PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00548
Zitting 12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 15 februari 2024 (rolnr. 22-003250-21) veroordeeld wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak”. Het hof heeft daarvoor 2 maanden gevangenisstraf opgelegd met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00647 en 24/00676. In de zaak met het nummer 24/00647 heeft de Hoge Raad op 11 maart 2025 arrest gewezen en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. In de zaak met het nummer 24/00676 heeft de Hoge Raad op 17 december 2024 arrest gewezen en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. L. Tricoli, advocaat in Alphen aan den Rijn , heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is in hoger beroep kort gezegd veroordeeld wegens poging tot diefstal in vereniging met braak. Het eerste middel houdt in dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen zou hebben opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Het tweede middel bevat de klacht dat de beslissing van het hof dat het feit door de verdachte is begaan niet steunt op de inhoud van de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, omdat het arrest “geen opsomming van de bewijsmiddelen bevat”, en houdt verder in dat niet is voldaan aan het “bewijsminimum”. Het derde middel klaagt over het oordeel van het hof over de duur van de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
Deze conclusie strekt tot verwerping van de middelen.
3. Het eerste middel
Volgens het middel is het hof afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat “nergens uit het dossier blijkt dat verdachte ooit gewoond heeft bij het verblijfadres waar [de] telefoon aanstraalde en tevens […] uit het dossier [is] gebleken dat verdachte in de jaren voor het incident geen vast[e] woon- en verblijfadres had in Nederland”, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen zou hebben opgegeven die tot die afwijking hebben geleid.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd en in dat kader onder meer medegedeeld:
“Primair verzoek ik uw hof om mijn cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Er is een iPhone 6 aangetroffen. De politie schrijft deze telefoon toe aan mijn cliënt. De meeste fixen (periode avond/ochtend) van deze telefoon bleken van de locatie [b-straat 1] in [plaats] te zijn. Mijn cliënt is echter ingeschreven aan de [c-straat] in [plaats] en heeft nooit op de [b-straat 1] gewoond. De [b-straat 1] is bovendien dichter bij de locatie waar de [medeverdachte 1] woont. Hij woont namelijk aan [d-straat] . De constatering dat die telefoon van mijn cliënt is, is dus volstrekt onduidelijk. Ik verzoek uw hof om niet gebruik te maken van het dit bewijs.
[…]
[medeverdachte 1] woonde op één minuut loopafstand van waar de telefoon zich in de ochtenden en avonden bevond. Mijn cliënte woonde ruim 5 kilometer van de [b-straat 1] , namelijk aan de [c-straat] . Ik heb in het dossier gelezen dat hij daar heeft gewoond”.
Ik merk op dat uit de processen-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 en 15 februari 2024 niet blijkt dat door de raadsman van de verdachte aldaar is aangevoerd dat de verdachte “in de jaren voor het incident geen vast[e] woon- en verblijfadres had in Nederland”.
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen valt het volgende af te leiden.
In de nacht van 31 juli op 1 augustus 2021 is getracht in te breken in een woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . Door een verbalisant is geconstateerd dat daarbij het slot van de garagedeur van die woning volledig is verwijderd. De aangever verklaart dat in de garage een kluis stond, waarvan het mogelijk is dat die door voorbijgangers is gezien als de garagedeur openstond.
Nadat een getuige aan de politie had gemeld dat er op 1 augustus 2021 rond 3.50 uur een jongen tegen de garagedeur van de [a-straat 2] stond te beuken, is de politie rond 3.58 uur ter plaatse gekomen. Twee verbalisanten (waarvan één op de fiets) hebben toen gezien dat nabij de plaats van de poging tot inbraak een witte Volkswagen Golf (hierna ook: de Golf) stond geparkeerd, die vervolgens wegreed. Die Golf is korte tijd later gedwongen te stoppen. In de Golf zat als bestuurder [medeverdachte 2] en als passagiers de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .
Onderzoek van de locatiegegevens van de onder [medeverdachte 3] in beslag genomen telefoon heeft uitgewezen dat die telefoon zich om 3.49 uur bevond ter hoogte van [a-straat 2] .
Er zijn door een verbalisant beelden met geluid bekeken, gemaakt door een deurbelcamera van een woning aan de [a-straat 3] . Daarop was waar te nemen dat om 3.53 uur twee mannen over de [a-straat] komen aanlopen in de richting van een aldaar geparkeerde witte Volkswagen Golf. Hoorbaar is dat er twee portieren open- en dichtgaan. Zichtbaar is dat de verlichting van de Golf om 3.57 uur aangaat en hoorbaar dat de motor wordt gestart en de auto wegrijdt. Even tevoren is een politieman op de fiets te zien die richting de geparkeerde Golf rijdt.
