ECLI:NL:PHR:2026:232

ECLI:NL:PHR:2026:232

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 24/04190
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Doden partner door schot met vuurwapen. Veroordeling in hoger beroep voor doodslag, nadat de rechtbank de verdachte voor dood door schuld had veroordeeld. Vier deelklachten m.b.t. o.a. voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Sprake van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op het teweegbrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer door onverschilligheid omtrent risico’s? Betekenis van zorgvuldigheidseisen. Contra-indicaties door handelen achteraf? De AG komt tot de conclusie dat de klachten falen (afdoening gedeeltelijk met art. 81.1 RO). Verder moet de door de benadeelde partij ingediende schriftuur volgens de AG buiten bespreking blijven. De conclusie strekt tot verwerping van het namens de verdachte ingestelde beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04190

Zitting 10 maart 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 13 november 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002141-21) veroordeeld wegens primair “doodslag” in de zaak met parketnr. 05-177756-20 en “handelen in de strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” in de gevoegde zaak met parketnr. 05-310700-20. Hiervoor heeft het hof een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof een beslissing genomen over in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de onttrekking aan het verkeer bevolen van een pistool en bijbehorende munitie. Verder heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Een op 26 november 2024 opgemaakte “akte partiële intrekking cassatie” houdt in dat het ingestelde cassatieberoep namens de verdachte is ingetrokken, “met dien verstande dat de cassatie zich niet richt tegen de gewezen vrijspraak van (impliciet primair tenlastegelegde) moord.”

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft M. Ferweda binnen de daarvoor geldende termijn een schriftuur ingediend. Deze is bij verweerschrift door H. Brentjes weersproken.

2. Waar het in cassatie om gaat

In deze zaak is de verdachte door het hof veroordeeld wegens doodslag op zijn partner. Op [datum] 2020 is de partner van de verdachte overleden aan haar verwondingen als gevolg van een schot dat door de verdachte met een vuurwapen is afgevuurd. De verdachte en het slachtoffer bevonden zich op dat moment in de slaapkamer van hun woning. Volgens de verklaring van de verdachte zouden hij en het slachtoffer vlak voor het fatale moment hebben gegrapt over het wapen dat hij in de badkamer bewaarde. Hij heeft ook verklaard dat hij het wapen pakte, omdat hij het slachtoffer voor de grap wilde laten schrikken en dat het wapen toen per abuis afging. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van de doodslag getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het middel valt uiteen in vier deelklachten.

Naast de verdachte is ook de benadeelde partij in cassatie gekomen.

Deze conclusie houdt in dat het namens de verdachte voorgestelde middel faalt en dat de schriftuur van de benadeelde partij onbesproken moet blijven.

3. Het middel namens de verdachte

Het middel houdt in dat de bewezenverklaring ten aanzien van de doodslag op [slachtoffer] getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het middel valt uiteen in vier deelklachten, inhoudende dat:

(1) de bewijsvoering voor wat betreft de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans wegens een innerlijke tegenstrijdigheid onbegrijpelijk is;

(2) het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, ook los van de in deelklacht 1 bedoelde tegenstrijdigheid, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is, gelet op de vaststelling door het hof dat de verdachte “dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond”;

(3) het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard onbegrijpelijk is “nu het Hof in het midden heeft gelaten of het overhalen van de trekker het gevolg is geweest van een onbedoelde handeling”;

(4) het oordeel van het hof dat geen sprake was van “contra-indicaties voor opzet op de dood” onbegrijpelijk is, zodat eveneens onbegrijpelijk is dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Belangrijkste processtukken en overige procesinformatie

Bij vonnis van 21 april 2021 heeft de rechtbank Gelderland de verdachte veroordeeld voor de onder 1 (impliciet meer) subsidiair tenlastegelegde dood door schuld en het onder 2 tenlastegelegde verboden wapenbezit. De verdachte is vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord en primair tenlastegelegde doodslag. Het openbaar ministerie heeft op 3 mei 2021 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Blijkens het tussenarrest van 7 februari 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen geen belang te zien in de voortzetting van de zaak, omdat de na het instellen van het hoger beroep verrichte onderzoekshandelingen geen nadere onderbouwing hebben opgeleverd “voor de conclusie dat de dood van het slachtoffer, [slachtoffer] , geen ongeluk was maar een weloverwogen daad.” In het verlengde daarvan heeft de advocaat-generaal het hof verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof was blijkens het tussenarrest van oordeel dat “niet [kan] worden gezegd dat de voortzetting van de behandeling in hoger beroep geen enkel strafvorderlijk belang meer dient” en heeft het onderzoek heropend.

De verdachte is (in de zaak met parketnr. 05-177756-20) laste gelegd dat:

“primair

hij op of omstreeks [datum] 2020 te Arnhem, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een schot op die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks [datum] 2020 te Arnhem, in ieder geval in Nederland, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of nalatig, - een verboden vuurwapen in huis heeft gehad en/of - het vuurwapen heeft gepakt, - terwijl hij geen verstand had van vuurwapens en/of van dat vuurwapen en/of - terwijl hij niet wist en/of is nagegaan of het vuurwapen al dan niet geladen was en/of - het vuurwapen heeft gericht op [slachtoffer] en vervolgens de trekker heeft overgehaald waardoor het wapen is afgegaan of - met de hand waarin hij het vuurwapen vast had, een deur (verder) heeft open geduwd waardoor het vuurwapen is afgegaan, - althans een vuurwapen zodanig heeft gehanteerd dal het vuurwapen is afgegaan, waardoor die [slachtoffer] een schotwond/schotletsel in het bovenlichaam heeft bekomen waardoor fors bloedverlies en/of schade aan één of meerdere vitale organen is veroorzaakt en waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] is overleden.”

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“primair

hij op [datum] 2020 te Arnhem [slachtoffer] , opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, met dat opzet, met een vuurwapen een schot op die [slachtoffer] afgevuurd, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden”

De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

“1. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020314471-6, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 73 en 74, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag [datum] 2020 was ik, verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam als wijkagent, in uniform gekleed en belast met een dienst in de wijk. Wij waren onderweg richting mijn wijk en waren ter hoogte van winkelcentrum Presikhaaf. Dit was omstreeks 10.09 uur. Op dat moment hoorde ik via de portofoon dat de meldkamer een melding uitgaf aan de noodhulp eenheden werkzaam in Arnhem Noord. Ik hoorde de meldkamer zeggen dat er een melding van een reanimatie was op de [a-straat 1] in Arnhem en dat er mogelijk geschoten zou zijn.

Ik. [verbalisant 1] , zag dat de vrouw op de grond lag en zag ter hoogte van haar linkerzij een klein wondje. Ik [verbalisant 1] had het vermoeden dat het ging om een schotwond.

2. Een geschrift, te weten het Pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door [naam 1] , arts en patholoog, op 14 juli 2020, voor zover inhoudende op pagina 347, 348 en 349, zakelijk weergegeven:

Overledene

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum] 1989

De bovengenoemde persoon is overleden in het Radboudumc op [datum] 2020.

Interpretatie van resultaten

Voorts werd het letsel sub 5 vastgesteld, hetgeen bij leven is opgetreden door de inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (ballistisch trauma/schotletsel), namelijk één inschot van de romp. Hierbij waren er onder andere perforaties van de milt, de borstholte beiderzijds, beide longen en de lichaamsslagader (aorta thoracalis). Perforatie van deze structuren heeft -mede gezien de bevindingen sub 6- geleid tot ernstig bloedverlies. Perforatie van de borstholten en de longen heeft daarnaast geleid tot ademhalings- en longfunctiestoornissen. Bloedinademing (sub 7) kan aan deze longfunctiestoornissen een (geringe) bijdrage hebben geleverd. Als zodanig wordt het overlijden verklaard door algehele weefselschade op basis van bloedverlies, ademhalings- en longfunctiestoornissen.

Conclusie

Het overlijden van [slachtoffer] , 31 jaren oud, wordt verklaard door de gevolgen van één inschot van de romp.

3. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], met proces-verbaalnummer 20200707.1110, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 279, zakelijk weergegeven:

A: ik ben de moeder van [slachtoffer] . Ik was in de zitkamer aan het lezen. En toen hoorde ik één keertje bam.

Vraag verbalisanten: U bent naar de deur gegaan. Welke deur?

A: De deur van hun kamer. Slaapkamer.

V: Zij waren in de slaapkamer?

A. Ja slaapkamer.

V: Waar is die slaapkamer?

A: Naast mij. mij, mij kamer. Voor mij. Waar ik lig.

V. Naast uw slaapkamer?

A: Ja, tegenover.

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], met proces-verbaalnummer 20200717.1114, gesloten en ondertekend op 17 juli 2020 door [verbalisant 4] en [verbalisant 6] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 289, 290, 298 en 299 zakelijk weergegeven:

V: Dan stellen we nog eens de vraag. Heeft [verdachte] de nacht voor het overlijden van [slachtoffer] thuis geslapen?

A: Ja hij heeft daar geslapen. Hij stond op. Ik vroeg aan hem. [verdachte] wil jij met mij naar buiten lopen om te wandelen ik heb het dan dinsdag om 09.00 uur in de ochtend. Ik vroeg of hij met mij wilde wandelen. En toen zei hij nee. En toen is hij teruggegaan naar zijn kamer. Ze waren aan het praten met elkaar. Ik zat in mijn kamer. Ik hoorde praten en toen hoorde ik [slachtoffer] schreeuwen: Niet doen gek. En toen hoorde ik één keer tak. Ik liep de slaapkamer op en [slachtoffer] maakte een gapend geluid.

V: Wat hebben jullie die maandag voor het overlijden gedaan?

A: [slachtoffer] en ik gingen samen naar de Mac Donalds, friet gegeten.

V: Dat is een heel klein gedeelte van de dag. Kunt u die dag beschrijven?

A: Ik wist toen niet dat ze dood zou gaan. [slachtoffer] vertelde wel dat hij een wapen had. Ik zei haar dat het misschien een wapen van plastic was. Zij zei letterlijk tegen mij dat ze tegen hem had gezegd: jij bedreigt mij met een neppistool van plastic. Hij zei tegen haar; als je mij niet gelooft, dan ga je met mij naar de Postbank en ga ik op een boom schieten. Dan zie je dat het een echt wapen is. Hij zei dat hij niet door de politie opgepakt wilde worden. Allah is mijn getuige. [slachtoffer] zei tegen mij dat zij tegen [verdachte] had gezegd: Nee dat mag niet, dat is verboden.

