ECLI:NL:PHR:2026:252

ECLI:NL:PHR:2026:252

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-03-2026
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer 26/00083
Rechtsgebied Civiel recht

Samenvatting

Uitlating in behandeling nemen prejudiciële vragen (art. 392 en art. 393 Rv). Beschermingsbewind (art. 1:431 BW). Forfaitaire verhuiskostenvergoeding bewindvoerder. Is rechthebbende aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv in geval verzoek bewindvoerder tot toekennen forfaitaire verhuiskostenvergoeding?

Uitspraak

Zaaknr :26/00083 R.H. de Bock

Parket :13 maart 2026 Uitlating prejudiciële vraag inzake:

Verder Bewind Zuid B.V. (hierna: Verder Bewind)

tegen

[Rechthebbende] (hierna: Rechthebbende)

1. Inleiding

Bij beschikking van 13 januari 2026 heeft de kantonrechter in de rechtbank Limburg op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd:

A: Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in artikel 3 lid 5 onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden (die de bewindvoerder altijd heeft als een cliënt verhuist) aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?

B: Indien dat eerste (altijd recht op...): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?

C: Indien dat eerste (altijd recht op...): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?”

De vragen zijn op 13 januari 2026 binnengekomen bij de Hoge Raad. Op 22 januari 2026 heeft de griffie van de Hoge Raad de processtukken van de rechtbank ontvangen.

Op de voet van art. 393, lid 1 en lid 8, Rv, in verbinding met art. 3.3.6.1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft de Hoge Raad mij in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. In dit stadium wordt slechts getoetst of de door de kantonrechter gestelde vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en of deze vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording door de Hoge Raad te rechtvaardigen.

Een eerste vereiste voor het in behandeling nemen van prejudiciële vragen is dat het gaat om een rechtsvraag waarvan het antwoord nodig is om op het verzoek te beslissen en die rechtstreeks van belang is voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet (art. 392, lid 1, aanhef en onder b, Rv). M.i. is aan dit vereiste voldaan. In rov. 2.7 van de beschikking van 13 januari 2026 heeft de kantonrechter, met verwijzing naar rov. 2.12 en rov. 2.5 van de tussenbeschikking van 14 november 2025, nader uiteengezet waarom dat het geval is.

Een tweede vereiste voor het in behandeling nemen van prejudiciële vragen is dat de rechter voorafgaand aan het stellen van de prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, partijen in de gelegenheid stelt zich uit te laten over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag (art. 392 lid 2 Rv).

Aan dit vereiste is niet voldaan. In rov. 2.4-2.17 van de tussenbeschikking van 14 november 2025 heeft de kantonrechter het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen kenbaar gemaakt en is de concept-vraagstelling geformuleerd. Echter, alleen de verzoekende partij, Verder Bewind, is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen vragen te stellen en over de inhoud van de vraagstelling. Verder Bewind heeft hiervan gebruik gemaakt. Rechthebbende is echter niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om een vraag te stellen en evenmin over de inhoud van de te stellen vragen. Rechthebbende is namelijk in het geheel niet betrokken in de procedure, althans uit het door de rechtbank overgelegde dossier blijkt niet dat Rechthebbende is betrokken in de procedure.

M.i. had dit echter wel gemoeten, omdat Rechthebbende belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Dit wordt in het volgende hoofdstuk nader toegelicht.

2. Juridisch kader

Beschermingsbewind: inleidende opmerkingen

In de voorliggende zaak is door de kantonrechter bewind ingesteld over één of meer van de goederen van Rechthebbende zoals bedoeld in art. 1:431 BW. Onderbewindstelling is net als curatele en mentorschap een beschermingsmaatregel bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, te beschermen door de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt. Met de per 1 januari 2014 ingevoerde Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap zijn de verschillende beschermingsmaatregelen gestroomlijnd.

Beschermingsbewind is bedoeld voor de meerderjarige die niet in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand (art. 1:431 lid 1, onder a, BW) of ten gevolge van verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 lid 1, onder b, BW). Het eerste type beschermingsbewind wordt toestandsbewind genoemd. Het tweede type wordt ook wel aangeduid als schuldenbewind. Het ingestelde bewind moet niet verder gaan dan ter bescherming van de meerderjarige nodig is. Dit kan betekenen dat de omvang van het bewind beperkt blijft tot één of meer goederen, bijvoorbeeld een woning of een spaarrekening. Beschermingsbewind leidt niet tot handelingsonbekwaamheid van rechthebbende, maar tot onbevoegdheid tot beheer (art. 1:438 lid 1 BW) en een beperkte bevoegdheid tot beschikking (art. 1:438 lid 2 BW).

