat maakt het vonnis innerlijk tegenstrijdig en nietig, althans onbegrijpelijk.

(ii) In het vonnis heeft het Hof niet buiten redelijke twijfel vastgesteld dat jegens andere vrouwen dan bewezen verklaard strafbare feiten zijn begaan zodat het vonnis – in licht van het verweer dat hierover is gevoerd – op dit punt niet toereikend is gemotiveerd.

(iii) Het oordeel van het Hof dat de aangevoerde kosten niet kunnen worden aangemerkt als aftrekbare kosten is onjuist of onbegrijpelijk aangezien het wel degelijk aannemelijk is dat bepaalde kosten niet zouden zijn gemaakt als de feiten niet zouden zijn gepleegd.

(iv) De verwerping van het verweer inhoudende dat bij de berekening van het voordeel 44 dagen in mindering zouden moeten worden gebracht omdat dat onvoldoende zou zijn geconcretiseerd is onbegrijpelijk gelet op het feit dat er op dit punt wél gespecificeerd en concreet verweer is gevoerd.

(v) Het vonnis van het Hof moet worden vernietigd omdat het Hof – anders dan het Gerecht – het voordeel heeft gebaseerd op soortgelijke strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan en de procedure in cassatie niet kan worden beschouwd als tweede feitelijke instantie als bedoeld in art. 14 IVBPR.

4. De overwegingen van het Hof

Het Hof heeft met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen (met weglating van een voetnoot):

“Grondslag ontnemingsbeslissing

Bij vonnis van 15 juli 2021 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie te Curaçao is de veroordeelde in de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak (eveneens geregistreerd onder parketnummer 500.00308/18) veroordeeld voor - kort gezegd -mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd (feit 1), mensensmokkel in vereniging, meermalen gepleegd (feit 2) en medeplegen van het een gewoonte maken van werkverschaffing aan illegalen (feit 3). De feiten hebben plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2017 tot en met 9 september 2018.

Genoemd vonnis is na niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie door de Hoge Raad op 14 februari 2023 onherroepelijk geworden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht moet in de ontnemingsprocedure worden onderzocht of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde (feit) of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

Het Hof is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de veroordeelde door middel van of uit de baten van de onder 1, 2, en 3 bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het Hof grondt zijn beslissing op de in het strafvonnis opgenomen bewijsmiddelen die aan de bewezenverklaring ten grondslag liggen, de nadere bewijsoverwegingen en op de feiten en omstandigheden die in het proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 mei 2019 (hierna: ontnemingsrapport) zijn vervat.

Uit het strafvonnis blijkt - kort samengevat - dat de veroordeelde samen met de medeveroordeelde, vrouwen uit Venezuela heeft geworven om de vrouwen vervolgens tewerk te stellen als 'trago-meisjes' in discotheek/nachtclub [A] en hen ertoe heeft bewogen prostitutiewerkzaamheden te verrichten in het nabij gelegen Hotel [B] , alwaar de vrouwen ook verplicht moesten verblijven. Er was sprake van een vorm van (arbeids)uitbuiting, waarbij de veroordeelde en de medeveroordeelde financieel gewin hebben behaald. De veroordeelde is gehuwd met de medeveroordeelde en samen zijn zij eigenaren van [A] en Hotel [B] .

Vaststelling van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat neemt het Hof als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in het ontnemingsrapport. De transactieberekening is naar het oordeel van het Hof genoegzaam en deugdelijk onderbouwd.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde enig wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is het volgende aangevoerd. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de financiële situatie voor en na de strafbare feiten. De schatting van het bedrag is slechts gebaseerd op een gezamenlijke verklaring van getuigen. De oorspronkelijke door de getuigen afgelegde verklaringen zijn tegenstrijdig en geven geen waarheidsgetrouw beeld van de activiteiten die geleid zouden hebben tot het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo is er blijkens een schrift van de nachtclub van slechts vier vrouwen een registratie van munten bijgehouden. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het weggaan met klanten naar Hotel [B] geen vast onderdeel uitmaakte van de werkzaamheden van de vrouwen. Ook is het openbaar ministerie ten onrechte uitgegaan van een langere periode dan in het strafvonnis is bepaald en is geen rekening gehouden met de totaal (minimaal) 44 dagen waarop de nachtclub werd gesloten door het wetshandhavingsteam. Bovendien is de financiële situatie van de veroordeelden zeer precair en kan reeds daarom geen sprake zijn van verkregen voordeel.

In een ontnemingsprocedure geldt een redelijke en billijke bewijslastverdeling. Als het openbaar ministerie aan de primaire bewijslast heeft voldaan, is het aan de veroordeelde om concreet en gemotiveerd - en waar mogelijk door schriftelijke bescheiden gestaafd - tegenover de door het openbaar ministerie gepresenteerde en op wettige bewijsmiddelen gebaseerde berekening, aannemelijk te maken dat die berekening niet juist is. Een enkele bewering is daartoe niet voldoende.

Uit het strafvonnis volgt weliswaar geen exact aantal, maar kan wel worden afgeleid dat er meerdere vrouwen bij [A] werkten en dat deze vrouwen naast de animeerwerkzaamheden en de verkoop van trago-drankjes, ook werden aangezet tot het verrichten van seksuele handelingen in Hotel [B] . Op grond van diverse getuigenverklaringen is bij de berekening als uitgangspunt genomen dat 13 vrouwen iedere nacht in [A] werkten. Dit komt het Hof niet onaannemelijk voor. Dat er een schrift is aangetroffen waarin ten aanzien van vier vrouwen een registratie is bijgehouden doet daar niet aan af.

De periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend is weliswaar langer (ongeveer 6 maanden) dan de periode waarvoor de veroordeelde is vervolgd en ook is veroordeeld, maar er zijn voldoende aanwijzingen - zoals in het rapport beschreven - dat de strafbare feiten reeds gedurende vele jaren werden gepleegd. Het Hof zal dan ook uitgaan van de periode waarop het ontnemingsrapport is gebaseerd en het verweer dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel 44 dagen in mindering zouden moeten worden gebracht, verwerpen. Dit omdat dat verweer onvoldoende geconcretiseerd is.

Overigens bevat het betoog van de verdediging enkel stellingen die onvoldoende concreet en verifieerbaar zijn onderbouwd. Het verweer wordt verworpen.

Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat reguliere bedrijfskosten zoals huur, afschrijving, rente, personeel en schoonmaak niet als aftrekbare kosten gelden. Uitsluitend kosten die niet zouden zijn gemaakt als de strafbare feiten niet waren gepleegd en die in directe relatie staan tot de voltooiing van die feiten komen in aanmerking voor aftrek. De genoemde kosten zouden ook zijn gemaakt als de illegale activiteiten niet zouden zijn gepleegd.

Evenmin kan het Hof het Gerecht volgen in de aanname dat er meer kosten zouden zijn gemoeid met het werven van de vrouwen in Venezuela. Die gevolgtrekking kan op grond van de stukken niet worden gemaakt en door de verdediging worden die kosten gesteld noch onderbouwd.

Het Hof neemt de in het rapport vervatte berekening over en stelt het berekende bedrag van NAf 667.241,35 vast als het geschatte door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.”

Opbrengst verkoop “Trago drankjes”

NAf 770.640,00

Opbrengst "weggaan met klanten"

NAf 145.600,00

Opbrengst "innen schuld"

NAf 126.000,00

Bespaarde kosten

NAf 167.257,35

Totaal opbrengsten

NAf 1.209.497,35

Kosten loon

NAf 236.600,00

Kosten verplaatsing en eerste opvang

NAf 31.200,00

Kosten inkoop Trago-drankjes

NAf 274.456,00

Totaal kosten

NAf 542.256,00

Wederrechtelijk verkregen voordeel

NAf 667.241,35

5. Hetgeen in hoger beroep door de verdediging naar voren is gebracht

Omdat gedurende het proces in hoger beroep diverse schriftelijke stukken zijn gewisseld en in de cassatieschriftuur kennelijk per vergissing wordt verwezen naar een schriftelijke reactie gedateerd 7 oktober 2024, hetgeen enige verwarring opriep, is het nuttig om voorafgaand aan de bespreking van het middel iets uitgebreider stil te staan bij hetgeen in hoger beroep is voorgevallen.