V: Op 4 juli 2020 zou [verdachte] binnen zijn gekomen met een vuurwapen. Hij zou in slaap zijn gevallen en jullie zouden gevlucht zijn. Klopt dat?

A: Ikzelf heb geen pistool gezien. Maar [slachtoffer] zei tegen mij dat hij een pistool had. Of ze heeft hem gezien, of [verdachte] heeft het gezien en we zijn toen weggegaan. Dat klopt. We zijn toen weggegaan, rondjes met de auto gaan rijden in Arnhem.

V: Heeft zij dat wapen gezien?

A: Volgens mij wel. Want zij dacht dat het van plastic was. [slachtoffer] heeft wel een pistool bij [verdachte] gezien. Zijzelf dacht dat het van plastic was. Maar hij zei nee dat was een echte, als je me niet gelooft dan gaan we naar de Posbank.

V: Was [slachtoffer] de laatste tijd bang voor [verdachte] ?

A: Ja ze zei tegen mij: hij gaat mij een keer vermoorden. [slachtoffer] vertelde mij dat [verdachte] had gezegd tegen haar: Er komt een dag dat ik jou ga vermoorden. Ze zei altijd dat ze van hem hield en hem zielig vond.

5. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200707.1750, gesloten en ondertekend op [datum] 2020 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland, voor zover inhoudende op pagina 110, 111, 112, 113 en 117, zakelijk weergegeven:

V: Heb je op voorhand nog iets te zeggen?

A: Ja. ik wil gewoon alles vertellen hoe het is gegaan. We waren gewoon thuis, was niks aan de hand. Op een gegeven moment pakte ik dat ding, het wapen. Lag in de douche. We maakten er grapjes over en hij ging af. Zij werd geraakt.

V: Over wie hebben we het eigenlijk die bij jou was?

A: Mijn vrouw, [slachtoffer] .

V: Hoe kwam dat wapen in de badkamer?

A: Die lag daar.

V: Wie had hem daar neergelegd?

A: Ik had hem daar neergelegd.

V: Wanneer had je die daar neergelegd?

A: Hij lag daar al een tijdje eigenlijk, ik denk twee drie weken.

V. Wie waren er in de woning toen dit gebeurde?

A: Mijn schoonmoeder, die was in de woonkamer.

V: Wat heeft [betrokkene 1] nog over dat wapen verteld en over kogels of patronen?

A: Niks eigenlijk.

V: Wat heb jij hem daarover gevraagd?

A: Ook niks.

V: Jij neemt een wapen in bewaring en dan vraagje daar niks over? Je weet dus niet wat je meeneemt naar huis?

A: Nee, ik heb helemaal geen verstand van wapens. Ik weet er niks van.

V: Heeft dat pistool de hele tijd op dezelfde plek gelegen, sinds jij hem van [betrokkene 1] in bewaring hebt genomen?

A: Ja, hij lag de hele tijd in de douche.

V: In hoeverre heeft je schoonmoeder dat pistool gezien?

A: Zij heeft hem niet gezien volgens mij.

V: Maar zij kwam wel in de douche?

A: Ja, maar zij heeft hem niet gezien.

6. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20200921.1300, gesloten en ondertekend op 21 september 2020 door [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 152, zakelijk weergegeven:

V: Waar, op welke hoogte, hield jij het wapen precies ten opzichte van jouw lichaam toen het afging?

A: Gewoon voor me.

V: We zien dat jij je arm gestrekt recht voor je houdt.

A: Ja.

7. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 20201203.1105, gesloten en ondertekend op 3 december 2020 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, en [verbalisant 5] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 183, 184 en 186, zakelijk weergegeven:

V: Jij hebt verklaard dat jij het wapen voor iemand moest bewaren. Heeft diegene nog iets uitgelegd over het wapen?

A: Nee. Hij heeft alleen gezegd dat er een veiligheidspal op zat.

V: Wat weet jij van de onderdelen van een wapen?

A: Niks.

Opmerking verbalisant: Laten de houder uit het wapen zien.

A: Nee, die is er niet uit geweest.

V: Wat is er dan wel uit de houder geweest?

A: Er is niks uit de houder geweest en ook niet uit het wapen.

V: Heb jij het wapen van [betrokkene 2] ?

A: Nee, daar kom ik later op terug.

V: Hoe is jouw band met hem?

A: Ik ken hem nog niet zo lang.

V: Deden jullie wel eens dingen samen?

A: Nee.

V: Hoe lagen haar armen?

A: Nou ze schrok een beetje en draaide een beetje.

V: Was dat voor of na het schot?

A: Bij het openen van de deur schrok zij. Dat was voor het schot.

8. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op pagina 3 en 5, zakelijk weergegeven:

Ik moest het wapen bewaren voor [betrokkene 2] , een vriend en zwager van me. De verklaring (hof: verdachtes eerdere verklaring) over [betrokkene 1] klopt niet. [betrokkene 2] was bang voor een inval en toen heb ik het wapen met tegenzin voor hem bewaard. Ik heb geen verstand van het wapen en wist ook niet of het geladen was. [betrokkene 2] zei dat het wapen op de veiligheidspal zat.

Op de eerste dag wilde ik niet zeggen van wie ik het wapen had. Ik had geen reden om bang voor hem (hof: [betrokkene 2] ) te zijn, maar je weet nooit wat iemand kan doen als je over hem verklaart. Zo goed kende ik hem niet.

9. Een geschrift, zijnde een weergave van een opgenomen telefoongesprek op 13 juli 2020 om 11.52 uur, voor zover inhoudende op pagina 10, 11 en 12 zakelijk weergegeven:

[betrokkene 3] (ng) belt uit met [betrokkene 4] (ng)

Een hoofdzakelijk Marokkaans gesprek waarin ook [verdachte] vanuit waarschijnlijk de PI [...] belt met iemands toestel. [betrokkene 3] belt uit met [betrokkene 4] en zegt; [betrokkene 4] , ik heb [verdachte] aan de andere kant, hij gaat met je praten.

[verdachte] : Zij was op bed, ik wilde met haar lachen en zo, alsof ik haar wilde laten schrikken.

[verdachte] : Ik ging een sigaret roken toen teruggekomen, wij hebben gezeten op bed, wij hebben gelachen en zo en ineens ging ik naar douche ik pakte eh, ik wilde haar laten sch[r]ikken.

10. Het proces-verbaal ter terechtzitting van 31 maart 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende als verklaring van deskundige [naam 2] op pagina 6, zakelijk weergegeven:

De vraag is wat “per ongeluk afgegaan” is. Is dat een handeling of niet? In het wapen heb ik niets gevonden wat een spontaan schot kan verklaren. Dat gaat niet lukken met dit wapen. Er zit geen slijtage aan het wapen. Het wapen functioneert voor het afschieten goed. De trekker moet overgehaald worden. Iets of iemand moet die trekker met een bepaalde kracht naar achter gehaald hebben. Dan los je een schot.

11. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte op pagina 4, 5, 7, 8, 9, 15 en 16, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij of [slachtoffer] wakker was toen ik terug in de slaapkamer kwam. Ja.

U vraagt mij wat zij aan het doen was. Ze lag op bed. U houdt mij voor dat ik verklaard heb dat “we aan het dollen ” waren en vraagt mij wat ik daarmee bedoel. We grapten erover. Over het wapen.

U vraagt mij waar het wapen lag. Op de onderste plank (het hof begrijpt: van het kastje in de badkamer) als ik het mij goed herinner. Niet bovenop. Eéntje eronder. In het midden ongeveer.

U houdt mij voor dat de schoonmaakster ook heeft verklaard dat zij geen wapen heeft zien liggen. Het wapen zal dan in de la gelegen hebben, denk ik.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik geen verstand van wapens had en niet wist dat het geladen was en vraagt mij of het niet spannend is om een wapen in bewaring te nemen zonder je daarover van tevoren heel goed te laten inlichten.

[betrokkene 2] zei dat het wapen op de veiligheidspal stond. U vraagt mij of ik dat niet heb nagegaan. Hij zei dat hij op de veiligheidspal zal. Ik ging ervan uit dat het goed zat. U vraagt mij nogmaals of ik heb aangenomen dat het juist was wat [betrokkene 2] zei en ik dus niet heb nagegaan of het wapen daadwerkelijk op de veiligheidspal stond. Ik heb niet echt verstand van wapens. Hij zei dat hij “uit” stond. Daar ben ik vanuit gegaan.

U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat ik haar wilde laten schrikken en vraagt mij waarom ik dat wilde. Ja. Als grap.

Ik zie dat u uw arm gestrekt houdt en voordoet hoe ik mijn arm volgens mijn verklaring had. Dat klopt. Toen ik de deur openduwde, ging het wapen af.

U vraagt mij of [betrokkene 2] ook aan mij heeft laten zien dat het wapen daadwerkelijk op de veiligheidspal stond. Hij zei dat hij op de veiligheidspal stond. U vraagt mij of ik toen naar het wapen keek. Nee. Thuis heb ik het wapen in de badkamer gelegd. Ik heb het wapen op verschillende plekken gelegd. In de la, op het kastje.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik [slachtoffer] wilde laten schrikken als grap. Ja, wij grapten erover. Toen heb ik het wapen gepakt. Ze kwam iets naar voren en toen ging het wapen af. U vraagt mij of ze zou schrikken als ik met een wapen de kamer in kwam. Dat zou kunnen natuurlijk. U vraagt mij of dat ook mijn bedoeling was. Ja, dat klopt. U vraagt mij nogmaals hoe ik [slachtoffer] wilde laten schrikken. Ik denk dat als je richt op iemand, dat ze schrikt. U vraagt mij of dat mijn idee was om haar te laten schrikken. Dat denk ik, ja.

U houdt mij voor dat ik verklaard heb dat ik mij kan voorstellen dat [slachtoffer] is geschrokken doordat ik met gestrekte arm uit de badkamer liep en ik het wapen op haar gericht had en vraagt mij of dat klopt. Ja.

U vraagt mij of de moeder van [slachtoffer] het gehoord zou hebben als er geschreeuwd zou zijn. Ja. Er zat alleen een wc tussen dus je hoort alles. Het was een klein appartementje.

12. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], met proces-verbaalnummer 20200813.1512, gesloten en ondertekend op 13 augustus 2020 door [verbalisant 11] , inspecteur van politie en werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland, voor zover inhoudende op pagina 424, zakelijk weergegeven:

U vraagt me of ik wel eens heb schoongemaakt in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] . Ik maakte samen met de moeder van [slachtoffer] wel eens het huis schoon. U vraagt me of ik tijdens het schoonmaken of mijn aanwezigheid wel eens een pistool in de woning van [slachtoffer] en [verdachte] heb gezien.

Nee, dat is niet het geval.

13. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] , Arnhem), genummerd PL0600-2020314471-19, gesloten en ondertekend op 15 oktober 2020 door [verbalisant 7] , [verbalisant 8] . [verbalisant 9] en [verbalisant 10] , voor zover inhoudende op pagina 60 en 63, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag [datum] 2020 kwamen wij aan op het adres [a-straat 1] in Arnhem.

De afstand van de doucheruimte naar het bed bedraagt 60 cm. Echter, aan het voeteneind van het bed zit een aanbouw waarin een tv verzonken kan worden deze is 21 cm.

De totale afstand van het feitelijke bed naar de badkamer/doucheruimte bedraagt daardoor dan 81 cm.

14. Een geschrift, te weten het Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Arnhem op [datum] 2020, op 19 november 2020 opgemaakt door [naam 2] , NFI-deskundige wapens en munitie, voor zover inhoudende op pagina 391, 395 en 399, zakelijk weergegeven:

Veiligheden pistool [AANU3039NL]

Het pistool is voorzien van twee veiligheden, een zogenaamde trekkerveiligheid en een half-cock stand van de hamer. Beide worden hieronder beschreven.

De trekkerveiligheid

Het pistool is voorzien een zogenaamde trekkerveiligheid die zich aan de linkerzijkant van het pistool bevindt. De trekkerveiligheid heeft een stand “safe” (S zichtbaar en knop verticaal gedraaid) en een stand “fire” (F zichtbaar en knop horizontaal gedraaid). Om de trekker te kunnen overhalen dient de trekkerveiligheid in de horizontale stand te staan.

Wanneer de trekkerveiligheid in de verticale stand staat, wordt de trekker geblokkeerd en is het niet mogelijk (zonder het wapen te beschadigen) om de trekker over te halen.

De half-cock stand

De hamer van het pistool kan zich in drie posities bevinden. Dit zijn de standen gespannen, half-cock en ontspannen. Wanneer de hamer is gespannen kan deze door het overhalen van de trekker worden ontspannen. Wordt om wat voor reden dan ook de hamer ontspannen zonder de trekker over te halen, dan wordt de hamer “gevangen” in de half-cock stand en kan daardoor de slagpin niet raken. Dit is een ingebouwde veiligheid.

Inwendige schouw

Na het proefschieten is het pistool [AANU3039NL] in hoofdgroepen gedemonteerd en inwendig geïnspecteerd op constructie en eventuele beschadigingen en gebreken. Met name het afvuurmechanisme inclusief de hamernokken en trekkerstang zijn hierbij microscopisch bekeken. De hamernokken in combinatie de trekkerstang zorgen ervoor dat de gespannen hamer niet zonder de trekker over te halen kan ontspannen en indien dit wel zo zou zijn zorgt de half-cock stand ervoor dat de hamer de slagpin niet kan raken. Tijdens de inwendige schouw zagen de trekkerstang en de hamernokken er goed uit en er werden geen gebreken of beschadigingen waargenomen. Tijdens de bestudering van de het afvuurmechanisme is de trekker van het pistool meermaals overgehaald terwijl de hamer gespannen stond. Vlak voor de gespannen hamer door het overhalen van de trekker werd vrijgegeven was een duidelijk drukpunt voelbaar.

6 Kan het vuurwapen per ongeluk afgaan zoals de verdachte dit verwoordt in zijn verklaringen? Om een schot te lossen, dient er in de kamer van het pistool een patroon aanwezig te zijn en de hamer van het pistool moet gespannen staan. Alleen als de trekker wordt overgehaald zal de hamer worden vrijgegeven en wordt er een schot gelost. Zowel de trekkerveiligheid als de hamerveiligheid (half-cock stand) functioneren naar behoren.

15. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem van 16 oktober 2024 voor zover inhoudende als verklaring van forensisch wapen- en munitiedeskundige [naam 2] op pagina 16, 17 en 18 zakelijk weergegeven:

Het wapen waar het vandaag over gaat, was oorspronkelijk bestemd om knalpatronen mee te verschieten. Dat zijn patronen waar geen kogel in zit. Er komt dan alleen een knal vrij. Er is op enig moment een andere loop in gezet, waardoor het mogelijk werd om met het wapen scherpe munitie te verschieten.

Hof: het pistool (Atak arms Itd.) waarmee het dodelijke schot op [datum] 2020 is gelost, wordt door een politieambtenaar van de afdeling Forensische Opsporing de zaal ingebracht en aan deskundige [naam 2] gegeven.

Dit is het wapen waarmee tijdens het incident op [datum] 2020 is geschoten en het is ook het wapen dat ik heb onderzocht.

U vraagt mij of het klopt dat de hamer gespannen moet zijn en de trekker moet worden overgehaald om een schot te kunnen lossen. Ja, en er moet een patroon in de kamer zitten.

Ik toon u het wapen en laat u zien dat er een “f” van fire op de buitenkant van het wapen staat. Er staat ook een “s” van safe op het wapen. Als het wapen in de safe stand staat, kan ik de trekker niet overhalen. Ik hoor u, oudste raadsheer, zeggen dat u ziet dat de letters in het wapen geslepen staan. Dat klopt.

U vraagt mij of het wapen ook zomaar af kan gaan. Nee. Het wapen kan niet afgaan zonder dat het in de achterste stand (gespannen) staat. Als ik heel hard op het wapen sla en de hamer daardoor valt, gaat hij in de half-cock stand. Hij kan de slagpin dan niet raken. Om een schot te lossen, moet er een patroon in de kamer zijn, moet het wapen (ooit) zijn doorgeladen, de hamer naar achter staan, de pal op fire en de trekker moet worden overgehaald.

Het hof heeft de bewezenverklaring als volgt gemotiveerd:

“Inleiding

Op dinsdagochtend [datum] 2020 omstreeks 10:00 uur is [slachtoffer] in haar bovenlichaam geraakt door een kogel die werd verschoten door middel van een vuurwapen. Door het inschot is ernstig bloedverlies opgetreden en is schade veroorzaakt aan vitale organen. [slachtoffer] is enkele uren later aan de gevolgen daarvan overleden.

Niet ter discussie staat dat het fatale schot werd gelost door verdachte. De vraag die aan het hof voorligt, is of inderdaad sprake is van een ongeluk/dood door schuld of dat een van de primair tenlastegelegde levensdelicten, die het hof immers eerst moet beoordelen, bewezen moet worden verklaard.

Voor de beantwoording van die vraag acht het hof het allereerst van belang om de (kern van de) verklaringen van verdachte uiteen te zetten. Verdachte is samen met de moeder van [slachtoffer] (getuige [getuige 1] ), die ten tijde van het incident in de woning aanwezig was, immers de enige die kan verklaren over de momenten (kort) voorafgaand aan en tijdens deze gebeurtenis.

De verklaring(en) van verdachte

Verdachte is op [datum] 2020, 9 juli 2020, 21 september 2020, 3 december 2020 en 18 maart 2021 door de politie verhoord. De rode lijn in zijn verklaringen is dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk was. Dit heeft verdachte in tapgesprekken en tijdens de zittingen bij de rechtbank en het hof herhaald. Zijn verklaring met betrekking tot (de momenten voorafgaand aan) het fatale schot houdt - samengevat - het volgende in.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de ochtend van [datum] 2020 samen met [slachtoffer] in de slaapkamer van hun appartement was. [slachtoffer] bevond zich op het bed. Ze maakten naar zijn zeggen grapjes over het vuurwapen dat in de badkamer lag. Verdachte is vervolgens naar de badkamer gelopen om het wapen te pakken. De badkamerdeur is achter hem dicht, “op een kier”, gewaaid. Verdachte pakte (in de badkamer) het wapen met zijn rechterhand vast, duwde de badkamerdeur open met de hand waarin hij het wapen had terwijl hij, met zijn gestrekte rechterarm recht voor zich, het wapen op [slachtoffer] richtte. Hierdoor wilde hij [slachtoffer] voor de grap laten schrikken, aldus zijn verklaring ter zitting van het hof, zeggend: “Ik denk dat als je richt op iemand, dat ze schrikt.” Toen ging het wapen af. [slachtoffer] werd door het schot geraakt.

Op de vraag hoe verdachte aan het vuurwapen kwam, heeft hij wisselende verklaringen afgelegd. Tijdens zijn eerste politieverhoor op [datum] 2020 heeft verdachte verklaard dat hij het wapen in bewaring had voor “ [betrokkene 1] ” of “ [betrokkene 1] ”, een jongen die hij dagelijks zag bij een coffeeshop in Arnhem. Deze verklaring heeft verdachte in de daaropvolgende verhoren herhaald.

Tijdens de zitting bij de rechtbank op 31 maart 2021 heeft verdachte voor het eerst verklaard dat hij het wapen bewaarde voor [betrokkene 2] . Deze [betrokkene 2] had hem dat ongeveer drie weken voor het incident gevraagd, omdat hij ( [betrokkene 2] ) bang was voor een politie-inval. Verdachte zag [betrokkene 2] af en toe bij de coffeeshop. [betrokkene 2] heeft tegen verdachte gezegd dat het wapen op de veiligheidspal zat. Verdachte is op deze mededeling afgegaan.