Het aantal bewindszaken is groot. In het jaarverslag van de Raad voor de rechtspraak over 2024 is te lezen dat er in 2024 531.000 familiezaken binnen kanton waren en dat dit aantal vrijwel volledig bewindshandelingen betrof. Uit cijfers van de Raad voor de rechtspraak blijkt dat per 1 januari 2022 ongeveer 273.000 burgers onder beschermingsbewind stonden, waarvan 209.500 een toestandsbewind betroffen en 63.500 een schuldenbewind. In het merendeel van de ingestelde bewinden gaat het dus om toestandsbewind.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht (LOVT) heeft aanbevelingen opgesteld voor kantonrechters die belast zijn met de behandelingen van zaken met betrekking tot beschermingsbewind, mentorschap en curatele (hierna: de Aanbevelingen). Deze Aanbevelingen gelden in alle rechtbanken tot uitgangspunt voor beslissingen over en toezicht op de uitvoering van bewind, mentorschap en curatele.

De bewindvoerder wordt door de kantonrechter benoemd (art. 1:435 lid 1 BW). Er kan onderscheid worden gemaakt tussen professionele bewindvoerders en niet-professionele bewindvoerders (zoals partners of familieleden van de rechthebbende).

De bewindvoerder vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen (art. 1:441 lid 1 BW). Ondanks de hiervoor genoemde bevoegdheid tot vertegenwoordiging, heeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, een machtiging nodig van de kantonrechter voor een aantal in de wet genoemde handelingen (art. 1:441 lid 2 BW).

De vertegenwoordigingsbevoegdheid in en buiten rechte is nadrukkelijk gekoppeld aan de vervulling van de taak van de bewindvoerder. Dit brengt mee, aldus de Hoge Raad in een beschikking van 17 maart 2023, dat de vraag of een rechthebbende in een procedure bevoegd is om zelf als formele procespartij op te treden, ervan af hangt of de desbetreffende procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Het bewind tast dus niet de bevoegdheid aan van de rechthebbende om zelfstandig in rechte op te treden en evenmin zijn of haar bevoegdheid om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. Een dergelijke beperking kan voortvloeien uit art. 1:438 lid 1 (onbevoegdheid tot beheer) of lid 2 (beperkte bevoegdheid tot beschikking) BW, aldus de Hoge Raad.

Elke bewindvoerder moet in beginsel jaarlijks en aan het eind van het bewind rekening en verantwoording afleggen aan de rechthebbende (ten overstaan van de kantonrechter) of aan de kantonrechter als bijvoorbeeld de rechthebbende niet in staat is om de rekening op te nemen (art. 1:445 BW).

Beloning bewindvoerder

De bewindvoerder heeft aanspraak op beloning zoals uitgewerkt in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (art. 1:447 lid 1 BW, hierna: de Regeling Beloning).

De Regeling Beloning is in werking getreden per 1 januari 2015. Uit de toelichting op de Regeling blijkt, zo overwoog de Hoge Raad in 2023, (a) dat de regeling als bindend instrument is ingevoerd om de rechtsverscheidenheid terug te dringen die tot dan toe gold; (b) dat uitgangspunt van de regeling is dat de bewindvoerder adequaat wordt beloond voor de uitoefening van zijn taken; (c) dat aan de regeling een forfaitair systeem ten grondslag ligt, waarbij de beloning geldt als een gemiddelde, met als doel de administratieve afhandeling te vereenvoudigen en de regeldruk voor bewindvoerders en de rechterlijke macht te verminderen.

In de Regeling Beloning wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele bewindvoerders. De niet-professionele bewindvoerder heeft in beginsel aanspraak op een forfaitaire jaarbeloning (art. 1 lid 1 Regeling Beloning). Alleen wegens ‘uitzonderlijke omstandigheden’ kan de kantonrechter de beloning op andere wijze vaststellen (art. 1 lid 8 Regeling Beloning). Blijkens de Aanbevelingen kan de niet-professionele bewindvoerder om de beloning verzoeken in de rekening en verantwoording. De toekenning vindt plaats door de goedkeuring van de rekening en verantwoording. De niet-professionele bewindvoerder moet dus zelf om de beloning verzoeken.

