ECLI:NL:PHR:2026:257

ECLI:NL:PHR:2026:257

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 14-03-2026
Zaaknummer 25/01362
Rechtsgebied Strafrecht

Samenvatting

Conclusie AG. Culpoze veroorzaking ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zll (art. 158 Sr). Cobra 6 meegenomen in volle trein, opengemaakt en leeggeschut, met ontploffing tot gevolg. Middel klaagt tevergeefs over oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en verwijtbaar heeft gehandeld. Handelen kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en ontploffing is niet een zodanig abnormaal gevolg van het handelen van verdachte dat die niet redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01362 J

Zitting 17 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,

hierna: de verdachte.

1. Inleiding

De verdachte is bij arrest van 3 april 2025 door het gerechtshof Amsterdam wegens subsidiair “de eendaadse samenloop van aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en aan zijn schuld ontploffing te wijten zijn, terwijl daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat’’ veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie. Verder heeft het hof beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.

Namens de verdachte heeft R.J. Wortelboer, advocaat in Heerhugowaard, één middel van cassatie voorgesteld.

2. Het middel

Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is gevolgd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 3 december 2022 te [plaats] aanmerkelijk onvoorzichtig in een treinstel, een stuk illegaal vuurwerk (Cobra 6), heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud, waardoor het stuk vuurwerk tot ontsteking is gekomen waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er in die trein een ontploffing teweeg is gebracht en daardoor gemeen gevaar voor het aanwezige meubilair en/of de goederen van de medereizigers en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de reizigers in het treinstel ontstond.’’

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 16-18).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 3 december 2022 kregen wij de opdracht om te gaan naar [plaats] . Aldaar zou een cobra (vuurwerk) ontploft zijn in de trein.

Op 3 december 2022, om 02:22 uur, waren wij ter plaatse op het station [plaats] . Wij zagen dat een trein stil stond. Aangekomen bij de trein konden wij de trein betreden.

Wij, verbalisanten, roken direct de geur van brand en zagen dat de trein vol rook stond.

Wij zagen één man met letsel aan zijn rechterhand. Ook klaagden diverse mensen over piepende oren.

De man die gewond was aan zijn rechterhand bleek te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -2005 te [geboorteplaats] .

Wij, verbalisanten, zagen dat er wonden aan zijn hand zaten. Wij zagen dat de wimpers van [verdachte] verschroeid waren. Ik, [verbalisant] , hoorde [verdachte] het volgende zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’

Wij, verbalisanten, hebben de plaats van de ontploffing gezien. Wij, verbalisanten, zagen dat de zetels en vloer bezaaid lagen met snippers en verkoolde deeltjes. Ook zagen wij een zwart grijze vlek vanuit de vuilnisbak over de gehele ruit en wand doorlopen in de richting van het plafond. Verder zagen wij, verbalisanten, dat de deksel van de stalen cq ijzeren vuilnisbak ontbrak. Ook zagen wij, verbalisanten, diverse bloedspatten en vlekken op de vloer.

2. Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict (Station [plaats] ) van 20 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 36-39).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 3 december 2022 kwam ik, naar aanleiding van een ontploffing, voor forensisch onderzoek aan op de locatie NS Station [geboorteplaats] . Voorafgaand aan het door mij ingestelde forensische onderzoek, verkreeg ik de volgende informatie:

Er zou mogelijk een stuk vuurwerk zijn afgegaan in een treincoupé in de rijdende trein van [plaats] naar [geboorteplaats] . De trein zou na het incident gestald zijn op het NS station [geboorteplaats] .

Bevindingen

In de coupé werd op een zitting van twee stoelen een klep van een prullenbak aangetroffen. Bij onderzoek bleek het de klep te zijn van een prullenbak behorende bij de stoelen waar de klep was aangetroffen.

Boven de prullenbak was een ruit. Op de binnenzijde van de ruit was grijskleurige waaiervormige roetvorming te zien. Op de stoelen bij de prullenbak was eveneens grijze roetvorming.