Uit het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2024 blijkt dat [naam 1] zich enkele dagen daarvoor als raadsman heeft gesteld en een aanhoudingsverzoek heeft gedaan. Omdat hij bovendien opmerkte mogelijk onderzoekswensen te hebben, heeft het hof bericht dat de zitting van 5 september 2024 een regiekarakter zal dragen. De raadsman heeft ter terechtzitting verschillende verzoeken gedaan. Het Hof heeft beslist dat de procureur-generaal binnen twee weken een schriftelijk standpunt kan innemen naar aanleiding van die verzoeken en dat het Hof op de volgende zitting een beslissing zal nemen, waarna het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2024 staat dat de voorzitter melding maakt van een per e-mail ingekomen schriftelijk standpunt van de procureur-generaal ten aanzien van de verzoeken van de verdediging van 26 september 2024 en een reactie van de raadsman op het schriftelijk standpunt van de procureur-generaal van 7 oktober 2024. Het proces-verbaal houdt verder in dat het Hof de verzoeken van de verdediging – voor zover daarop nog moest worden beslist – heeft afgewezen, een schriftelijke voorbereiding (zoals bedoeld in art. 503c SvC) heeft bepaald en het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot de terechtzitting van 30 januari 2025.

Namens de betrokkene is op 20 december 2024 een schriftelijke conclusie ingediend. De procureur-generaal heeft daarop op 13 januari 2025 gereageerd. Naar de inhoud van de schriftelijke conclusie van 20 december 2024 wordt – zo begrijp ik – in de toelichting op het middel telkens verwezen. In deze schriftelijke conclusie is onder meer het volgende opgenomen:

“3. Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Indien uw Hof oordeelt dat de pg wel ontvankelijk is wordt het volgende besproken. Alvorens in te gaan op de opbrengsten maakt de verdediging kenbaar dat hierbij uitgegaan wordt van de strafbare feiten, waaruit wederrechtelijk voordeel zou zijn behaald volgens de vonnissen van het Hof van 15 juli 2021. Deze ontnemingszaak concentreert zich voor een gedeelte op het behaalde voordeel uit de strafbare feiten, die volgens het Hof zijn komen vast te staan, te weten kort gezegd dat de veroordeelden in de periode van 1 maart 2017 tot en met 9 september 2018 te Curaçao ten minste vier vrouwen heeft aangeworven met het oogmerk om die personen in Curaçao ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en door misbruik van omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen dan wel bewogen hen te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor voor een derde. Aan de andere kant richt de pg zich op verkregen voordeel uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelden zijn begaan. De pg maakt hier gretig gebruik van, want gezien de bedragen suggereert zij met deze zaak, dat de strafbare feiten op grote schaal plaatsvonden. Uit het bewijsmateriaal blijkt dit niet het geval te zijn. Met andere woorden de bedragen zijn zonder degelijke grond behoorlijk opgeklopt, maar dat heeft het Gerecht in Eerste Aanleg met de uitspraak van 15 juni 2021 ook gezien.

(…)

De strafbare feiten

(…)

De verdediging is het eens met het Gerecht dat geen rekening is gehouden met verschillende andere kosten, zoals huur, afschrijving, rente en dergelijke. Deze kosten staan in directe relatie tot de strafbare feiten. De verdediging is het eens met het Gerecht dat door de veroordeelden betaalde beloningen voor tussenpersonen betrokken bij de overbrenging van vrouwen uit het buitenland niet zijn meegenomen in de opbrengsten en dat het voordeel mede daardoor te hoog is ingeschat. (…)

Trago-drankjes

(...)

De vraag blijft om hoeveel Trago-meisjes het gaat. In de administratie (schrift) van de nachtclub is terug te vinden dat het gaat om slechts 4 Trago-meisjes. Pagina 883 van het strafdossier vermeldt dat vier vrouwen namen voorkwamen in het schrift (schrift waarin de munten werden bijgehouden). Er is dus slechts van 4 vrouwen bij gehouden hoeveel munten zij gekregen hebben. Dit is beduidend minder dan 13 vrouwen.

(…)

De duur van de strafbare feiten.