De professionele bewindvoerder heeft in beginsel eveneens aanspraak op een forfaitaire jaarbeloning (art. 3 lid 1-4 Regeling Beloning). Deze beloning is verschuldigd vanaf de eerste dan wel de zestiende dag van de maand waarin de bewindvoerder is benoemd en wordt in maandelijkse termijn betaald, tenzij de kantonrechter anders bepaalt (art. 3 lid 4 Regeling Beloning).

Naast de jaarbeloning kan de kantonrechter de professionele bewindvoerder in voorkomende gevallen een aanvullende forfaitaire vergoeding toekennen. Zie art. 3 lid 5 Regeling Beloning (onderstreping toegevoegd A-G):

“Artikel 3

(…)

5. Naast de jaarbeloning kent de kantonrechter in voorkomende gevallen de volgende beloningen toe:

a. voor aanvangswerkzaamheden € 767, of € 574 indien de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd;

b. voor de verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing € 478;

c. voor het beheren van een persoonsgebonden budget € 718;

d. voor het opmaken van een eindrekening en -verantwoording € 288.”

De door de kantonrechter gestelde prejudiciële vragen zien specifiek op de aanspraak op een aanvullende beloning wanneer rechthebbende gaat verhuizen en er geen mentor is, dus de in art. 3 lid 5, onder b, Regeling Beloning genoemde beloning (hierna: de Aanvullende Beloning).

Daarnaast kan de kantonrechter in het geval een bewind niet alle goederen betreft of wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van een professionele bewindvoerder op andere wijze vaststellen (art. 3 lid 6 Regeling Beloning). Daarop hebben de prejudiciële vragen van de kantonrechter geen betrekking.

De beloning van de bewindvoerder, dus ook de Aanvullende Beloning, moet door de rechthebbende zelf worden betaald. Indien de rechthebbende de kosten van de beloning niet zelf kan dragen, komen die kosten in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand.

Rechthebbende is belanghebbende bij een verzoek tot Aanvullende Beloning

Art. 5 lid 3 Regeling Beloning bepaalt dat de kantonrechter de Aanvullende Beloning ‘toekent’. Hoewel de letterlijke tekst van de Regeling Beloning wellicht anders doet vermoeden, zal de bewindvoerder in kwestie voorafgaand aan de toekenning van de Aanvullende Beloning de kantonrechter concreet (moeten) verzoeken om toekenning van de beloning. Op dergelijke verzoeken zijn de specifieke bepalingen betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, van toepassing (art. 798-813 Rv). Dat betekent dat op basis van art. 798 Rv moet worden bepaald wie belanghebbende is bij een verzoek van de bewindvoerder tot Aanvullende Beloning.

Art. 798 Rv luidt als volgt:

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.

2. In zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap worden onder belanghebbenden bovendien verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft.

Art. 798 Rv is ingevoerd per 1 april 1995, als onderdeel van de Wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. Het doel van deze wet was om te komen tot één regeling voor de verschillende familieverzoekschriftprocedures, die op dat moment nog elk hun eigen wettelijke regeling hadden.

Rechthebbende als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv?

In een prejudiciële beslissing van 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad overwogen dat niet in algemene zin kan worden afgebakend wie valt binnen de door de eerste volzin bestreken kring van belanghebbenden.Overwogen werd dat welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokken persoon of instelling zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

Voor wat betreft het beschermingsbewind is in ieder geval duidelijk dat de rechthebbende belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv is bij een verzoek tot onderbewindstelling. Ook bij bijvoorbeeld een verlengingsverzoek van een tijdelijk bewind, een wijziging van de grondslag van het bewind (bijv. van een schuldenbewind naar een toestandsbewind) of bij ontslag van een bewindvoerder heeft de rechthebbende als belanghebbende te gelden. In het toepasselijke procesreglement (zie hierna onder 2.35), wordt hier ook vanuit gegaan.

Daarnaast volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 maart 2023 (zie onder 2.7) dat de rechthebbende ook moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv als de bewindvoerder op de voet van art. 1:441 lid 2 BW machtiging van de kantonrechter verzoekt om te beschikken over een onder bewind staand goed, omdat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn of haar rechten en verplichtingen. Wordt de verzochte machtiging verleend, dan brengt de hiervoor bedoelde procesbevoegdheid van de rechthebbende mee dat deze daartegen op grond van art. 358 lid 2 Rv in verbinding met art. 798 lid 1 Rv hoger beroep kan instellen zonder dat hij of zij daarvoor medewerking of toestemming van de bewindvoerder behoeft. Dergelijk optreden in rechte van de rechthebbende kan niet worden beschouwd als daad van beheer of daad van beschikking over de onder bewind staande goederen als bedoeld in art. 1:438 leden 1 en 2 BW.

Hiervoor, onder 2.16, is al opgemerkt dat de beloning van de bewindvoerder moet worden betaald door de rechthebbende (eventueel uit de aangevraagde bijzondere bijstand). Dit brengt m.i. met zich mee dat de rechthebbende met een verzoek van de bewindvoerder tot Aanvullende Beloning rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt. De rechthebbende moet dus worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Deze benadering sluit aan bij de hierboven genoemde beschikking van de Hoge Raad van 17 maart 2023 op grond waarvan een rechthebbende belanghebbende is bij een machtigingsverzoek in de zin van art. 1:441 lid 2 BW. Verder is ook in de cassatieprocedure die leidde tot de beschikking van 23 juni 2023 (zie onder 2.10) rechthebbende in de procedure betrokken.

Andere belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 2 Rv?

In art. 798 lid 2 Rv is onder andere bepaald dat in zaken van onderbewindstelling onder belanghebbenden tevens worden verstaan de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens goederen het betreft. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat het van de aard en strekking van de voorliggende procedure afhangt welke personen daarbij als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 2 Rv moeten worden aangemerkt. Zo is in 2002 en 2014 ten aanzien van onderbewindstelling geoordeeld dat een machtigingsprocedure als bedoeld in de art. 1:438 lid 2 BW en 1:441 lid 2 BW niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv, nu het bij zodanige machtiging om een beperkte regeling gaat, waarbij slechts de rechthebbende en de bewindvoerder zijn betrokken, zodat de in art. 798 lid 2 Rv opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Een verzoek tot ontslag van een bewindvoerder en een verzoek tot benoeming van een opvolgend bewindvoerder geldt, naar het oordeel van de Hoge Raad, wel als een ‘zaak van onderbewindstelling’ zoals bedoeld in art. 798 lid 2 Rv.

In lijn met de eerdere uitspraken van de Hoge Raad in 2002 en 2014 dat een machtigingsprocedure, zoals bedoeld in art. 1:438 lid 2 BW en art. 1:441 lid 2 BW, niet kan worden aangemerkt als een ‘zaak van onderbewindstelling’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv, kan m.i. een verzoek tot Aanvullende Beloning evenmin als zodanig worden aangemerkt. Ook bij een dergelijk verzoek gaat het immers om een beperkte regeling waarbij slechts de bewindvoerder en de rechthebbende zijn betrokken.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat een rechthebbende moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv als een bewindvoerder verzoekt om een Aanvullende Beloning. De in art. 798 lid 2 Rv genoemde personen hoeven niet als belanghebbenden te worden aangemerkt.

Ook in de onderhavige zaak moet Rechthebbende dus als belanghebbende worden aangemerkt in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Dat is in de onderhavige zaak niet gebeurd, zo is af te leiden uit de beschikking van 13 januari 2026.

Onder hoofdstuk 3 van deze uitlating licht ik nader toe wat dat betekent voor de onderhavige procedure. Maar omdat de gang van zaken in de onderhavige procedure niet op zichzelf lijkt te staan, zal eerst nog een aantal algemenere opmerkingen worden gemaakt over de feitelijke gang van zaken ten aanzien van verzoeken tot Aanvullende Beloning.

Volledigheidshalve is nog op te merken dat de omstandigheid dat een persoon onder bewind is gesteld geenszins betekent dat die persoon niet als belanghebbende zou kunnen worden gehoord (hoewel zich dat soms wel kan voordoen).

Verzoeken tot Aanvullende Beloning: feitelijke gang van zaken

Voor zover ik heb kunnen nagaan, zijn er geen exacte cijfers bekend over het aantal verzoeken tot Aanvullende Beloning op jaarbasis. Uit de beschikking van de kantonrechter van 13 januari 2026 leid ik echter af dat dergelijke verzoeken met enige regelmaat voorkomen. In de beschikking is namelijk te lezen dat de kantonrechter ten tijde van de beschikking van 14 november 2025 een veertigtal nieuwe verzoeken had liggen en dat dat aantal ten tijde van de beschikking van 13 januari 2026 is opgelopen tot drieënnegentig verzoeken (rov. 2.5).

Het gaat dus om verzoeken die met enige regelmaat voorkomen. Opvallend in dit verband is dat zowel het toepasselijke procesreglement (zie hierna onder 2.35) als de Aanbevelingen niets vermelden over hoe met dergelijke verzoeken processueel moet worden omgegaan.

Op rechtspraak.nl is een beperkt aantal beschikkingen van kantonrechters gepubliceerd. Uit deze beschikkingen blijkt niet dat rechthebbenden op enige manier als belanghebbende bij de behandeling van verzoeken als de onderhavige worden betrokken. Ook is in de genoemde voorbeelden afgezien van een mondelinge behandeling. Ik ga er dan ook vanuit – en door mij ingewonnen informatie bevestigt dat – dat de algemene praktijk is dat als een beloningsverzoek door de rechtbank wordt ontvangen, belanghebbende niet in de procedure wordt betrokken. In bijzondere situaties wordt hiervan afgeweken.

Sinds 1 januari 2026 moeten professionele bewindvoerders elektronisch communiceren met de kantonrechter via een systeem genaamd CBM. Uit de informatie beschikbaar op rechtspraak.nl blijkt dat een rechthebbende via Digi-D ook in dit systeem kan en zo alle communicatie tussen bewindvoerder en kantonrechter kan inzien. Het lijkt erop dat beloningsverzoeken via dit digitale systeem veelal administratief worden afgedaan, dus zonder een rechterlijke beschikking. Ook in de voorliggende zaak maakt de kantonrechter melding van een dergelijke gang van zaken: te lezen is dat meerdere rechtbanken de verzoeken, die zien op een aanvullende beloning in verband met verhuizing van de rechthebbende, zonder schriftelijke beschikkingen afdoen in het digitale systeem (zie rov. 2.9 van de beschikking van 14 november 2025).

In hoger beroep lijkt de gang van zaken anders te zijn. Uit (het zeer beperkte aantal) gepubliceerde beschikkingen blijkt dat hoven de rechthebbende doorgaans wél als belanghebbende/verweerder aanmerken en ook oproepen voor de mondelinge behandeling.

Zoals hiervoor al is opgemerkt, vermeldt het toepasselijke procesreglement, het Landelijk procesreglement CBM-verzoeken, niets over beloningsverzoeken van de bewindvoerder.

Het Landelijk procesreglement CBM-verzoeken heeft naast een algemeen deel (hoofdstuk 1) een deel met bijzondere regels per verzoek (hoofdstuk 2). Maar ook in het bijzonder deel is niets te vinden over de procedurele gang van zaken bij beloningsverzoeken.

Als de Hoge Raad oordeelt dat rechthebbenden in geval van een beloningsverzoek van de bewindvoerder belanghebbenden zijn in de zin van art. 798 lid 1 Rv, dan is het m.i. aan te raden de behandeling van dergelijke beloningsverzoeken eveneens op te nemen in het Landelijk procesreglement CBM-verzoeken. Mogelijk zou daarbij aansluiting kunnen worden gezocht bij de behandeling van machtigingsverzoeken zoals opgenomen in het procesreglement (zie hoofdstuk 2.5 van het procesreglement).

Tot slot kan nog worden gewezen op een recente conclusie van A-G Snijders in een zaak waarbij gefailleerde en een schuldeiser van de boedel in cassatie opkomen tegen een beschikking van de rechtbank waarin een voorschot op het salaris van de curator in het faillissement van gefailleerde is gegeven. In de procedure bij de Hoge Raad staat de vraag centraal of de rechtbank gefailleerde en de schuldeiser van de boedel had moeten horen, althans hen daartoe had moeten oproepen. Naar de mening van A-G Snijders is dat niet het geval omdat, kort gezegd, de Hoge Raad in een beschikking van 19 januari 1990 heeft overwogen dat in het systeem en de geschiedenis van de Faillissementswet geen steun valt te vinden voor een verplichting de gefailleerde met betrekking tot de vaststelling van het salaris van de curator te horen. Reeds omdat het in deze zaak niet gaat om een verzoek op grond van de Faillissementswet, is voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 januari 1990 m.i. geen reden om rechthebbende in het kader van een verzoek tot Aanvullende Beloning niet als belanghebbende aan te merken.

3. Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat Rechthebbende als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dat is in de onderhavige procedure niet gebeurd, althans dit blijkt niet uit het door de rechtbank overgelegde dossier. M.i. zal Rechthebbende eerst als belanghebbende in de procedure moeten worden betrokken en in het verlengde daarvan in de gelegenheid moeten worden gesteld om zich uit te laten over zowel het voornemen een vraag te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen.

Ik geef de Hoge Raad daarom in overweging de gestelde prejudiciële vragen nog niet in behandeling te nemen, maar de zaak eerst terug te wijzen naar de rechtbank Limburg teneinde Rechthebbende als belanghebbende op te roepen en hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en over de inhoud van die vragen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?