PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02550
Datum 13 maart 2026
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Immateriëleschadevergoeding
Nr. Gerechtshof BK-ARN 24/1406 t/m 24/1413
Nr. Rechtbank UTR 22/826 t/m UTR 22/829 en UTR 22/834 t/m UTR 22/837
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (het Bestuur)
en vice versa
1. Inleiding en overzicht
Onderwerp conclusie
Deze conclusie gaat over een onderdeel van wat mijn ambtgenoot Wattel treffend nevenbeslissingsbeoordelingskunde heeft genoemd, te weten het rechtersrechtelijke leerstuk van vergoeding van immateriële schade (VIS) wegens overschrijding van de redelijke termijn (ORT). De conclusie gaat in op de vraag hoe dit leerstuk dient te worden toegepast op het gevalstype waarin vertraging in de behandeling in beroep van zaken van een gemachtigde optreedt als gevolg van de omstandigheid dat deze gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft.
Context
De Rechtbank heeft vastgesteld dat uitgaande van de standaard redelijke termijn van twee jaar er sprake zou zijn van een ORT van 13 maanden in deze zaak. De Rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om de redelijke termijn te verlengen met één jaar. Ter motivering verwijst zij naar een eerdere uitspraak van 20 november 2023. Daarin heeft zij in essentie overwogen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die erin bestaat dat veel zaken van de gemachtigde niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld, omdat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten (onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit).
Het Hof heeft daarentegen geoordeeld dat in deze zaak geen aanleiding bestaat voor een verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase met één jaar. De kern van de vier elementen in de redenering van het Hof zijn:
- Verlenging van de redelijke termijn in individuele procedures moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in die procedures (rov. 4.19).
- Procesgedrag van een gemachtigde in een procedure kan een bijzondere omstandigheid zijn om de termijn te verlengen, maar dit vergt wel een nadere afweging (rov. 4.20).
- De Rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom de door het capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, althans dit capaciteitsgebrek is onvoldoende motivering voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging (rov. 4.21).
- Indien een generieke verlenging acceptabel zou zijn, heeft de Rechtbank niet gemotiveerd waarom die verlenging in iedere procedure een jaar zou moeten bedragen (rov. 4.22)
Het beroep in cassatie van het Bestuur richt zich tegen dit oordeel over de niet-verlenging van de redelijke termijn. Ook belanghebbende heeft beroep(en) in cassatie ingesteld – daaraan besteed ik in deze conclusie inhoudelijk geen aandacht (zie 2.15).
Aanleiding selectie voor conclusie
Ik was aanvankelijk niet voornemens om deze zaak voor conclusie te selecteren, omdat ik meen dat feitenrechters de nodige beslissingsruimte moeten hebben bij toepassing van het VIS-leerstuk in een concreet geval. Ik neem echter toch conclusie, mede omdat ik ambtshalve het signaal kreeg dat een conclusie in deze zaak op prijs zou worden gesteld. Bovendien is saillant dat in deze zaak juist de ene feitenrechter (het Hof) ingrijpt op de beslissing van een andere feitenrechter (de Rechtbank) wat betreft de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid. Dat ingrijpen valt te meer op omdat de beslissing ogenschijnlijk past binnen het bestaande kader. Verder is in zeker opzicht de rechtseenheid tussen de gerechtshoven aan de orde omdat de Rechtbank haar benadering denkelijk heeft gebaseerd op rechtspraak van (rechtbank Den Haag en) gerechtshof Den Haag (zie 3.9-3.12). Bovendien heeft de Hoge Raad zich nog niet eerder uitgelaten over het hier aan de orde zijnde gevalstype van vertraging in de behandeling die wordt veroorzaakt door onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij een gemachtigde. De uitspraak van het Hof laat zien dat daarbij verscheidene rechtsvragen rijzen. Zo is een vraag of voor beantwoording van de vraag of de door het capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging is aan te merken als een aan de gemachtigde toerekenbare bijzondere omstandigheid, relevant is de wijze waarop de Rechtbank heeft gereageerd op dat capaciteitsgebrek.
Zaaksoverstijgend belang
Het arrest in deze zaak is direct van belang voor een groot aantal andere aanhangige zaken bij het Hof (zie Hof, rov. 4.1 en 4.3-4.4), waaronder ook zaken met andere heffingsambtenaren dan die in deze procedure (rov. 4.4). Het Hof heeft daarom het belang van een voortvarende behandeling van het beroep in cassatie in deze zaak benadrukt (rov. 4.4). Het verdere directe bredere belang lijkt echter beperkt. De Rechtbank heeft ogenschijnlijk haar lijn niet doorgezet nadat het Hof zijn uitspraak heeft gedaan (zie 3.8). Ook heb ik geen recente rechtspraak van rechtbank Den Haag of gerechtshof Den Haag gevonden waarin een verlenging van de redelijke termijn wegens onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde aan de orde is. Het bredere belang voor toekomstige zaken zal bovendien feitelijk beperkt kunnen zijn doordat de drempel voor een VIS-aanspraak aanzienlijk is verhoogd bij het arrest van 14 juni 2024.
Opbouw conclusie
Deze conclusie heeft een wat andere opbouw dan gebruikelijk. Na onderdeel 2 geef ik in onderdeel 3 de uitspraken van de Rechtbank en het Hof uitgebreid weer, waarbij ik reeds direct enige opmerkingen plaats. In onderdeel 4 volgt direct mijn beschouwing. Die beschouwing bouw ik op vanuit het feitencomplex zoals vastgesteld door de Rechtbank. Ik neem dus niet primair de klachten van het Bestuur of de uitspraak van het Hof als uitgangspunt voor de beschouwing. Dat doe ik zo, omdat – zoals zojuist opgemerkt – het arrest in deze zaak ook van belang is voor andere zaken, waaronder zaken van andere heffingsambtenaren. Tot slot geef ik in onderdeel 5 mijn beoordeling van de klachten van het Bestuur.
Complicatie bij de beschouwing
Ik heb met de beschouwing geworsteld. Die worsteling betrof niet zozeer wat mijn opvatting is over de juiste rechtskundige benadering van het onderhavige gevalstype – ik was daar snel over uit (zie 4.17 en 4.40-4.41). Zij betrof veeleer hoe mijn opvatting zich precies verhoudt tot die van het Hof. Dat heeft ermee te maken dat: (i) het Hof de uitspraak van de Rechtbank niet als een individuele zaak maar zaaksoverstijgend heeft benaderd, (ii) ik de uitspraak van de Rechtbank anders lees dan het Hof doet, (iii) de redenering van het Hof mij niet op alle punten helder is, in bijzonder niet in hoeverre de zojuist in 1.3 vermelde elementen van de argumentatie meervoudig dan wel nevenschikkend van aard zijn, en, samenhangend, (iv) mij niet steeds duidelijk is wat precies de rechtsopvatting van het Hof is. De beschouwing heeft daardoor vele ‘als dit, dan meen ik dat’-onderdelen.
Hierna geef ik de hoofdlijnen van mijn beschouwing weer. Ik doe dat echter niet in dezelfde (thematische) volgorde van de analyse maar op andere wijze.
Mijn opvatting over het onderhavige gevalstype
In cassatie kan mijns inziens ervan worden uitgegaan dat de gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft met als gevolg dat in de beroepsfase vertraging in de behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt (4.4-4.6). Ik meen dat dit gevalstype als volgt zou moeten worden benaderd voor de bepaling of sprake is van ORT:
- De algemene omstandigheid dat vertraging in behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt omdat de gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft, is een omstandigheid die bij de ORT-beoordeling in een individuele zaak in aanmerking mag worden genomen, mits die omstandigheid ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak (4.17 en 4.20). Voor zover het Hof ook van die opvatting uitgaat, ben ik het dus eens met het Hof (zie 4.20). Zo het Hof van de in 4.24 beschreven verderstrekkende opvatting zou uitgaan dat méér nodig is om die algemene omstandigheid in aanmerking te mogen nemen in een individuele zaak, ben ik het niet eens met het Hof (zie 4.23-4.27).
- De door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging is aan te merken als een aan de gemachtigde (en daarmee aan de belanghebbende) toerekenbare bijzondere omstandigheid (4.17). De maatstaf die het Hof voor toerekening aanlegt, is mijns inziens te streng; zo meen ik dat voor die toerekening in het onderhavige gevalstype niet een afweging met de reactie van de Rechtbank vereist is (4.30-4.38).
- De mate van verlenging van de redelijke termijn is afhankelijk van de duur van de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging. Conceptueel is dat de tijdsduur tussen de datum waarop de zitting in werkelijkheid is gehouden en de datum waarop de zitting zou zijn gehouden in het hypothetische geval dat de gemachtigde wél voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit zou hebben gehad. Feitelijk zal het bepalen van de verlenging neerkomen op een schatting, waarbij enige ruwheid acceptabel is. (4.40-4.41)
Toepassing op de uitspraak van de Rechtbank zoals ik die lees
Ik begrijp de uitspraak van de Rechtbank zo dat daarin besloten ligt het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde ook in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling door de Rechtbank (4.7). Daarvan uitgaande zou het voorgaande tot de volgende beoordeling leiden:
- De vertraging in de behandeling in beroep als gevolg van de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde is door de Rechtbank terecht aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt (4.17).
- De verlenging van de redelijke termijn met een jaar is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de periode die is verstreken tussen binnenkomst van het beroepschrift en de datum van de zitting (4.45). De twee door het Hof opgeworpen bezwaren (onvoldoende regie door de Rechtbank; er is ook een overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar) zijn geen grond om die termijnverlenging onjuist te achten (4.49-4.53).
Toepassing op de uitspraak van de Rechtbank uitgaande van de lezing door het Hof
Het Hof gaat echter van een andere lezing van de uitspraak van de Rechtbank uit. Het Hof gaat – anders dan ik (3.18) – ervan uit dat de Rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2023 heeft bepaald dat, vanwege de handelwijze van de gemachtigde, in alle zaken van de gemachtigde de redelijke termijn generiek wordt verlengd met een jaar. Daarvan uitgaande, begrijpt het Hof de onderhavige uitspraak van de Rechtbank denkelijk zo dat de Rechtbank tot een generieke verlenging van de redelijke termijn met een jaar is overgegaan zonder te onderzoeken of in deze zaak de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad (vgl. 4.8). Als van deze lezing van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank wordt uitgegaan, zou ik de uitspraak van de Rechtbank anders beoordelen:
- Met het Hof meen ik dat de Rechtbank dan is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit slechts in aanmerking mag worden genomen als bijzondere omstandigheid in een individuele zaak, indien die omstandigheid ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak (zie 4.22 in combinatie met 4.20).
- Ik ben het met Hof eens dat de benadering om de verlengingsduur generiek te bepalen op één jaar niet juist is (4.47).
Beoordeling van de klachten van het Bestuur
Daarmee is voor de beoordeling van de klachten van belang van welke lezing van de uitspraak van de Rechtbank moet worden uitgegaan in cassatie. Dat is de lezing van het Hof, aangezien die niet wordt bestreden (5.1). Daarvan uitgaande beoordeel ik de klachten van het Bestuur als volgt:
- De klacht over rov. 4.19 faalt. De klacht bestrijdt tevergeefs het uitgangspunt van het Hof dat algemeen (proces)gedrag van de gemachtigde slechts grond voor verlenging van de redelijke termijn in een zaak kan zijn, indien dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak. (5.2-5.3)
- De klacht over rov. 4.20 e.v. in verband met de door het Hof vereiste afweging treft doel. Indien vaststaat dat vertraging in het proces is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, is die omstandigheid aan te merken als een aan de gemachtigde toerekenbare bijzondere omstandigheid (5.4).
De gegrondbevinding van de klacht over rov. 4.20 e.v. leidt bovendien tot cassatie (5.6). Cassatie zou achterwege kunnen blijven als rov. 4.19 zelfstandig het oordeel van het Hof zou kunnen dragen. Dat zou het geval kunnen zijn indien partijen het geschil over de verlenging van de termijn als een alles-of-niets-geschil over een generieke verlenging hebben willen voorleggen aan het Hof. Maar een dergelijke procesafspraak heb ik niet kunnen traceren.
In beginsel zou dan verwijzing moet volgen voor de beoordeling of en zo ja in hoeverre de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde van invloed is geweest op de duur van het proces in deze zaak bij de Rechtbank. Ik zie echter ruimte voor de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen (5.7).
Conclusie
Naar mijn oordeel is het beroep in cassatie van het Bestuur gegrond.
2. Uitgangspunten in cassatie, beslissingen in feitelijke instanties, en geding in cassatie
Inleiding
Deze zaak is begonnen als zaak/zaken tegen diverse WOZ-beschikkingen. Reeds voor het Hof ging het echter niet meer over die WOZ-beschikkingen maar enkel over twee formeelrechtelijke punten. Ook in cassatie gaat het enkel over formeelrechtelijke punten. De weergave hierna van de uitgangspunten in cassatie en de beslissingen in feitelijke instanties abstraheert daarom zoveel mogelijk van het materiële geschil en is gericht op wat in cassatie nog van belang is. De weergave van de beslissingen in feitelijke instanties is bovendien zeer beknopt, omdat de kernoverwegingen uitgebreid worden geciteerd en aan de orde komen in onderdeel 3.
Uitgangspunten
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (de Heffingsambtenaar) heeft diverse op naam van belanghebbende gestelde WOZ-beschikkingen bekendgemaakt.
De gemachtigde van belanghebbende (de gemachtigde) heeft tegen de WOZ-beschikkingen een bezwaarschrift ingediend, dat de Heffingsambtenaar heeft ontvangen op 19 mei 2021. De Heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraken op bezwaar van 17 januari 2022.
De gemachtigde heeft namens belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 13 juni 2024 de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij enige nevenbeslissingen genomen, waaronder de beslissing om zowel de Heffingsambtenaar (voor een bedrag van € 12) als de Staat der Nederlanden (voor een bedrag van € 38) te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade (VIS) wegens overschrijding van de redelijke termijn (ORT). De Rechtbank is bij de berekening van de hoogte van de VIS uitgegaan van (i) een (verlengde) redelijke termijn van drie jaar voor de bezwaar- en beroepsfase samen, en (ii) een tarief van € 50 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd wat betreft de beslissingen over (i) de VIS, (ii) de proceskosten en (iii) het griffierecht. Tegen deze twee laatste beslissingen zijn in cassatie geen klachten gericht.
Het oordeel van het Hof wat betreft de VIS is in hoofdlijnen als volgt opgebouwd:
a) rov. 4.5-4.16: het verweer van de Heffingsambtenaar wordt verworpen dat geen grond is voor toekenning van VIS omdat bij belanghebbenden die kiezen voor de gemachtigde spanning en frustratie ontbreekt.
b) rov. 4.17-4.26: er is geen aanleiding voor een verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase met één jaar.
c) rov. 4.27: er geldt een tarief van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
d) rov. 4.30: de door de Heffingsambtenaar te betalen VIS wordt vastgesteld op € 231 en de door de Staat te betalen VIS wordt vastgesteld op € 1.269.
Het Hof heeft verder diverse nevenbeslissingen genomen. Een van die beslissingen is de toekenning van een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase ten bedrage van € 175 (rov. 5.2).
Geding in cassatie
Ik kreeg moeizaam vat op het mij ter beschikking staande (digitale) procesdossier in cassatie. Dat komt enerzijds omdat het niet steeds goed is gegaan met de inhoud van berichten die de griffier heeft verzonden en anderzijds omdat de gemachtigde op diverse momenten stukken heeft ingediend waarvan mij de processuele status niet steeds helder is. Ik maak er het volgende van.
Principaal beroep in cassatie Bestuur
Het Bestuur heeft tijdig en op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De gemachtigde heeft een brief met dagtekening 12 november 2025 toegezonden, dat wellicht (ook) als verweer is bedoeld.
Het beroep in cassatie is alleen gericht tegen het oordeel van het Hof wat betreft de VIS. In dat kader richt het beroep in cassatie zich bovendien – inhoudelijk gezien – alleen tegen het hier in 2.6, bij b) vermelde oordeel dat er geen aanleiding is voor een verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase. Het komt tegen dat oordeel op met een klacht, die uit diverse onderdelen bestaat die betrekking hebben op enige specifieke overwegingen van het Hof.
(Principaal en/of incidenteel) beroep in cassatie belanghebbende
De gemachtigde heeft, gesteld namens belanghebbende, tijdig – maar ogenschijnlijk niet op regelmatige wijze – beroep in cassatie ingesteld. Daarnaast heeft de gemachtigde bij brief met dagtekening 12 november 2025 incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Ik heb niet kunnen vinden dat het Bestuur verweer heeft gevoerd tegen een of beide beroepen.
De inhoud van de door gemachtigde ingediende stukken is (zeer) warrig. De stukken zijn op zichzelf gelezen al warrig. Het wordt niet beter indien de stukken worden gelezen in de context van de uitspraak van het Hof, want dan rijst op diverse punten de vraag wat het verband is tussen het geschrevene in die stukken enerzijds en de uitspraak van het Hof anderzijds. Op diverse punten – waaronder ook klachten/stellingen – staat het geschrevene totaal los van deze zaak c.q. de uitspraak van het Hof.
Hoe dan ook, het enige zinvolle dat ik uit de ingediende stukken kan afleiden is dat belanghebbende kennelijk klaagt over de hoogte van de door het Hof toegekende proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase.
Conclusie richt zich alleen op het beroep in cassatie van het Bestuur
Deze conclusie richt zich alleen op het beroep in cassatie van het Bestuur. Meer specifiek staat in deze conclusie centraal de afwijkende oordelen van de Rechtbank en het Hof over verlenging van de redelijke termijn.
De inhoud van de in 2.13 vermelde klacht van belanghebbende geeft geen aanleiding om in deze conclusie in te gaan op de klacht.
3. De uitspraken van de Rechtbank en van het Hof in meer detail wat betreft de (niet-)verlenging van de redelijke termijn
In dit onderdeel komen aan de orde: de onderhavige uitspraak van de Rechtbank (3.2-3.4), een voorafgaande uitspraak van de Rechtbank van 20 november 2023, waarnaar de Rechtbank verwijst voor de inhoudelijke motivering (3.6-3.8), eerdere rechtspraak van rechtbank Den Haag en gerechtshof Den Haag, die denkelijk als inspiratie heeft gediend voor de Rechtbank (3.9-3.12) en tot slot de uitspraak van het Hof, waarbij ik direct enige opmerkingen plaats (3.13-3.27). Bij de weergave van de uitspraken van de Rechtbank en het Hof concentreer ik me op de overwegingen over de (niet-)verlenging van de redelijke termijn.
Onderhavige uitspraak Rechtbank
De Rechtbank heeft eerst in rov. 14 aan de hand van de standaarduitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad over VIS bij ORT vastgesteld dat de ORT afgerond 13 maanden bedraagt, waardoor belanghebbende in beginsel recht zou hebben op een VIS van € 1.500, waarvan 3/13 voor rekening van de Heffingsambtenaar en 10/13 voor rekening van de Staat komt.
De Rechtbank overweegt vervolgens in rov. 15 dat zij in dit geval echter uitgaat “van een verlengde termijn van drie jaar voor de bezwaar- en de beroepsfase samen”. Zij geeft daarbij de volgende motivering:
“15. (…) Daaraan ligt ten grondslag dat de gemachtigde van eisers een zeer groot aantal bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures heeft lopen bij deze rechtbank, dat hij geen personeel heeft en dat zijn handelswijze noodzakelijkerwijs het oplopen leidt tot van de duur van de behandeling van de door hem ingestelde beroepen en daarmee tot het overschrijden van de redelijke termijn. Die handelswijze kan aan eisers worden toegerekend. Voor een nadere motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar en sluit zij aan bij haar uitspraak van 20 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6191, overwegingen 17 tot en met 23.”
Ik merk daarbij op dat gegeven (i) dat de Rechtbank in deze zaak uitgaat van een verlengde termijn en (ii) wat de Rechtbank daaraan ten grondslag legt, naar mijn mening in het oordeel van de Rechtbank besloten ligt dat de bedoelde handelwijze óók in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling door de Rechtbank en daarmee tot overschrijding van de (gebruikelijke) redelijke termijn. Het Hof gaat trouwens denkelijk van een andere lezing uit (zie 4.8).
Rekening houdend met de verlengde redelijke termijn van drie jaar, berekent de Rechtbank in rov. 16 vervolgens de VIS uitgaande van een overschrijding van die termijn met één maand, bovendien tegen een tarief van slechts € 50 per half jaar overschrijding.
De uitspraak van de Rechtbank van 20 november 2023
In rov. 15 verwijst de Rechtbank naar haar uitspraak van 20 november 2023 (de uitspraak van 20 november 2023). Deze uitspraak bevat de volgende uiteenzetting, die tot de conclusie leidt dat de handelwijze van de gemachtigde noodzakelijkerwijs leidt tot het oplopen van de duur van de behandeling van de door hem ingestelde beroepen:
“18. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat de gemachtigde van eiseres geen personeel in dienst heeft. Hij doet alles zelf. De rechtbank is er daarnaast mee bekend dat de gemachtigde van eiseres een zeer groot aantal bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures heeft lopen. Dit leidt bij meerdere rechtbanken tot problemen in de planning van zijn zaken.5
19. Het grote aantal zaken dat de gemachtigde behandelt, heeft tot gevolg gehad dat hij zeer vaak op een zittingsvoornemen reageerde met het bericht verhinderd te zijn. Daardoor kwam de afdoening van zaken in het gedrang. Vanwege die drukke agenda zijn er, in afwijking van de gebruikelijke werkwijze bij de planning van zaken, afspraken met hem gemaakt. De maandagmiddag is nu sinds 2022 als vast zittingsmoment vastgelegd. De rechtbank realiseert zich dat hiermee voor deze gemachtigde een uitzonderingspositie is gecreëerd. Met het oog op de bewaking van de redelijke afdoeningstermijn voor de zaken van deze gemachtigde heeft de rechtbank zich hiertoe genoodzaakt gezien.
20. Vervolgens is het aantal beroepen dat de gemachtigde van eiseres bij deze rechtbank namens zijn cliënten heeft ingesteld alleen maar toegenomen. Zo heeft hij in het jaar 2021 in totaal 731 beroepen ingediend en in 2022 heeft hij 1.199 beroepen ingediend.
21. In zijn correspondentie wijst de gemachtigde van eiseres er steeds op ‘normaliter elke dag beschikbaar te zijn (op donderdagmiddagen na)’, maar in de praktijk blijkt het moeilijk om op andere dagen zittingen met hem te plannen. Dit was ook juist de reden om een vast zittingsdagdeel met hem af te spreken. De rechtbank heeft niettemin meerdere keren geprobeerd meer zittingsdagen met hem te plannen, naast de vaste maandagmiddag. De rechtbank heeft op 21 november 2022 aan de gemachtigde gevraagd of hij op 13 februari 2023, 14 februari 2023 en 24 februari 2023 beschikbaar was voor een extra zitting. Van die dagen was hij alleen op 14 februari 2023 beschikbaar. Voor de periode maart 2023 tot en met juni 2023 heeft overleg tussen rechtbank en de gemachtigde geleid tot 11 mogelijke extra zittingen. Per e-mails van 2 maart 2023 heeft de rechtbank verder aan de gemachtigde gevraagd op welke dagen hij nog meer beschikbaar is in 2023 voor extra zittingen. Ook heeft de rechtbank aan hem gevraagd om per maand twee extra vaste zittingsdagen af te spreken. Per e-mail van 11 maart 2023 heeft de gemachtigde aangegeven daar niet meer aan mee te willen werken, omdat het “uitermate oncollegiaal van [de rechtbank] is om méér dagdelen te claimen ten koste van [andere rechtbanken/gerechtshoven]”.
22. Over het gehele jaar 2023 was de gemachtigde van eiseres dus beschikbaar voor 64 zittingen van een dagdeel bij deze rechtbank. In de praktijk zijn het er minder omdat de gemachtigde soms een maandagmiddag toch niet kan6 en er ook feestdagen op maandag vallen. Op een zitting met de gemachtigde van eiseres worden gemiddeld 11 zaken gepland. In theorie zou de rechtbank dan in het meest gunstige geval 64 x 11 = 704 zaken van de cliënten van deze gemachtigde in 2023 kunnen plannen. Dit is bij lange na niet genoeg om alle door hem ingestelde beroepen te behandelen en in de praktijk zijn het er dus ook veel minder.7
23. De rechtbank stelt daarom vast dat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde van eiseres en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten. Veel zaken kunnen niet of niet tijdig op zitting worden behandeld, omdat hij geen ruimte heeft in zijn agenda. De handelwijze van de gemachtigde van eiseres leidt noodzakelijkerwijs tot het oplopen van de duur van de behandeling van de door hem ingestelde beroepen en daarmee tot het overschrijden van de redelijke termijn. Deze handelwijze kan eiseres worden toegerekend. Gelet op het aantal door de gemachtigde van eiseres ingediende beroepen, afgezet tegen zijn beperkte beschikbaarheid voor zittingen is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn moet worden verlengd met 12 maanden.
5 Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7925 en Rechtbank Oost-Brabant, 28 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3779.
6 Zo liet hij bijvoorbeeld per brief van 19 september 2022 weten dat hij maandag 20 februari 2023 toch niet kan.
7 In 2022 konden bijvoorbeeld slechts 33 zittingen gepland worden.”
De kern van deze uitspraak is gelegen in rov. 23: de Rechtbank komt tot de conclusie dat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten, waardoor veel zaken niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld. Deze feitelijke conclusie bestaat uit twee componenten. De eerste component is het feit dat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten. Dat zal ik hierna ook wel verkort aanduiden als ‘onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit’. De tweede component is dat als gevolg daarvan veel zaken niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld. Dat gevolg volgt mijn inziens uit de tweede zin (‘omdat’). Dit gevolg betekent volgens de Rechtbank dat de duur van de behandeling van door gemachtigde aangebrachte zaken oploopt. Ik zal dat hierna ook wel aanduiden als vertraging in de behandeling. In deze vaststelling van het gevolg ligt besloten dat zaken van gemachtigde later worden behandeld dan het geval zou zijn geweest indien de gemachtigde voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit had gehad. Anders zou de niet-tijdige behandeling op zitting immers niet het gevolg zijn geweest van de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit.