Deze ontnemingszaak is gebaseerd op het vonnis van 15 juli 2021. Volgens het oordeel van het Hof bestrijken de strafbare feiten, die tot deze ontnemingszaak hebben geleid, de periode 1 maart 2017 tot en met 9 september 2018. Veroordeelden kunnen en mogen van de pg geen feiten uit de strafzaak bestrijden, omdat deze onherroepelijk zijn geworden, maar de pg neemt wel de vrijheid om de periode voor het behaalde wederrechtelijk voordeel uit te laten strekken over de periode 1 maart 2016 tot en 9 september 2018. Ook zou hier zou moeten gelden dat hetgeen het Hof in het vonnis voornoemd heeft vastgesteld onherroepelijk is geworden. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft in het vonnis in de ontnemingszaak het behaalde wederrechtelijk voordeel ook in strijd met het vonnis van 15 juli 2021 bepaalt over de periode september 2016 - september 2018. Een

motivering hiervoor ontbreekt.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten betreffen de periode zoals door het Hof bepaald, derhalve 1 maart 2017 tot en met 9 september 2018. Dit betekent dat de periode voor behaalde wederrechtelijk voordeel anderhalf jaar bestrijkt in plaats van 3 jaar. (…)

5. De nachtclub werd vaak gesloten

Meer dan eens heeft een wetshandhavingsteam de nachtclub gesloten. De veroordeelden vermoeden hierin kwaden wil van duistere krachten met een eigen belang. De dagen en tijden dat de nachtclub gesloten is geweest vanwege acties van het team voornoemd zijn als volgt:

4 augustus 2017 om 11:00 p.m tot en met 6 augustus 2017. 10 augustus 2017 om 01:00 tot en met 12 augustus 2017. 26 augustus 2017 12:00 am tot en met 28 augustus 2017. 15 september 2017 van 2:00 am tot en met 18 september 2017. 28 september 2017 om 3:00 am. De zaak was ook dicht van 12 oktober 2017 5:00 am, doordat de veroordeelde, [betrokkene] , door de politie werd beschoten tot en met 19 oktober 2017. 10 november 2017 11 :00 pm tot en met 11 november 2017. 29 november 2017 2:00 am tot en met 2 december 2017. 7 december 2017 12:00 am tot en met 9 december 2017. 26 december 2017 11:00 tot en met 27 december 2017. 1 januari 2018 2:00 am tot en met 2 januari 2018. 2 februari 2018 3:00 am tot en met 3 februari 2018.10 maart 2018 2:00 am tot en met 12 Maart 2018. 26 April 2018 3:00 am tot en met 28 April 2018. 5 mei 2018 11:00 pm tot en met 6 mei 2018 2:00 am. 19 mei 2018 4:00 am. 25 Mei 2018 3:00 am tot en met 27 mei 2018.14 juni 2018 11 :00 pm tot en met 16 juni 2018. 20 juni 2018 3:00 am tot en met 23 juni 2018. 29 juni 2018 2:00 am tot en met 1 juli 2018. 11 juli 2018 12:00 tot en met 12 juli 2018. 20 juli 2018 4:00 tot en met 21 juli 2018. 30 juli 2018 12:00 tot en met 1 augustus 2018. Zie bijlagen.

De verdediging telt minimaal 44 dagen, dit is meer dan 6 weken. Dit is aanzienlijk voor een commercieel bedrijf. Door de sluiting kon de nachtclub niet draaien en had daardoor geen inkomsten. Het blijkt niet dat de pg bij de berekening van het onrechtmatig verkregen voordeel hier rekening mee heeft gehouden.”

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens, vanwege de gewijzigde samenstelling van het Hof, opnieuw aangevangen op 30 januari 2025. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman toen het woord gevoerd aan de hand van zijn pleitnota, die onder meer inhoudt:

“De verdediging heeft een standpunt ingenomen en deze in een schrijven gericht aan uw Hof verwoord. De verdediging gaat dit standpunt of standpunten niet herhalen en zal zich voornamelijk richten op de reactie daarop van de procureur-generaal, hierna de pg, van 13 januari 2025. Waar nodig zal de verdediging wel essentiële aspecten van de ingenomen standpunt in herinnering brengen.”

6. De bespreking van het middel

De eerste deelklacht

Vooropgesteld zij dat op grond van art. 1:77 lid 2 SrC, waarop de ontnemingsvordering in de onderhavige zaak is gebaseerd, een ontnemingsmaatregel opgelegd kan worden aan degene die voordeel heeft verkregen (1) door middel van of uit de baten van een bewezen verklaard feit of (2) andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door deze persoon zijn begaan. De bepaling luidt hetzelfde als art. 36e lid 2 SrN, zodat aangenomen mag worden dat deze bepalingen op eenzelfde wijze worden uitgelegd.

De eerste deelklacht ziet, als ik het goed begrijp, op de grond op basis waarvan het Hof voordeel heeft ontnomen. Het Hof heeft overwogen dat het van oordeel is dat genoegzaam is komen vast te staan dat de betrokkene door middel van of uit de baten van de onder 1, 2, en 3 bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Voor zover er wordt geklaagd dat het Hof ten aanzien van meer slachtoffers voordeel heeft ontnomen dan is bewezen verklaard, berust het middel op een verkeerde lezing van het vonnis in de strafzaak. In de bewezenverklaring onder 1, 2 en 3 is na de opgesomde vier tot zes namen telkens ook “en andere personen” bewezen verklaard. Gelet daarop kon het Hof ten aanzien van meer slachtoffers dan die in de bewezenverklaring bij naam zijn genoemd oordelen dat de betrokkene daaraan wederrechtelijk voordeel heeft behaald zonder dat het Hof de link met de bewezen verklaarde feiten verloor.

Wat betreft de klacht dat het Hof uitgaat van een langere periode dan in de strafzaak is bewezen verklaard, is van belang dat het Hof ten aanzien daarvan heeft overwogen dat het gaat om strafbare feiten waaromtrent ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan dat de betrokkene die heeft begaan, zodat op dit punt voordeel is ontnomen op de tweede grond uit art. 1:77 lid 2 SrC. Er wordt in de toelichting niet uitgelegd waarom het onbegrijpelijk zou zijn dat het Hof voldoende aanwijzingen aanwezig heeft geacht dat de betrokkene de strafbare feiten ook zou hebben begaan in een de periode van ongeveer zes maanden die buiten de bewezenverklaring valt. Zonder nadere toelichting zie ik ook niet in waarom dat het geval zou zijn.

De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht

Met de tweede deelklacht wordt voortgeborduurd op de eerste deelklacht. De klacht stelt de begrijpelijkheid en motivering aan de orde van het oordeel dat er meerdere vrouwen bij [A] werkten en dat 13 vrouwen iedere nacht werkzaam waren en voordeel genereerden. Volgens de stellers van het middel heeft het Hof dit, ook gelet op het gevoerde verweer, niet buiten redelijke twijfel vastgesteld. Mijns inziens miskennen de stellers van het middel hier (wederom) dat het Hof in de strafzaak al bewezen heeft verklaard dat er andere personen werkzaam waren in [A] dan alleen de bij naam genoemde vrouwen, zodat het Hof op dit punt in de ontnemingszaak reeds om die reden niet buiten redelijke twijfel had hoeven vast te stellen dat jegens andere vrouwen strafbare feitenzijn gepleegd. Dat heeft het Hof in de strafzaak immers al gedaan. Ik wijs erop dat de door het Hof overgenomen bewijsmiddelen 1 en 2 onder meer inhouden dat erop bepaalde avonden ongeveer 20 Venezolaanse vrouwen werkzaam waren in [A] , waarvan de meesten verbleven in Hotel [B] en werkten onder min of meer dezelfde omstandigheden als de met naam genoemde vrouwen. Bewijsmiddel 10 houdt in dat in Hotel [B] ongeveer 12 a 13 meisjes woonden die werkzaam zijn bij [A] . De vaststelling van het concrete aantal slachtoffers (volgens het Hof (minimaal) 13) jegens wie de bewezen verklaarde strafbare feiten zijn begaan, is vervolgens onderdeel van de schatting van de omvang van het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen. Die schatting moet op grond van art. 503 SvC ontleend worden aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. In de uitspraak moeten de bewijsmiddelen waaraan de schatting is ontleend vermeld worden met weergave van de inhoud daarvan, voor zover het voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden bevat. Aan die eis is hier voldaan. Het Hof heeft (de schatting van) het aantal vrouwen door wie de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen gebaseerd op de diverse getuigenverklaringen die als bewijsmiddel in de strafzaak zijn opgenomen en op de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het ontnemingsrapport en heeft de relevante inhoud daarvan samengevat weergegeven. Tot een nadere motivering was het Hof op basis van wat er is aangevoerd niet gehouden. Daarbij merk ik bovendien op dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 januari 2025 niets heeft opgemerkt over hetgeen in de schriftelijke conclusie van 20 december 2024 in dit kader is benoemd.

Ook de tweede deelklacht faalt.

De derde deelklacht

De derde deelklacht heeft betrekking op het oordeel van het Hof omtrent de aftrek van kosten. Het Hof heeft – overeenkomstig de ontnemingsrapportage – een aanzienlijk bedrag aan kosten voor loon, verplaatsing en eerste opvang en inkoop van Trago-dankjes in aftrek gebracht. In de toelichting bij deze deelklacht wordt in de kern echter geklaagd dat het Hof – niet nader gespecificeerde – kosten die de verdediging heeft opgevoerd niet aftrekbaar heeft geoordeeld terwijl die wél aftrekbaar zijn. De klacht bestaat uit een woordelijke herhaling van hetgeen de verdediging hieromtrent in schriftelijke conclusie heeft aangevoerd, welk standpunt overigens niet ter terechtzitting is ingenomen. De klacht heeft een hoog gehalte van napleiten, waarvoor in cassatie geen plaats is. Zonder nadere toelichting kan de klacht dan ook nergens toe leiden. Het is aan de stellers van het middel om duidelijk te maken waarom de beslissing van het Hof omtrent de aftrek van kosten (mede) gelet op hetgeen daaromtrent zou zijn aangevoerd onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd zou zijn. Hetgeen het Hof over deze kosten heeft overwogen komt mij in ieder geval niet onbegrijpelijk voor.

De derde deelklacht faalt.

De vierde deelklacht

Met de vierde deelklacht wordt geklaagd over de verwerping van een verweer, inhoudende dat [A] gedurende 44 dagen gesloten was en dat daarom een bijpassend bedrag in mindering gebracht moeten worden bij de berekening van het voordeel. In de toelichting wordt het standpunt ingenomen dat, in tegenstelling tot wat het Hof overweegt, wel gespecificeerd en concreet verweer is gevoerd. De verdediging heeft immers de 44 specifieke data benoemd waarop geen voordeel is verkregen. Mijns inziens faalt deze klacht. Hoewel ook voor dit ‘verweer’ weer geldt dat het niet ter terechtzitting is gevoerd, heeft het Hof toch aanleiding gezien er (kort) op in te gaan. Ik acht de verwerping door het hof niet onbegrijpelijk. Er zijn weliswaar allerlei data opgesomd waarop [A] gesloten zou zijn vanwege ‘acties van het team’, maar vervolgens wordt op geen enkele manier onderbouwd waar dat uit zou blijken. Het Hof kon dit verweer verwerpen met de motivering dat het verweer onvoldoende geconcretiseerd is.

De vierde deelklacht faalt.

De vijfde deelklacht

Als laatste wordt geklaagd dat de betrokkene in eerste aanleg geen ontnemingsmaatregel opgelegd is voor andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de betrokkene zijn begaan, terwijl dat in hoger beroep wel is gebeurd. Gelet hierop in combinatie met het feit dat de Hoge Raad niet kan worden beschouwd als een instantie in de zin van art. 14 IVBPR waarin een in eerste aanleg gegeven vrijspraak met voldoende mate van nauwkeurigheid wordt beoordeeld, moet het vonnis van het Hof volgens de stellers van het middel worden vernietigd.

In het Post-Jaddoe arrest van 24 januari 2023 overwoog de Hoge Raad in de zienswijze van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe aanleiding te zien om in zaken waarin in hoger beroep een veroordeling is gevolgd voor een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken en in cassatie tevergeefs wordt geklaagd over de bewijsvoering van dat feit, het cassatieberoep vaker af te doen met een motivering die meer is toegesneden op de concrete zaak en wat is aangevoerd in (de toelichting op) het cassatiemiddel.

Naar aanleiding hiervan merk ik in de eerste plaats op dat het slagen van deze klacht dus niet zou leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing. Verder geldt het volgende. Zelfs als, met A-G Van Kempen in zijn conclusie van 9 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:871, wordt aangenomen dat het op zichzelf voor de hand ligt om de zienswijze van het VN-mensenrechtencomité in de zaak Jaddoe ook toe te passen op ontnemingszaken, is dat in de onderhavige zaak mijns inziens niet aan de orde. Zoals ik bij de bespreking van de eerste en de tweede deelklacht al heb opgemerkt, vallen de niet met naam genoemde meisjes reeds onder de bewezenverklaring van het Hof in de strafzaak. De ‘andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn’ zien in dit geval slechts op de feiten voor zover die buiten de bewezenverklaarde periode zijn begaan. De bewijsvoering daarvan is in cassatie niet bestreden.

De vijfde deelklacht faalt.

7. Slotsom

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?