In de Golf werden aangetroffen (onder meer) een sleutel van het merk Volkswagen die niet op de Golf paste en een iPhone 6.
De in de Golf aangetroffen sleutel bleek te passen op een Volkswagen Caddy (hierna ook: de Caddy), die niet ver van de plaats van de poging tot inbraak geparkeerd stond. In die Caddy lag een tas, met daarin (onder meer) een accuboormachine, een slotentrekker en een cilinderslot met daarin een afgebroken schroef.
Op de tas in de Caddy waarin voornoemde spullen werden aangetroffen is DNA-spoor veilig gesteld dat (met een foutkans kleiner dan één op één miljard) matcht met het DNA van de verdachte.
Van de gordelclip aan de bestuurderszijde van de Caddy is een DNA-spoor veilig gesteld dat (met een foutkans kleiner dan één op één miljard) matcht met het DNA van [medeverdachte 1] .
De Caddy is in de periode van 22 juli tot en met 1 augustus 2021 vier maal gesignaleerd door een ANPR-paal op de [snelweg] , kort voor de afslag [plaats] , te weten:
op 22 juli 2021 te 22:12 uur;
op 22 juli 2021 te 23.10 uur;
op 23 juli 2021 te 20.05 uur;
op 1 augustus 2021 te 02.52 uur.
De iPhone 6 die in de Golf in beslag is genomen bevond zich onder de bijrijdersstoel en is, blijkens de inhoud van die telefoon (met name de omstandigheid dat die veelal aanstraalde op het verblijfadres van de verdachte), kennelijk gebruikt door de verdachte, die achterin de Golf zat. In die telefoon zijn chats aangetroffen waarin (onder meer) sprake is van het ‘fixen’ van een Caddy, het lenen van een boormachine, het meenemen van een kluis, het regelen van iemand die het busje kon terugrijden, en het kijken of alles nog hetzelfde is. Uit locatiegegevens blijkt dat deze iPhone – behalve in de nacht van de poging inbraak – ook de twee daaraan voorafgaande nachten in de nabijheid van de plaats delict is geweest.
Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte zich samen met (in elk geval) [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak. Voor dat oordeel is redengevend dat uit die feiten en omstandigheden volgt dat die poging tot inbraak door de verdachte is voorbereid en vervolgens uitgevoerd door het doen van voorverkenningen en het regelen van de Caddy alsmede het zorgen voor materiaal voor het openbreken van sloten (zoals in de Caddy aangetroffen) en daarnaast het regelen van één of meer personen die – behalve de Golf – ook de Caddy konden terugrijden. Deze handelingen van de verdachte konden niet anders dan samen met anderen ingevolge een nauwe en bewuste samenwerking ten uitvoer worden gebracht. Dat in elk geval [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] deel uitmaakten van dat samenwerkingsverband volgt, behalve uit de omstandigheid dat zij ter plaatse van het delict aanwezig waren zonder daar een afdoende verklaring voor te hebben kunnen of willen geven, ook uit het DNA-spoor ten aanzien van [medeverdachte 1] in de Caddy en de voormelde locatiegegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] .
De slotsom is dat het hof – anders dan de politierechter – het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen acht.”
De bewezenverklaring berust onder meer, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, op de in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen 8, 11 t/m 13 en 18 (met weglating van verwijzingen):
“8. Een proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 1 augustus 2021 van de politie eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 1 augustus 2021 omstreeks 04:04 uur, hield ik op de locatie [e-straat] , [plaats] , binnen de gemeente [plaats] , als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1996
Even later kwam ik samen met collega [collega verbalisant 1] bij het voertuig welke was tegengehouden op de [e-straat] te [plaats] . Dit bleek een Volkswagen Golf te zijn voorzien van het [kenteken 1] . Ik zag dat er nog 2 personen op de achterbank van het voertuig zaten. Door het openstaande portier aan de voorzijde heb ik de persoon, rechtsachter in het voertuig, gevraagd het portier te openen waaraan hij gehoor gaf. Nadat de persoon uit was gestapt, heb ik vervolgens de persoon aangehouden.
[…]
11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2021 van de politie eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk- weergegeven […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik hoorde dat de dienstdoende centralist van de politie meldkamer eenheid Den Haag een melding uitgaf aan een andere eenheid dat er op dit moment zou worden ingebroken in de woning aan de [a-straat 2] te [plaats] . Bij de betreffende woning aangekomen, zag ik direct dat het een woning met een inpandige garage betrof. Ik zag dat het slot in de garagedeur volledig verwijderd was.