Verdachte wilde eerder niet verklaren dat hij het wapen van [betrokkene 2] had, omdat hij hem niet in de problemen wilde brengen. Verdachte had naar eigen zeggen geen reden om bang voor hem te zijn, maar heeft daarbij opgemerkt dat je nooit weet wat iemand kan doen als je over hem verklaart. “Zo goed kende ik hem niet”, aldus verdachte.

Beoordeling van de impliciet primair tenlastegelegde moord

Aan verdachte is impliciet primair tenlastegelegd dat hij [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

In het dossier bevinden zich verschillende verklaringen van familie, vrienden en bekenden van [slachtoffer] .

Uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 1] volgt dat zij direct of indirect (veelal van [slachtoffer] ) hebben gehoord dat [slachtoffer] door verdachte met een wapen en met de dood werd bedreigd. [slachtoffer] lachte deze bedreigingen meestal weg als zij daarover vertelde.

Daarnaast bevat het dossier verschillende WhatsApp berichtenwisselingen tussen [getuige 6] en [slachtoffer] . Op 24 juni 2020 schrijft [slachtoffer] hem dat zij in de telefoongeschiedenis van verdachte heeft gekeken en zij daarin zag dat hij had gezocht naar de zoektermen “vrouw gaat vreemd mag ik haar vermoorden islam".

Uit onderzoek aan de telefoon van verdachte volgt dat er op 19 en 28 juni 2020 op zijn telefoon inderdaad is gezocht naar de zoektermen “vrouw gaat vreemd islam”, “vrouw gaat vreemd mag je haar doden”, “mag je vrouw doden na overspel islam” en “vrouw doden na overspel islam”.

Drie dagen voor haar dood, op 4 juli 2020, berichtte [slachtoffer] getuige [getuige 6] onder andere dat verdachte “met een wapen loopt te zwaaien” en dat hij haar “echt iets aan gaat doen”.

Hoewel in de berichtenwisselingen tussen [slachtoffer] en [getuige 6] en in de verklaringen van vele getuigen die hebben verklaard dat [slachtoffer] al geruime tijd door verdachte met de dood werd bedreigd, aanwijzingen kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, ontbreken naar het oordeel van het hof objectieve bewijzen die noodzakelijk zijn om tot bewezenverklaring van moord te kunnen komen.

Uit de getuigenverklaringen die na het incident zijn afgelegd, volgt immers niet wat in de ochtend van [datum] 2020 en tijdens de noodlottige gebeurtenis in verdachte is omgegaan.

Hierdoor kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte zich enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van moord.

Beoordeling van de impliciet primair tenlastegelegde doodslag

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, zoals impliciet primair ten laste is gelegd. Daartoe is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte het oogmerk (het volle opzet) had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dat is het hof met hem eens.

Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet.

In arresten van de Hoge Raad is uitgemaakt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals in dit geval de dood van [slachtoffer] - aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard. Er kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] , bewust heeft aanvaard.

Zoals hiervoor al is overwogen, bevat het dossier veel verschillende (getuigen)verklaringen en WhatsAppgesprekken. Door de getuigen is verklaard over de (turbulente) relatie tussen verdachte en [slachtoffer] . Deze getuigen waren echter op de ochtend van [datum] 2020 niet in de woning aanwezig, zodat zij niets over het fatale voorval kunnen verklaren. Het hof slaat in dit verband dus geen acht op die verklaringen.

Dat is anders als het gaat om de moeder van [slachtoffer] , getuige [getuige 1] . Zij woonde tijdelijk in bij verdachte en [slachtoffer] en bevond zich ten tijde van deze gebeurtenis in de woonkamer van het bescheiden appartement. Die woonkamer lag tegenover de slaapkamer van verdachte en [slachtoffer] , slechts gescheiden door een gangetje. Het hof acht de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en heeft geen reden om aan de inhoud van haar verklaringen te twijfelen. Dit geldt temeer nu zij niet enkel belastend over verdachte heeft verklaard, maar zich op onderdelen ook positief (of neutraal) heeft uitgelaten over verdachte zijn relatie met [slachtoffer] .

Het hof stelt (grotendeels) op basis van de verklaring van verdachte en van getuige [getuige 1] het volgende vast.

Verdachte was in het bezit van een vuurwapen zonder dat hij daartoe de bevoegdheid bezat. Hij heeft, nadat hij daarover aanvankelijk andere verklaringen heeft afgelegd, verklaard dat hij dat wapen voor [betrokkene 2] in bewaring heeft genomen. [betrokkene 2] heeft dat in zijn verklaring overigens niet bevestigd.

Verdachte wist dat het mogelijk was om met dit (omgebouwde gas-alarm) wapen scherpe patronen te verschieten en was kennelijk ook bereid het wapen te gebruiken. Het hof leidt dat af uit de verklaring van getuige [getuige 1] . Daaruit volgt namelijk dat verdachte vóór [datum] 2020 aan [slachtoffer] voorstelde om naar De Posbank te gaan om daar met dat wapen te gaan schieten. Daarmee zou hij [slachtoffer] kunnen aantonen dat het om een echt wapen ging, wat zij op dat moment in twijfel trok.

Hieruit concludeert het hof dat verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen. Ook de verklaring van verdachte dat [betrokkene 2] tegen hem gezegd zou hebben dat het wapen op de veiligheidspal stond, duidt erop dat verdachte moet hebben geweten dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat.

Ondanks deze wetenschap heeft verdachte er zich op geen enkel moment van vergewist of het wapen ongeladen was en daadwerkelijk op de veiligheidspal stond, zoals [betrokkene 2] tegen hem gezegd zou hebben. Daarbij tekent het hof aan dat verdachte deze [betrokkene 2] , op het moment dat hij het wapen van hem zou hebben gekregen, naar eigen zeggen oppervlakkig (“nog niet zo lang” en “niet zo goed”) kende.

Ondanks de omstandigheid dat verdachte, gezien zijn oppervlakkige bekendheid met de persoon [betrokkene 2] , weinig of niets bekend was of kon zijn over diens kennis en kunde aangaande wapens of over de betrouwbaarheid van zijn inlichtingen, heeft hij klakkeloos van hem aangenomen dat het wapen geen kwaad kon omdat het op de veiligheidsstand zou staan en heeft hij dat verder niet zelf gecontroleerd. Aan de buitenzijde van het wapen is overigens eenvoudig af te lezen of het wapen al of niet in de veiligheidsstand staat, zoals het hof ter zitting heeft kunnen vaststellen.

Ook heeft verdachte geen andere veiligheidsmaatregelen genomen door bijvoorbeeld het magazijn/de patroonhouder afzonderlijk van het wapen te bewaren. Dat is opmerkelijk, omdat hij heeft verklaard dat het wapen - soms open en bloot - op diverse plaatsen in de badkamer heeft gelegen en niet alleen [slachtoffer] en hijzelf maar ook de getuige [getuige 1] gebruik maakten van die badkamer en de schoonmaakster er kwam om haar werk te doen.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat verdachte er wetenschap van had dat er een geladen wapen open en bloot in huis lag, waarvan verdachte niet zelf had vastgesteld dat het geen kwaad kon.

Wapendeskundige [naam 2] van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft het inbeslaggenomen wapen onderzocht en heeft verklaard dat, om met het wapen te kunnen schieten, de hamer gespannen moet staan, het wapen in de F (van fire)-stand moet staan en de trekker moet worden overgehaald. Zonder de trekker over te halen kan het wapen niet verschoten worden. [naam 2] heeft dat oordeel ter zitting van het hof nog eens uiteengezet en, met het wapen erbij, aanschouwelijk gemaakt.

Het hof gaat er gelet op al wat hiervoor is overwogen van uit dat het wapen die ochtend schietklaar was en dat verdachte de trekker geeft overgehaald.

Het schot dat volgde doordat de trekker werd overgehaald, heeft [slachtoffer] in haar bovenlichaam geraakt, met fataal gevolg.

Het hof overweegt met betrekking tot de vraag of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] het volgende.

Het hof is van oordeel dat:

• door het op korte afstand richten van een schietklaar vuurwapen op een persoon met de expliciete bedoeling om die persoon te laten schrikken en

• het vervolgens overhalen van de trekker

• zonder zich er, langer, korter of direct tevoren, van te hebben vergewist dat dat wapen niet geladen was en/of dat het op de veiligheidsstand stond, er naar algemene ervaringsregels sprake is van een aanmerkelijke kans dat iemand dodelijk wordt getroffen.

Het hof is van oordeel dat een gemiddeld persoon (de zogeheten “criteriumfiguur”) zich in de gegeven omstandigheden bewust is van de aanmerkelijke kans op het gevolg, namelijk dat [slachtoffer] door een onder die omstandigheden afgevuurd schot, heel goed dodelijk getroffen zou kunnen worden.

Ook verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans en die kans hebben ingecalculeerd. Verdachte wist blijkens de verklaring van getuige [getuige 1] immers dat sprake was van een functionerend wapen en wist ook dat dit wapen geladen was en dat daarmee patronen konden worden verschoten.

Ten aanzien van de vraag of verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard overweegt het hof het volgende.

Op de ochtend van [datum] 2020 waren verdachte en [slachtoffer] samen in de slaapkamer. [slachtoffer] bevond zich op het bed. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen, naar zijn zeggen op verzoek van [slachtoffer] , in de badkamer is gaan pakken en toen heeft bedacht dat hij [slachtoffer] “voor de grap” wilde laten schrikken. Dit deed hij door het wapen met gestrekte rechterarm van nabij op [slachtoffer] te richten. De afstand tussen het bed waarop [slachtoffer] zich bevond en de badkamerdeur bedroeg 81 centimeter (inclusief het meubel aan het voeteneind van het bed waarin een televisie verzonken kan worden).

Verdachte heeft in zijn verhoor op 3 december 2020 verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] bij het openen van de deur daadwerkelijk schrok.

Dat volgt ook uit de verklaring van haar moeder die [slachtoffer] hoorde roepen: “Niet doen gek'”. Daarna hoorde zij “tak”.

Verdachte heeft verklaard dat het wapen onbedoeld afging toen hij de deur van de badkamer opende met de hand waarin hij het wapen vasthield. Die lezing van verdachte houdt in, zo begrijpt het hof, dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg juist niet heeft aanvaard.

Wapendeskundige [naam 2] heeft, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat het wapen niet verschoten kan worden zonder dat de hamer gespannen staat, de veiligheidspal op fire staat en de trekker wordt overgehaald. Zonder deze voorwaarden kan met het wapen, als gevolg van de daarin ingebouwde veiligheidsvoorzieningen, niet worden geschoten. Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat hij na onderzoek aan het wapen niets heeft gevonden wat een spontaan schot kan verklaren.

Het hof stelt vast dat uit niets is gebleken, in het bijzonder niet uit de verklaring van verdachte zelf, dat verdachte op het moment dat de trekker werd overgehaald met [slachtoffer] worstelde, hij struikelde, of anderszins in een (benarde) positie verkeerde waardoor het schot onbedoeld zou hebben kunnen afgaan. Er is dus niet gebleken van een (van buiten komende) omstandigheid die verdachte als het ware is overkomen.

Uit het dossier of uit het verhandelde ter zitting volgt niet dat verdachte, toen hij het wapen op [slachtoffer] richtte, wist dat het wapen niet kon afgaan. De, gezien het voorgaande, aanmerkelijke kans dat dat wel zou gebeuren, heeft zich vervolgens gerealiseerd doordat verdachte de trekker heeft overgehaald. Het samenstel van verdachtes hiervoor vermelde gedragingen waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het fatale gevolg dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat verdachte geen veiligheidschecks heeft uitgevoerd, waaruit het hof afleidt dat het hem blijkbaar onverschillig was of het wapen al of niet geladen was en of het al of niet in de veiligheidsstand stond. Door het schietklare wapen in die omstandigheden met gestrekte arm op [slachtoffer] te richten en de trekker over te halen heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat [slachtoffer] door een schot uit het wapen dodelijk getroffen zou worden. “Niet doen gek'” is het laatste dat [slachtoffer] heeft kunnen uitbrengen.

Het hof acht de verklaring van verdachte, inhoudend dat het wapen onbedoeld afging, gelet op het voorgaande niet aannemelijk.

De conclusie is dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op [slachtoffer] ’s dood. Van contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is het hof niet gebleken. De omstandigheden dat verdachte zelf de hulpdiensten heeft gebeld, hij heeft geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren, haar mond-op-mondbeademing gaf en de hulpverleners heeft geholpen [slachtoffer] van het bed te tillen, gelden naar het oordeel van het hof niet als contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Het handelen met voorwaardelijk opzet sluit immers niet uit dat verdachte, nadat hij werd geconfronteerd met het intreden van het gevolg van zijn handelen in paniek is geraakt, spijt heeft gekregen of, zoals in dit geval, heeft geprobeerd het gevolg ongedaan te maken, te mitigeren dan wel te voorkomen.

Het hof acht de primair tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.”

Beoordelingskader voorwaardelijk opzet

Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van het slachtoffer – moet volgens bestendige rechtspraak komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. In deze maatstaf liggen als voorwaarden voor een bewezenverklaring besloten dat 1) de ten laste gelegde gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven heeft geroepen, 2) de verdachte zich ten tijde van de gedraging bewust was van die kans en 3) de verdachte ten tijde van de gedraging de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van dat gevolg.

De Hoge Raad verstaat onder “aanmerkelijke kans” een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met het begrip “aanmerkelijke kans” wordt naar het oordeel van de Hoge Raad “geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met (…) de formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’”. De kans wordt in concreto vanuit ervaringsregels en dus feitelijk beoordeeld en daarbij geldt dat er geen grond is om de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg.

In het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans ligt het kennis- en het wilselement van het voorwaardelijk opzet besloten. Onder dat kenniselement wordt verstaan dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans op het intreden van het gevolg. Deze wetenschap kan worden aangenomen op basis van het feitelijk aanwezig ervan zijn ofwel op basis van de veronderstelling dat die aanwezig is. Van belang is dat het wilselement van de aanvaarding – het op de koop toenemen – zelfstandige betekenis heeft naast het kenniselement van het weten. Dit heeft te maken met de afbakening tussen de bewuste culpa en het voorwaardelijk opzet. In dat verband is nog altijd het arrest HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma (HIV I) leidend. Daarin overwoog de Hoge Raad in r.o. 3.6 onder meer:

“Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.”

In grensgevallen kan de beoordeling van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans tot moeilijkheden leiden. Mogelijke bewijsproblemen op dat punt hangen vooral samen met het psychologisch getinte onderscheid tussen bewuste culpa en voorwaardelijk opzet. Daarmee bedoel ik het onderscheid tussen een verdachte die ongerechtvaardigd optimistisch is over het niet intreden van het gevolg waarop de aanmerkelijke kans bestaat (bewuste culpa) en een verdachte die het intreden van dat gevolg weliswaar niet beoogt (bedoelt) maar wel op de koop toeneemt (voorwaardelijk opzet). Waar bij bewijsproblemen bij de bewuste culpa een normatieve benadering uitkomst kan bieden, is dat niet op soortgelijke wijze het geval bij voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet kan echter wel – zoals blijkt uit de laatste passage van de onder 3.9 opgenomen rechtsoverweging uit het arrest van 2003 – met behulp van een zekere objectivering worden bewezen. Dat is vooral van belang voor gevallen waarbij geen directe feiten “omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan” bekend zijn. Van een objectiverende benadering is dan bijvoorbeeld sprake indien het voorwaardelijk opzet wordt afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging.

Objectivering in de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet manifesteert zich in veel gevallen door gebruikmaking van algemene ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid. Daarbij mogen in een specifieke context geldende zorgvuldigheidseisen op zichzelf een rol spelen. Dit betekent dat in bepaalde omstandigheden het niet verrichten van onderzoek kan bijdragen aan de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet. Kelk en De Jong spreken hierbij van “waakzaamheidsopzet”: een vorm van opzet die wordt “gebaseerd op een onderzoeksplicht die samenhangt met verhoogde alertheid die de mens in een bepaalde context dient te hebben, gezien de min of meer geijkte risico’s die daaraan, naar de ervaringsregels uitwijzen, zijn verbonden”. In hoeverre zorgvuldigheidseisen een cruciale rol kunnen vervullen in een bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet, is context afhankelijk. Keulen wijst er in zijn noot bij HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2766, NJ 2017/85, punt 2 mijns inziens terecht op dat de benadering van waakzaamheidsopzet niet overal zo goed past als bijvoorbeeld bij verdovende middelen. In drugszaken wordt in de bewijsconstructie van het voorwaardelijk opzet regelmatig gebruik gemaakt van de algemene ervaringsregel dat bij bijvoorbeeld bepaalde risicovluchten een verdachte die een koffer van een derde meeneemt op die vlucht zich “welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de koffer drugs bevatte, zulks in het licht van de algemene bekendheid te achten omstandigheid dat die drugs niet zelden via het vliegveld binnen een land wordt gebracht’. Gebruikmaking van zorgvuldigheidseisen in de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet is mijns inziens bezwaarlijk wanneer dit in feite meebrengt dat geen werkelijke betekenis meer toekomt aan het vereiste van de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (aanmerkelijke kans) of impliceert dat de daadwerkelijke aanvaarding daarvan door de individuele verdachte niet echt wordt gefundeerd. Voorkomen moet immers worden dat onvoorzichtigheid en opzet praktisch gesproken aan elkaar worden gelijkgesteld: de verdachte heeft opzet als blijkt dat hij onvoorzichtig is geweest. Het theoretische verschil tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld dient zich daarom – zoals Lindenberg en Wolswijk benadrukken – te vertalen in een verschil in eisen aan het benodigde bewijs omdat anders het verschil tussen opzet en culpa vervaagt.

Voorwaardelijk opzet vereist zoals opgemerkt dat de verdachte ten tijde van de gedraging de aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg heeft aanvaard. Aanvaarding bij voorwaardelijk opzet betekent dat de verdachte het gevolg weliswaar niet als zodanig beoogt maar wel op de koop toeneemt dat het zich verwezenlijkt. Daarom kan ook bij wezenlijke onverschilligheid sprake van aanvaarding zijn. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:982, NJ 2024/251, r.o. 3.4.2 en 3.4.3 (cursivering hierna PHvK) over een verdachte die als natuurgenezeres het natuurgeneesmiddel iboga(ïne) had toegediend en verstrekt aan cliënten (verslaafden) ten gevolge waarvan één van hen overleed. De Hoge Raad overwoog dat het hof niet onbegrijpelijk tot de gevolgtrekking was gekomen

“dat – gelet op de combinatie van het meer risicovolle gebruik van het wortelextract, het achterwege laten van een adequaat onderzoek naar de conditie van [het slachtoffer], het bij de behandeling van [het slachtoffer ] niet in acht nemen van de veiligheidsvoorschriften met het oog op de beperking van toxiciteit en letaliteit van iboga(ïne) en ook de verdere wijze waarop de behandeling van [het slachtoffer] door de verdachte als niet-medisch geschoolde behandelaar plaatsvond – de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de iboga(ïne)behandeling tot gevolg zou hebben dat [het slachtoffer] zou overlijden, welk risico zich heeft verwezenlijkt.”

Hieruit volgt nog eens dat het niet voldoen aan zorgvuldigheidsvereiste kan bijdragen aan de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet. Meer in het bijzonder heeft de onverschilligheid omtrent de zorgvuldigheidsvereisten in deze zaak de kans verhoogd op het zich verwezenlijken van het gevolg. In het verlengde hiervan overweegt de Hoge Raad uiteindelijk dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [het slachtoffer] heeft aanvaard, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en toereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad achtte daartoe het volgende van belang:

“Dat oordeel berust kennelijk in de kern erop dat de verdachte wetenschap had van het aan de door haar verrichte iboga(ïne)behandelingen verbonden reële risico op complicaties met betrekking tot de werking van het hart, zoals ook was gebleken bij twee concrete incidenten, en van het reële risico dat die complicaties de dood tot gevolg hebben, en dat zij ondanks die wetenschap is doorgegaan met de behandelingen. De verdachte heeft bij deze voortzetting van de behandelingen haar werkwijze niet aangepast en zij heeft niet de aanvullende veiligheidsvoorschriften, zoals die waren opgenomen in de haar bekende rapporten […], in acht genomen, terwijl de door haar als niet-medisch geschoolde behandelaar toegepaste maatregelen waarop in het namens haar gevoerde verweer een beroep is gedaan – zoals het tevoren laten controleren van de hartfunctie, zonder dat daarbij het doel van die controle kenbaar mocht worden gemaakt, en het monitoren van de cliënt door middel van een beeld- en geluidverbinding – geenszins toereikend waren om de genoemde risico’s af te wenden.”

In essentie wordt de aanvaarding hier kennelijk afgeleid uit de wetenschap omtrent het risico op het gevolg en het vervolgens niet nemen van aanvullende toereikende maatregelen die dat risico kunnen afwenden. Daarmee illustreert dit arrest mijns inziens ook dat de grens tussen aanvaarding en bewuste schuld zeer subtiel ligt.

Eerste deelklacht

Deze deelklacht houdt in dat de bewijsvoering voor wat betreft de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer onbegrijpelijk is, omdat sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid op een “bepaald niet ondergeschikt punt”. Zo zou de inhoud van de verklaring van de verdachte “dat hij geen verstand heeft van wapens en dat hij ook niet wist of het wapen geladen was” contradictoir zijn aan de vaststelling door het hof “dat verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen”.

Van belang voor de beoordeling van de klacht is dat de innerlijke consistentie van de bewijsmotivering een belangrijk uitgangspunt vormt aan de hand waarvan de bewijsvoering in cassatie op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Deze begrijpelijkheid komt onder druk te staan wanneer een bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig is doordat deze op met elkaar onverenigbare feitelijke vaststellingen berust. Van tegenstrijdigheid in de bewijsvoering is dus sprake wanneer de bewijsmotivering en/of gebezigde bewijsmiddelen feitelijkheden bevatten die niet naast elkaar kunnen bestaan. Dergelijke tegenstrijdigheden in een bewijsconstructie kunnen in verschillende vormen voorkomen en kunnen leiden tot vernietiging van de bewezenverklaring, tenzij sprake is van een kennelijke misslag of in het geval de tegenstrijdigheid van zodanig ondergeschikt belang is dat deze geen beletsel heeft gevormd voor de behoorlijke motivering van de bewezenverklaring.

In de onderhavige zaak wijst de steller van het middel terecht op een tegenstrijdigheid tussen één bewijsmiddel en de rechterlijke bewijsoverweging. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Ik licht dit toe.

In de onder 3.6 weergegeven bewijsoverweging stelt het hof vast dat “dat verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen”. Het hof heeft deze vaststelling ten eerste gebaseerd op de getuigenverklaring van de moeder van het slachtoffer (bewijsmiddel 4), [getuige 1] , waarin zij onder meer vertelt wat het slachtoffer tegen haar heeft gezegd: “ [slachtoffer] vertelde wel dat hij een wapen had. Ik zei haar dat het misschien een wapen van plastic was. Zij zei letterlijk tegen mij dat ze tegen hem had gezegd: jij bedreigt mij met een neppistool van plastic. Hij zei tegen haar, als je mij niet gelooft, dan ga je met mij naar de Postbank en ga ik op een boom schieten. Dan zie je dat het een echt wapen is.”, en ook: “Want zij dacht dat het van plastic was. [slachtoffer] heeft wel een pistool bij [verdachte] gezien. Zijzelf dacht dat het van plastic was. Maar hij zei nee dat was een echte, als je me niet gelooft dan gaan we naar de Posbank.” Kennelijk is het hof uitgegaan van de veronderstelling dat met een vuurwapen zonder munitie niet op een boom kan worden geschoten en dat juist kan worden aangetoond dat een vuurwapen een echt wapen is door daarmee daadwerkelijk kogels af te schieten. Anders dan de steller van het middel betoogt, is die veronderstelling niet onbegrijpelijk. Dat geldt evenzeer voor de op de verklaring van [getuige 1] gebaseerde conclusie van het hof dat de verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen. Daarbij merk ik ten overvloede nog op dat alleen wanneer er echte kogels zouden gaan worden afgevuurd, het duidelijk is waarom de verdachte buitenshuis wilde gaan. Bovendien heeft het hof verder nog overwogen dat de verklaring van de verdachte dat [betrokkene 2] tegen hem zou hebben gezegd dat het wapen op de veiligheidspal stond (bewijsmiddelen 7, 8 en 11) erop duidt dat verdachte moet hebben geweten dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat.

Het hof heeft echter ook de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 8) bij de gebruikte bewijsmiddelen opgenomen waar die inhoudt: “Ik heb geen verstand van het wapen en wist ook niet of het geladen was”. In zoverre is inderdaad sprake van een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering. Dat roept de vraag op of de gesignaleerde tegenstrijdigheid tot cassatie dient te leiden.

Uit de uiteenzetting onder 3.16 blijkt dat het hof gemotiveerd heeft vastgesteld “dat verdachte ervan is uitgegaan dat het een echt wapen was én dat het geladen was met patronen”. Dat het hof deze vaststelling voor juist heeft gehouden en daaraan wezenlijke betekenis heeft toegekend blijkt ook verder onmiskenbaar uit de bewijsvoering, nu het hof in diens oordeel dat de verdachte wetenschap zou hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden en dat hij deze kans ook bewust heeft aanvaard, heeft betrokken dat “verdachte wist (…) dat dit wapen geladen was”. Uit een ander volgt dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het wapen geladen was in de bewijsmotivering met aanvoering van argumenten heeft weerlegd en dus ook dat het hof dit onderdeel van de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig heeft geacht. Ik meen dan ook dat het in de bewijsmiddelen hebben laten staan van de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het wapen geladen was op een kennelijk misslag berust. Daarbij weeg ik mee dat die verklaring niet redengevend is voor de bewezenverklaring en dat het weglaten ervan uit de bewijsmiddelen de bewijsvoering geenszins ondermijnt.

De eerste deelklacht hoeft niet tot cassatie te leiden.

Tweede deelklacht

Volgens deze deelklacht getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het teweegbrengen van dodelijk letsel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk, gelet op de “vaststelling dat hij dacht dat het wapen op de veiligheidspal stond”. Het hof zou de verdachte in de kern hebben verweten dat hij “zich er niet van heeft vergewist of het wapen daadwerkelijk in de veiligheidsstand stond, toen hij dit wapen in de richting van het slachtoffer bracht”, waarmee het hof volgens de steller van het middel “een bewuste schuld-redenering op[rekt] tot de vaststelling van voorwaardelijk opzet”. De steller van het middel acht daarbij van belang dat, ervan uitgaande dat het hof wel op begrijpelijke gronden heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat het wapen was geladen, uit de vaststellingen van het hof ook blijkt dat de verdachte dacht dat “het wapen op de veiligheidsstand stond”. Ter onderbouwing van de klacht wordt in de toelichting op het middel ingegaan op diverse arresten van de Hoge Raad.

Het hof heeft blijkens de onder 3.6 weergegeven bewijsoverweging over de specifieke omstandigheden van het geval in de onderliggende zaak het volgende vastgesteld. Het slachtoffer is op [datum] 2020 na een fataal schot dat door de verdachte met een vuurwapen werd gelost, overleden als gevolg van ernstig bloedverlies en schade aan haar vitale organen. Het hof heeft op basis van bewijsmateriaal vastgesteld dat verdachte wist dat het wapen echt was, dat het mogelijk was om met het wapen scherpe patronen te verschieten, dat hij kennelijk ook bereid was het wapen te gebruiken en dat hij moet hebben geweten “dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat” (zie daarover ook onder 3.16). Op basis van de (zoals het hof constateert: wisselende) verklaringen van de verdachte neemt het hof tot uitgangspunt dat de verdachte het wapen bewaarde voor [betrokkene 2] en dat deze persoon tegen de verdachte zou hebben gezegd dat “het wapen op de veiligheidspal zat”. Het hof tekent daarbij uitdrukkelijk aan “dat verdachte deze [betrokkene 2] , op het moment dat hij het wapen van hem zou hebben gekregen, naar eigen zeggen oppervlakkig (‘nog niet zo lang’ en ‘niet zo goed’) kende.” Deels in het verlengde hiervan stelt het hof vast dat de verdachte “klakkeloos” van deze [betrokkene 2] heeft “aangenomen dat het wapen geen kwaad kon omdat het op de veiligheidsstand zou staan”, dat hij zich er “op geen enkel moment van [heeft] vergewist of het wapen ongeladen was en daadwerkelijk op de veiligheidspal stond”, dat hij het wapen “verder niet zelf gecontroleerd” heeft (waarbij het hof opmerkt dat aan de buitenzijde van het wapen “overigens eenvoudig [is] af te lezen of het wapen al of niet in de veiligheidsstand staat”) en dat de “verdachte geen andere veiligheidsmaatregelen genomen” heeft, bijvoorbeeld door “het magazijn/de patroonhouder afzonderlijk van het wapen te bewaren”. Het hof wijst erop dat de verdachte heeft verklaard “dat het wapen – soms open en bloot – op diverse plaatsen in de badkamer heeft gelegen en niet alleen [slachtoffer] en hijzelf maar ook de getuige [getuige 1] gebruik maakten van die badkamer en de schoonmaakster er kwam om haar werk te doen.” Vervolgens stelt het hof vast dat “verdachte er wetenschap van had dat er een geladen wapen open en bloot in huis lag, waarvan verdachte niet zelf had vastgesteld dat het geen kwaad kon.”

Wat betreft de omstandigheden die zich voordeden vooraf aan het fatale schot heeft het hof op basis van de verklaringen van de verdachte vastgesteld dat de verdachte en het slachtoffer, laatstgenoemde zittend op bed, zich bevonden in de slaapkamer van hun woning (een appartement). Het hof wijst erop dat de verdachte “heeft verklaard dat hij het vuurwapen, naar zijn zeggen op verzoek van [slachtoffer] , in de badkamer is gaan pakken en toen heeft bedacht dat hij [slachtoffer] ‘voor de grap’ wilde laten schrikken”. Het hof stelt vast en dat hij dit deed “door het wapen met gestrekte rechterarm van nabij op [slachtoffer] te richten”. Blijkens de verklaring van de verdachte zag hij “dat [slachtoffer] bij het openen van de deur daadwerkelijk schrok.” Het hof stelt vast dat dit ook volgt uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] die haar “hoorde roepen: ‘Niet doen gek’. Daarna hoorde zij ‘tak’.” Ik merk op dat hieruit volgt dat het schot is gevallen nadat de verdachte het wapen op een voor het slachtoffer zichtbare wijze op haar heeft gericht en nadat zij “Niet doen gek” had geroepen.

Uit de bewijsmotivering volgt dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 2] tegen de verdachte zou hebben gezegd dat het wapen op de veiligheidspal stond, aangezien het hof mede op grond van die omstandigheid heeft vastgesteld dat de verdachte moet hebben geweten dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat (zie ook onder 3.16).

De vraag is dan of het hof zonder miskenning van het materiële strafrecht en begrijpelijk kon oordelen dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het gevolg zich zou realiseren heeft aanvaard. Daarvoor is het volgende van belang.

Het hof heeft – nadat het zoals hiervoor bleek reeds had geconcludeerd dat verdachte wist dat het wapen echt was, dat het mogelijk was om met het wapen scherpe patronen te verschieten, dat hij kennelijk ook bereid was het wapen te gebruiken en dat hij moet hebben geweten dat het ging om een echt wapen waarin ook munitie zat – vastgesteld dat “niet” is gebleken dat de verdachte “wist dat het wapen niet kon afgaan”. Het hof is niet onbegrijpelijk tot dit oordeel is gekomen. Ook wanneer men aanneemt dat het wapen op de veiligheidspal stond toen de verdachte het ontving, hoeft dat twee tot drie weken later (zie bewijsmiddel 5) niet langer het geval te zijn. Dat geldt te meer nu het hof – zie ook onder 3.21 – heeft vastgesteld dat het wapen soms open en bloot op diverse plaatsen in de badkamer heeft gelegen en dat in die badkamer naast de verdachte zelf ook het slachtoffer, haar moeder en de schoonmaakster kwamen, zoals de verdachte wist. Onder deze omstandigheden kon de verdachte zonder dit te controleren inderdaad niet weten of het wapen nog “op de veiligheidspal stond”.

Verder overweegt het hof omtrent de aanvaarding dat het “samenstel van verdachtes hiervoor vermelde gedragingen […] naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer [waren] gericht op het fatale gevolg dat het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.” Bij die vermelde gedragingen gaat het onder meer om het richten van het geladen wapen op het slachtoffer en het vervolgens overhalen van de trekker. Bezien naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is deze gedraging inderdaad gericht op het doden van degene op wie wordt geschoten. Dat is in de onderhavige zaak ook (tenminste iets) sterker het geval dan in bijvoorbeeld de door de steller van het middel genoemde zaken HR 24 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1498, NJ 2004, 375 m.nt. Mevis (slaan met doorgeladen pistool, sprake van voorwaardelijk opzet), HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3349, NJ 2016/59 m.nt. Keijzer (tijdens worsteling gericht houden van pistool op buik van de ander, sprake van voorwaardelijk opzet), HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2060, NJ 2016/421 (ineens afgaan vuurwapen bij het op verzoek van het slachtoffer tonen ervan, ontoereikende bewijsvoering voorwaardelijk opzet) en HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404 m.nt. Keijzer (afgaan pistool tijdens worsteling, ontoereikende bewijsvoering roekeloosheid).

Voor het beroep van de verdachte op de omstandigheid dat eerder tegen hem was gezegd dat het wapen op de veiligheidspal stond, is van belang dat het hof heeft overwogen dat de “verdachte geen veiligheidschecks heeft uitgevoerd, waaruit het hof afleidt dat het hem blijkbaar onverschillig was of het wapen al of niet geladen was en of het al of niet in de veiligheidsstand stond.” (zie onder 3.21 voor de volgens het hof niet genomen veiligheidsmaatregelen). Het hof oordeelt vervolgens dat de verdachte door “het schietklare wapen in die omstandigheden met gestrekte arm op [slachtoffer] te richten en de trekker over te halen” de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij door een schot uit het wapen dodelijk zou worden getroffen. De vraag is of het hof hiermee op zodanige manier van zorgvuldigheidseisen gebruik heeft gemaakt dat bewuste schuld in feite tot voorwaardelijk opzet wordt opgerekt zoals de steller van het middel betoogt, dan wel of het nalaten om de vereiste zorgvuldigheid te betrachten juist impliceert dat de verdachte zo onverschillig tegenover het gevolg stond dat hij het mogelijke realiseren ervan op de koop heeft toegenomen (heeft aanvaard). Zoals opgemerkt is de grens hiertussen subtiel.

Op basis van een analyse van rechtspraak komt Arendse tot de conclusie dat er een bepaalde zorgplicht lijkt te bestaan voor iemand die een vuurwapen draagt of hanteert. Zij leidt uit die rechtspraak verder af dat niet kan worden aangenomen dat de verdachte het dodelijke gevolg ook heeft aanvaard indien hij – in lijn met deze zorgplicht – maatregelen heeft genomen om het gevolg te voorkomen. Dat gaat volgens Arendse zelfs op “als de verdachte alleen maar in de veronderstelling verkeerde dat hij dat had gedaan.” Uit de rechtspraak volgt dus dat zorgvuldigheidsvereisten in geval van het hanteren van dodelijke wapens een rol kunnen spelen bij de bewijsconstructie van voorwaardelijk opzet. Erop gelet dat gebruik van een vuurwapen letterlijk levensgevaarlijk is, sluit die rechtspraak daarmee aan bij de figuur van “waakzaamheidsopzet”. Gezien de, naar de ervaringsregels uitwijzen, met vuurwapens verbonden geijkte risico’s, is er immers alles voor te zeggen dat degene die deze hanteert een verhoogde alertheid dient te hebben (zie onder 3.11).

Gezien het voorgaande meen ik dat het hof niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat op de verdachte een plicht rustte om zekere veiligheidsmaatregelen uit te voeren. In het beroep van de verdachte op de omstandigheid dat [betrokkene 2] tegen hem zou hebben gezegd dat “het wapen op de veiligheidspal zat”, ligt de stelling besloten dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat ten minste de minimaal vereiste maatregelen waren genomen. Dit kan mijns inziens niet slagen. Zoals opgemerkt onder 3.25 brengt de omstandigheid dat het wapen op de veiligheidspal stond toen de verdachte het ontving, nog niet dat het wapen ook twee tot drie weken later nog in dezelfde staat verkeerde, zeker niet nu het wapen soms open en bloot op diverse plaatsen in de badkamer lag, in welke badkamer naast de verdachte ook drie andere personen kwamen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte geheel geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Hieruit volgt dat de verdachte dus ook kort vooraf aan het hanteren van het wapen geen maatregelen heeft genomen. De verdachte heeft zelfs nog niet de moeite genomen om een blik op het wapen te werpen, hetgeen niet alleen blijkt uit zijn eigen verklaring (bewijsmiddel 11) maar ook kan worden afgeleid uit de door het hof vastgestelde omstandigheid dat aan de buitenzijde van het wapen eenvoudig af te lezen is of het wapen al of niet in de veiligheidsstand staat. Desondanks heeft de verdachte het wapen bewust op het slachtoffer gericht en heeft hij vervolgens de trekker overgehaald, waarbij hij moet hebben begrepen dat als het wapen niet op de veiligheidspal stond zijn handelen dan in elk geval een dodelijk gevolg zou kunnen hebben. Hieruit blijkt van een dusdanige onverschilligheid ten aanzien van het mogelijke gevolg dat het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte met zijn gedragingen (handelen en nalaten) de aanmerkelijke kans op het gevolg op de koop heeft toegenomen en dus heeft aanvaard dat dit gevolg zich mogelijk zou realiseren.

Overigens komt hierbij nog dat het hof ook heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat het wapen was geladen (zie onder 3.16). Het is dan ook ten overvloede dat ik opmerk dat zelfs wanneer de verdachte niet zou hebben geweten of het wapen wel of niet van munitie was voorzien, hij nog altijd gehouden zou zijn geweest om dit te controleren en zo nodig veiligheidsmaatregelen te nemen, en dat het hof mede daarom ook dan nog zou hebben kunnen oordelen dat sprake was van een onverschilligheid die aanvaarding impliceert in combinatie met de uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen blijkende gerichtheid op het gevolg.

De deelklacht faalt.

Derde deelklacht

Ten derde wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard onbegrijpelijk is, nu het hof “in het midden heeft gelaten of het overhalen van de trekker het gevolg is geweest van een onbedoelde handeling”. De steller van het middel acht in dat verband van belang dat de verdediging ter zitting op zichzelf niet heeft bestreden dat “de trekker moet worden overgehaald om met het wapen een kogel te verschieten”, maar dat het wel “nadrukkelijk [heeft] betwist dat dit een bewuste handeling is geweest”. “Het tegendeel” zou onvoldoende volgen uit de overwegingen van het hof.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan voor zover voor de beoordeling van deze deelklacht van belang het volgende worden afgeleid. Het vuurwapen waaruit het fatale schot afkomstig is, werd grondig onderzocht door [naam 2] , NFI-deskundige wapens en munitie, die als volgt heeft gerapporteerd over onder meer de werking en het functioneren van het wapen.

- Het wapen is “voorzien van twee veiligheden, een zogenaamde trekkerveiligheid en een half-cock stand van de hamer”.

- De trekkerveiligheid bevindt zich aan de linkerzijkant van het pistool en heeft een stand “safe” (S zichtbaar en knop verticaal gedraaid) en een stand “fire” (F zichtbaar en knop horizontaal gedraaid). Het is niet mogelijk om zonder het wapen te beschadigen de trekker over te halen wanneer het geblokkeerd is doordat het in de “safe” (S) stand staat.

- De half-cock stand is een ingebouwde veiligheidsfunctie die betrekking heeft op de hamer van het wapen. De hamer van het wapen kan zich in drie posities bevinden, gespannen, half-cock en ontspannen. Wanneer de hamer gespannen staat “kan deze door het overhalen van de trekker worden ontspannen”. Wordt om wat voor reden dan ook de hamer ontspannen zonder de trekker over te halen, dan wordt de hamer “gevangen” in de half-cock stand en kan daardoor de slagpin niet raken. Wanneer bijvoorbeeld op het wapen wordt geslagen, waardoor de hamer valt, zal het vuurwapen automatisch in de half-cock stand gaan, als gevolg waarvan de hamer de slagpin niet kan raken.

- Bij een inwendige schouw heeft [naam 2] het “afvuurmechanisme inclusief de hamernokken en trekkerstang microscopisch bekeken”. “Tijdens de inwendige schouw zagen de trekkerstang en de hamernokken er goed uit en er werden geen gebreken of beschadigingen waargenomen.” [naam 2] beantwoordt de onderzoeksvraag of het vuurwapen bij ongeluk kan afgaan negatief. Ter verduidelijking van dit standpunt verklaart [naam 2] ter terechtzitting in hoger beroep: “Om een schot te lossen, moet er een patroon in de kamer zijn, moet het wapen (ooit) zijn doorgeladen, de hamer naar achter staan, de pal op fire en de trekker moet worden overgehaald.”

- Bij een nadere bestudering van het afvuurmechanisme, waarbij de trekker van het pistool wordt overgehaald wanneer de hamer gespannen is en dus, zo begrijp ik (PHvK), op de “fire stand staat, blijkt uit het onderzoek van [naam 2] dat “een duidelijk drukpunt voelbaar was “vlak voor de gespannen hamer door het overhalen van de trekker werd vrijgegeven. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [naam 2] verklaard dat “iets of iemand (…) die trekker met een bepaalde kracht naar achter [moet] hebben gehaald. (Onderstrepingen PHvK.)

Het hof heeft uit deze bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat kan worden uitgesloten dat het vuurwapen door een van buiten komende omstandigheid spontaan is afgegaan, dat “het wapen niet verschoten kan worden zonder dat de hamer gespannen staat, de veiligheidspal op fire staat en de trekker wordt overgehaald” en dat “het wapen die ochtend schietklaar was en dat verdachte de trekker heeft overgehaald”.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat het wapen onbedoeld afging toen hij de deur van de badkamer opende met de hand waarin hij het wapen vasthield (zie ook de verklaring van de verdachte in bewijsmiddel 11: “Toen ik de deur openduwde, ging het wapen af.”). De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de trekker niet bewust heeft overgehaald, dat met het openen van de deur het wapen is afgegaan en dat het mogelijk is dat bij het openen van de deur “sprake was van een ongewilde spierbeweging, waardoor de trekker overgehaald werd. Het is moeilijk om één vinger te bewegen zonder dat de andere vinger meebeweegt.” Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte zich (anders dan een verdachte in een andere zaak waarop de raadsman wijst) zich “niet willens en wetens in een toestand [heeft] gebracht waar hij niet helder meer was en verminderd controle had over zijn eigen handelingen, en heeft hij het wapen niet bewust gericht op het slachtoffer – laat staan dat hij bewust de trekker heeft overgehaald. Het kan, wat mij betreft, niet zo zijn dat het enkele oppakken en schertsend omhoog houden van een wapen waarvan je denkt dat het niet zomaar kan afgaan, als voldoende wordt gezien om aan te nemen dat de desbetreffende persoon welbewust het risico aanvaardt dat dit dodelijke gevolgen met zich zal brengen.” Verder heeft de verdediging in de pleitnota onder het kopje “Scenario verdachte” betreffende de deur opgemerkt dat de verdachte “aan het geinen was met [slachtoffer] en nadat hij zijn gezicht heeft gewassen, pakte hij bij wijze van grap het wapen. Gooide de badkamerdeur open en voordat hij er erg in had was het wapen afgegaan.” Verder komt onder dat kopje tot uitdrukking dat de verdachte heeft verklaard dat het “een ongeluk was”, dat het “per ongeluk” ging, “hij ging vanzelf af, vanzelf”, “pistool is afgegaan”, “hij ging af”, zonder dat daarbij is toegelicht hoe en wanneer dit gebeurde. De verdediging heeft hierbij met verwijzing naar een bijlage voorts nog opgemerkt: “Het per ongeluk afgaan van een wapen is een incident dat helaas vaker voorkomt.” De verdediging heeft het standpunt dat de verdachte de trekker niet bewust heeft overgehaald (maar dat dit door stoten tegen de deur is gebeurd) niet nader uitdrukkelijk onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden anders dan dat mogelijk de deur is geraakt.

Gelet op het standpunt van de verdediging en de beperkte onderbouwing daarvan is het al met al niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat “niet [is] gebleken van een (van buiten komende) omstandigheid die verdachte als het ware is overkomen”. Het hof baseert dit oordeel op de niet onbegrijpelijke vaststelling dat uit niets is gebleken “dat verdachte op het moment dat de trekker werd overgehaald met [slachtoffer] worstelde, hij struikelde, of anderszins in een (benarde) positie verkeerde waardoor het schot onbedoeld zou hebben kunnen afgaan.” Van belang is verder dat uit de bewijsvoering door het hof volgt dat de verdachte de trekker heeft overgehaald en dus ook dat hij zijn vinger op de trekker heeft gehad en dat het wapen niet op andere wijze dan door het overhalen van de trekker kan zijn afgegaan. Verder telt dat het schot – zoals opgemerkt onder 3.22 – is gevallen nadat de verdachte het wapen op een voor het slachtoffer zichtbare wijze op haar heeft gericht en ook pas nadat zij “Niet doen gek” had geroepen. Bij dit laatste is van belang dat haar geschrokken uitroep “Niet doen gek” lastig te plaatsen is als de verdachte het wapen op dat moment niet duidelijk op haar richtte maar alleen gebruikte om de deur open te doen. Dat geldt te meer wanneer wordt uitgegaan van de door de steller van het middel vermelde verklaring van de verdachte dat hij het wapen op verzoek van het slachtoffer is gaan pakken, aangezien het dan onverklaarbaar is waarom het slachtoffer deze uitroep bij alleen het zien van het wapen zou hebben gedaan. In dit geheel van omstandigheden is het scenario dat het wapen met het openen van de deur is afgegaan niet zonder meer inpasbaar. Gelet daarop en gezien hetgeen door de verdediging is aangevoerd alsmede de door het hof gedane vaststelling, is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat “dat uit niets is gebleken, in het bijzonder niet uit de verklaring van verdachte zelf, dat […] het schot onbedoeld zou hebben kunnen afgaan.”

De klacht faalt.

Vierde deelklacht

Deze laatste deelklacht bestrijdt het oordeel van het hof dat de omstandigheden dat de verdachte zelf de hulpdiensten heeft gebeld, heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, haar mond-op-mondbeademing heeft gegeven en de hulpverleners heeft geholpen om haar van het bed te tillen, geen contra-indicaties voor opzet op de dood opleveren. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn zodat eveneens onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het fatale gevolg.

Blijkens de onder ‎3.9 opgenomen rechtsoverweging uit het arrest HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 m.nt. Buruma (HIV I) kan sprake zijn van contra-indicaties waardoor ondanks dat gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt te zijn gericht op het gevolg toch niet kan worden aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof heeft geoordeeld dat van contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet niet is gebleken. De in de vierde deelklacht genoemde omstandigheden c.q. handelingen gelden naar het oordeel van het hof niet als contra-indicaties voor het aannemen van voorwaardelijk opzet. Het hof overweegt daarbij: “het handelen met voorwaardelijk opzet sluit immers niet uit dat verdachte, nadat hij werd geconfronteerd met het intreden van het gevolg van zijn handelen in paniek is geraakt, spijt heeft gekregen of, zoals in dit geval, heeft geprobeerd het gevolg ongedaan te maken, te mitigeren dan wel te voorkomen.” Al de in de deelklacht genoemde omstandigheden c.q. handelingen zijn inderdaad van nadat de verdachte op het slachtoffer had geschoten. Deze betreffen dus niet rechtstreeks de gedraging zelf (het richten van het wapen op het slachtoffer en het overhalen van de trekker), zoals dat bijvoorbeeld wel het geval was in HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:973, NJ 2017/250, r.o. 3.5 (bewust laag schieten levert contra-indicatie op) en deels ook HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0235, NJ 2010/584 m.nt. Keijzer (steken met een welbewust sterk verkort mes levert contra-indicatie op). Evenmin gaat het daarbij om voorzorgsmaatregelen. Het hof heeft toegelicht waarom de in de deelklacht genoemde omstandigheden c.q. handelingen op zichzelf niet impliceren dat de verdachte reeds eerder niet de kans op het dodelijke gevolg heeft aanvaard. Dit betekent dat het oordeel van het hof betreffende de contra-indicaties niet onbegrijpelijk is.

Ook de vierde deelklacht treft geen doel.

Daarmee faalt het middel.

4. De schriftuur van de benadeelde partij

De schriftuur bevat twee ‘standpunten’ waarin klachten worden geformuleerd die kennelijk zijn gericht tegen de beslissing van het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. “Namens de benadeelde partij, [slachtoffer] , wordt verzocht om het arrest te vernietigen en om opnieuw recht doende, de gevorderde schadevergoeding alsnog toe te kennen.”

Als een namens de benadeelde partij voorgesteld cassatiemiddel als bedoeld in art. 437 lid 3 Sv kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over een rechtspunt betreffende uitsluitend haar vordering. Het als “middel” gepresenteerde in verband met affectieschade van personen die in een zeer nauwe relatie met het slachtoffer staan en in verband met shockschade voldoet niet aan deze vereisten, zodat het onbesproken moet blijven. Niettemin verwijs ik voor deze onderwerpen naar HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33, NJ 2026/61 en HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177 respectievelijk HR 11 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1676 en HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, NJ 2023/285 m.nt. Smeehuijzen. Ingeval de Hoge Raad een inhoudelijke behandeling op prijs stelt, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

5. Afronding

Het namens de verdachte voorgestelde middel faalt. De eerste en derde deelklacht kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel behoeft geen bespreking.

Ambtshalve merk ik op dat in deze zaak op 15 november 2024 cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Aangenomen dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, brengt dat mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden. Afhankelijk van de omvang van die overschrijding kan dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Ambtshalve heb ik geen (andere) gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het namens de verdachte ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?