ECLI:NL:PHR:2026:245

ECLI:NL:PHR:2026:245

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer 24/00808
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Witwassen (art. 420bis lid 1 Sr). M1 klaagt tevergeefs over het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van € 32.100,00. M2: heeft de verdachte de vindplaats van het geld verhuld door het geld achter een plafondplaat in de slaapkamer van de woning van een derde te plaatsen? Uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte er bewust voor koos om het geld in deze woning (niet zijnde zijn eigen woning) te plaatsen, omdat hij ‘die woning wel veilig vond’. Door het geld in de woning van een ander te verstoppen heeft de verdachte het geld niet alleen feitelijk aan het zicht onttrokken, maar het geld ook ‘op afstand’ van hemzelf geplaatst. Dat de verdachte hiermee de vindplaats van het geld heeft verhuld, vindt – mede tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:462) – voldoende steun in de bewijsvoering. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf i.v.m. een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00808

Zitting 17 maart 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 maart 2024 (parketnr. 20-000492-23) het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 14 februari 2023 bevestigd, met uitzondering van de gronden waarop dit berust. Bij dit vonnis is de verdachte wegens “witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft voorts het inbeslaggenomen geldbedrag van € 32.100,00 verbeurdverklaard.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van de Kerkhof, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte de vindplaats van het geld heeft verhuld, dan wel het geld voorhanden heeft gehad in de zin van art. 420bis lid 1 Sr.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve wat betreft de gronden waarop dat berust. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

“op 15 november 2022 te [plaats] van een geldbedrag van in totaal 32.100,00 euro - de vindplaats heeft verhuld en - dit voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 16 november 2022 (pagina’s 6-7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

[verdachte] ( [bijnaam verdachte] ), geboren [geboortedatum] 1988 is de zoon van [betrokkene 1] , geboren [geboortedatum] 1967. Beiden wonen op het woonwagenkamp aan de [a-straat] in [plaats] .

Op 15 november (het hof begrijpt: 2022) heb ik een gesprek met [betrokkene 1] (het hof begrijpt [betrokkene 1] ) gehad. Na het gesprek werd ik door hem teruggebeld. Ik hoorde dat [betrokkene 1] mij vertelde: “Jullie zijn eerder dit jaar bij [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) binnen op zoek geweest naar een vuurwapen maar dat hebben jullie niet gevonden. [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) heeft dat wapen op het plafond van de woning op [a-straat 1] liggen. Naast dat wapen ligt geld dat hij verdiend heeft met die rotzooi.”

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2022 (pagina’s 10-11 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

Op 15 november 2022 verklaarde [betrokkene 1] aan de politie dat er een vuurwapen en contant geld zou liggen achter een plafondplaat van de woonwagen aan de [a-straat 1] in [plaats] . In de woonwagen was [betrokkene 2] woonachtig. Op 15 november 2022 werd de woonwagen aan de [a-straat 1] in [plaats] betreden. Achter een plafondplaat in de slaapkamer werden drie verstopte stapels met contant geld aangetroffen. De totale waarde van de stapels contant geld bleek 32.100,- euro.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 november 2022, (pagina 12 van het politiedossier), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :

Op dinsdag 15 november 2022 waren wij, verbalisanten, doende met de doorzoeking aan de [a-straat 1] in [plaats] . Tijdens de doorzoeking werd een groot geldbedrag aangetroffen. Later bleek het te gaan om 32.100,- euro te gaan.

Ik, [verbalisant 3] , sprak [betrokkene 2] . Haar werd gevraagd van wie het geld was, waarna ze aangaf dat dit van [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) was.

4. Een kennisgeving van inbeslagneming, rapporteur [verbalisant 3] (pagina's 14-15 van het politiedossier), voor zover inhoudende:

Inbeslagneming Plaats: [a-straat 1] [plaats] . Datum: 15 november 2022. Omstandigheden: Aangetroffen achter het plafond in de slaapkamer. Object: Geld (biljetten) Aantal: 600 stuks Totale hoeveelheid: 32.100 euro. Bijzonderheden (coupures, toevoeging hof): 3x 500/ 93x 100/ 406x 50 en 100x 10.

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :

Ik vond de woning van [betrokkene 2] wel veilig. Ik heb in haar woning een plaat uit het plafond getrokken en het geld daar neergelegd.”

Het hof heeft over het bewijs het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de politie en/of het Openbaar Ministerie er niet in zijn geslaagd om een vermoeden aan te voeren dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Daardoor is er geen sprake van een situatie waarin van de verdachte een verklaring wordt verlangd. Voor zover wel sprake zou zijn van een bewijsvermoeden stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte tijdens zijn eerste verhoor een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Deze verklaring wordt ondersteund door later overgelegde bankafschriften en verklaringen van de tante, neefjes en nichtjes van de verdachte. Volgens de verdediging kan niet worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het contante geld (deels) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Dat voorwerpen ‘afkomstig zijn uit enig misdrijf’ kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.

Uit het dossier komt naar het oordeel van het hof geen direct bewijs voor brondelicten naar voren. Daarom zal het hierboven omschreven toetsingskader gebruikt worden als uitgangspunt bij de beoordeling.

Vermoeden van witwassen

Het hof stelt op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het navolgende vast. Op aanwijzing van de vader van de verdachte is op 15 november 2022 in de woning van [betrokkene 2] aan de [a-straat 1] te [plaats] achter een plafondplaat een contant geldbedrag aangetroffen van € 32.100,00. Dit geldbedrag bestond uit 3 bankbiljetten van € 500,00, 93 bankbiljetten van € 100,00, 406 bankbiljetten van € 50,00 en 100 bankbiljetten van € 10,00. De verdachte heeft verklaard dat hij het geldbedrag daar heeft neergelegd. Gelet op de plaats waar het geldbedrag lag, de hoogte van het geldbedrag, de aangetroffen coupures van 500 euro en het ontbreken van een verklaring over de herkomst van dat geldbedrag ten tijde van het aantreffen van dit geldbedrag, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft met betrekking tot de herkomst van dit contante geldbedrag waaruit blijkt dat dit geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaringen spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen mede een rol.

Verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft op verschillende momenten een verklaring afgelegd omtrent de herkomst van het geldbedrag. De verdachte heeft aanvankelijk verklaard van niets te weten (pag. 13 van het politiedossier). Later, tijdens het verhoor bij de politie op 16 november 2022 heeft de verdachte verklaard dat het aangetroffen geldbedrag erfgeld betrof van zijn opa, dat zijn opa dit geld kort voor zijn overlijden aan de verdachte in bewaring heeft gegeven vanwege ruzie binnen de familie en dat hij niet wist hoe zijn opa aan het geld is gekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 14 februari 2023 heeft de verdachte aan deze verklaring toegevoegd dat zijn opa jarenlang heeft gefungeerd als pleegouder voor zijn neefjes en nichtjes en in die hoedanigheid geld voor hen heeft ontvangen. Dit geld moest opzij worden gezet en in verband met wantrouwen jegens de bank heeft zijn opa het geld contant opgenomen en van dit geld een auto gekocht (en later weer verkocht), waarna hij het geld aan de verdachte heeft gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 februari 2024 heeft de verdachte verklaard dat het aangetroffen geldbedrag gedeeltelijk afkomstig is van de pleeggeldvergoeding van de [A] . Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft de verdachte de bankafschriften van de rekening van zijn opa overgelegd waarop deze gelden binnenkwamen. Voorts heeft de verdachte verklaard dat het geld gedeeltelijk afkomstig is uit de autohandel, nu zijn opa het gespaarde geld ook investeerde in de aan- en verkoop van auto’s. De verdachte heeft voorts verklaard niet over administratie te beschikken van deze autohandel.

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verdachte zijn verklaring omtrent de herkomst van het aangetroffen geldbedrag telkens heeft bijgesteld. De verklaring van de verdachte komt er in de kern op neer dat het aangetroffen geldbedrag zijn oorsprong vindt in het door zijn opa sparen van ontvangen pleegvergoedingen van de [A] en de opbrengst van autohandel waar dit geld voor een deel in is geïnvesteerd. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is van het jarenlang (al dan niet gedeeltelijk) sparen (en investeren) van de ontvangen pleegvergoedingen. De pleegvergoedingen waren juist bestemd om te kunnen voorzien in de kosten van het levensonderhoud van de pleegkinderen en op basis van de overgelegde bankafschriften blijkt niet dat de opa van de verdachte naast deze vergoedingen enige inkomsten uit werk ontving, zodat deze vergoedingen, naar het hof aanneemt, ook aan de zorg voor de pleegkinderen zijn opgegaan. De overlegde bankafschriften bieden dan ook geen verklaring voor het aangetroffen geldbedrag. De ingebrachte handgeschreven verklaringen van de tante en het nichtje van de verdachte maken dit oordeel van het hof niet anders. Dat het aangetroffen geldbedrag daarnaast gedeeltelijk afkomstig zou zijn uit (investeringen in) de autohandel, is in het geheel niet onderbouwd en wegens het ontbreken van een administratie niet verifieerbaar.

Alles in samenhang en onderling verband bezien is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van € 32.100,00 waardoor een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid is uit te sluiten. Het hof concludeert derhalve dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van € 32.100,00 onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist. Het hof is dan ook van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”

3. Het eerste middel

Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van € 32.100,00 onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze houdt onder meer in:

“Voor zover uw hof van oordeel is dat er wel sprake is van een bewijsvermoeden, stelt de verdediging dat niet uit het dossier kan blijken dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Client heeft direct bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd die niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Bovendien zijn op voorhand door client bankafrekeningen overgelegd welke de verklaringen van hem ondersteunen en waaruit blijkt dat zijn opa gelden ontving van [A] en dat hij maandelijks veel en grote bedragen contant opnam.

Daarnaast verwijst client naar de door hem overgelegde verklaringen van zijn tante en zijn neefjes en nichtje, die het door client gestelde omtrent de gelden van opa, bevestigen.

De verklaringen van client zijn niet onderzocht door politie/ OM, terwijl daarvoor wel degelijk aanleiding voor bestaat alsook voldoende gelegenheid, te meer daar client zulks meteen heeft verteld in zijn eerste verhoor bij de politie.

Door de verdediging wordt op de volgende uitspraken gewezen in dit kader: ECLI:NL:HR:2021:156: geven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring verlangt niet dat verdachte stellingen onderbouwt met stukken. Dat draait bewijslast om. ECLI:NL:RBZWB:2022:1056: Verdachte komt pas ter zitting met verklaring over herkomst vermeend crimineel vermogen. OvJ vraagt niet om aanhouding van de zaak om deze verklaring te falsificeren. Vrijspraak

Nu ieder onderzoek door het OM is nagelaten, kan niet worden aangenomen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Hierdoor kan het tenlastegelegde witwassen niet worden bewezen en dient integrale vrijspraak te volgen.”

In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman voorts naar voren gebracht:

“De verdediging heeft bankafschriften overgelegd om te laten zien dat de opa van cliënt over inkomen beschikte. Het is niet aan uw hof om alles in detail te onderzoeken, maar aan het Openbaar Ministerie. Daartoe bestaat op dit moment nog steeds gelegenheid.”

Door de steller van het middel wordt niet betwist dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een witwasvermoeden rechtvaardigen. Het middel komt wel op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag. Volgens de steller van het middel heeft het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de verdachte gegeven verklaring tekortschiet wat betreft de daaraan te stellen eisen van concreetheid, verifieerbaarheid en waarschijnlijkheid en waarom het openbaar ministerie naar die verklaring geen nader onderzoek behoefde te doen. Daarbij merkt de steller van het middel op dat het hof zijn overwegingen ten aanzien van de besteding van de pleegvergoedingen door de opa van de verdachte heeft gebaseerd op aannames, nu deze niet berusten op vaststellingen op basis van onderzoek.

Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het aangetroffen geldbedrag heeft gegeven, waardoor een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid is uit te sluiten. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat de verdachte zijn verklaring over de herkomst van het geldbedrag telkens heeft bijgesteld, maar dat zijn verklaring er in de kern op neerkomt dat het aangetroffen geldbedrag zijn oorsprong vindt in door zijn opa opgespaarde pleegvergoedingen en de opbrengst van autohandel waarin de pleegvergoedingen gedeeltelijk zijn geïnvesteerd. Het hof heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is van het jarenlang (al dan niet gedeeltelijk) sparen (en investeren) van de ontvangen pleegvergoedingen. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat de pleegvergoedingen juist waren bestemd om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van de pleegkinderen en dat op basis van de overgelegde bankafschriften niet blijkt dat de opa van de verdachte naast deze vergoedingen enige inkomsten uit werk ontving, zodat de overgelegde bankafschriften geen verklaring bieden voor het aangetroffen geldbedrag. De ingebrachte verklaringen van de tante en het nichtje van de verdachte maken dit oordeel volgens het hof niet anders. Het hof heeft daarnaast overwogen dat de stelling dat het aangetroffen geldbedrag gedeeltelijk afkomstig zou zijn uit (investeringen in) de autohandel, in het geheel niet onderbouwd is en wegens het ontbreken van een administratie niet verifieerbaar is.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs van het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” in de zin van de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr) vloeit voort dat indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een witwasvermoeden rechtvaardigen, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.

Uit de bewijsoverweging zoals weergegeven in randnummer 2.3 volgt dat het hof van oordeel is dat de verklaring van de verdachte niet voldoet aan de gestelde vereisten dat de verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat het aangetroffen geldbedrag (deels) afkomstig is uit door de opa van de verdachte gespaarde (en geïnvesteerde) pleegvergoedingen, heeft het hof geoordeeld dat het deze herkomst van het geld niet aannemelijk acht. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de vaststelling van het hof dat de verdachte zijn verklaring over de herkomst van het geld telkens heeft bijgesteld, en hetgeen omtrent deze herkomst van het geld concreet door de verdachte is aangevoerd. Uit de door de verdediging overgelegde bankafschriften volgt (enkel) dat de opa van de verdachte in 2018 en 2019 pleegvergoedingen heeft ontvangen, en substantiële bedragen contant heeft opgenomen. Enige aanwijzing over de wijze van besteding van deze gelden ontbreekt, terwijl in algemene zin kan worden aangenomen dat pleegvergoedingen (noodzakelijkerwijs) worden aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van pleegkinderen. Dat het hof het scenario dat deze gelden door de opa van de verdachte zijn opgespaard en (deels) zijn geïnvesteerd in auto’s onwaarschijnlijk acht, vind ik evenmin onbegrijpelijk, nu de verdachte daarover geen concrete informatie heeft kunnen verschaffen, en niet is gesteld noch gebleken dat de opa van de verdachte op andere wijze – afgezien van uitkeringen van de Sociale Verzekeringsbank en toeslagen – inkomsten genoot waarmee kon worden voorzien in het levensonderhoud van de pleegkinderen.

Voor zover de verdachte heeft verklaard dat het aangetroffen geldbedrag gedeeltelijk afkomstig is uit (investeringen in) de autohandel, heeft het hof overwogen dat deze verklaring in het geheel niet is onderbouwd, en vanwege het ontbreken van een administratie niet verifieerbaar is. Ook deze overweging van het hof vind ik niet onbegrijpelijk. Weliswaar is het niet aan de verdachte om zijn verklaring aannemelijk te maken (zie randnummer 3.6), maar de verklaring dient wel enige aanknopingspunten te bieden voor nader onderzoek. Dat het hof in deze – voor het eerst in hoger beroep afgelegde – verklaring onvoldoende aanknopingspunten tot nader onderzoek heeft gezien, is niet onbegrijpelijk, nu de verdachte geen details heeft verschaft over de handel in auto’s en de bedragen die daarin omgingen, en de verdachte heeft verklaard dat er van deze autohandel geen administratie voorhanden is.

Het eerste middel faalt.

4. Het tweede middel

Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte de vindplaats van het geld heeft verhuld, dan wel het geld voorhanden heeft gehad in de zin van art. 420bis lid 1 Sr.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij van een geldbedrag van in totaal 32.100,00 euro de vindplaats heeft verhuld en dit bedrag voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte het contante geldbedrag heeft geplaatst achter een plafondplaat in de slaapkamer in de woonwagen van [betrokkene 2] . Volgens de steller van het middel is met deze handeling geen sprake van het ‘verhullen van de vindplaats’ van het geld, omdat de verdachte hiermee geen valse voorstelling van zaken heeft gegeven.

De steller van het middel ontleent het criterium dat de verdachte met de verhulling van de vindplaats “een valse voorstelling van zaken” moet hebben gegeven aan de conclusie van A-G Frielink voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462. In dit verband heeft A-G Frielink overwogen:

“Voor het bepalen van de precieze grens tussen het verhullen van de vindplaats van voorwerpen en het enkele voorhanden hebben van voorwerpen, kan het door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 februari 2017 geformuleerde criterium enige houvast bieden: de gedraging moet erop zijn gericht het zicht op de vindplaats van het voorwerp te bemoeilijken én de gedraging moet geschikt zijn om dat doel te bereiken. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de kern van het verhullen en verbergen erin is gelegen dat de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. wordt versluierd door het geven van een valse voorstelling van zaken. Bij een grammaticale interpretatie van het verbergen van de vindplaats wordt wellicht al snel aan het feitelijk verstoppen gedacht, maar voor het verhullen en verbergen van de vindplaats is meer nodig.”

In voornoemd arrest van 28 maart 2023 verwijst de Hoge Raad naar de wetsgeschiedenis van de Wet van 6 december 2001 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven, waarin uitleg wordt gegeven over de betekenis van de begrippen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ uit de witwasbepalingen. Deze wetsgeschiedenis – waarop ook A-G Frielink zich in zijn conclusie baseert – houdt in:

Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a)

Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo'n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (...). Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen » en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende.”

“De doelgerichtheid waarvan in de memorie van toelichting sprake is, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) – gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval – erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken.”

In de zaak die centraal stond in HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:462 had het hof ten laste van de verdachte (onder meer) bewezenverklaard dat hij van geldbedragen van € 10.000,00 en € 10.010,00 de vindplaats had verborgen en verhuld, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring voor wat betreft het ‘verbergen en verhullen van de vindplaats’ als bedoeld in art. 420bis lid 1, aanhef en onder a Sr ontoereikend was gemotiveerd, nu deze enkel steunde op de vaststelling dat de verdachte de geldbedragen – in losse stapeltjes – had meegevoerd in zijn kleding en onder een autostoel. Van meer dan het ‘verstoppen’ van de geldbedragen was dus eigenlijk geen sprake. Anders oordeelde de Hoge Raad in een recentere zaak, waarin de verdachte in zijn woning een geldbedrag van € 75.160,00 had bewaard in een holle ruimte onder de trap. Deze ruimte was bereikbaar door een luikje dat met klemmetjes was vastgemaakt in een traptrede, dat pas zichtbaar werd na verwijdering van de vloerbedekking op die traptrede. Ten aanzien van deze verborgen ruimte overwoog de Hoge Raad dat deze kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen was gecreëerd en dat daarin het uit misdrijf afkomstige geldbedrag ook daadwerkelijk was verborgen. Zodoende achtte de Hoge Raad de bewezenverklaring van het ‘verbergen van de vindplaats’ toereikend gemotiveerd. Ook voldoende gemotiveerd achtte de Hoge Raad het ‘verhullen van de vindplaats’ in een zaak uit 2015, waarin het hof had vastgesteld dat twee aan de verdachte toebehorende motorfietsen waren aangetroffen in de afgesloten en vanaf de openbare weg niet zichtbare tuin van een derde, en waarbij was vastgesteld dat de eigenaar van de tuin niet wist door wie de motorfietsen in zijn tuin waren geplaatst.

In het licht van het voorgaande (de randnummers 4.3-4.5) meen ik dat het oordeel van het hof dat de verdachte in de onderhavige zaak de vindplaats van het geld heeft verhuld voldoende steun vindt in de bewijsvoering. Uit die bewijsvoering volgt immers méér dan dat de verdachte het geld heeft verstopt achter een plafondplaat; het geld is aangetroffen achter een plafondplaat in de slaapkamer van een woning van een derde. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte er bewust voor koos om het geld in deze woning (niet zijnde zijn eigen woning) te plaatsen, omdat hij ‘die woning wel veilig vond’. Door het geld in de woning van een ander te verstoppen heeft de verdachte het geld niet alleen feitelijk aan het zicht onttrokken, maar het geld ook ‘op afstand’ van hemzelf geplaatst.

Nu de bewezenverklaring wat betreft het ‘verhullen van de vindplaats’ toereikend is gemotiveerd, heeft de verdachte geen belang bij bespreking van zijn klacht over de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ van het geldbedrag.

Het tweede middel faalt eveneens.

5. Slotsom

Het eerste en het tweede middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 7 maart 2026 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?