In de coupé werden diverse stukjes karton aangetroffen, die ik herkende als afkomstig van vuurwerk. Er werd een stukje aangetroffen voorzien van een gedeelte van een afbeelding van een slangenkop van een Cobra. Ik herkende deze afbeelding als afkomstig van een stuk zwaar illegaal vuurwerk, type Cobra.

Verder werd een gedeformeerd blikje aangetroffen. Het blikje was op verschillende punten opengescheurd door druk.

Gevaarzetting

Ten tijde van het afgaan van de explosie was de coupé van de trein vol met personen. Deze zaten op de stoelen of stonden in de coupé bij elkaar. Door de explosie is er in de afgesloten coupé een drukgolf vrijgekomen die samen met hitte en vuurverschijnselen ervoor kunnen zorgen dat het nabij gelegen blikje samen met vuurwerkresten door de coupé wordt geslingerd. Door de explosie kan/kon (zwaar) lichamelijk letsel ontstaan bij de personen die in de coupé aanwezig waren. Tevens was er door de explosie gemeen gevaar voor goederen ontstaan in de coupé.

Samenvatting

Gezien het aantreffen van grijze roetvorming in de vorm van een waaier boven de prullenbak en op de binnenzijde van de ruit kan gesteld worden dat de explosie in of nabij de prullenbak had plaatsgevonden.

Door het aantreffen van kleine deeltjes papier afkomstig van vuurwerk kan gesteld worden dat de explosie was veroorzaakt door vuurwerk.

3. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Explosievenonderzoek naar aanleiding van een ontploffing in een treincoupé in [plaats] op 3 december 2022’ van 27 februari 2025, opgemaakt door [deskundige] .

Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 3 december 2022 heeft een ontploffing plaatsgevonden in een treincoupé. Eerder NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat:

• De ontploffing aan de bovenkant van een prullenbak bij een raam plaatsvond;

• Het ontplofte explosief een COBRA vuurwerkartikel met flitspoeder is geweest;

• Er niet meer dan enkele grammen flitspoeder is ontploft.

In dit rapport is aanvullend NFI-onderzoek beschreven dat tot doel had om diverse technische aspecten in deze zaak uit te diepen en om inzicht te verschaffen in de wijze van ontsteken van het vuurwerk. Op voorhand zijn drie hypotheses opgegeven. Hypothese 1 beschrijft wat er volgens de verdachte is gebeurd. Hypotheses 2 en 3 zijn naar voren gebracht door het Openbaar Ministerie: • Hypothese 1: De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde COBRA heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de COBRA zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.

Hypothese 2: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de COBRA heeft aangestoken.

Hypothese 3: De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de COBRA zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid.

NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Schadebeeld en de aan- of afwezigheid van gemorst flitspoeder zoals zichtbaar op foto’s van de plaats delict zijn als bewijs gebruikt om tegen de hypotheses af te wegen.

De bewijskracht zal worden bepaald voor de (combinatie van de) onderzoeksresultaten ten aanzien:

• Het zichtbare schadebeeld in de coupé.

• Het zichtbare schadebeeld van de rechterjasmouw van de verdachte.

• De uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte.

• De uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing.

Kennis over het specifieke COBRA vuurwerkartikel dat ontploft is, is daarbij zeer relevant. Daarom is de bewijskracht voor drie groepen COBRA vuurwerkartikelen apart getoetst. In alle gevallen is aangenomen dat tussen het tijdstip van de ontploffing en het tijdstip van het nemen van de foto’s, niemand bij de twee stoelen naast de ontploffing heeft schoongemaakt.

Groep A. COBRA met oorspronkelijk 2 gram flitspoeder

Om onder Hypotheses 1 en 3 te kunnen passen moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Hypotheses 1 en 3 vallen dus bij voorbaat af voor Groep A en alleen Hypothese 2 blijft als mogelijke ontstekingswijze over.

Groep B. COBRA met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gramflitspoeder

Voor deze groep zijn alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Hypothese 2 kan direct uitgesloten worden voor Groep B, omdat het waargenomen schadebeeld hiervoor te beperkt is. Voor de overgebleven set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is.

Groep C. COBRA met oorspronkelijk meer dan 10 gramflitspoeder

Voor deze groep zijn om dezelfde reden als bij Groep B alleen Hypotheses 1 en 3 mogelijk. Voor deze set van hypotheses geldt: Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer Hypothese 3 waar is dan wanneer Hypothese 1 waar is.

Dit NFI-onderzoek heeft enkele aanwijzingen opgeleverd (snippermatch en toetsing verklaring verdachte) dat het vuurwerkartikel een ‘Super COBRA 6’ geweest kan zijn. De ‘Super COBRA 6’ valt in Groep C.

4. De eigen waarneming van het hof gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2025.

Deze eigen waarneming houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op foto 10 op pagina 26 van het politiedossier is te zien dat de verdachte een trui draagt die strak om zijn buik zit.

5. Een proces-verbaal verhoor getuige van 8 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina 157).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige]:

[verdachte] [het hof begrijpt: de verdachte] haalde die cobra uit zijn zak van zijn trui en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”.

6. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 13 december 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 111-113).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 december 2022 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [aangever]:

Op 3 december 2022 ben ik in de trein naar [geboorteplaats] gestapt. Schuin voor mij zat een groepje jongens. Ik zag een van de jongens iets uit zijn zak halen. Ik zag dat die jongen een cobra in zijn rechterhand had. Ik zag namelijk een zwarte staaf in zijn hand met groene letters erop met de naam Cobra en het getal 6 erop. Ik zag dat hij daar iets van afhaalde. Op het moment dat ik mij omdraaide zag ik een felle witte flits en kreeg ik een enorme pijn in mijn oren, ik voelde een soort lichte druk. Ik zag dat de coupé helemaal vol rook stond.

7. Een proces-verbaal verhoor minderjarige verdachte van 25 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 163-171).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 januari 2023 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

V= Heb jij die avond/nacht in [plaats] iemand met vuurwerk gezien?

A= Ja. [betrokkene 2] had een pakje cobra’s bij zich.

V= Wat voor cobra’s waren dat?

A= Cobra 6.

Telefoonvormig qua lengte, zwart, Cobra logo erop, de tekst en een zes.

V= Hoe liet je hem zien aan [getuige] [het hof begrijpt: getuige [getuige] ]?

A= Ik haalde hem [het hof begrijpt: de Cobra] uit mijn vest.”

Het hof heeft met betrekking tot de bewezenverklaring de volgende bewijsoverweging in het arrest opgenomen:

“Oordeel van het hof

Op 3 december 2022 had de verdachte in een trein, die ter hoogte van het station [plaats] reed, een stuk vuurwerk, te weten een Cobra, bij zich. Dit stuk vuurwerk is op enig moment ontploft. Hierdoor is schade ontstaan aan het in het treinstel aanwezige meubilair en hebben diverse medereizigers letsel opgelopen. Het hof gaat net als de rechtbank ervan uit dat de verdachte wist dat hij de Cobra bij zich had toen hij de trein instapte. Het hof acht het (zeer) onaannemelijk dat, zoals de verdachte heeft verklaard, een bekende van hem, ene [betrokkene 2] , de Cobra ongemerkt in de buidel/zak van zijn hoodie gedaan zou hebben. Te meer, omdat de hoodie, zo is te zien op een foto in het dossier, strak om zijn buik zat en de Cobra, zo heeft de verdachte verklaard, de lengte had van een telefoon. Daar komt bij dat [getuige] heeft verklaard dat de verdachte de Cobra uit zijn zak van zijn trui haalde en zei: “kijk eens wat wij bij ons hebben”. Daarnaast heeft [aangever] verklaard dat de verdachte in de trein de Cobra vast had in zijn rechterhand.

Het hof gaat er verder van uit dat het ging om een Cobra 6 en dat de verdachte ook hiervan op de hoogte was. De verdachte heeft verklaard dat hij eerder die avond of nacht voornoemde [betrokkene 2] had gezien met een pakje Cobra’s 6. [aangever] heeft in de trein gezien dat de verdachte in zijn hand een zwarte staaf vasthad met daarop groene letters met de naam Cobra en het getal 6. Het NFI heeft in het meest recente rapport van 27 februari 2025 de in het treinstel aangetroffen kartonsnippers onderzocht. Deze snippers vertonen overeenkomsten met een Super Cobra 6.

De vraag die vervolgens voorligt, is hoe de Cobra is ontploft. Het NFI heeft in het laatstgenoemde rapport naar aanleiding van het dossier en de verklaring van de verdachte drie hypotheses nader onderzocht:

1. De ontploffing is veroorzaakt doordat onbedoeld een vonk van elektrostatische ontlading het flitspoeder in de beschadigde Cobra heeft bereikt en ontstoken. Hierbij geldt dat de oorzaak van de beschadiging onbekend is en de Cobra zich in beschadigde toestand in de trui van de verdachte bevond, voordat hij hem eruit pakte om weg te gooien.

2. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de lont van de Cobra heeft aangestoken.

3. De ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte de Cobra zelf heeft opengemaakt en deels leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen koker en flitspoeder onbedoeld tot ontsteking heeft geleid.

NFI-onderzoek heeft uitgewezen dat alle hypotheses op voorhand technisch gezien mogelijk zijn. Het NFI heeft voor het bepalen van de bewijskracht van de onderzoeksresultaten rekening gehouden met het zichtbare schadebeeld in de coupé, het zichtbare schadebeeld van de rechterjasmouw van de verdachte, de uiterlijke kenmerken van de witte trui en de spijkerbroek van de verdachte en de uiterlijke kenmerken van de vloer en de stoelen nabij de ontploffing. De bewijskracht van de onderzoeksresultaten is voor drie groepen Cobra vuurwerkartikelen met verschillende hoeveelheden flitspoeder apart getoetst. Het NFI komt per groep tot de volgende conclusies:

Groep A, Cobra met oorspronkelijk twee gramflitspoeder

Om onder hypothese 1 en 3 te kunnen passen, moet een vuurwerkartikel meer dan twee gram flitspoeder bevatten. Deze hypotheses vallen daarom af. Als het ontplofte vuurwerkartikel uit groep A komt, blijft alleen hypothese 2 als mogelijke ontstekingswijze over.

Groep B, Cobra met oorspronkelijk meer dan 2 en minder dan 10 gramflitspoeder

Om onder hypothese 2 te kunnen passen, moet een artikel twee gram - en niet meer - flitspoeder bevatten. Hypothese 2 valt voor groep B daarom af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is iets waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.

Groep C, Cobra met oorspronkelijk meer dan 10 gramflitspoeder

Hypothese 2 valt om dezelfde reden als bij groep B af. Het niet aantreffen van zichtbaar flitspoeder op de trui en broek van de verdachte en ook niet op de stoel en de vloer tussen de verdachte en de plek van de ontploffing is waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 1 waar is.

De Super Cobra 6 valt in groep C. Mede gelet hierop en ook overigens is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende steun biedt voor het scenario dat de verdachte de Cobra zou hebben aangestoken. Hypothese 2, zoals door het NFI in het voornoemde rapport is beschreven, valt daarom af als mogelijke ontstekingswijze.

Blijven over de hypotheses 1 en 3.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Cobra heeft opengemaakt en (deels) heeft leeggeschud in de prullenbak, waarbij de wrijving tussen de koker en het flitspoeder tot een ontsteking heeft geleid, zoals door het NFI beschreven onder hypothese 3. Daarbij gaat het hof, naast de resultaten van het voornoemde NFI-rapport, waaruit volgt dat voor een groep C Cobra hypothese 3 waarschijnlijker is dan hypothese 1, uit van de volgende feiten en omstandigheden. Een van de verbalisanten heeft in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal beschreven dat hij direct na het incident ter plaatse was en de verdachte hoorde zeggen: ‘Toen ik in de trein zat pakte ik het vuurwerk uit mijn zak. Ik wilde dit leeggooien in de prullenbak in de trein. Ineens ontplofte het stuk vuurwerk.’, een opvallende en specifieke uitspraak. Daarnaast heeft [aangever] verklaard dat hij zag dat de verdachte een Cobra in zijn rechterhand had en dat hij zag dat de verdachte daar iets van afhaalde. Daarmee gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte – dat hij tegen de verbalisant in plaats van ‘leeggooien’ ‘weggooien’ had gezegd en dat hij niet iets van de Cobra heeft afgehaald. Dat het openen van een Cobra moeizaam gaat, zoals ook volgt uit voornoemd NFI-rapport, brengt het hof evenmin tot een ander oordeel, nu van een onmogelijkheid geen sprake is en de verdachte de Cobra al enige tijd in zijn bezit had hetgeen hem de mogelijkheid en de tijd gaf om de kunststof dop van de Cobra te verwijderen.

Tot slot is de vraag of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld of dat de ontploffing aan zijn schuld is te wijten. Het hof acht met de advocaat-generaal en de raadsman niet bewezen dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld, zodat hij van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het handelen van de verdachte moet wel worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat het aan zijn schuld te wijten is geweest dat een ontploffing is teweeg gebracht. Immers is de verdachte met een Cobra 6 een volle trein ingestapt, nadat hij die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken had. Hij heeft de Cobra in de trein laten zien aan zijn vrienden en heeft de Cobra opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen. Het subsidiair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.”

De tenlastelegging is toegesneden op art. 158 Sr, dat luidt:

“Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft:

1° met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2° met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat;

3° met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.”

Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in aanmerkelijke onvoorzichtigheid die verwijtbaar is. “Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij geldt dat niet al uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin”.

De steller van het middel klaagt allereerst over het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte als “aanmerkelijk onvoorzichtig” moet worden aangemerkt. In de schriftuur wordt betoogd dat er door de verdachte geen handelingen zijn verricht die op zichzelf als onvoorzichtig kunnen worden aangemerkt (zoals bijvoorbeeld het aansteken van een lont). Het gaat volgens de steller van het middel eerder om meer alledaagse handelingen, waarbij het volgen van een explosie niet voor de hand ligt.

Het hof heeft op grond van de volgende vaststellingen geoordeeld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld:

i. de verdachte wist dat hij een Cobra 6 bij zich had toen hij een volle trein instapte;

ii. de verdachte had die avond en nacht een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken;

iii. de verdachte heeft de Cobra 6 in de trein laten zien aan zijn vrienden;

iv. de verdachte heeft de Cobra 6 opengemaakt en (deels) leeggeschud in de prullenbak, waarna de Cobra tot ontploffing is gekomen.

De vraag in cassatie is allereerst of met deze vaststellingen het oordeel dat de verdachte “aanmerkelijk onvoorzichtig” heeft gehandeld, toereikend is gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat dit het geval is. Uit de bovenstaande vaststellingen blijkt dat de verdachte na het nuttigen van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol met illegaal en gevaarlijk vuurwerk een volle trein is binnengestapt, dit vuurwerk vervolgens heeft opengemaakt en de inhoud heeft leeggeschud in een prullenbak. Van alledaagse handelingen is daarmee allerminst sprake. Ik benadruk dat het in de onderhavige zaak om een illegaal explosief gaat. De verdachte heeft door de Cobra 6 voorhanden te hebben reeds in strijd gehandeld met geschreven rechtsnormen. Bovendien heeft hij, door vervolgens dit illegale explosief in een volle trein zonder voorzorgsmaatregelen te demonteren en het daarna ook nog eens leeg te schudden, gehandeld in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Wat mij betreft, mag worden verwacht dat iemand die illegaal vuurwerk in zijn bezit heeft, rekening houdt met het gevaarlijke karakter daarvan en zijn gedrag daarop aanpast. Doet hij dit niet, dan mag hij minimaal worden geacht aanmerkelijk onvoorzichtig te hebben gehandeld.

Vervolgens wordt door de steller van het middel aangevoerd dat nu niet voorzienbaar was dat als gevolg van de handelingen van de verdachte een ontploffing zou kunnen optreden, evenmin sprake is van een situatie waarvan kan worden gezegd dat deze redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de ontploffing aan de schuld van de verdachte te wijten is geweest, begrijp ik de steller van het middel zo, dat hij van mening is dat de handelingen van de verdachte evenmin “verwijtbaar” zijn, omdat de ontploffing niet voorzienbaar was.

De factor voorzienbaarheid komt als zodanig niet voor in de onder 2.6 van deze conclusie weergegeven standaardoverwegingen van de Hoge Raad inzake schuld, maar zit als het ware ingebakken in de vereiste verwijtbaarheid (de subjectieve kant van de schuld). Volgens De Hullu en Van Kempen veronderstelt verwijtbaarheid dat de verdachte moest kunnen voorzien dat bepaald gedrag onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. De verdachte had daarom anders moeten handelen. Met Vellinga meen ik dat bij de invulling van het voorzienbaarheidsbegrip maatgevend moet zijn hetgeen de gemiddelde burger had “kunnen en behoren te (voor)zien”. Hierbij kan worden betrokken of de gedragingen van de verdachte in strijd zijn met geschreven of ongeschreven rechts-, verkeers- of zorgvuldigheidsnormen die voor hem golden. Ik licht dit toe. Veel vormen van gedrag zijn vastgelegd in veiligheidsvoorschriften en andere regels die erop zijn gericht om ernstige gevolgen te voorkomen. Door deze voorschriften kan de voorzienbaarheid van die gevolgen in sterke mate worden geobjectiveerd, vooral wanneer het gedrag plaatsvindt binnen een streng gereguleerd rechtsterrein, zoals het verkeer of de zorg. Vanwege de aard van deze voorschriften moet en kan een ieder voorzien dat het overtreden ervan kan leiden tot de ernstige gevolgen (zoals bijvoorbeeld de dood, zwaar lichamelijk letsel of een ontploffing en het daarmee samenhangende gevaar voor personen). Bij meer alledaagse gedragingen, die plaatsvinden in een minder of niet gereguleerde context, is de voorzienbaarheid echter lastiger aan te tonen en zal de rechter hieraan meer aandacht moeten besteden. In zulke situaties moet de rechter ongeschreven zorgvuldigheidsnormen formuleren om de culpa nader in te vullen. Deze normen moeten worden afgeleid uit wat een gemiddelde burger in de gegeven omstandigheden uit voorzorg had moeten doen of juist had moeten nalaten. Dit betekent dat in elk afzonderlijk geval andere normen op een andere manier van belang kunnen zijn, waardoor het belangrijk is dat de feitenrechter duidelijk inzicht geeft in welke normen in de betreffende situatie bepalend zijn. Kortom, dat de voorzienbaarheid een uiting is van de subjectieve component van culpa staat er niet aan in de weg deze factor tot op zekere hoogte te objectiveren.

Ik heb onder 2.6 van deze conclusie het algemene door de Hoge Raad gehanteerde beoordelingskader voor ‘schuld’ en onder 2.11 de in de literatuur gehanteerde uitgangspunten omtrent ‘voorzienbaarheid’ weergegeven. Ik zal hieronder in aanvulling daarop nog twee arresten van de Hoge Raad uitlichten waarin de factor voorzienbaarheid van belang was.

Het gaat allereerst om een arrest van 29 juni 2010. In deze zaak had de verdachte wasbenzine over een nog brandend kampvuur gesprenkeld, waardoor onder andere een horizontale steekvlam ontstond en omstanders gewond raakten. De deskundigen hadden bij het hof verklaard dat de waargenomen effecten – in het bijzonder de horizontale steekvlam – niet in de literatuur waren beschreven en vooraf niet door hen waren voorzien. Het hof sprak de verdachte vrij. De verdachte had volgens het hof weliswaar onvoorzichtig gehandeld door in strijd met de waarschuwingen op de fles wasbenzine deze toch op open vuur te sprenkelen, maar het hof leidde uit de verklaringen van de deskundigen af dat de verdachte – als gemiddelde burger – de gevolgen niet had kunnen en moeten voorzien. Daarom konden de gedragingen van de verdachte geen schuld in strafrechtelijke zin opleveren. Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak, maar tevergeefs: de Hoge Raad liet dit oordeel in stand. Nu het in deze zaak ging om een door het openbaar ministerie ingesteld cassatieberoep tegen een vrijspraak betracht ik enige voorzichtigheid bij het trekken van conclusies, maar het lijkt me dat in ieder geval kan worden gezegd dat uit dit arrest blijkt dat een deskundigenoordeel dat de voorzienbaarheid van de gevolgen ondergraaft een contra-indicatie is voor het aannemen van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid, ook als de verdachte een veiligheidsvoorschrift heeft genegeerd. Van onvoorzichtigheid in strafrechtelijke zin kan immers pas worden gesproken wanneer de verdachte als gemiddelde burger de gevolgen had moeten en kunnen voorzien.

Daar staat tegenover dat de ruimte voor de verdachte om zich te disculperen door aan te voeren dat het ingetreden gevolg niet voorzienbaar was, mijns inziens veel minder groot is als zijn gedragingen betrekking hebben op illegale stoffen/middelen. Ik wijs in dit verband op een arrest van 12 maart 2024. In die zaak had een ontploffing van de door de verdachte en zijn medeverdachte zelf gefabriceerde springstof TATP plaatsgevonden in een portiekwoning. Een van de door de stellers van het middel aangevoerde argumenten hield in dat “niet bewezen is verklaard dat de ontploffing een gevolg is geweest van enige (agressieve) handeling van verdachte (en/of een medeverdachte)” waarmee zij, zo begreep mijn voormalig ambtgenoot Hofstee, de motivering en de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over het bestaan van een causaal verband tussen de handelingen van de verdachte en het intreden van de explosie en het daarmee samenhangende gevaar ter discussie stelden. De klacht faalde volgens Hofstee, omdat het “het oordeel van het hof over de aanwezigheid van een causaal verband tussen de onvoorzichtige gedragingen en de explosie geenszins onbegrijpelijk is. Het in het verlengde daarvan liggende kennelijke oordeel van het hof dat toerekening hiervan aan de verdachte redelijkerwijs mogelijk is, is eveneens niet onbegrijpelijk, omdat het zonder veiligheidsmaatregelen open en bloot bewaren van een zelf gefabriceerde springstof meebrengt dat het voor de verdachte redelijkerwijs was te voorzien dat deze tot ontploffing zou kunnen komen”. De Hoge Raad deed de zaak af met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

In de onderhavige zaak heeft het hof kennelijk geoordeeld dat het aanmerkelijk onvoorzichtige handelen van de verdachte verwijtbaar was, omdat het gevolg daarvan – de ontploffing – was te voorzien. Dat het hof geen specifieke overwegingen heeft gewijd aan de vraag of het voor een gemiddeld persoon voorzienbaar was dat het explosief specifiek door wrijving tot ontploffing zou komen, lijkt mij niet problematisch. Het gaat er immers om of in algemene zin kan worden gezegd dat de verdachte had moeten voorzien dat hij met zijn gedragingen een explosie zou kunnen veroorzaken en de ontploffing is niet een zodanig abnormaal gevolg van het handelen van de verdachte dat die niet redelijkerwijs aan de verdachte mag worden toegerekend. Van een gemiddeld burger mag worden verwacht dat hij weet dat men niet moet stunten met, dan wel morrelen aan, vuurwerk/explosieven, zeker als het gaat om een Cobra, waarvan het gevaarlijke karakter algemeen bekend is. Nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte dit wel heeft gedaan, is het kennelijke oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte niet alleen aanmerkelijk onvoorzichtig, maar ook verwijtbaar was, toereikend gemotiveerd.

3. Slotsom

Het middel faalt. Mede omdat het middel klaagt over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO niet voor de hand.

Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?