Zoeken op uitspraken op rechtspraak.nl met zoekterm ‘ECLI:NL:RBMNE:2023:6191’ (van de uitspraak van 20 november 2023) en instantie ‘rechtbank Midden-Nederland’ leverde mij 114 treffers op. De jongste uitspraak daarvan dateert van 11 juni 2025 en bevat een rechtsoverweging die overeenkomt met rov. 15 in de uitspraak in de onderhavige zaak. Deze gegevens zijn een sterke aanwijzing dat (i) de uitspraak van 20 november 2023 tot een bestendige lijn in de rechtspraak van rechtbank Midden-Nederland heeft geleid en (ii) dat deze rechtbank haar lijn heeft verlaten na de uitspraak van het Hof (van 24 juni 2025).
Intermezzo: rechtspraak rechtbank Den Haag en gerechtshof Den Haag
Een annotatie van Scherff bracht mij op het spoor dat de lijn van rechtbank Midden-Nederland mogelijk is gebaseerd op rechtspraak van rechtbank Den Haag en gerechtshof Den Haag betreffende dezelfde gemachtigde. Scherff noemt daarbij een groot aantal uitspraken van dat gerechtshof.
Ter illustratie citeer ik uit één van de uitspraken van dat gerechtshof en de daaraan voorafgaande uitspraak van die rechtbank. Die rechtbank zag in haar uitspraak van 21 juni 2022 aanleiding om de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk te verlengen met vier maanden, met de volgende motivering:
“14. Het voornemen van een behandeling door een enkelvoudige kamer gebeurt schriftelijk en in de regel minimaal 3 maanden voor de zittingsdatum. Daarbij wordt een week gegeven om een verhindering te melden. De gemachtigde in de onderhavige zaak heeft een zeer groot aantal zaken, vele honderden, niet alleen bij de rechtbank Den Haag maar bij alle rechtbanken in Nederland. Dit heeft tot gevolg dat de gemachtigde ook zeer vaak op een zittingsvoornemen reageerde met het bericht verhinderd te zijn. De voortgang van de afdoening is daardoor in het gedrang gekomen. Reden waarom, in afwijking van de gebruikelijke werkwijze, ervoor is gekozen om de gemachtigde zelf te benaderen met de vraag wanneer hij wel kan verschijnen voor een zitting. Als een datum in zijn zeer drukke agenda gevonden kan worden zal de gehele zitting dan gevuld worden met zaken waarin hij als gemachtigde optreedt. Een werkwijze waarmee hij zich akkoord verklaarde, mits er digitale zittingen gehouden zouden kunnen worden.
15. Op 13 oktober 2021 heeft de gemachtigde zijn verhinderdata gegeven voor de maanden januari en februari 2022. Op 12 december 2021 heeft de gemachtigde bericht geheel maart 2022 te zijn verhinderd. Daarmee heeft de rechtbank uiteindelijk in het eerste kwartaal van 2022 drie dagen kunnen vinden waarop enkelvoudige zittingen gepland konden worden waarop zaken van deze gemachtigde konden worden afgedaan. Op 24 november 2021 zijn verhinderdata gegeven voor de maanden april, mei en juni 2022. Dit heeft ertoe geleid dat er 8 zittingsdata zijn gepland in het tweede kwartaal waarvan de eerste op 26 en 29 april 2022.
16. Bij emailbericht van 1 februari 2022 is gevraagd of er in maart nog ruimte is vrijgekomen voor een zitting. De gemachtigde berichtte dat maart geheel vol zit. Bij emailbericht van 12 februari 2022 berichtte hij nader: “De eerste mogelijkheid in casus is nu nog de ochtend van 7 juli aanstaande indien digitaal.”
17. Gegeven het vorenstaande moet worden vastgesteld dat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de hoeveelheid momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten. Veel zaken worden niet op zitting geappointeerd omdat de gemachtigde geen ruimte ziet in zijn agenda. Gegeven die situatie moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat er sprake is van een bijzondere situatie die reden geeft de termijn waarin verwacht mag worden dat een zaak wordt afgedaan te verlengen met 4 maanden. Van enige overschrijding van de redelijke termijn is dan geen sprake. De rechtbank zal het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade dan ook afwijzen.”
Het gerechtshof Den Haag oordeelt hierover: “De Rechtbank heeft, gelet op hetgeen zij heeft overwogen in de overwegingen 13 tot en met 17 van haar uitspraak, op goede gronden een juiste beslissing genomen.”
De lijn van redeneren van de Rechtbank in de uitspraak van 30 november 2023 komt sterk overeen met die van rechtbank Den Haag in de zojuist geciteerde uitspraak. Een ogenschijnlijk verschil is wel dat de rechtbank Den Haag de redelijke termijn slechts verlengt met vier maanden (terwijl de Rechtbank de redelijke termijn met een jaar verlengt). Kanttekening hierbij is echter dat deze periode van verlenging door rechtbank Den Haag denkelijk is afgestemd op de periode waarmee de standaard redelijke termijn van twee jaar is overschreden. Het gerechtshof Den Haag duidt de beslissing daarom naar mijn mening trefzeker door te overwegen dat “[d]e Rechtbank (…) de overschrijding van de redelijke termijn van (afgerond) vier maanden [heeft] toegerekend aan belanghebbende op grond van de handelwijze van de gemachtigde” (onderstreping MP).
Onderhavige uitspraak Hof
Voorafgaande overwegingen over toerekening algemeen gedrag van een gemachtigde
Hoewel hier centraal staat het oordeel van het Hof over de (niet-)verlenging van de redelijke termijn, begin ik met enige overwegingen in het kader van zijn daaraan voorafgaande oordeel dat er geen grond is om de Heffingsambtenaar te volgen in zijn verweer dat spanning en frustratie ontbreekt. Het gaat om de overwegingen in rov. 4.9-4.12 over het al dan niet toerekenen van ‘algemeen’ gedrag van een gemachtigde aan een individuele zaak. Ik begin met die overwegingen, omdat het Hof daarnaar (impliciet) verwijst in rov. 4.19.
Kern is dat volgens het Hof “geen ruimte bestaat om het algemene gedrag van een gemachtigde toe te rekenen aan een individuele zaak, zonder dat in die individuele zaak wordt getoetst of zich daarin dezelfde feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en waarin dat ook daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid”:
“4.9. Het uitgangspunt van de heffingsambtenaar, dat het gedrag van een gemachtigde aan de belanghebbende kan worden toegerekend daar waar het gaat om de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden, is juist. Hoewel daarbij ook kan worden betrokken wat buiten het verband van de desbetreffende procedure bekend is over het gedrag van de gemachtigde, ziet het Hof ziet in de jurisprudentie van de Hoge Raad duidelijke aanknopingspunten dat geen ruimte bestaat om het algemene gedrag van een gemachtigde toe te rekenen aan een individuele zaak, zonder dat in die individuele zaak wordt getoetst of zich daarin dezelfde feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en waarin dat ook daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid. (…)”
Het Hof wijst daarbij op HR BNB 2022/106 betreffende de betekenis van coronamaatregelen voor verlenging van de redelijke termijn, HR BNB 2019/171 betreffende het begrip ‘verknochtheid’, en twee arresten over de mogelijkheid om een gemachtigde te weigeren. Ik citeer (zonder voetnoten):
“4.10. Uit de uitspraak van de Hoge Raad inzake de generieke verlenging van de redelijke termijn vanwege de geldende coronamaatregelen bij de gerechten leidt het Hof af dat verlenging alleen plaatsheeft als de in het algemeen optredende bijzondere omstandigheden tot concreet aanwijsbare vertraging leiden in de procedure van de belanghebbende zelf. In die zaken betekende dit dat alleen in het geval een zitting was gepland in de periode dat de gerechtsgebouwen gesloten waren sprake was van een bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengt. Dit, terwijl het een feit van algemene bekendheid was dat de werkzaamheden van de gerechten vanwege de coronamaatregelen gedurende die eerste periode niet op gewone snelheid konden doorgaan en er dus vertraging was ontstaan in heel veel – hoewel wellicht niet in alle – zaken. De Hoge Raad heeft desalniettemin aanleiding gezien om een individuele toets voor te schrijven, waardoor alleen concreet aanwijsbare vertraging als rechtstreeks gevolg van de coronamaatregelen is geaccepteerd als bijzondere omstandigheid. Deze uitspraak betrof overigens een zaak in een massale zaaksstroom (inzake de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm)) van een ncnp-gemachtigde.
Evenmin heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om in een individuele zaak als een bijzondere omstandigheid te accepteren het feit dat een ncnp-gemachtigde in vele (duizenden) Bpm-zaken standaard geschilpunten, in wisselende samenstelling, aanvoert. Dit feit was door het gerechtshof in die procedure gekwalificeerd als de bijzondere omstandigheid "verknochtheid" en dat heeft de Hoge Raad verworpen omdat het bij verknochtheid moet gaan om (de kennisneming van) andere zaken die rechtstreeks samenhangen met de te berechten zaak. Echter, de Hoge Raad heeft dat feit ook niet aangegrepen om de situatie van een massale zaaksstroom met repetitieve geschilpunten en de als gevolg daarvan bij een gerecht optredende problemen in de planning en organisatie te (her)kwalificeren als de bijzondere omstandigheid "gedrag van de gemachtigde", terwijl het nochtans ging om een zaak van een ncnp-gemachtigde waarvan algemeen bekend is dat diens algemene procesgedrag vrij veel weg heeft van die van de gemachtigde in het voorliggende geval. Het Hof merkt hierbij op dat de Hoge Raad in beginsel wel bereid is om in voorkomend geval ook uit eigen beweging na te gaan of in een procedure sprake is van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, maar daarvan in dat geval kennelijk heeft afgezien.
Ook uit de oordelen van de Hoge Raad over de mogelijkheid een gemachtigde te weigeren op grond van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), leidt het Hof af dat een beslissing in het nadeel van een belanghebbende niet kan worden gebaseerd op het algemene procesgedrag van een gemachtigde zonder dat een concrete toets heeft plaatsgevonden of dat gedrag ook in de eigen procedure is vertoond.”
Overwegingen betreffende de niet-verlenging van de redelijke termijn
Het Hof komt in rov. 4.24 tot de slotsom dat in de onderhavige procedure geen aanleiding bestaat voor een verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase. De motivering daarvoor is in twee delen te onderscheiden. Het eerste deel van de motivering (in rov. 4.19-4.22) ziet op wat de Rechtbank heeft overwogen. Het tweede deel (in rov. 4.23) ziet op wat de Heffingsambtenaar (aanvullend) heeft aangevoerd. Ik concentreer me in deze conclusie vooral op het eerste deel. Dat deel geef ik daarom hierna uitgebreider weer. Ik plaats daarbij direct enige opmerkingen. Dat doe ik hier en niet pas later bij de beschouwing, omdat de opmerkingen dan direct kunnen worden gelezen in samenhang met de tekst waarop ze betrekking hebben.
Dat eerste deel van de motivering heeft als gezegd betrekking op wat de Rechtbank heeft overwogen, in het bijzonder in de uitspraak van 20 november 2023. Het Hof heeft die overwegingen samengevat in rov. 4.18. Ik citeer niet de hele overweging, maar alleen de slotoverwegingen:
“4.18. (…) De Rechtbank heeft geconcludeerd dat het aan de agenda van de gemachtigde is te wijten dat zaken niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld en dat dit meebrengt dat de redelijke behandelduur moet worden verlengd. De Rechtbank heeft deze algemene handelwijze van de gemachtigde aan belanghebbende toegerekend en bepaald dat vanwege deze handelwijze in alle zaken van deze gemachtigde de redelijke termijn met 12 maanden wordt verlengd.”
Deze weergave van de uitspraak van de Rechtbank sluit aan bij de geschilomschrijving door het Hof in rov. 3.1, waar het overweegt dat “in geschil [is] de vraag of als gevolg van het procesgedrag van de gemachtigde (…) de redelijke termijn van behandeling in alle zaken waarin de gemachtigde optreedt generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar” (mijn onderstreping). Wat het Hof onder ‘generiek’ verstaat kan vermoedelijk worden afgeleid uit rov. 4.4: “de vraag of in zaken van deze gemachtigde de redelijke termijn generiek, dus zonder onderzoek in de individuele procedure, moet worden verlengd van twee naar drie jaar.”
Opmerkingen:
- Anders dan het Hof, lees ik in de uitspraak van 20 november 2023 niet dat “[d]e Rechtbank heeft (…) bepaald dat vanwege deze handelwijze in alle zaken van deze gemachtigde de redelijke termijn met 12 maanden wordt verlengd” (onderstreping MP). De Rechtbank heeft zich in rov. 23 van die uitspraak niet uitgelaten over verlenging in andere zaken.
- Ook in de onderhavige uitspraak lees ik niet wat het Hof weergeeft. De Rechtbank heeft in wezen niet meer geoordeeld dan dat zij om dezelfde reden als in de uitspraak van 20 november 2023 uitgaat van een verlengde redelijke termijn van drie jaar.
- De weergave van het Hof is vermoedelijk ingegeven door de omstandigheid dat de Rechtbank ook in uitspraken in andere zaken de redelijke termijn heeft verlengd met 12 maanden op dezelfde grond als in de uitspraak van 20 november 2023. Dat is evenwel niet hetzelfde. In de weergave door het Hof zou de Rechtbank zich in een uitspraak in een bepaalde zaak óók hebben uitgelaten over andere zaken. Zoals ik de uitspraken van de Rechtbank lees, is dat echter niet het geval. Zowel de uitspraak van 20 november 2023 als de onderhavige uitspraak van de Rechtbank lees ik zo dat de Rechtbank (alleen) een oordeel heeft gegeven over de zaak die in de uitspraak voorligt. In de onderhavige uitspraak ligt besloten het oordeel dat óók in deze zaak dezelfde grond voor verlenging aanwezig is als in de uitspraak van 20 november 2023. Dat betreft dus – in mijn lezing – een op déze zaak betrekking hebbend oordeel.
Na rov. 4.18 oordeelt het Hof direct in rov. 4.19 dat het de Rechtbank niet volgt in haar beslissing. De motivering van dat oordeel is uit verschillende elementen opgebouwd. Het eerste element is dat verlenging van de redelijke termijn moet zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in de individuele procedure:
“4.19. Het Hof volgt deze beslissing van de Rechtbank niet. In de eerste plaats omdat, zoals hierboven al overwogen, het Hof van oordeel is dat verlenging van de redelijke termijn in individuele procedures moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in die procedures. Het Hof merkt daarbij nog wel op dat, zoals het eerder heeft overwogen, daarbij ook kan worden betrokken hetgeen buiten het verband van de desbetreffende procedure bekend is over het gedrag van deze gemachtigde.17 Anders dan de Rechtbank, gaat dit volgens het Hof echter niet zo ver, dat het gedrag in de eigen procedure in het geheel niet meer hoeft te worden betrokken in de beoordeling.
17 Hof Arnhem-Leeuwarden 9 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:245, r.o. 4.12, en de aldaar genoemde uitspraken van de Hoge Raad.”
Opmerkingen:
- Het is mij niet helemaal duidelijk wat de plaats van deze rechtsoverweging in de redenering van het Hof is. Is deze rechtsoverweging zelfstandig dragend voor het oordeel dat de beslissing van de Rechtbank niet wordt gevolgd? De formulering ‘in de eerste plaats omdat’ zou op een meervoudige argumentatie en daarmee een bevestigend antwoord kunnen duiden, namelijk als die formulering wordt opgevat als ‘reeds omdat’. De formulering dwingt daartoe echter niet, want zij kan ook op een nevenschikkende argumentatie duiden. Een ander aanknopingspunt voor een bevestigend antwoord zou kunnen zijn dat in rov. 4.21 wordt overwogen “Zelfs indien de Hoge Raad zou oordelen dat het gebrek aan medewerking bij een jaarplanning ten behoeve van alle procedures aan individuele procedures kan worden toegerekend (…)”. Dat zou erop kunnen duiden dat het Hof eerder heeft geoordeeld dat de bedoelde toerekening niet mogelijk is. Maar dat is een soort a contrario-duiding.
- De verwijzing in de tweede volzin naar wat daarboven is overwogen begrijp ik als een verwijzing naar rov. 4.9, met name naar de overweging dat “geen ruimte bestaat om het algemene gedrag van een gemachtigde toe te rekenen aan een individuele zaak, zonder dat in die individuele zaak wordt getoetst of zich daarin dezelfde feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en waarin dat ook daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid”. De overweging “dat verlenging van de redelijke termijn in individuele procedures moet worden gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich voordoen in die procedures”, begrijp ik daarom tegen de achtergrond van die overweging.
- Tot slot, ik lees in de uitspraken van de Rechtbank niet “dat het gedrag in de eigen procedure in het geheel niet meer hoeft te worden betrokken in de beoordeling”. Het is mij niet duidelijk waarop het Hof dat baseert. Het is mij bovendien niet duidelijk waarop het Hof doelt met “het gedrag in de eigen procedure”. Zo maakt het Hof in de rest van zijn uitspraak geen melding van enig gedrag van de gemachtigde dat de Rechtbank ten onrechte niet in de beoordeling zou hebben betrokken.
Het tweede element is dat het procesgedrag van een gemachtigde weliswaar een bijzondere omstandigheid kan zijn, maar het wel een nadere afweging vergt of dit verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt, bij welke afweging ook de handelwijze van het betreffende overheidsorgaan moet worden betrokken:
“4.20. Daarnaast volgt volgens het Hof uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het procesgedrag van een gemachtigde in een procedure een bijzondere omstandigheid kan zijn om de termijn te verlengen, maar dat dit wel een nadere afweging vraagt.18 Bijvoorbeeld van enerzijds verzoeken om uitstel en anderzijds de reactie daarop van het bestuursorgaan19 en/of het gerecht20 waarbij moet worden beoordeeld of die reactie voldoende voortvarend is. Zo heeft de Hoge Raad juist in de uitspraak van 22 februari 2019 waarnaar de Rechtbank verwijst21 geoordeeld dat zich géén bijzondere omstandigheid voordoet, terwijl in die zaak de gemachtigde evident niet voortvarend heeft gehandeld in de bezwaarfase. Kennelijk was echter de evenmin voortvarende reactie daarop van de inspecteur voor de Hoge Raad reden om de lange behandelduur aan de inspecteur toe te rekenen, althans niet in het nadeel van belanghebbende uit te leggen.
18 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (overzichtsarrest).
19 Hoge Raad van 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:263,
20 Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3117, Hoge Raad 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3321, Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1351.
21 Rechtbank Midden-Nederland 20 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6191 en Hoge Raad 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:263.”
Het derde element in de motivering van het Hof is dat de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de door het gebrek aan capaciteit bij de gemachtigde veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, althans dat dit capaciteitsgebrek onvoldoende motivering is voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging:
“4.21. Dit als uitgangspunt nemend, stelt het Hof vast dat de Rechtbank (cijfermatig) de gevolgen van het algemene procesgedrag van de gemachtigde heeft beschreven die er volgens de Rechtbank op neerkomen dat de gemachtigde onvoldoende capaciteit heeft om de (vele) door hem aangebrachte zaken af te handelen. De Rechtbank heeft echter niet gemotiveerd waarom de door dat capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. Zelfs indien de Hoge Raad zou oordelen dat het gebrek aan medewerking bij een jaarplanning ten behoeve van alle procedures aan individuele procedures kan worden toegerekend, dan vormt de enkele vaststelling dat de gemachtigde kennelijk onvoldoende capaciteit heeft naar het oordeel van het Hof een onvoldoende motivering voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging. Zo is niet gemotiveerd waarom generiek uitstel van behandeling zou moeten worden verleend aan een beroepsmatig rechtsbijstandverlener en waarom de Rechtbank van een dergelijke rechtsbijstandverlener niet in redelijkheid mag eisen dat die zorg draagt voor voldoende personeel. De generieke verlenging impliceert in zoverre een keuze van de Rechtbank om zich neer te leggen bij de krappe agenda en de bedrijfsvoering van de gemachtigde, maar die keuze is niet toegelicht. Hetzelfde geldt voor het uitgangspunt dat per zitting gemiddeld 11 zaken kunnen worden behandeld.”
Opmerkingen:
- De Rechtbank heeft vastgesteld dat, kort gezegd, er sprake is van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde die tot vertraging leidt (zie 3.7). Het Hof houdt in de eerste zin (“volgens de Rechtbank”) enige afstand tot die vaststelling. Ik meen echter dat ervan kan worden uitgegaan dat het Hof die vaststelling vervolgens wel als uitgangspunt neemt; zie vooral de tweede zin (“de door dat capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging”) en vergelijk ook de derde zin (“het gebrek aan medewerking bij een jaarplanning ten behoeve van alle procedures”) en de vierde zin (“de krappe agenda en de bedrijfsvoering van de gemachtigde”).
- In de tweede volzin ligt besloten dat het in de opvatting van het Hof relevant is of “de door dat capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde” (mijn onderstreping). Immers, zou dat niet relevant zijn, dan is er geen aanleiding om de Rechtbank het in die tweede volzin gemaakte motiveringsverwijt te maken.
- Het is mij niet helemaal duidelijk op welk punt dat relevant is volgens het Hof. Een eerste mogelijkheid is dat het Hof van de rechtsopvatting uitgaat dat het capaciteitsgebrek van de gemachtigde slechts dan als een bijzondere omstandigheid (die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt) is aan te merken indien de daardoor veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. Een aanwijzing voor die lezing zou kunnen worden gevonden in wat het Hof in rov. 4.20 heeft overwogen over het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2019.
- De tweede mogelijkheid is dat het Hof de kwestie of de door het capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, (ook) relevant acht in verband met de periode waarmee de redelijke termijn wordt verlengd. Een aanwijzing daarvoor zou kunnen worden gevonden in de vierde zin waarin het Hof overweegt dat de vaststelling dat sprake is van gebrek aan capaciteit onvoldoende motivering is “voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging”.
- Het Hof noemt in de vierde tot en met zesde volzin voorbeelden van punten waarop de motivering van de Rechtbank tekortschiet. Die voorbeelden geven meer inzicht waarom het Hof van opvatting is dat hoewel het gaat om “de door dat capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging”, die vertraging niet zonder meer uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde. De voorbeelden duiden erop dat het Hof van opvatting is dat hoewel de vertraging is veroorzaakt door het capaciteitsgebrek, de vertraging mede aan de Rechtbank is toe te rekenen als de Rechtbank – kort gezegd – te weinig regie heeft gevoerd. Dat vindt steun in wat het Hof in rov. 4.20 overweegt over de te maken afweging. Ik zie daarvoor ook een zekere steun in de in rov. 4.26 gegeven overwegingen ten overvloede (zie 3.27 hierna).
- Het Hof spreekt over “een onvoldoende motivering voor het generiek vaststellen van een jaar vertraging”. Denkelijk bedoelt het Hof met ‘generiek’ in dit verband dat het gaat om een vaststelling in alle zaken van de gemachtigde zonder onderzoek in de individuele zaak (vgl. 3.17). Daarvan uitgaande herhaal ik (zie eerder 3.18) de kanttekening dat de Rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2023 (alsook in de onderhavige uitspraak) naar mij voorkomt alleen een oordeel over de desbetreffende zaak heeft gegeven en niet voor alle zaken ‘een jaar vertraging’ heeft vastgesteld. Deze kanttekening laat trouwens onverlet dat blijft staan dat volgens het Hof de enkele vaststelling dat de gemachtigde onvoldoende capaciteit heeft, een onvoldoende motivering is voor het vaststellen van een jaar vertraging.
Het vierde element in de redenering is dat indien een generieke verlenging acceptabel zou zijn, de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom die verlenging in iedere procedure een jaar zou moeten bedragen:
“4.22. De Rechtbank heeft tot slot ook niet gemotiveerd waarom, indien een generieke verlenging acceptabel zou zijn, die verlenging in iedere procedure een jaar zou moeten bedragen. Hierbij speelt ook een rol dat de Rechtbank geen rekening lijkt te hebben gehouden met de mogelijkheid dat de oorzaak van de overschrijding van de redelijke termijn (tevens) in de bezwaarfase ligt, zoals in deze zaak waarin de overschrijding in de bezwaarfase bijna twee maanden bedraagt. Een dergelijke overschrijding kan immers niet worden verklaard door het niet (voldoende) beschikbaar zijn van de gemachtigde voor zittingen bij de Rechtbank. Dit klemt temeer voor die gevallen waarin de overschrijding van de redelijke termijn volledig toerekenbaar zou zijn aan de bezwaarfase omdat de vertraging zich dan in het geheel niet voordoet in de beroepsfase.”
Opmerkingen:
- Dit vierde element in de redenering lijkt een overweging ten overvloede te zijn, voor het geval ‘een generieke verlenging’ acceptabel zou zijn. Dat vindt erin steun dat het Hof slechts algemene kanttekeningen plaatst bij wat het Rechtbank (volgens het Hof) heeft geoordeeld.
- Aansluitend op wat ik eerder in 3.19 opmerkte: ik lees noch in de uitspraak van 20 november 2023 noch in de onderhavige uitspraak dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de verlenging van de redelijke termijn in elke procedure een jaar zou moeten bedragen. De overweging is denkelijk ingegeven door de omstandigheid dat de Rechtbank ook in uitspraken in andere zaken de redelijke termijn heeft verlengd met 12 maanden.
Overwegingen ten overvloede (?)
Na het oordeel in rov. 4.24 dat “in deze procedure geen aanleiding bestaat voor een verlenging van de redelijke termijn in de beroepsfase” geeft het Hof in rov. 4.25 en 4.26 nog uitgebreide overwegingen. Die overwegingen zijn gelet op hun plaats in de uitspraak ten overvloede. Niettemin is vooral rov. 4.26 belichtingswaardig. Ik citeer:
“4.26. Het voorgaande wil (…) niet zeggen dat het Hof geen begrip heeft voor de standpunten van de heffingsambtenaar en de redenering van de Rechtbank; ook het Hof ondervindt problemen in de behandeling van de massale zaaksstroom die deze gemachtigde genereert, mede als gevolg van het onprofessionele procesgedrag. Die massaliteit zorgt voor een overbelasting waardoor de rechtsgang dreigt te ontsporen en het Hof ziet onder ogen dat dit door de gemachtigde ook wordt beoogd. Echter, de vertraging als gevolg van deze werkwijze van de gemachtigde is deels ook het gevolg van het feit dat het bestuursprocesrecht en de werkprocessen van een gerecht (of bestuursorgaan) in de kern zijn ingericht op serieus procederende en redelijk handelende partijen en dat het kennelijk lang duurt voordat aanpassingen aan dat werkproces zijn gedaan om de negatieve effecten van het procesgedrag van de gemachtigde in te perken. Zo heeft het Hof lange tijd nodig gehad om op een effectieve manier om te gaan met de vele gebrekkige en vaak ongefundeerde beroepen op betalingsonmacht van deze gemachtigde, namelijk door deze zonder verdere kennisgeving niet meer in behandeling te nemen indien deze niet voldoen aan de door het Hof gestelde regels die zijn bekendgemaakt in een brief buiten lopende procedures om. Als gevolg hiervan is vertraging als gevolg van deze gebrekkige en ongefundeerde verzoeken sterk verminderd. Verder leidden grote hoeveelheden verzetzaken tot vertraging en heeft het vrij lang geduurd voordat het Hof heeft besloten zaken waarin bijvoorbeeld het griffierecht niet volledig of tijdig is voldaan niet meer met toepassing van artikel 8:54 van de Awb af te doen (wat in de regel de praktijk is), maar deze zaken op massale wijze af te doen op een zitting nadat in het vooronderzoek schriftelijk nader onderzoek naar de mogelijke verschoonbaarheid is gedaan. Tot slot heeft het Hof recent gekozen voor een clustergewijze afdoening, waarbij in een grote hoeveelheid zaken op een regiezitting afspraken zijn gemaakt over de behandeling, waarbij eveneens meer nadruk is gelegd op het schriftelijk vooronderzoek, waardoor op de uiteindelijke zitting een grote hoeveelheid zaken kan worden afgedaan. Onderdeel van de clustergewijze aanpak is onder meer dat, voor zover wordt toegekomen aan het inhoudelijke (waarde-)geschil, het Hof beperkingen heeft gesteld aan de vormgeving van de beroepsgronden. Die komen erop neer dat eerder op onsamenhangende en algemene, niet-zaakspecifieke wijze ingediende gronden in hogerberoepschriften en/of pinpointbrieven niet als concrete gronden met betrekking tot het materiële geschilpunt worden aangemerkt en dat slechts die gronden voor inhoudelijke behandeling in aanmerking komen die ruim vóór de zitting in een A4 puntsgewijs zijn geconcretiseerd en zo nodig voorzien van controleerbaar bewijs. Daarmee wordt tevens het bestuursorgaan in staat gesteld om op die punten concreet verweer te voeren. Het procesgedrag van deze gemachtigde vergt in de optiek van dit Hof met andere woorden een andere behandelwijze door bestuursorganen en gerechten. Het bestuursprocesrecht biedt daarvoor mogelijkheden, zonder de individuele rechtsbescherming van de belanghebbenden die door deze gemachtigde worden vertegenwoordigd uit het oog te verliezen. Zijn cliënten krijgen binnen de gestelde kaders immers nog alle kans om beschikkingen en aanslagen in rechte aan te (laten) vechten, zij het niet meer op de ongebreidelde wijze waarop dit tot dusver gebeurde.”
Ik heb me afgevraagd waarom het Hof deze rechtsoverweging heeft opgenomen. De start is in zeker opzicht empathisch, maar in de derde zin volgt al direct een ‘echter’. De zinnen erna betreffen een uiteenzetting hoe het Hof inmiddels omgaat met (het gedrag c.q. de werkwijze van) de gemachtigde. Deze uiteenzetting zal denkelijk niet door de Rechtbank zijn opgevat als begripvol voor haar inspanningen, in aanmerking genomen dat de Rechtbank juist al haar “gebruikelijke werkwijze” had aangepast, waarmee “voor deze gemachtigde een uitzonderingspositie is gecreëerd”, dit “[m]et het oog op de bewaking van de redelijke afdoeningstermijn voor de zaken van deze gemachtigde” (zie 3.6). Los van hoe de Rechtbank deze uiteenzetting waardeert, is onduidelijk wat de functie van de uiteenzetting is. Wellicht is zij voorlichtend bedoeld voor de Rechtbank. Daarbij rijst dan wel de vraag of een uitspraak het geschikte platform is voor (eenzijdige) uitwisseling van ‘best practices’. Het zou ook kunnen dat de uiteenzetting voor de buitenwacht is bedoeld, zodat deze zicht erop krijgt welke maatregelen het Hof allemaal heeft genomen. Hoe dan ook, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de uiteenzetting (tevens) een normatief karakter heeft. Zij behelst namelijk in zeker opzicht een nadere motivering van wat het Hof in rov. 4.21 overweegt, waarin naar mening besloten ligt dat de Rechtbank méér had moeten doen om een voortvarende behandeling van zaken van de gemachtigde te bewerkstelligen. Die nadere motivering is dat ook meer had kunnen worden gedaan, gelet op wat het Hof (inmiddels) doet.
4. Beschouwing
Aanvliegroute analyse
Ik kies ervoor om de analyse op te bouwen vanuit het feitencomplex. Ik kies er dus voor om niet de klachten van het Bestuur als uitgangspunt te nemen. Reden daarvoor is dat het Hof duidelijk wil weten wat de Hoge Raad vindt van de benadering van het Hof in deze zaak, met het oog op afhandeling van andere aanhangige zaken waarin de Rechtbank een (op dit punt) vergelijkbare uitspraak heeft gedaan als in de onderhavige zaak. De klachten van het Bestuur bespreek ik in onderdeel 5. Ik kies er evenmin voor om primair de uitspraak van het Hof tot uitgangspunt te nemen. Een reden daarvoor is dat mij niet op alle punten helder is wat de redenering van het Hof precies is (vgl. 3.20), waaronder of sprake is van een meervoudige argumentatie dan wel een (deels) nevenschikkende argumentatie. Wel betrek ik de uitspraak van het Hof veelvuldig in de analyse.
Bovendien neem ik de uitspraak van het Hof in die zin wel tot uitgangspunt dat ik mijn analyse mede doe aan de hand van drie thema’s die worden aangesneden in die uitspraak, te weten (i) óf het hier aan de orde zijnde algemene gedrag van de gemachtigde in aanmerking mag worden genomen in individuele procedures, (ii) of de wijze van reactie van de Rechtbank op dat gedrag relevant is voor de beoordeling of een verlenging van de termijn gerechtvaardigd is, en (iii) de lengte van de termijnverlenging.
Tot slot nog een opmerking in verband met het feit dat de onderhavige uitspraak van de Rechtbank sterk verweven is met de uitspraak van 20 november 2023. Wanneer ik hierna spreek over ‘de Rechtbank’ of ‘de uitspraak van de Rechtbank’ dan gaat het om de onderhavige uitspraak in samenhang gelezen met de rechtsoverwegingen in de uitspraak van 20 november 2023 waarnaar de Rechtbank verwijst. Indien ik specifiek doel op een van beide uitspraken, spreek ik over ‘de onderhavige uitspraak’ onderscheidenlijk ‘de uitspraak van 20 november 2023.
Feitelijke uitgangspunten
Naast de in 2.2-2.4 vermelde zaakspecifieke feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de bepaling van VIS wegens ORT, is voor de beoordeling van de voorliggende kwestie van belang of in cassatie kan worden uitgegaan van wat de Rechtbank feitelijk heeft geconcludeerd en daarmee heeft vastgesteld in verband met de handelwijze van de gemachtigde.
Het gaat daarbij in het bijzonder om de vaststelling dat veel zaken van de gemachtigde niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld, omdat de hoeveelheid zaken van de gemachtigde en de momenten waarop hij beschikbaar is voor zittingen niet op elkaar aansluiten (‘onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit’) (zie 3.7). Ik meen dat in cassatie van deze vaststelling kan worden uitgegaan. Immers, hoewel het Hof enige afstand houdt tot die vaststelling, neemt naar mijn mening ook het Hof die vaststelling tot uitgangspunt bij zijn beoordeling (zie 3.23).
Zoals eerder gezien (3.7) bestaat de vaststelling door de Rechtbank in wezen uit twee componenten, namelijk (i) de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde, en (ii) het gevolg daarvan dat vertraging in de behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt. De vraag zou kunnen rijzen of het Hof ook component (ii) als uitgangspunt heeft aanvaard, gelet op wat het Hof in rov. 4.20 overweegt. Ik meen dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord. Het bij (ii) genoemde gevolg is namelijk een gevolg uitgaande van de gehanteerde werkwijze van de Rechtbank. Het Hof heeft in rov. 4.20 (of elders) niet ter discussie gesteld dat, uitgaande van die werkwijze, de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit tot gevolg heeft dat vertraging in de behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt. Rov. 4.20 ziet er op of die vertraging wel volledig is toe te rekenen aan de gemachtigde, waarbij in wezen wordt opgeworpen of de Rechtbank haar werkwijze niet had moeten aanpassen. Dat betreft dus een andere kwestie.
Complicatie: ook uitgangspunt dat onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit tot vertraging in deze zaak heeft geleid?
Zoals eerder in 3.4 opgemerkt ligt naar mijn mening in de onderhavige uitspraak van de Rechtbank besloten het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde ook in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling door de Rechtbank.
Complicatie is dat het Hof de onderhavige uitspraak van de Rechtbank vermoedelijk anders leest/begrijpt dan ik doe. Dat hangt samen met wat ik eerder signaleerde (zie 3.18), namelijk dat het Hof ervan uitgaat dat de Rechtbank in haar uitspraak van 23 november 2023 heeft bepaald dat vanwege de handelwijze van de gemachtigde in alle zaken van de gemachtigde de redelijke termijn wordt verlengd. De bedoelde (vermoedelijk) andere lezing door het Hof van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank is dat daarin niet besloten ligt het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde óók in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling van de zaak door de Rechtbank, maar dat de Rechtbank tot een verlenging van de redelijke termijn is overgegaan ongeacht – zonder onderzoek – of in deze zaak de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad.
Dat het Hof de onderhavige uitspraak van de Rechtbank mogelijk anders leest/begrijpt dan ik doe, compliceert de beoordeling van de uitspraak van het Hof, in het bijzonder over wat het Hof heeft geoordeeld in rov. 4.19. Ik kom daarop terug in 4.18 e.v.
Algemeen kader VIS wegens ORT
Voor het algemene kader van de Hoge Raad wat betreft VIS wegens ORT verwijs ik naar het zogenoemde overzichtsarrest, dat op een voor de onderhavige kwestie niet relevant punt is herijkt in een arrest van 14 juni 2024. Het is niet zinvol om uitgebreid bij dat kader stil te staan. Voor deze zaak is ten eerste van belang dat (i) “voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet”, en (ii) dat “[i]n deze termijn (…) de duur van de bezwaarfase is inbegrepen”, aangezien “[d]e (…) in aanmerking te nemen termijn (…) als regel begint te lopen op het moment waarop (…) de heffingsambtenaar (…) het bezwaarschrift ontvangt”.
Voor deze zaak is in het bijzonder van belang dat de Hoge Raad tevens heeft bepaald dat de redelijke termijn van twee jaar, die gehanteerd moet worden als uitgangspunt, geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van die termijn, rekent de Hoge Raad onder meer:
“a. de ingewikkeldheid van de zaak, die bijvoorbeeld kan zijn gelegen in de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede in de verknochtheid van de zaak met andere zaken betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n); en
b. de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces, bijvoorbeeld door het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of om uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.”
Het staat dus buiten kijf dat ook de invloed van een gemachtigde op de duur van het proces een bijzondere omstandigheid kan zijn. Het Hof heeft dat ook onderkend (rov. 4.20).
Niet elk gedrag van een gemachtigde dat ertoe leidt dat het proces langer duurt dan zonder dat gedrag het geval zou zijn geweest, is een bijzondere omstandigheid. Een aanwijzing daarvoor ligt al besloten in het door de Hoge Raad genoemde voorbeeld van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen. In het bijzonder is geen sprake van een bijzondere omstandigheid indien het gaat om een proceshandeling waarvan het daarmee gemoeide tijdsverloop is verdisconteerd in de redelijke termijn van twee jaar:
“3.6.1. Naar aanleiding van hetgeen hiervoor (…) onder b is overwogen, verdient opmerking dat in de termijnen die de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd, rekening is gehouden met de omstandigheid dat in een niet onaanzienlijk deel van de gevallen aan partijen vier weken de tijd wordt gegund voor herstel van eventuele verzuimen in hun bezwaar- of beroepschrift, en dat het ook niet ongebruikelijk is dat aan partijen vier weken uitstel wordt verleend voor het indienen van nadere processtukken. Van het tijdsverloop dat daarmee gemoeid is, kan niet worden gezegd dat het wordt veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid (…).
Om vergelijkbare redenen als hiervoor in 3.6.1 vermeld, doet zich een bijzondere omstandigheid in beginsel evenmin voor indien de rechter op verzoek van een partij de zitting voor de eerste keer uitstelt (…). Evenzo doet zich een bijzondere omstandigheid in beginsel niet voor indien de behandeling van een zaak ter zitting moet worden onderbroken omdat een verzoek tot wraking is ingediend (…). Hetzelfde geldt voor de behandeling van een verzoek om geheimhouding op de voet van artikel 8:29 Awb en voor het horen van getuigen.”