Omstreeks 04:30 uur werd ik er door [collega verbalisant 2] en [collega verbalisant 3] op gewezen dat er op de openbare parkeerplaats, gelegen achter de woning, een Volkswagen Caddy met [kenteken 2] geparkeerd stond. Ik zag dat in het voertuig voor de bijrijdersstoel een zwart geblokt Louis Vuitton (het hof begrijpt: geblokt Louis Vuitton tasje) lag en dat dit tasje geopend lag. Uit het tasje stak de achterzijde van een accuboormachine.
Ik hoorde dat er in de auto van de aangehouden verdachte meerdere sleutels waren aangetroffen. Hierop kwamhoofdagent van politie [hoofdagent] vanaf de auto waarin de verdachten waren aangehouden aangelopen met de aangetroffen sleutel. Deze sleutel bleek te horen bij de aangetroffen Volkswagen Caddy. In overleg met [hulpofficier van justitie] nam ik om 04.45 uur de eerder genoemde Volkswagen Caddy in beslag. Na de inbeslagname opende ik de auto middels de afstandsbedieningssleutel. Op mijn verzoek keek collega [collega verbalisant 4] beter in de tas. Ik hoorde dat hij zei en hij liet mij zien dat er in de tas tevens een slotentrekker en een cilinder zat.
12. Een proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 24 september 2021 van de politie eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeeven – […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Er werd een .forensisch onderzoek verricht aan onderstaande sporendrager.
Sporendrager
Object: Tas (heuptas)
Merk/type: Louis Vuitton
In het hoofdvak de volgende voorwerpen:
- accuboormachine
- afgebroken schroefkop;
- cilindertrekker.
In een groter vakje bevond zich een cilinderslot met afgebroken schroef erin.
Veiliggestelde sporen
SIN: AANC1841NL
Spooromschrijving: Epitheel
Plaats veiligstellen: Middendeel van de schouderband van de tas
SIN: AANC1842NL
Spooromschrijving: Epitheel
Plaats veiligstellen: ritstrekkers en overige deel van de schouderband van de tas
13. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut […] d.d. 10 november 2021, opgemaakt en ondertekend door de deskundige [deskundige] . Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als relaas van deze deskundige:
SIN en omschrijving
Beschrijving DNA-profiel
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans
AANC1841NL#01
Epitheel
afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man
[verdachte]
Kleiner dan één op één miljard
AANC1842NL#01
Epitheel
afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man
[verdachte]
Kleiner dan één op één miljard
[…]
18. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2023 van de politie eenheid Den Haag . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 1 augustus 2021 werd [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1996) aangehouden. Bij zijn aanhouding zat [verdachte] met de medeverdachten in de VW-Golf, [kenteken 1] . In de VW-Golf werd onder de bijrijdersstoel een iPhone 6 aangetroffen. De iPhone werd inbeslaggenomen en middels speciale software werd de toegangscode in januari 2023 gekraakt, waarna de data van de smartphone werd veiliggesteld.
Uit onderzoek naar de data van deze smartphone bleek deze hoogstwaarschijnlijk sedert maart 2021 in bezit te zijn geweest door [verdachte] .
Uit de Divice locations (de plaatsbepaling van de iPhone 6 stond ingeschakeld) bleken de meeste fixen (periode avond/ochtend) van de locatie [b-straat 1] te [plaats] te zijn. Dit betreft het woonadres van [verdachte] .
Map ‘Device-Locations’
De aangetroffen locatie—fixen werden middels speciale software (GPX-bestanden) in kaart gebracht. Uit de GPS- gegevens blijkt, dat deze aanvangt op 24 juli 2021 en eindigt op 1 augustus 2021.
Hieronder de fixen op de plaats delict [a-straat 1-2] te [plaats] op de dagen 30 en 31 juli 2021 en 1 augustus 2021.
Map ‘Chats’
Uit de Whatsapp-chats blijkt, dat [verdachte] chat met ‘ [betrokkene 1] ’. Met deze [betrokkene 1] maakt [verdachte] plannen om ‘s nachts op pad te gaan. Besproken wordt dat een Caddy geregeld wordt.
[betrokkene 1] appt ‘gelijk te willen gaan.’ [verdachte] zegt dat het ‘’s nachts moet gebeuren’ en dat hij ‘het slot moet nakijken.’ [verdachte] zegt dat ‘er overdag veel mensen zijn.’ Beiden bespreken het regelen van een ‘Caddy-busje.’ Op 30 juli 2021 te 22.10 uur (vlak voor de hoogstwaarschijnlijk voorverkenning) appt [betrokkene 1] ‘Regel handschoenen.’ [verdachte] appt even laten, dat ‘zij eigenlijk even moesten kijken of alles daar nog hetzelfde is.’ Op 31 juli 2021 te 21.21 uur (vlak voor de inbraak te [plaats] ) appt [verdachte] , ‘Ey, heb busje gefixt, ik ga hem nu ophalen, wil je nog mee, ja of nee,.. ik fix wel iemand anders,....ewa,.. leen die boormachine dan,...’
Uit de Whatsapp-chat (d.d. 30 juli 2021) tussen [verdachte] en ‘ [whatsapp-naam] ’ lijkt [verdachte] om ‘een bus of caddy’ te vragen. Daarbij appt [verdachte] ‘Om een kluis mee te nemen.’ [whatsapp-naam] vraagt ‘Doekoe (=geld)’ waarop [verdachte] appt ‘Nee snoep,.... Tuurlijk broertje.’ [whatsapp-naam] appt ‘Heb wel middelen.’ Verder appt [verdachte] ‘Heb je niet iemand die een busje terug kan rijden,.... Half uur hier vandaan,... na (het hof begrijpt: naar) [plaats] toe’.”
Het hof heeft het (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt van de raadsman opgevat als een verweer inhoudende dat de verdachte niet de gebruiker van de iPhone 6 was. Dat is niet onbegrijpelijk. De strekking van het standpunt is immers dat, nu de verdachte ergens anders stond ingeschreven, hij om die reden niet de gebruiker van de iPhone 6 was.
Het hof heeft geoordeeld dat de iPhone 6 die in de Golf in beslag is genomen kennelijk is gebruikt door de verdachte. Daarmee heeft het hof het standpunt van de raadsman verworpen (zie onder 3.2 en 3.4). Blijkens de bewijsoverweging heeft het hof bij dat oordeel het volgende betrokken:
(i) de omstandigheid dat de iPhone zich onder de bijrijdersstoel bevond en de verdachte rechtsachter in de Golf zat (zie bewijsmiddel 8 opgenomen onder 3.5);
(ii) de inhoud van die telefoon, “met name” de omstandigheid dat die veelal aanstraalde op het verblijfadres van de verdachte.
Allereerst verdient opmerking dat het hof in het midden laat of de verdachte ingeschreven heeft gestaan op de [b-straat 1] te [plaats] en of hij daar in die zin heeft gewoond, maar vaststelt dat dit het “verblijfsadres” van de verdachte was toen de telefoon daar aanstraalde. Kennelijk heeft het hof de in bewijsmiddel 18 over [b-straat 1] opgenomen bevinding “Dit betreft het woonadres van [verdachte] ” zo verstaan dat daarmee wordt gedoeld op het verblijfsadres en niet per se ook op het formele woonadres van de verdachte. Dat is niet onbegrijpelijk mede erop gelet dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, inclusief de uitleg ervan, aan de feitenrechter is voorbehouden. Zo bezien is geen sprake van niet-aanvaarding van het door de raadsman ingenomen standpunt, zodat het middel wegens gebrek aan feitelijke grondslag faalt. Daarbij betrek ik dat het door de steller van het middel als uitdrukkelijk onderbouwde standpunt aangemerkte verweer zeer summier is onderbouwd en dat daaruit in elk geval niet voldoende blijkt of het ook heeft willen bestrijden dat [b-straat 1] te [plaats] het verblijfsadres van de verdachte was.
Niettemin merk ik op dat uit de bewijsvoering door het hof niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd blijkt dat de verdachte de gebruiker van de iPhone 6 was en daarmee van de redenen waarom het verweer niet opgaat. Uit de door het hof gebezigde woorden “met name” leid ik af dat het hof niet slechts de omstandigheid dat de iPhone 6 veelal aanstraalde op het verblijfadres van de verdachte, maar ook de inhoud van de iPhone zoals blijkt uit bewijsmiddel 18 bij zijn oordeel en de verwerping van het standpunt heeft betrokken (zie onder 3.5). Bewijsmiddel 18 houdt onder meer in: “Uit onderzoek naar de data van deze smartphone bleek deze hoogstwaarschijnlijk sedert maart 2021 in bezit te zijn geweest door [verdachte] .” Uit bewijsmiddel 18 blijkt eveneens dat verdachte met “ [betrokkene 1] ” heeft gechat via WhatsApp en dat met deze [betrokkene 1] plannen worden besproken om ’s nachts op pad te gaan, dat er gekeken moet worden of “alles daar nog hetzelfde is”, en dat “een Caddy” en ook handschoenen en boormachine moeten worden geregeld. Uit bewijsmiddel 18 blijkt ook dat de verdachte via WhatsApp met “ [whatsapp-naam] ” heeft gechat en dat de verdachte onder meer vraagt om een Caddy “[o]m een kluis mee te nemen”, de verdachte daar geld voor over heeft, en dat de verdachte vraagt of [whatsapp-naam] iemand heeft “die een busje terug kan rijden”. Ondersteuning van de vaststelling door het hof dat de verdachte de gebruiker van de iPhone 6 was, kan in de verdere bewijsvoering worden gevonden. Naast de onder 3.7 (i) genoemde omstandigheid (dat de iPhone zich onder de bijrijdersstoel bevond en de verdachte rechtsachter in de Golf zat; bewijsmiddel 8) is dan in het bijzonder van belang dat een ook in de Golf aangetroffen sleutel van een Volkswagen Caddy was die niet ver van de plaats van de poging tot inbraak geparkeerd stond, dat in die Caddy een tas lag met daarin onder meer een accuboormachine, een slotentrekker en een cilinderslot met daarin een afgebroken schroef en dat op die tas een DNA-spoor is veilig gesteld dat (met een foutkans kleiner dan één op één miljard) matcht met het DNA van de verdachte (bewijsmiddelen 11 t/m 13).
Gelet op de bewijsoverweging van het hof en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in samenhang bezien ben ik van oordeel dat het bestreden arrest voldoende gegevens bevat waarin de nadere motivering ter verwerping van het – zoals reeds opgemerkt: zeer summier onderbouwde – standpunt besloten ligt.
Het middel faalt.
4. Het tweede middel
Het middel houdt in dat de beslissing van het hof dat het feit door de verdachte is begaan niet steunt op de inhoud van de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen, omdat het arrest “geen opsomming van de bewijsmiddelen bevat”.
Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist daardoor feitelijke grondslag, nu in de bijlage bij het arrest bewijsmiddelen zijn opgenomen. In zoverre faalt het middel.
In het middel wordt voorts aangevoerd dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, omdat het door het hof enkel “doorverwijzen in de bewijsmotivering naar de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat” niet voldoet aan het bewijsminimum.
Nog daargelaten dat het hof onder het kopje “Bewijsoverweging” niet enkel doorverwijst naar de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, kan hetgeen in de cassatieschriftuur is aangevoerd bezwaarlijk worden aangemerkt als een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Onduidelijk is wat wordt bedoeld met “het bewijsminimum” en of daarmee een specifiek bewijsminimum wordt bedoeld en, zo ja, welk minimum. Al met al maakt de klacht niet inzichtelijk in welk opzicht de motivering van die beslissing tekort zou schieten. Dientengevolge is hetgeen is aangevoerd geen middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv.
Het middel faalt voor zover het kan worden aangemerkt als middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv. Voor het overige kan het middel buiten beschouwing worden gelaten.
5. Het derde middel
Het middel klaagt naar ik begrijp over het oordeel van het hof over de duur van de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
Het hof heeft inzake de overschrijding van de redelijke termijn als volgt overwogen:
“Het hof overweegt met betrekking tot de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid. Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden als volgt. Het hof stelt vast dat op 8 november 2021 de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, terwijl de stukken van het geding eerst op 15 september 2022 - dus meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep - ter griffie van het hof zijn binnengekomen. Tevens zijn meer dan 24 maanden verstreken tussen het instellen van het hoger beroep op 8 november 2021 en het wijzen van dit arrest op 15 februari 2024. Omdat hiermee sprake is van een relatief beperkte overschrijding van de redelijke termijn zal het hof volstaan met de constatering daarvan.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat “[n]aar de mening van de verdediging […] op dit moment, mocht verdachte veroordeeld worden, gezien de grote overschrijding van de redelijke termijn, een gevangenisstraf niet de juiste reactie [is]. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zou meer zijn doel bereiken”.
Vooropgesteld dient te worden dat in het geval dat de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2024 is de zaak behandeld in aanwezigheid van verdachtes raadsman en is namens de verdachte geen verweer gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Gelet op wat onder 5.24 is overwogen, stuit het cassatiemiddel daarop af.
Het middel faalt.
6. Afronding
De middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken, zodat toepassing van art. 81 lid 1 RO bij de afdoening van het eerste en tweede middel niet in de rede ligt. Het derde middel kan wel worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 19 februari 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG