ECLI:NL:PHR:2026:25

ECLI:NL:PHR:2026:25

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 24/00693
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Betekeningperikelen en aanwezigheidsrecht. Middel klaagt dat ’s hofs oordeel dat dagvaarding ttz h.b. rechtsgeldig is betekend onbegrijpelijk is, omdat niet is geprobeerd te betekenen aan op appelakte vermelde adres dat door de verdachte als domicilie is gekozen, terwijl dit adres moet worden aangemerkt als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats. Middel faalt omdat het op appelakte vermelde adres het kantooradres is van de raadsvrouw van de verdachte en een dergelijk adres niet is aan te merken als feitelijke woon- of verblijfplaats (HR 12 februari, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, r.o. 3.23). De in HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701 geformuleerde aanvullende verplichting om een afschrift van de dagvaarding in h.b. naar het in akte rechtsmiddel vermelde kantooradres van de raadsvrouw te verzenden, is in de onderhavige zaak niet van toepassing, omdat ervan kan worden uitgegaan dat de raadsvrouw de datum van de terechtzitting uit het afschrift van de dagvaarding heeft kunnen vernemen en gelijktijdige toezending van een tweede afschrift op het kantooradres niet van meerwaarde is. Immers, de raadsvrouw was ttz aanwezig, terwijl niet is gebleken van feiten of omstandigheden die impliceren dat de raadsvrouw het afschrift van de dagvaarding niet daadwerkelijk heeft ontvangen en er overigens ook in cassatie niet over is geklaagd dat art. 48 tweede volzin Sv zou zijn geschonden. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/00693

Zitting 3 februari 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de verdachte

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 14 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-002182-23) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2023, waarbij de verdachte in de zaak met parketnr. 10-167471-22 wegens “mishandeling” en in de zaak met parketnr. 10-141392-22 wegens “diefstal” is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2. Waar het in cassatie om gaat

In deze zaak is namens de verdachte door de raadsvrouw op 18 juli 2022 hoger beroep ingesteld. In de akte instellen hoger beroep is als woonadres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats] vermeld. Voorts is in de akte vermeld dat de verdachte [b-straat 1] te [plaats] als domicilie kiest. Dit laatste adres is het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte, zo blijkt uit het briefpapier van de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep en uit het in deze volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Sinds 28 november 2023 staat de verdachte niet meer als ingezetene ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: BRP). Geprobeerd is de dagvaarding te betekenen aan het laatste historische BRP-adres van de verdachte, te weten [a-straat 1] te [plaats] en aan de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, te weten [c-straat 1] te [plaats] . Omdat geen uitreiking heeft kunnen geschieden op voornoemde adressen, is de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan het openbaar ministerie en zijn afschriften van de dagvaarding naar de adressen [a-straat 1] in [plaats] en [c-straat 1] in [plaats] toegezonden. Uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep heeft niet plaatsgevonden op het adres [b-straat 1] te [plaats] , het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte en het door de verdachte gekozen domicilieadres, dat namens de verdachte in de akte instellen hoger beroep is vermeld. Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en deze niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 416 lid 2 Sv. Het middel klaagt over het oordeel dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

3. Het middel

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep aan het openbaar ministerie, de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend. Dit oordeel zou blijkens het middel en de toelichting daarop onbegrijpelijk zijn “nu niet blijkt dat de dagvaarding overeenkomstig het bepaalde in artikel 36e Sv is verzonden aan het door requirant opgegeven adres”, dat wil zeggen het op de appelakte vermelde adres dat door de verdachte als domicilie is gekozen, te weten [b-straat 1] te [plaats] , terwijl dit adres moet worden aangemerkt als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats.

Bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

i. een akte instellen hoger beroep van 18 juli 2023 waarin is vermeld dat de verdachte wonende is te [a-straat 1] te [plaats] en ook dat de verdachte [b-straat 1] te [plaats] als domicilie kiest;

ii. een aan de akte instellen hoger beroep gehechte bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep van de raadsvrouw van de verdachte. Op het briefpapier van de bijzondere volmacht is als bezoekadres van de raadsvrouw van de verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats] vermeld. Dit is ook het in de volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv;

iii. de Informatiestaat SKDB-persoon van 6 februari 2024, waarin onder meer is vermeld

a. als huidig BRP-adres van de verdachte sinds 28 november 2023 “Onbekend” in Turkije met als status “Niet-ingezetene”,

b. als de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats [c-straat 1] in [plaats] met als datum van registratie 5 juli 2022 en

c. dat de verdachte niet is gedetineerd;

iv. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, toegezonden aan de raadsvrouw van de verdachte inhoudende dat de verdachte, wonende te “()” en “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”, wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen;

v. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 10 januari 2024, waaruit blijkt dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet bekend is, dat onder adres is vermeld “Thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande”, en dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie;

vi. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, inhoudende dat de verdachte, wonende op [a-straat 1] te [plaats] , wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen;

vii. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 18 januari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet meer woont op het adres [a-straat 1] te [plaats] ;

viii. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 6 februari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet in de BRP stond ingeschreven, maar de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde wel bekend was, dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat een afschrift is verzonden aan het adres [a-straat 1] te [plaats] ;

ix. een dagvaarding van de verdachte in hoger beroep, aangemaakt op 10 januari 2024, inhoudende dat de verdachte, wonende op de [c-straat 1] te [plaats] , wordt gedagvaard om op 14 februari 2024 ter terechtzitting te verschijnen;

x. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 16 januari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet meer woont op het adres [c-straat 1] te [plaats] ;

xi. een akte van uitreiking van de dagvaarding voor de terechtzitting van 14 februari 2024, ingevuld op 6 februari 2024, waaruit blijkt dat de geadresseerde niet in de BRP stond ingeschreven, maar de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde wel bekend was, dat de dagvaarding is uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat het afschrift is verzonden aan het adres [c-straat 1] te [plaats] .

Het proces-verbaal ter terechtzitting van 14 februari 2024 houdt onder meer het volgende in:

“De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

is niet ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De voorzitter vraagt de advocaat-generaal naar zijn standpunt met betrekking tot de betekening.

De advocaat-generaal reageert als volgt:

De verdachte is uitgeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Daarna is de dagvaarding naar een oud adres gegaan. Er is verder niets ondernomen en dat had wel gemoeten.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad, waarna het onderzoek wordt hervat.

De voorzitter neemt het woord:

Het hof concludeert dat de betekening goed is gegaan. Sinds 28 november 2023 heeft de verdachte geen vast woon- of verblijfplaats hier te lande. Het oude BRP-adres was [a-straat 1] te [plaats] . Er is geprobeerd uit te reiken op dat adres, maar dit is niet gelukt omdat de verdachte er niet meer woonde. Er is betekend aan het openbaar ministerie. De laatst opgegeven woon- of verblijfplaats op 5 juli 2022 was de [c-straat 1] te [plaats] . Er is een afschrift verzonden naar dat adres.

De raadsvrouw antwoordt desgevraagd:

Er is bij mij geen adres van mijn cliënt bekend en ik beschik ook niet over een telefoonnummer van hem. Ik heb meerdere pogingen gedaan om in contact te komen met mijn cliënt. Dat is niet gelukt.

De advocaat-generaal vraagt het hof verstek te verlenen en vordert dat de niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen verdachte wegens het ontbreken van grieven niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. Daartoe legt de advocaat-generaal de schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”

Het bestreden arrest van 14 februari 2024 houdt onder meer het volgende in:

“Procesgang

In eerste aanleg zijn de zaken met parketnummers 10-167471-22 (dagvaarding I) en 10-141392-22 (dagvaarding II) gevoegd. De verdachte is vrijgesproken van het onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 2 onder. De verdachte is ter zake van het onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 1 en het onder dagvaarding II tenlastegelegde feit veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem als feit 2 onder dagvaarding I is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het hof stelt ten aanzien van het aan de verdachte onder dagvaarding I tenlastegelegde feit 1 en het onder dagvaarding II tenlastegelegde feit vast dat de verdachte geen schriftuur met grieven tegen het vonnis heeft ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ook voor deze delen van het vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

Het voorgaande komt erop neer dat de verdachte in het gehele hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

- Art. 36e lid 1 en lid 2 Sv:

“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1° aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2° indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”

- Art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv:

“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:

c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 14 februari 2024 (opgenomen onder ‎3.3) houdt onder meer in dat de raadsvrouw heeft medegedeeld niet door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Dat de raadsvrouw blijkens het proces-verbaal desgevraagd heeft geantwoord dat er bij haar geen adres van de verdachte bekend is, impliceert niet dat de raadsvrouw de gelegenheid heeft gehad te klagen over de betekening van de dagvaarding voor die terechtzitting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de raadsvrouw die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de betekening van deze dagvaarding.

Ingevolge art. 36e lid 2 aanhef en onder b jo. art. 36e lid 1 aanhef en onder b Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan indien geen uitreiking heeft kunnen geschieden aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de BRP en evenmin aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de geadresseerde indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Hierbij geldt dat de onmogelijkheid om de oproeping uit te reiken vanwege de onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen wanneer niet is geprobeerd de uitreiking van de oproeping te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen. Dit adres moet niet door een latere opgave zijn achterhaald. Uit rechtspraak van de Hoge Raad die is gewezen in het kader van de uitreiking van gerechtelijke mededelingen volgt dat een kantooradres geen woon- of verblijfplaats is.

Op grond van de onder 3.2 onder i en ii opgenomen aan de Hoge Raad gezonden stukken, kan in cassatie worden vastgesteld dat het in de akte instellen hoger beroep vermelde adres [b-straat 1] te [plaats] , dat door de verdachte als domicilie is gekozen, het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte is. Dit blijkt uit de informatie op het briefpapier van de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep en uit het in deze volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Op het briefpapier van de bijzondere volmacht is als bezoekadres van de raadsvrouw van de verdachte het adres [b-straat 1] in [plaats] vermeld. Dit is ook het in de volmacht opgegeven adres voor de toezending van het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv. Uit de vooropstelling onder ‎3.7 volgt reeds dat dit kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte niet kan worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Uitreiking van de dagvaarding hoefde daarom niet op dat adres plaats te vinden.

Gelet op hetgeen onder ‎3.7 is vooropgesteld is het bestreden oordeel van het hof ook overigens niet onbegrijpelijk. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2024 (zie onder ‎3.3) heeft het hof op die terechtzitting geconstateerd dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend, waarna het hof verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdachte sinds 28 november 2023 geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, dat is geprobeerd de dagvaarding in hoger beroep uit te reiken op het oude BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [plaats] ) maar dat dit niet is gelukt omdat de verdachte er niet meer woonde, dat is betekend aan het openbaar ministerie, en dat een afschrift is verzonden naar de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte ( [c-straat 1] te [plaats] ). Deze gang van zaken blijkt ook uit de onder ‎3.2 aan de Hoge Raad gezonden stukken, al blijkt daaruit ook dat is geprobeerd te betekenen aan het adres [c-straat 1] (zie onder ‎3.2 onder x) en dat een afschrift van de dagvaarding is toegezonden aan het adres [a-straat 1] (zie onder ‎3.2 onder viii).

Reeds omwille van het voorgaande faalt het middel, dat alleen betrekking heeft op de uitreiking van de dagvaarding ingevolge art. 36e Sv.

Niettemin merk ik op dat op grond van art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv wel de verplichting bestaat (behalve in de gevallen genoemd in art. 36g lid 3 Sv) om een afschrift van de dagvaarding toe te zenden aan een namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres in Nederland waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Art. 36g lid 1 onder c heeft echter niet het oog op het kantooradres van een raadsman dat is vermeld in de akte rechtsmiddel, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Voor de ontvangst van (afschriften van) dergelijke mededelingen geldt immers de regeling van art. 48 Sv. Het kantooradres van de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep, [b-straat 1] te [plaats] , dat is opgegeven in de hiervoor onder ‎3.2 genoemde akte instellen hoger beroep, geldt dus niet als een adres zoals bedoeld in art. 36g lid 1 aanhef en onder c Sv.

Ondertussen doet hetgeen is uiteengezet onder ‎3.11 er “gelet op het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht” blijkens het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, NJ 2024/114 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.3 echter niet aan af dat:

“in het specifieke geval dat de dagvaarding in hoger beroep op grond van artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv is uitgereikt aan een medewerker van de autoriteit van welke zij is uitgegaan, omdat de verdachte niet is ingeschreven in de BRP en niet is gedetineerd in Nederland, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend is, de rechter in hoger beroep bij afwezigheid van de verdachte of een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman de zaak niet in behandeling mag nemen dan nadat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden naar het in de akte rechtsmiddel […] vermelde kantooradres van de advocaat. Daarmee wordt dan bevorderd dat de verdachte langs die weg op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak”.

Deze door de Hoge Raad geformuleerde verplichting tot verzending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het kantooradres van de raadsman geldt in aanvulling op de verplichting tot toezending van een afschrift van de dagvaarding in de zin van art. 36g lid 1 onder c Sv. Het adres waarop deze bepaling betrekking heeft kan immers – zoals opgemerkt onder ‎3.11 – niet het kantooradres van een raadsman zijn dat is vermeld in de akte rechtsmiddel. De door de Hoge Raad geformuleerde verplichting kan in elk geval in beeld komen indien art. 450 lid 5 Sv niet van toepassing is en dus geen toezending hoeft plaats te vinden van de dagvaarding aan een door of namens de verdachte daartoe opgegeven adres, welk adres wel het kantooradres kan zijn van de advocaat die namens de verdachte een schriftelijke bijzondere volmacht heeft verleend aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen. In de onderhavige zaak heeft art. 450 lid 5 Sv geen toepassing gevonden nu zich niet de situatie heeft voorgedaan dat direct na het instellen van het hoger beroep een oproeping aan de verdachte om tegen een bepaalde datum op de terechtzitting te verschijnen is uitgereikt aan een griffiemedewerker.

In de onderhavige zaak doet zich blijkens de onder ‎3.2 genoemde gegevens het hiervoor onder ‎3.12 aangeduide specifieke geval voor dat de dagvaarding in hoger beroep op grond van art. 36e lid 2 aanhef en onder b Sv is uitgereikt aan het openbaar ministerie, omdat de verdachte niet was ingeschreven in de BRP en niet was gedetineerd in Nederland en geen feitelijke woon- of verblijfplaats van hem in Nederland of een adres in het buitenland bekend was. Bovendien geldt in deze zaak dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep op 14 februari 2024 aanwezig was en dat de wel ter terechtzitting aanwezige raadsvrouw van de verdachte niet uitdrukkelijk door de verdachte was gemachtigd de verdediging te voeren (zie onder ‎3.6). De vraag is of het hof bij deze stand van zaken – gelet op de onder 3.12 geciteerde rechtsoverweging van de Hoge Raad – de zaak niet in behandeling had mogen nemen dan nadat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep was verzonden naar het in de akte rechtsmiddel vermelde kantooradres van de advocaat, te weten [b-straat 1] te [plaats] . Vanwege het navolgende meen ik dat dit niet het geval is en dat de beslissing van het hof in stand kan blijven.

In het onder ‎3.12 genoemde arrest HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, NJ 2024/114 m.nt. Reijntjes gaat de Hoge Raad niet met zoveel woorden in op de verhouding tussen de daarin erkende aanvullende toezendingsverplichting en het processuele voorschrift van art. 48 Sv dat de raadsman (behoudens het bepaalde art. 32 lid 2 Sv) onverwijld afschrift ontvangt van alle stukken die ingevolge het Wetboek van Strafvordering ter kennis van de verdachte worden gebracht. Niettemin meen ik uit het arrest te kunnen afleiden dat de daarin door de Hoge Raad geformuleerde aanvullende verplichting tot verzending van een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het kantooradres van de advocaat niet geldt indien de advocaat reeds zodanig afschrift ontvangt op de voet van art. 48 Sv. Van belang daartoe is dat de ratio van de verplichting is gelegen in “het grote belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht” en in het met het oog daarop bevorderen dat de verdachte “op de hoogte komt van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak”. Zo bezien is er geen grond om de in het arrest bedoelde verzending aan het kantooradres van de advocaat te vereisen daar waar zodanige verzending feitelijk niet van toegevoegde waarde is voor de verwezenlijking van voormelde doeleinden en het nalaten van die verzending dus geen invloed heeft op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht. De in beginsel gelijktijdige verzending van een tweede afschrift naar het kantooradres van de raadsman, ook al zou dat afschrift direct zijn gericht aan de verdachte, heeft mijns inziens niet de meerwaarde die de door de Hoge Raad geformuleerde verplichting beoogt te verwezenlijken. Reeds het afschrift dat de raadsman ontvangt verschaft immers alle informatie voor een zinvol contact tussen de raadsman en de verdachte waarin ook de zittingsdatum aan de orde kan komen, terwijl de verdachte ingeval (ook) ten name van hem een afschrift wordt verzonden naar het adres van zijn raadsman, eveneens afhankelijk is van die raadsman voor de ontvangst van (de informatie in) dat afschrift. Van het hiaat dat de door de Hoge Raad geformuleerde aanvullende verplichting beoogt te dichten is in die zin in het onderhavige geval dus geen sprake.

De vraag is dan of de raadsvrouw van de verdachte in de onderhavige zaak een afschrift heeft ontvangen van de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 14 februari 2014. Van belang daarvoor is dat zich bij de op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken (zie onder ‎3.2 onder iv) een afschrift van de dagvaarding van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2024 bevindt, geadresseerd aan de raadsvrouw van de verdachte met adres [d-straat 1] [plaats] . Dit adres is blijkens de informatie op het briefpapier van de schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep het postadres van het kantoor van de raadsvrouw. Op voormeld afschrift van de dagvaarding staat echter geen mededeling waaruit kan blijken dat het afschrift aan de raadsvrouw van de verdachte is verzonden. Vanwege zodanige omstandigheid oordeelde de Hoge Raad in HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1446, NJ 2023/329 dat moest worden aangenomen dat het voorschrift van de tweede volzin van art. 48 Sv niet was nageleefd. In die zaak speelde daartoe echter ook mee dat volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep daar noch de verdachte noch diens raadsman was verschenen. Dit ligt anders in de onderhavige zaak. Nu de raadsvrouw op die terechtzitting van 14 februari 2024 blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting aanwezig was, terwijl niet is gebleken van feiten of omstandigheden die impliceren dat de raadsvrouw het afschrift van de dagvaarding niet daadwerkelijk heeft ontvangen en er overigens ook in cassatie niet over is geklaagd dat art. 48 tweede volzin Sv zou zijn geschonden, kan ervan worden uitgegaan dat de raadsvrouw de datum van de terechtzitting uit het afschrift van de dagvaarding heeft kunnen vernemen. Dat de aanwezige raadsvrouw niet uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren, maakt het voorgaande mijns inziens niet anders nu zodanige machtiging onmogelijk was doordat de raadsvrouw niet over het adres en telefoonnummer van de verdachte beschikte en meerdere door haar gedane pogingen om met hem in contact te komen waren gestrand. Dit impliceert overigens dat zij de verdachte er ook niet van op de hoogte had kunnen stellen wanneer naar haar kantooradres wel een afschrift van de dagvaarding voor de verdachte zou zijn gestuurd.

Gelet op het voorgaande komt ik tot de conclusie dat de in HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1701, NJ 2024/114 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.3 geformuleerde aanvullende verplichting om een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar het in de akte rechtsmiddel vermelde kantooradres van de raadsman te verzenden, in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Ingeval de Hoge Raad zou oordelen – bijvoorbeeld om het toch al gecompliceerde systeem zo helder en eenvoudig mogelijk te houden – dat die verplichting wel is geschonden, meen ik subsidiair dat de verdachte door die schending niet in zijn belangen is geschaad. Daartoe telt dat toezending van een afschrift van de dagvaarding aan de verdachte op het kantooradres van zijn raadsvrouw naast toezending van zodanig afschrift aan de raadsvrouw op hetzelfde adres geen bijdrage levert aan het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht. Daarnaast wijs ik erop dat zelfs indien dat in zijn algemeenheid anders zou kunnen zijn, dat in elk geval in de onderhavige zaak niet het geval is, aangezien – zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – de raadsvrouw geen contact met de verdachte kon krijgen.

Het middel faalt.

4. Afronding

Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?