Het Hof heeft uiteengezet dat het de rechtspraak van de Hoge Raad aldus begrijpt (ik citeer zonder voetnoten):
“4.14 (…) dat het streven van de Hoge Raad is om ervoor te zorgen dat het recht op vergoeding van immateriële schade in de praktijk op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld door middel van forfaitaire vuistregels en objectieve maatstaven waarop slechts in bijzondere gevallen een uitzondering wordt toegelaten. Een dergelijk systeem moet praktisch werkbaar zijn en tot een uniforme toepassing leiden, wat onvermijdelijk leidt tot een zekere ruwheid. (…)”
Hoewel het Hof deze rechtsoverweging niet heeft gegeven in het kader de kwestie of er grond is voor verlenging van de redelijke termijn, klinkt in de uitspraak wel door dat het Hof ervan uitgaat dat in het algemeen terughoudendheid moet worden betracht met het afwijken van de forfaitaire benadering ter zake van de vaststelling van VIS wegens ORT. Ik vat de grote lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad ook zo op. Daarbij kan nog in het bijzonder worden gewezen op het – ook door het Hof aangehaalde – arrest HR BNB 2019/171, waarin is overwogen: “Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen.” Aangezien met ‘die objectiefmaatstaven’ wordt gedoeld op de in het overzichtsarrest neergelegde objectieve maatstaven aan de hand waarvan een verzoek om VIS moet worden beoordeeld, ga ik ervan uit dat de beperking tot bijzondere gevallen ook geldt voor een uitzondering op het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de fase in eerste aanleg twee jaar bedraagt.
Een gevalstype als het onderhavige – waarbij sprake is van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde die tot gevolg heeft dat vertraging optreedt in de behandeling van zaken van de gemachtigde in beroep – is, als ik het goed overzie, nog niet aan de orde gekomen in de rechtspraak van de Hoge Raad. Hoe met zo’n gevalstype dient te worden omgegaan, betreft enerzijds een kwestie van hoe zo’n gevalstype valt in te passen in de rechtspraak ten opzichte van bestaande precedenten betreffende andere gevalstypen. Het gaat echter niet alleen om inpassing, althans zo’n inpassing is geen louter technische kwestie. Het gaat anderzijds ook om de vraag wat redelijk is.
Vertraging als gevolg van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit een bijzondere omstandigheid?
Hier is aan de orde dat sprake is van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde die tot gevolg heeft dat vertraging in de behandeling van zaken van de gemachtigde optreedt. Ik begrijp de onderhavige uitspraak van de Rechtbank zo dat dit gevolg bovendien óók in deze zaak is opgetreden (zie 4.7). Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk gelet op enerzijds de motivering in de uitspraak van 20 november 2023 en anderzijds de periode tussen de binnenkomst van het beroep en de datum van de zitting in deze zaak. Ervan uitgaande dat de vertraging ook in deze zaak is opgetreden, is evident dat de gemachtigde invloed heeft gehad op de duur van het proces in deze zaak. Daarmee is naar mijn mening sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan zijn voor verlenging van de redelijke termijn (zie 4.11-4.12). Daarbij is van belang dat de omstandigheid dat een gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft waardoor vertraging in de duur van het proces optreedt, naar mijn mening geen omstandigheid is die geacht kan worden te zijn verdisconteerd in de redelijke termijn van twee jaar (vgl. in contrast 4.13). Zo de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid alleen kan worden aanvaard als sprake is van een bijzonder geval (vgl. 4.15), is het geval van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit naar mijn mening bovendien ook zonder meer aan te merken als een bijzonder geval. Het is verder naar mijn mening alleszins redelijk dat een verlenging van de redelijke termijn plaatsvindt in zo’n geval.
Onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit (toch) niet toerekenbaar aan de individuele procedure?
Zoals eerder (zie 3.20, eerste opsommingsstreepje) opgemerkt is mij niet helemaal duidelijk welke plaats rov. 4.19 inneemt in de redenering van het Hof. De uitspraak van het Hof zou zo begrepen kunnen worden dat het Hof van oordeel is dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit niet als bijzondere omstandigheid is aan te merken om de reden dat het om algemeen (proces)gedrag gaat dat niet toerekenbaar is aan deze procedure.
Dat oordeel zou dan – zo begrijp ik (zie 3.20, tweede opsommingsstreepje) – gebaseerd zijn op de opvatting “geen ruimte bestaat om het algemene gedrag van een gemachtigde toe te rekenen aan een individuele zaak, zonder dat in die individuele zaak wordt getoetst of zich daarin dezelfde feiten en omstandigheden hebben voorgedaan en waarin dat ook daadwerkelijk tot vertraging heeft geleid”.
Een rechtsopvatting, waarin ik me kan vinden
Als deze opvatting (alleen) zo zou moeten worden begrepen dat algemeen gedrag van een gemachtigde slechts in aanmerking mag worden genomen in het kader van de ORT-beoordeling in een individuele zaak, indien dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak, dan ben ik het eens met de opvatting van het Hof. Toegepast op het onderhavige gevalstype betekent deze opvatting dat het hier aan de orde zijnde algemene gedrag, te weten de omstandigheid dat de gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft, slechts in aanmerking mag worden genomen in een individuele zaak, indien die omstandigheid daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak. Aangezien, zoals ik de uitspraak van de Rechtbank opvat (4.7), dat laatste het geval is in deze zaak, zou die omstandigheid in aanmerking mogen worden genomen – of in de termen van het Hof: zou die omstandigheid zijn toe te rekenen aan deze zaak.
Ervan uitgaande dat het Hof heeft geoordeeld op de wijze zoals in 4.18 is verondersteld, zou dit laatste echter afwijken van het oordeel van het Hof. Dat zou (dus) evenwel niet zijn terug te voeren op een verschil in rechtsopvatting (zie immers zojuist de eerste volzin van 4.20). Het zou wel kunnen worden verklaard door het in 4.8 vermelde (mogelijke) verschil in lezing van de onderhavige uitspraak van de Rechtbank. De lezing door het Hof lijkt namelijk te zijn dat in die uitspraak niet besloten ligt het oordeel dat de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde óók in deze zaak heeft geleid tot vertraging in de behandeling van de zaak door de Rechtbank, maar dat de Rechtbank tot een verlenging van de redelijke termijn is overgegaan ongeacht of de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit vertraging tot gevolg heeft gehad in deze zaak.
Als van die lezing van de uitspraak van de Rechtbank wordt uitgegaan, dan ben ik het eens met het Hof dat de Rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Wat dan nog wel op het eerste gezicht een los eindje is, is dat het Hof vervolgens niet zelf een oordeel erover geeft of aannemelijk is dat in deze zaak vertraging is opgetreden door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat dit volgens het Hof het midden kan blijven. Aanknopingspunt daarvoor zou gevonden kunnen worden in rov. 4.21, waarin het Hof in de kern oordeelt dat de Rechtbank heeft verzuimd te motiveren “waarom de door dat capaciteitsgebrek veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde”.
Een verderstrekkende rechtsopvatting, waarin ik me niet kan vinden
Maar wellicht strekt de in 4.19 vermelde opvatting nog verder dan zoals zojuist in 4.20 is omschreven. Wellicht betwijfelt het Hof of het onderhavige algemene gedrag überhaupt toerekenbaar is aan individuele procedures. Een (a contrario-)aanwijzing daarvoor kan worden gevonden in rov. 4.21, waarin het Hof namelijk een overweging start met: “Zelfs indien de Hoge Raad zou oordelen dat het gebrek aan medewerking bij een jaarplanning ten behoeve van alle procedures aan individuele procedures kan worden toegerekend, (…)”.
Scherp neergezet, zou de verderstrekkende opvatting inhouden dat ook al leidt de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit ertoe dat een zaak later op zitting wordt behandeld dan het geval zou zijn geweest bij voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit, dat algemene gedrag daarmee nog niet aan die individuele zaak is toe te rekenen. Zo’n opvatting lijkt vreemd en in zeker opzicht tegenstrijdig, maar zij zou ingegeven kunnen zijn door het eerder door het Hof in rov. 4.10 aangehaalde arrest HR BNB 2022/106 betreffende de betekenis van coronamaatregelen voor verlenging van de redelijke termijn. In dat arrest is overwogen:
“3.4.2 De uitbraak van het coronavirus in 2020 mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn van berechting van - in dit geval - twee jaar die in de regel als redelijk is aan te merken. Dit wordt niet anders doordat in verband met die uitbraak gerechtsgebouwen een aantal maanden waren gesloten en verdaagde zittingen opnieuw moesten worden gepland. De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid (…) indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland.”
Het Hof laat in rov. 4.10 (hier geciteerd in 3.15) duidelijk doorschemeren verbaasd te zijn over de beperkte invulling die aan het concept ‘bijzondere omstandigheid’ wordt gegeven in de context van de corona-maatregelen: “Dit, terwijl het een feit van algemene bekendheid was dat de werkzaamheden van de gerechten vanwege de coronamaatregelen gedurende die eerste periode niet op gewone snelheid konden doorgaan en er dus vertraging was ontstaan in heel veel – hoewel wellicht niet in alle – zaken.”
Als het zo zou zijn dat het Hof de in 4.24 vermelde verderstrekkende opvatting huldigt, is de gedachtegang van het Hof wellicht geweest dat, naar analogie van HR BNB 2022/106, evenzo voor de hier aan de orde zijnde in het algemeen optredende bijzondere omstandigheid, te weten onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde, geldt dat die omstandigheid alleen grond is voor verlenging van de redelijke termijn indien zij ook concreet aanwijsbaar tot vertraging heeft geleid in de vorm van uitstel van een zitting.
Als het Hof die verderstrekkende opvatting zou huldigen, dan ben ik het niet eens met die opvatting. Nog daargelaten dat ik meen dat HR BNB 2022/106 geen schoonheidsprijs verdient, reeds omdat een onderbouwing ontbreekt waarom de uitbraak van het coronavirus alleen een bijzondere omstandigheid is in de omschreven beperkte gevallen, meen ik dat het onderhavige gevalstype niet te vergelijken is met het geval in HR BNB 2022/106. Een essentieel verschil is dat de uitbraak van het coronavirus een ‘externe omstandigheid’ is die voor vertraging zorgt, terwijl het in het onderhavige gevalstype gaat om een door de gemachtigde veroorzaakte vertraging. Hoewel ik geen ‘fan’ ben van HR BNB 2022/106, kan ik het arrest in zoverre wel begrijpen dat als de uitbraak van het coronavirus wel in algemene zin zou zijn aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt, dit zou hebben betekend dat de vertraging als gevolg van het coronavirus in wezen voor risico voor de belastingplichtige zou zijn gekomen, wat niet vanzelfsprekend is. Bij een door de gemachtigde veroorzaakte vertraging lijkt me het daarentegen wel vanzelfsprekend en geenszins onredelijk dat de gevolgen daarvan voor risico van de belastingplichtige komen. Dat laatste is overigens ook het uitgangspunt (zie 4.12).
Samenvattend
Als de in rov. 4.19 besloten liggende rechtsopvatting van het Hof alleen zo moet worden begrepen dat het Hof uitgaat van de opvatting dat de omstandigheid dat de gemachtigde onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit heeft, slechts in aanmerking mag worden genomen in een individuele zaak, indien die omstandigheid daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak, dan ben ik het eens met die opvatting (zie 4.20). Het vermoedelijke verschil in oordeel tussen het Hof en mij over de uitspraak van de Rechtbank op dit punt, zou dan te maken hebben met een verschil in lezing van die uitspraak (zie 4.21).
Als het Hof evenwel een verderstrekkende opvatting zoals omschreven in 4.24 zou huldigen, dan ben ik het in zoverre niet eens met de rechtsopvatting van het Hof.
Onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit (toch) geen bijzondere omstandigheid gelet op onvoldoende regievoering door Rechtbank?
De uitspraak van het Hof zou zo kunnen worden gelezen dat het Hof van opvatting is dat (i) de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde slechts dan als een bijzondere omstandigheid (die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt) is aan te merken, indien de daardoor veroorzaakte vertraging uitsluitend is toe te rekenen aan de gemachtigde, en (ii) dat dit laatste niet het geval is als de Rechtbank te weinig regie heeft gevoerd (zie 3.23). Ik ga op beide punten in.
Slechts bijzondere omstandigheid indien door de gemachtigde veroorzaakte vertraging uitsluitend toe te rekenen aan de gemachtigde?
Ik meen dat het te ver gaat als een door de gemachtigde veroorzaakte vertraging slechts dan als bijzondere omstandigheid is aan te merken als die vertraging uitsluitend aan de gemachtigde is toe te rekenen. Als uitgangspunt is naar mijn mening voldoende dat het gaat om door de gemachtigde veroorzaakte vertraging. Ik zie voor het strenge ‘uitsluitend’-criterium ook niet direct een aanknopingspunt in het overzichtsarrest (“de invloed van de belanghebbende en/of diens gemachtigde op de duur van het proces”; zie 4.11).
Iets anders is dat niet zonder meer de gehele vertraging die is ontstaan naar aanleiding van bepaald gedrag van de gemachtigde, toerekenbaar hoeft te zijn aan de gemachtigde. Om het concreter te maken: stel dat sprake is van het doen van herhaalde verzoeken om verlenging van gestelde termijnen als bedoeld in het overzichtsarrest (zie 4.11) en het gerecht heeft daarop steeds laat gereageerd waardoor meer vertraging optreedt dan indien het gerecht daarop wel bijtijds zou hebben gereageerd, dan is de vertraging in zoverre niet toerekenbaar aan de gemachtigde (en daarmee evenmin aan de belanghebbende).
Geen bijzondere omstandigheid door onvoldoende regievoering door de Rechtbank?
Los van of een ‘uitsluitend’-criterium zou gelden, blijft hoe dan ook staan de vraag of een gebrek aan regievoering door de Rechtbank eraan in de weg staat om de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit te aanvaarden als bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Ik ben het namelijk eens met het Hof dat uit rechtspraak van de Hoge Raad is af te leiden dat bij de beoordeling of sprake is van een bijzondere omstandigheid belang kan toekomen aan de wijze van regievoering door het bestuursorgaan onderscheidenlijk de feitenrechter.
In het bijzonder de ook door het Hof (in rov. 4.20) genoemde arresten HR BNB 2019/61 en HR BNB 2022/29 zijn daarvan goede voorbeelden:
- In HR BNB 2019/61 had het gerechtshof de redelijke termijn verlengd wegens, kort gezegd, een aan de belanghebbende toe te rekenen vertraging in de periode van 7 april 2014 tot 8 oktober 2015. De Hoge Raad oordeelt evenwel dat in de door hem in zijn arrest uiteengezette “gang van zaken” niet een bijzondere omstandigheid is te ontwaren. De Hoge Raad licht dit verder niet toe, maar ik vermoed dat de verklaring is te vinden in het aspect van die gang van zaken dat de belanghebbende bij brief van 2 april 2014 had verzocht om verlenging van de termijn voor het motiveren van het bezwaar, en dat pas op 23 september 2015 de eerstvolgende actie van de inspecteur volgde in de vorm van een verzoek om het bezwaar te motiveren. Kortom: een kwestie van langdurig niet-reageren/acteren door de inspecteur.
- In HR BNB 2022/29 gaat het vooral om een passage uit de vooropstelling door de Hoge Raad: “Een bijzondere omstandigheid doet zich in beginsel evenmin voor indien de rechter op verzoek van een partij het onderzoek ter zitting voor de eerste keer uitstelt. Bij de beoordeling of daaropvolgende verzoeken tot verder uitstel van het onderzoek ter zitting kunnen leiden tot afwijking van de hiervoor bedoelde, als vuistregel te hanteren termijnen dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld. In rechtsoverweging 4.5 van het arrest van 22 april 2005 is onder letter d verduidelijkt dat hieronder in elk geval moet worden verstaan de mate van voortvarendheid die is betracht bij het vaststellen van de datum van het onderzoek ter zitting.”
Twee andere arresten die het Hof in rov. 4.20 noemt, zijn naar mijn mening minder passend om het belang van regievoering te illustreren:
- HR BNB 2015/57 lijkt mij in wezen slechts een toepassing te betreffen van de regel (zie 4.13) dat – kort gezegd – geen sprake is van een bijzondere omstandigheid indien het gaat om een proceshandeling waarvan het daarmee gemoeide tijdsverloop is verdisconteerd in de redelijke termijn.
- Het nadien gewezen arrest HR BNB 2015/8 lijkt me zelfs eerder erop te duiden dat het Hof in de onderhavige zaak een te zwaar gewicht heeft toegekend aan het belang van regievoering door de Rechtbank in verband met de vraag of een vertraging aan de gemachtigde (en daarmee aan belanghebbende) is toe te rekenen. In dat arrest is aan de orde dat de inspecteur de belanghebbende tweemaal uitstel had verleend van in totaal negen maanden voor motivering van het bezwaar. De Hoge Raad herhaalt eerst zijn rechtspraak dat – kort gezegd – het tijdsverloop dat gemoeid is met het binnen de gebruikelijke termijn van vier weken herstellen van een vormverzuim niet kan worden aangemerkt als een aan de belanghebbende toerekenbare bijzondere omstandigheid. Hier van belang is dat de Hoge Raad vervolgens het overige tijdsverloop (van ruim acht maanden) in verband met de motivering van het bezwaar wél aanmerkt als een vertraging die is veroorzaakt door een aan belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid. Aan die toerekening staat dus niet in de weg dát de inspecteur tweemaal uitstel op verzoek heeft verleend van in totaal negen maanden; anders gezegd: de Hoge Raad werpt de inspecteur niet een gebrek aan regievoering tegen.
Zo de uitspraak van het Hof zo moet worden begrepen dat het Hof van oordeel is dat een gebrek aan regievoering door de Rechtbank meebrengt dat de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging niet is aan te merken als bijzondere omstandigheid, rijst de vraag of dat oordeel past in de bestaande jurisprudentie. Voor zover het Hof zijn opvatting baseert op de zojuist in 4.35 besproken arresten, meen ik dat in die arresten voor die opvatting geen steun is te vinden, eerder integendeel voor zover het gaat om HR BNB 2015/8.
Wat betreft de in 4.34 vermelde arresten meen ik dat er een wezenlijk verschil is met het onderhavige gevalstype van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde. Die arresten zien naar mijn mening op regievoering uitgaande van de gebruikelijke werkwijze: de inspecteur dient tijdig te reageren op een verzoek om uitstel van motivering althans tijdig te acteren indien een motivering binnen de gestelde termijn uitblijft (HR BNB 2019/61) en evenzo dient een rechter bij een tweede of verder verzoek om uitstel van de zitting voortvarendheid te betrachten bij het vaststellen van nieuwe datum van de zitting (HR BNB 2022/29). Kortom, de inspecteur respectievelijk rechter moeten niet zelf mede voor vertraging zorgen. Dat is iets wezenlijk anders dan wat het Hof hier van de Rechtbank lijkt te verlangen, te weten een strakkere regievoering ten opzichte van de gemachtigde in die zin dat de Rechtbank zich niet had mogen neerleggen bij de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. Het Hof lijkt ook te verlangen dat de Rechtbank desnoods haar werkwijze had moeten aanpassen (vgl. de slotzin van rov. 4.21 over “het uitgangspunt dat per zitting gemiddeld 11 zaken kunnen worden behandeld”), net zoals het Hof heeft gedaan “om de negatieve effecten van het procesgedrag van de gemachtigde in te perken” (vgl. rov. 4.26 van het Hof). Zo’n strakkere regievoering moge gewenst zijn en het valt zonder meer toe te juichen dat het Hof zelf inmiddels een meer effectieve werkwijze heeft ontwikkeld, maar de afwezigheid van een dergelijke strakkere regievoering neemt naar mijn mening niet weg dat de vertraging in de behandeling is veroorzaakt door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. Ik zie niet in waarom die vertraging daarmee niet normatief is toe te rekenen aan de gemachtigde (en daarmee belanghebbende). Ik zie bijvoorbeeld geen relevant verschil met HR BNB 2015/8, waarin vertraging door extra gevraagd uitstel aan de belanghebbende wordt toegerekend, aan welke toerekening dus niet in de weg staat dat de inspecteur heeft ingestemd met het uitstel. Evenzo meen ik dat hier aan de toerekening niet in de weg staat de door het Hof veronderstelde “keuze van de Rechtbank om zich neer te leggen bij de krappe agenda en de bedrijfsvoering van de gemachtigde”. Ook de keuze van de Rechtbank om vast te houden “aan het uitgangspunt dat per zitting gemiddeld 11 zaken kunnen worden behandeld”, neemt naar mijn mening niet weg dat de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging is toe te rekenen aan de gemachtigde. Dat zou wellicht anders kunnen zijn in het geval de gemachtigde had voorgesteld om meer zaken op zitting te behandelen, maar dat vermeldt de uitspraak van het Hof niet. Overigens zou ik ook voor dat geval menen dat de Rechtbank een ruime beoordelingsmarge heeft om te bepalen of zij instemt met zo’n voorstel. Het is immers in de eerste plaats aan de rechter te bepalen of dat niet ten koste gaat van de kwaliteit van het onderzoek ter zitting (waaronder begrepen de kwaliteit van de voorbereiding door de rechter van de zitting).
Tot slot, het is mijns inziens ook alleszins redelijk indien de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging toegerekend wordt aan de gemachtigde (en daarmee belanghebbende). Sterker nog, het zou naar mijn mening juist een onredelijke uitkomst zijn indien een belanghebbende de VIS-vruchten zou plukken van een door zijn gemachtigde veroorzaakte vertraging. Dat zou des te meer een onredelijke uitkomst zijn nu in dit geval de gemachtigde feitelijk de VIS-vruchten geniet (zie rov. 13 van de Rechtbank), denkelijk op grond van een no cure no pay-afspraak.
Lengte van termijnverlenging
Uit het voorgaande volgt dat ervan uitgaande dat ook in deze zaak vertraging is ontstaan in de behandeling als gevolg van onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde, er naar mijn mening sprake is van een (aan belanghebbende toe te rekenen) bijzondere omstandigheid die aanleiding kan zijn voor verlenging van de redelijke termijn. Een volgende kwestie is dan hoe de termijnverlenging moet worden bepaald. Voor de zuiverheid merk ik nog op dat ik in navolging van het overzichtsarrest uitga van de techniek van verlenging, maar dat ook andere technieken mogelijk zijn (zoals de techniek om voor de desbetreffende periode een rechtvaardiging voor overschrijding van de redelijke termijn te aanvaarden of de techniek om de desbetreffende periode buiten beschouwing te laten) en dat de Hoge Raad niet steeds techniek-vast is. De techniek lijkt mij materieel echter een kwestie van lood om oud ijzer.
Algemeen
Over de bepaling van de lengte van de termijnverlenging als zich de bijzondere omstandigheid voordoet dat vertraging is ontstaan door onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij een gemachtigde, valt in algemene zin weinig concreets te zeggen. In abstracte zin kan wel worden gezegd dat die lengte afhangt van de duur van de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging. Ter bepaling van die duur zal een vergelijking moet worden gemaakt met het hypothetische geval dat de gemachtigde wel voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit zou hebben gehad. De duur van de vertraging is te stellen op de tijdsduur tussen de datum waarop de zitting in werkelijkheid is gehouden en de datum waarop de zitting zou zijn gehouden in het bedoelde hypothetische geval. Dat vergt dat de rechter ook rekening houdt met – en realistisch is over – de eigen zittingscapaciteit. Immers, indien en voor zover de zaak als gevolg van gebrek aan eigen capaciteit bij de rechter later op zitting zou zijn behandeld dan had gekund zonder dat gebrek en uitgaande van het hypothetische geval van voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde, dan kan naar mijn mening voor die periode niet worden gezegd dat de vertraging is veroorzaakt door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit bij de gemachtigde.
Het zal duidelijk zijn: het bepalen van de duur van de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging zal feitelijk neerkomen op een (in)schatting. Gegeven dat het om een schatting gaat, kunnen aan de bepaling van de duur van vertraging geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Enige ruwheid lijkt mij daarbij bovendien ook acceptabel vanuit de optiek dat de bepaling van de VIS bij ORT sowieso op ruwe uitgangspunten is gebaseerd.
De vraag rijst dan wel op welke wijze de duur van vertraging kan worden getoetst in hogere instantie. Als die hogere instantie de Hoge Raad is, meen ik dat de toetsingsruimte zeer beperkt is, gelet op de beperkte toets in cassatie. De beslissing wat betreft de duur van vertraging heeft immers een hoogst feitelijk karakter. Nu aan die beslissing bovendien geen hoge motiveringseisen kunnen worden gesteld, zal de toetsing in cassatie naar mij voorkomt doorgaans niet meer kunnen zijn dan een toets of de beslissing onbegrijpelijk is.
Een voorbeeld van een beslissing die onbegrijpelijk zou kunnen zijn, is dat de rechtbank de duur van de door onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging heeft bepaald op één jaar (twaalf maanden), terwijl de beroepsfase bij de rechtbank slechts 15 maanden heeft geduurd. Nu dat zou impliceren dat de beroepsfase zonder de vertraging slechts drie maanden zou hebben geduurd, zou die beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn. Sterker nog, in dit voorbeeld kan worden betwijfeld of überhaupt sprake is van vertraging in de beroepsfase en daarmee van een bijzondere omstandigheid.
Als de toetsende hogere instantie niet de Hoge Raad maar een gerechtshof is, geldt niet de beperkte toets zoals die voor cassatie geldt. Ik meen niettemin dat ook het gerechtshof terughoudendheid zou moeten betrachten bij toetsing van een door de rechtbank bepaalde duur van vertraging, enerzijds omdat de rechtbank in een betere positie is om de schatting te maken (nu het haar werkproces betreft) en anderzijds omdat die schatting naar haar aard beperkt is te motiveren.
Over de uitspraak van de Rechtbank
In deze zaak zou zonder verlenging van de redelijke termijn die termijn zijn overschreden met 13 maanden (zie 3.2). De Rechtbank heeft in de onderhavige uitspraak de redelijke termijn verlengd met één jaar (zie 3.3). Gelet op de periode die is verstreken tussen binnenkomst van het beroepschrift (4 dan wel 28 februari 2022) en de datum van de zitting (3 mei 2024) komt mij de lengte van de termijnverlening niet onbegrijpelijk voor. De implicatie dat in het geval de gemachtigde wel voldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit had gehad, een zitting rond mei 2023 – dus ruim veertien maanden na binnenkomst van het beroepschrift – had kunnen plaatsvinden, lijkt voorshands geenszins onaannemelijk.
Over de uitspraak van het Hof
Bij de beoordeling van de uitspraak van het Hof wat betreft de door de Rechtbank bepaalde lengte van de termijnverlenging, speelt weer de complicatie dat het Hof ervan uitgaat dat de Rechtbank de termijn generiek – in alle zaken – heeft verlengd met een jaar en dat het Hof over die generieke verlenging overwegingen heeft gegeven in rov. 4.21 en 4.22.
Als wordt uitgegaan van de lezing door het Hof, dan ben ik het in zoverre met het Hof eens dat de benadering om de verlengingsduur generiek te bepalen als zodanig niet juist is. De duur van vertraging moet naar mijn mening immers per zaak moeten worden bepaald (zie 4.40). Die individuele benadering neemt echter niet weg dat de bepaling een schatting is. En de individuele benadering betekent geenszins dat de schatting in veel zaken niet op dezelfde duur zou kunnen uitkomen. Voor zaken die binnen een vergelijkbare duur zijn afgedaan, ligt dat zelfs in de rede. En nogmaals: enige ruwheid lijkt mij acceptabel.
Het Hof heeft niet in concreto geoordeeld wat in deze zaak een acceptabele verlengingsduur zou zijn. Ik vat de uitspraak van het Hof zo op dat dit in de redenering van het Hof ook niet nodig was, omdat er geen grond is voor een verlenging van de termijn, gelet op wat het Hof eerder in rov. 4.20 en 4.21 heeft overwogen.
Niettemin kunnen uit de uitspraak van het Hof twee bezwaren van het Hof worden afgeleid tegen de verlenging van de redelijke termijn met één jaar in deze zaak.
Het eerste bezwaar is te vinden in rov. 4.21, indien die rechtsoverweging zo wordt gelezen dat het Hof de aldaar opgeworpen kwestie dat de door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging niet zonder meer is toe te rekenen aan de gemachtigde, ook relevant acht in verband met de lengte van de termijnverlenging (zie eerder 3.23 over die lezing). Gelet op mijn uiteenzetting in 4.33-4.38, meen ik dat dit bezwaar ongegrond is. De door de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit veroorzaakte vertraging is toerekenbaar aan de gemachtigde. De redelijke termijn kan daarom ook worden verlengd met de volledige duur van de vertraging die een direct gevolg is van de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. Dat de Rechtbank wellicht meer regie had kunnen voeren, doet daaraan niet af.
Het tweede bezwaar is te vinden in rov. 4.22, waarbij bovendien specifiek deze zaak als voorbeeld wordt genoemd. Het gaat om de overweging “dat de Rechtbank geen rekening lijkt te hebben gehouden met de mogelijkheid dat de oorzaak van de overschrijding van de redelijke termijn (tevens) in de bezwaarfase ligt, zoals in deze zaak waarin de overschrijding in de bezwaarfase bijna twee maanden bedraagt. Een dergelijke overschrijding kan immers niet worden verklaard door het niet (voldoende) beschikbaar zijn van de gemachtigde voor zittingen bij de Rechtbank.” Wat betreft het laatste: daar is geen speld tussen te krijgen. Het Hof lijkt echter in de eerste zin te suggereren dat de beslissing om de termijn met een jaar te verlengen wegens een omstandigheid die zich in de beroepsfase heeft voorgedaan, op gespannen voet staat met de omstandigheid dat (ook) in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden. Dat begrijp ik echter niet, althans niet voor een zaak als de onderhavige. Dat (ook) in de bezwaarfase de redelijke termijn is overschreden door een bepaalde oorzaak, betekent toch niet dat een gemachtigde in de beroepsfase niet voor een aan hem toerekenbare vertraging van een jaar kan zorgen? In dat opzicht is het bezwaar ongegrond. Ik merk nog op dat het wellicht op het eerste oog vreemd is dat in het onderhavige geval nog maar één maand ORT in eerste aanleg resteert door een verlenging van de redelijke termijn met één jaar wegens vertraging in de beroepsfase, terwijl de ORT in de bezwaarfase twee maanden bedraagt. Dat is evenwel niet vreemd; het is logisch verklaarbaar in het ORT-systeem van de Hoge Raad.
Waar het Hof naar mijn mening wel een punt heeft in rov. 4.22, is dat een termijnverlenging met een jaar ‘klemt’ in “die gevallen waarin de overschrijding van de redelijke termijn volledig toerekenbaar zou zijn aan de bezwaarfase omdat de vertraging zich dan in het geheel niet voordoet in de beroepsfase.” Dat dit klemt, heeft echter niet te maken met het feit dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase, maar met het feit dat er geen sprake is van een overschrijding van de (gebruikelijke) redelijke termijn in de beroepsfase. Anders gezegd: zo’n geval komt in wezen overeen met het voorbeeld dat ik in 4.43 heb gegeven. Immers, in zo’n geval is aan de orde dat de beroepsfase minder dan anderhalf jaar heeft geduurd. Als er in zo’n geval al sprake zou zijn van een door de onvoldoende zittingscapaciteit veroorzaakte vertraging, lijkt daarmee niet direct aannemelijk dat die vertraging een jaar bedraagt, omdat dit zou impliceren dat zonder de vertraging het beroep al binnen een half jaar zou zijn behandeld. Dat het Hof hier een punt heeft is voor deze zaak evenwel niet relevant. In deze zaak doet zich het beschreven geval zich immers niet voor: de (gebruikelijke) redelijke termijn voor de beroepsfase is juist ruim (met tien maanden) overschreden.
Kortom, als geabstraheerd wordt van het ‘generieke’ element, dan meen ik dat de door het Hof aangevoerde bezwaren geen grond bieden om de door de Rechtbank bepaalde termijnverlenging met een jaar in deze zaak onjuist te achten.
5. Beoordeling van de klachten van het Bestuur
Welke lezing uitspraak Rechtbank?
Gelet op de eerste alinea van de toelichting op de klacht, leest het Bestuur de uitspraak van de Rechtbank anders dan ik, want op een vergelijkbare wijze als het Hof. Het Bestuur vermeldt namelijk dat de Rechtbank “heeft geoordeeld dat de redelijke termijn van behandeling in alle zaken waarin gemachtigde (…) optreedt, generiek dient te worden verlengd van twee naar drie jaar”. Aangezien ‘s Hofs lezing dus in cassatie niet is bestreden, ga ik bij de beoordeling van de klachten van die lezing uit.
Klachten over rov. 4.19
De kern van de in de tweede alinea van de toelichting opgenomen klacht over rov. 4.19 is het betoog dat “[h]et Hof (…), net zoals de Rechtbank, op basis van het algemene (proces)gedrag van belanghebbende [bedoeld zal zijn: de gemachtigde; MP] in al zijn zaken, dus ook in de onderhavige zaak, tot een generieke verlenging van de redelijke termijn van twee naar drie jaar [had] moeten komen”. In het licht van de – in cassatie niet bestreden – omschrijving door het Hof in rov. 4.4 van de voorliggende vraag, houdt het betoog kennelijk in dat het Hof tot de bedoelde generieke verlenging in alle zaken van de gemachtigde had moeten overgaan “zonder onderzoek in de individuele procedure”. Zo begrepen faalt het betoog, omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoog miskent dat het bedoelde algemene (proces)gedrag slechts in aanmerking mag worden genomen bij de beoordeling of er grond is voor verlenging van de redelijke termijn in een zaak, indien dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak (zie 4.20 en vgl. 4.17). Of er grond is voor verlenging moet per zaak worden beoordeeld.
De in de derde alinea van de toelichting opgenomen klacht over rov. 4.19 houdt in dat het Hof ten onrechte een aanknopingspunt voor zijn opvatting ziet in het hier in 3.15 vermelde arrest HR BNB 2022/106 betreffende de betekenis van coronamaatregelen voor verlenging van de redelijke termijn. Volgens de klacht is de situatie in dat arrest niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie. Met dit laatste ben ik het op zichzelf eens (vgl. 4.27). Dat doet echter niet eraan af dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat het hier aan de orde zijnde algemene (proces)gedrag slechts grond voor verlenging van de redelijke termijn in een zaak kan zijn, indien dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak.
Klachten over de door het Hof vereiste afweging (rov. 4.20 e.v.)
Uit rov. 4.20 en rov. 4.21 in samenhang gelezen volgt dat het Hof van opvatting is dat in het geval vertraging in het proces in een zaak is veroorzaakt door de omstandigheid dat de gemachtigde onvoldoende capaciteit heeft om de (vele) door hem aangebrachte zaken af te handelen, die omstandigheid nog niet zonder meer is aan te merken als een aan de gemachtigde toerekenbare bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. In de opvatting van het Hof moet in een dergelijk geval nog een afweging plaatsvinden, waarbij moet worden betrokken de reactie van de Rechtbank op die omstandigheid (wijze van regievoering). Voor zover de klachten in de vierde alinea van de toelichting zich tegen deze opvatting richten, slagen zij. De opvatting van het Hof geeft blijk van een te strenge maatstaf van wat als aan een gemachtigde toerekenbare bijzondere omstandigheid is aan te merken. Indien vaststaat dat vertraging in het proces is veroorzaakt door capaciteitsgebrek bij de gemachtigde, is die omstandigheid aan te merken als een bijzonder omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Zie 4.30-4.38.
Wat betekent dit? Cassatie? Verwijzen?
Zoals hiervoor opgemerkt meen ik dat het Hof terecht ervan is uitgegaan dat het hier aan de orde zijnde algemene (proces)gedrag slechts grond voor verlenging van de redelijke termijn in een zaak kan zijn, indien dat gedrag ook daadwerkelijk van invloed is geweest op de duur van het proces in die zaak. Het Hof heeft evenwel vervolgens niet beoordeeld of in déze zaak de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde van invloed is geweest op de duur van het proces in deze zaak bij de Rechtbank. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat dit volgens het Hof in het midden kan blijven, gelet op wat het Hof heeft overwogen in rov. 4.20-4.21. Aangezien die rechtsoverwegingen echter berusten op een onjuiste rechtsopvatting (zie 5.4), ontvalt in zoverre de basis om niet een zaakspecifieke beoordeling te geven. Dan lijkt het erop dat cassatie dient te volgen en dat de zaak verwezen zou moeten worden voor die beoordeling.
Cassatie zou echter achterwege kunnen blijven, in het geval het geschil voor het Hof zo wordt opgevat dat partijen het geschil over de verlenging van de termijn als een alles-of-niets-geschil hebben willen voorleggen aan het Hof: namelijk óf in alle zaken een generieke verlenging van de redelijke termijn met een jaar óf in alle zaken geen enkele verlenging van de redelijke termijn. Cassatie zou dan achterwege kunnen blijven, omdat rov. 4.19 van het Hof in dat geval zelfstandig zijn oordeel zou dragen. Een aanwijzing voor een alles-of-niets-geschil zou wellicht gevonden kunnen worden in de omschrijving van de voorliggende vraag door het Hof in rov. 3.1 en 4.4 (zie de citaten in 3.17). Enkel die aanwijzing is naar mijn mening echter te zwak, omdat de wijze waarop het Hof de voorliggende vraag heeft afgebakend, nog niet inhoudt dat partijen voor het Hof – waaronder ook de Staat – een procesafspraak hebben gemaakt om een alles-of-niets-geschil voor te leggen. De uitspraak van het Hof maakt bovendien geen melding van een dergelijke procesafspraak. Ik heb in het aan mij ter beschikking gestelde procesdossier van het Hof zo’n procesafspraak ook niet kunnen traceren.
De gegrondbevinding van de klacht over rov. 4.20 e.v. leidt dus ook tot cassatie. Beoordeeld moet dan worden of en zo ja in hoeverre de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit van de gemachtigde van invloed is geweest op de duur van het proces in déze zaak bij de Rechtbank. Gegeven het feitelijke karakter van die beoordeling, zou de zaak voor die beoordeling als uitgangspunt verwezen moeten worden. Verwijzing voor alleen een beoordeling van een VIS-geschil lijkt mij echter buitengewoon onaantrekkelijk uit oogpunt van zinvol gebruik van schaarse rechterlijke capaciteit. Bovendien rijst de vraag welk aanvullend feitelijk onderzoek het verwijzingshof precies nog zou moeten doen, aangezien (i) de harde gegevens over het procesverloop in deze zaak vaststaan en (ii) de uitspraak van 30 november 2023 concrete gegevens bevat over de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. In aanmerking genomen enerzijds de vaststelling door de Rechtbank in de uitspraak van 30 november 2023 dat “veel zaken” van de gemachtigde niet tijdig op zitting kunnen worden behandeld en anderzijds de duur tussen binnenkomst van het beroepschrift en de zitting in deze zaak, lijkt mij moeilijk een andere conclusie denkbaar dan dat deze zaak één van die vele zaken is geweest waarin de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit voor vertraging in de behandeling heeft gezorgd. Daarbij komt dat ik in het procesdossier van het Hof niet heb kunnen vinden dat de gemachtigde voor het Hof heeft bestreden dát in déze zaak vertraging is opgetreden als gevolg van zijn onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit. De gemachtigde heeft, als ik het goed zie, vooral geageerd tegen de omstandigheid dat de Rechtbank in al zijn zaken de redelijke termijn verlengt tot drie jaar. Al met al zie ik daarom wel ruimte voor de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen op grond van art. 29e(2) AWR. Dat geldt ook voor het aspect van de mate van verlenging met één jaar. Ook daarvoor geldt namelijk dat, als ik het goed overzie, de gemachtigde niet heeft gesteld voor het Hof dat, als de onvoldoende zittingsbeschikbaarheidscapaciteit grond is voor verlenging van de redelijke termijn, de vertraging in de beroepsfase in déze zaak minder dan één jaar bedraagt.
Concreet betekent dit het volgende. Gelet op de verlenging van de redelijke termijn met één jaar, is de ORT één maand. De VIS bedraagt dan € 500. Gegeven de, niet bestreden, door het Hof gehanteerde verhouding in de toerekening van 231/1500, komt daarvan € 77 voor rekening van de Heffingsambtenaar. Op dit punt dient de uitspraak van het Hof gecorrigeerd te worden. De VIS-veroordeling van de Staat blijft in stand, aangezien de Staat geen beroep in cassatie heeft ingesteld.
6. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van het Bestuur gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal