PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00495
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 8 februari 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001982-22) wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen deel een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, waarbij de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 dagen is bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaak 24/00583. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam , heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is veroordeeld wegens een in vereniging met anderen gepleegde diefstal uit een bedrijfspand. In hoger beroep is het standpunt ingenomen dat de door de aangever aangeleverde camerabeelden onvoldoende geschikt zijn om tot een betrouwbare vergelijking (herkenning) te komen en dat overig bewijs voor het daderschap van de verdachte ontbreekt. In cassatie wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van de verwerping door het hof van dit door de verdediging ingenomen standpunt.
Deze honderdste conclusie van mijn hand strekt tot verwerping van het middel.
3. Het middel
Het middel komt op tegen de verwerping door het hof van het tot vrijspraak strekkende verweer dat de camerabeelden onvoldoende duidelijk zijn om tot een vergelijking en herkenning van de verdachte te komen en dat andere bewijsmiddelen die wijzen in de richting van de verdachte ontbreken. Meer in het bijzonder wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de door de verbalisanten gemotiveerde herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om deze “in samenhang met het overige bewijs” voor het bewijs te kunnen gebruiken.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“3. De reden van het hoger beroep ziet op de bewezenverklaring. De verdediging verzoekt u primair cliënt vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs: de camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk om tot die bewezenverklaring te komen.
Verzoek vrijspraak
4. In eerste aanleg heeft mijn voormalig kantoorgenoot mr. [betrokkene 1] uitgebreid aandacht besteed aan de herkenningen. Ik zal daarnaar verwijzen en ik zal de pleitnotities in eerste aanleg samenvatten. Kort en goed komt het standpunt erop neer dat de camerabeelden onvoldoende duidelijk zijn om daarop een betrouwbare herkenning te baseren, terwijl andere bewijsmiddelen op basis waarvan tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, ontbreken.
Camerabeelden onvoldoende duidelijk om tot een vergelijking te komen
5. De beelden zijn naar het standpunt van de verdediging om een aantal reden onvoldoende om een bewezenverklaring op te baseren.
6. Allereerst geldt dat de man met de groene jas, dat zou volgens de politie [verdachte] moeten zijn, het grootste gedeelte van de tijd een capuchon over zijn hoofd draagt. Hij is op die momenten ook nog eens nauwelijks zichtbaar. Er is één moment, om 21.19.33 uur, dat de man zijn capuchon aftrekt en in ieder geval een deel van zijn gezicht in beeld is. Dat beeld is door de felle belichting niet scherp. Bovendien is de man slechts zeer kort in beeld omdat hij vrijwel direct weer zijn capuchon over zijn hoofd trekt en de beelden zijn opgenomen vanaf schuin boven. Dat betekent dat de stand van de ogen niet waarneembaar kan zijn op die manier, terwijl dat voor [verbalisant 1] een van de kenmerken is waar hij zijn herkenning op baseert. Volgens deze verbalisant zou [verdachte] een uniek gezicht hebben. Daarover is reeds in eerste aanleg opgemerkt dat de verdediging zich afvraagt wat uniek zou zijn aan het gezicht van [verdachte] en bovendien ook ten aanzien van die opmerking geldt dat het gezicht niet waarneembaar is, juist vanwege dat camerastandpunt.
7. Door dat schuine perspectief kan evenmin worden vastgesteld hoe groot of klein de neus is ten opzichte van de rest van het gezicht. Datzelfde geldt voor de mond. Ondanks die omstandigheid heeft [verbalisant 1] ook daarvan aangegeven dat hij hem daaraan herkent. Bovendien geldt dat een vollere mond en een dikkere neus geldt dat dit geen identificerende gezichtskenmerken zijn.
8. De verdediging verzoekt u ook vandaag de foto op p. 37 goed te vergelijken met de man op de camerabeelden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van die beelden niet kan worden gezegd dat dit dezelfde man zou betreffen.
9. Daarnaast is er een herkenning van [verbalisant 2] : huidskleur, vorm van het gezicht, kaaklijn en de haarlijn. Dat is opvallend, omdat de man op de camerabeelden juist lichter van huidskleur lijkt dan [verdachte] . Ook ten aanzien van deze herkenning geldt dat over de vorm va het gezicht nauwelijks iets is te zien, net als de haarlijn. Een kaaklijn valt door de felle belichting in het geheel niet waar te nemen.
10. Daarnaast meent [verbalisant 3] [verdachte] ook nog te herkennen aan zijn postuur. Ook dat is opmerkelijk, nu over het postuur door de brede jas feitelijk niets valt waar te nemen. Daarvan geldt bovendien dat hij zelf ook lijkt te twijfelen, nu hij overweegt over foto 5 dat hij daarop [medeverdachte] herkent en kennelijk dus niet [verdachte] . Wanneer gekeken wordt naar p. 50 van het dossier, is dat niet vreemd: dat zou heel goed [medeverdachte] of iedere andere man met een zwarte huidskleur kunnen zijn.
11. Het voorgaande maakt dat de verdediging zich ook in hoger beroep, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, op het standpunt stelt dat de camerabeelden onvoldoende geschikt zijn om tot een betrouwbare vergelijking te komen. Dat maakt dat ik u verzoek op die grond vrij te spreken.
Andere omstandigheden die wijzen naar cliënt
12. Overige omstandigheden die bijdragen aan het bewijs dat cliënt deze diefstal met braak zou hebben medegepleegd, ontbreken. Zelf heeft hij stellig ontkend. Hij heeft verklaard dat hij die dag niet in [plaats] is geweest. De spullen die zijn gevonden in de auto waarvan cliënt de sleutel had, kunnen niet zonder twijfel gelinkt worden aan de kleding die de verdachten op de beelden droegen. Zo zijn Nikes niet alleen weinig identificerend, maar is de in de auto aangetroffen jas bruin van kleur, terwijl de jas die op de beelden is te zien duidelijk groen is.
13. Bovendien geldt ten aanzien van de beelden van de latere pintransactie dat cliënt daarop niet kan worden herkend. De man op de beelden draagt een pet waarvan vaststaat dat het geen New York Yankees pet betreft, terwijl de man die aanwezig is geweest op de [a-straat] wel een New York Yankees pet droeg: een pet die overigens niet is aangetroffen in de auto en daarmee dus niet aan cliënt kan worden gekoppeld.
14. Overige omstandigheden waaruit zou volgen dat cliënt betrokken is geweest bij deze diefstal met braak, ontbreken. Dat maakt dat de verdediging u verzoekt cliënt vrij te spreken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.”
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 26 januari 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, in/uit een bedrijfspand ( [A] B.V.) (gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] ) goederen, te weten:
- twaalf pinpassen,
- vier laptops,
- een kluis, met daarin pincodes en een contant geldbedrag en een Ledgar Nano en (drie) Trecor Wallets en waardevolle papieren die toebehoorden aan [B] en/of [C] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2018 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018029951-1, met bijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 1 tot en met 19) :
als de op 31 januari 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :
Ik ben namens [B] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] , gerechtigd tot het doen van aangifte van diefstal uit het bedrijfspand van [A] BV. Ik ben medewerker bij dit bedrijf en tevens gevolmachtigd om aangifte te doen.
Op 28 januari 2018 omstreeks 16.30 uur was ik aanwezig in het bedrijfspand. Ik liep naar mijn werkplek en ik zag dat mijn werkkast overhoop was gehaald en was ontzet. In deze kast bevond zich een kluis die was verlijmd. Ik zag dat de kluis was weggenomen.
Ik bekeek de beveiligingsbeelden van de entree. Ik zag op deze beelden dat er een man het pand binnen kwam. Ik zag dat deze man het kozijn ontwrichtte. Ik zag dat er even later nog twee mannen naar binnen liepen.
Op deze beelden zag ik dat deze drie mannen regelmatig naar binnen en buiten liepen. Ik zag dat de drie mannen het bedrijfspand verlieten om 21.33 uur. Ik zag dat de man die het laatste het pand verliet de kluis onder zijn linkerarm droeg en een koevoet in zijn hand had.
Ik zag dat er betaalpassen waren weggenomen. Deze betaalpassen lagen op mijn bureau. In de weggenomen kluis waren de pincodes van deze betaalpassen opgeborgen. Bij de pincodes stonden de nummers van de betaalpassen vermeld. In de kluis was contant geld opgeborgen.
In de kluis lag verder een Ledgar Nano en drie Trecor Wallets. Dit zijn hardware wallets voor crypto munten. Verder lagen er waardevolle papieren in de kluis. Ik zag verder dat er vier laptops waren weggenomen.
2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Rotterdam met proces-verbaalnummer 2018029951. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 20 tot en met 22):
als de op 1 februari 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :
De inbraak was op vrijdagavond 26 januari 2018. De mannen kwamen om 21.19 uur binnen.
Er werden in totaal 12 bankpassen weggenomen. Van die twaalf bankpassen werden in de kluis acht pincodes bewaard.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2018 van de Politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1802011250.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina's 24 tot en met 29):
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 4] :
Op 31 januari 2018 deed [aangever] aangifte van diefstal uit het bedrijfspand van [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] . Hij verklaarde dat er was ingebroken bij het voornoemde bedrijf. De aangever had alle beelden op een usb-stick gezet en vrijwillig bij het doen van de aangifte afgegeven voor het onderzoek.
Ik heb de betreffende usb-stick aangesloten op een computer. Ik zag dat er 17 MP4-bestanden waren geplaatst in een bestandsmap, genaamd: " [a-straat 1] _ [plaats] ".
Bij het afspelen van elk bestand zag ik linksboven in beeld staan: "01-26-2018 Fri".
Op de camerabeelden is in het midden de grijze toegangsdeur te zien met aan de linkerkant een houten kozijn.
Ik zie om 21:19:08 uur door de ruit van de toegangsdeur een persoon verschijnen. Ik zie dat de voorzijde van zijn lichaam is gericht in de richting van de deurklink van de deur.
Ik zie dat deze persoon bewegingen maakt. Ik zie om 21:19:25 uur dat de toegangsdeur open gaat. Ik zie dat er om 21:19:28 uur een persoon naar binnen komt gelopen.
Ik zie dat deze persoon een paar stappen naar binnen loopt, dan zich ineens rechtsom omdraait en versneld terug stapt naar de deur, die weer dicht gaat. Nadat deze persoon is gedraaid, zie ik dat hij in zijn rechterhand een klein model breekijzer vast heeft. Ik zal deze persoon vanaf nu verdachte A noemen.
Ik zie dat verdachte A een negroïde persoon betreft. Hij draagt een legergroene jas met capuchon over zijn hoofd, met op de linkerborst en de linker mouw een klein wit embleem.
Ik zie dat zijn schoenen een witte zool hebben, het gedeelte achter bij de enkel rood/roze van kleur is en de rest van de schoen grijsachtig gekleurd is. Ik zie het Nike logo erop staan en dat de hakken aan de onderzijde rood en zwart gekleurd zijn.
Ik zie om 21.19:33 uur dat de verdachte weer terug draait in de richting van de camera en zijn capuchon afdoet. Hierop is te zien dat hij zeer kort geschoren (kroes) haar heeft dan wel kaal is.
Ik zie hem om 21:20:23 uur de toegangsdeur openen, waarop ik om 21:20:27 uur de verdachte B door de toegangsdeur naar binnen zie komen lopen. Ik zie tegelijkertijd dat er nog een derde persoon achter de verdachte B in beeld verschijnt, die om 21:20:31 uur binnen komt door de toegangsdeur. Deze derde persoon zal ik verder de verdachte C noemen.
Ik zie dat verdachte B een negroïde man betreft. Ik zie dat hij een zwarte baseballpet draagt, donker grijze jas met capuchon, een zwarte (trainings) broek en sportschoenen van het merk Nike, grijze van kleur, witte zool en een donker 1 zwart gekleurd Nike embleem. Ik zie dat hij donker gekleurde handschoenen draagt.
Ik zie dat verdachte C achter de verdachte B aan loopt en om 21:21:25 uur uit beeld verdwijnt.
Ik zie de verdachte C om 21:25:30 uur weer in beeld verschijnen. Ik zie dat hij naar de toegangsdeur loopt en de deur opent en dat hij om 21:25:36 door de deur naar buiten verdwijnt.
Ik zie verdachte A om 21:26:49 uur weer in beeld verschijnen, naar de toegangsdeur lopen en dat hij die toegangsdeur opent. Ik zie dat hij tijdens het lopen een langwerpig geel voorwerp in zijn linkerhand vasthoudt.
Ik zie dat verdachte A om 21:33:40 uur weer in beeld verschijnt. Ik zie dat hij naar de toegangsdeur loopt. Ik zie dat hij een zwart/donkergrijs gekleurde vierkant/rechthoekig voorwerp draagt. Ik zie dat hij in zijn linkerhand een grote donkergekleurde koevoet vasthoudt.
[aangever] heeft verklaard dat hij op de camerabeelden zag dat één van de mannen het pand verliet met een weggenomen kluis. Gezien de afmetingen van het voorwerp dat verdachte A
hier meedraagt, is het zeer aannemelijk dat hij hier de weggenomen kluis mee neemt.
Ik zie om 23:00:20 uur dat verdachte B via de toegangsdeur het pand weer binnenkomt. Ik zie dat hij tussen zijn linkerhand/arm en zijn lichaam een drietal dozen draagt. Ik zie dat verdachte B om 23:01:20 uur het pand verlaat met deze dozen.
4. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Amsterdam met proces-verbaalnummer 2018029951. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 42 en 43):
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] :
Op 8 februari 2018 bekeek ik bewegende camerabeelden die waren verzameld door de Eenheid Rotterdam . De beelden betroffen beeld van een inbraak/insluiping onder zaaknummer 2018029951.
Ik herkende de persoon na bestudering van de camerabeelden. Op deze beelden zag ik een persoon welke ik ambtshalve ken.
De persoon op de afbeelding herken ik als:
[medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973.
Ik herkende de verdachte duidelijk van de bewegende camerabeelden. [medeverdachte] herken ik aan zijn unieke gezichtskenmerken, zoals zijn neus, mond, stand van zijn ogen en zijn gehele unieke gezicht. Tevens herken ik de manier van bewegen bij de verdachte. Dit komt mede door de tientallen herkenningen die ik eerder van de verdachte heb opgemaakt. Ik ken [medeverdachte] ambtshalve als een zeer actieve veelpleger die al jaren in verband wordt gebracht met diverse inbraken.
Ik zag [medeverdachte] voor het laatst op 27 januari 2018 omstreeks 08:00 uur toen hij de after party van [D] , gevestigd op de [b-straat] te [plaats] , verliet. Ik zag [medeverdachte] uit de horeca onderneming lopen en ik groette hem hierbij.
5. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Amsterdam met proces-verbaalnummer 2018029951, met fotobijlage. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina’s 44 tot en met 46) :
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 5] :
Op 8 februari 2018 zag ik een aandachtvestiging waarin afbeeldingen werden getoond van meerdere personen en de volgende informatie werd gegeven: Op 26 januari 2018 vond er een inbraak plaats in het bedrijf [B] .
De persoon die geheel in het zwart gekleed is met zwart petje en grijze Nike schoenen aan herken ik als: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973.
Ik ken de bovengenoemde persoon ambtshalve. Ik heb [medeverdachte] onlangs gecontroleerd in [woonwijk] . Ik herken [medeverdachte] aan zijn postuur en gelaat. [medeverdachte] heeft een vriendelijk voorkomen als je hem aankijkt. Bij de controle twee weken terug droeg [medeverdachte] dezelfde grijze Nike sportschoenen als op de afbeelding. Tevens herken ik de jas die hij bij deze inbraak draagt. Bij de laatste staandehouding heb ik samen met een collega ook een onderzoek in de auto ingesteld. Hierbij troffen wij diverse jassen, pruik, colls en handschoenen aan. Een van de jassen die wij aantroffen in de kofferbak vertoont grote overeenkomsten als de jas die hij aan heeft tijdens de inbraak. Het is een opvallende jas met een grote zak/vak aan de voorzijde.
6. Een proces-verbaal van herkenning d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Amsterdam met proces-verbaalnummer 2018029951. Dit proces-verbaal houdt, onder meer in (pagina's 47 tot en met en 50) :
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] :
Op 2 februari 2018 bekeek ik op het politie intranet de pagina van Recherche Informatie Online. Op deze pagina, plaatsten collega’s uit het hele land beeldmateriaal met daarbij een hulpvraag. Vandaag bekeek ik een item dat ging over een bedrijfsinbraak in [plaats] . In dit item werden een aantal foto's getoond met daarop drie verschillende verdachten.
De verdachte met de zwarte jas en zwarte pet herkende ik als zijnde: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1973.
Ik herkende [medeverdachte] aan zijn postuur, de vorm van zijn hoofd, de vorm van zijn oren, neus en mond. [medeverdachte] is bij mij ambtshalve bekend als bedrijfsinbreker. Ik ben hem een aantal keren tegengekomen bij controles, tevens zie ik regelmatig zijn politiefoto's in de database voorbijkomen.
Ik herkende de verdachte met de groene jas als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982.
Ik herkende [verdachte] aan zijn postuur, de vorm van zijn hoofd, zijn ogen, neus en mond. Ik ken [verdachte] al jaren. Ik heb hem zelf in het verleden ook aangehouden. Ik controleerde [verdachte] in augustus 2017 op het [treinstation] . Ik heb [verdachte] toen gesproken.
7. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 8 februari 2018 van de Politie Eenheid Amsterdam met proces-verbaalnummer 2018029951. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina’s 36 tot en met en 39):
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] :
Op 8 februari 2018 bekeek ik bewegende camerabeelden van een inbraak/insluiping onder zaaknummer 2018029951. Ik herkende de persoon na bestudering van de camerabeelden.
De persoon op de afbeeldingen herken ik als:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982.
[verdachte] herken ik aan zijn unieke gezichtskenmerken, zoals zijn neus, mond, stand van zijn ogen en zijn gehele unieke gezicht. Ik heb [verdachte] verschillende keren gesproken en aangehouden.
8. Een proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 7 februari 2018 van de Politie Eenheid Amsterdam met registratienummer PL1700-2018029951. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 40 en 41) :
als de relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 6] :
Op 7 februari 2018 zag ik een aandachtvestiging met het verzoek tot herkenning van een aantal bedrijfsinbrekers. Dit in verband met een bedrijfsinbraak gepleegd op 26 januari 2018 in [plaats] . Een van de personen op deze aandachtvestiging herken ik als:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1982.
Ik ken [verdachte] ambtshalve. Ik herkende [verdachte] onmiddellijk en voor de volle honderd procent. Ik herken hem aan de vorm van zijn gezicht, kaaklijn en haarlijn. Ik heb tijdens mijn werkzaamheden bij het High Impact Crime team van [woonwijk] meerdere malen contact gehad met [verdachte] . In juli en augustus is [verdachte] betrokken geweest bij een tweetal woninginbraken. Hierbij heb ik [verdachte] gehoord als verdachte. De herkenning is volledig en er is geen twijfel over.”
Het bestreden arrest houdt verder nog de volgende nadere bewijsoverweging in:
“Anders dan de verdediging acht het hof de relatief scherpe camerabeelden voldoende duidelijk om tot een betrouwbare vergelijking en herkenning te komen. Op die beelden is de verdachte ook goed in het gezicht te zien. Dit brengt mee dat het hof de gemotiveerde herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar acht om deze, in samenhang met het overige bewijs, voor het bewijs te kunnen gebruiken.”
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de rechtbank de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar heeft geacht en daarbij heeft overwogen dat deze herkenningen niet op zichzelf staan: door de rechtbank is gewezen op de schoenen die de verdachte enkele uren na de inbraak tijdens zijn aanhouding droeg (witte zool, rood gedeelte achter bij enkel, met Nike logo) alsmede op een tijdens de insluitingsfouillering van de verdachte aangetroffen autosleutel van een auto waarin een jas die lijkt op de jas van verdachte A op de camerabeelden werd aangetroffen (groen/bruine jas, wit logo op linker mouw en een opvallende schuine rits) (vonnis rechtbank, bewijsmiddel 4). Volgens de steller van het middel heeft het hof anders dan de rechtbank, geen enkel ander bewijsmiddel gebezigd dat wijst in de richting van de verdachte of dat steun geeft aan de herkenningen van de verbalisanten. Van “in samenhang met het overige bewijs” zou hier dan ook geen sprake zijn, zodat de verwerping van het gevoerde verweer ontoereikend is althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Door de verdediging is blijkens de onder 3.2 weergegeven pleitnota het standpunt ingenomen dat de camerabeelden onvoldoende duidelijk c.q. geschikt zijn om tot een betrouwbare vergelijking (herkenning) van de verdachte en daarmee tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daartoe is naar de kern aangevoerd dat van de persoon van wie de politie denkt dat het de verdachte is – de man met de groene jas – op de camerabeelden slechts op één moment een deel van zijn gezicht in beeld is, terwijl dat beeld door de felle belichting niet scherp is en ook het camerastandpunt (schuin vanaf boven) maakt dat het gezicht niet goed waarneembaar is. Verder is aangevoerd dat overig bewijs voor het daderschap van de verdachte ontbreekt. De onder 3.6 door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden zijn daartoe volgens de verdediging onvoldoende, omdat niet zonder twijfel een link kan worden gelegd tussen de verdachte en de in de auto aangetroffen spullen (bruine jas in plaats van groen van kleur) en het schoeisel van de verdachte weinig identificerend is.
Het hof is afgeweken van dit door de verdediging ingenomen standpunt door te oordelen dat de gemotiveerde herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar zijn om “in samenhang met het overige bewijs” voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Daarbij gaat het hof expliciet in op de door de verdediging met betrekking tot de camerabeelden naar voren gebrachte punten. Volgens het hof is sprake van relatief scherpe camerabeelden waarop ook goed het gezicht van de verdachte te zien is, zodat de beelden voldoende duidelijk zijn om tot een betrouwbare vergelijking en herkenning te komen. Dat oordeel wordt in cassatie niet betwist. In cassatie wordt uitsluitend opgekomen tegen de begrijpelijkheid van de zinsnede “in samenhang met het overige bewijs”. Dat het hof – overeenkomstig het door de verdediging in de pleitnota ingenomen standpunt – niet het door de rechtbank onder 3.6 genoemde bewijs voor het bewijs heeft gebezigd maakt mijns inziens niet dat “overig bewijs” hier ontbreekt. Naast de gemotiveerde herkenningen door de drie verbalisanten (bewijsmiddelen 4, 5 en 6 met herkenningen [medeverdachte] en bewijsmiddelen 6, 7 en 8 met herkenningen verdachte) zijn ook een proces-verbaal van aangifte (bewijsmiddel 1), een proces-verbaal verhoor aangever (bewijsmiddel 2) en een proces-verbaal van bevindingen over hetgeen op de camerabeelden is te zien (opgesteld door een andere opsporingsambtenaar dan de drie voormelde verbalisanten) (bewijsmiddel 3) voor het bewijs gebezigd. Daarbij merk ik op dat het hof – zoals uit het voorgaande al blijkt – zich ook zelf een oordeel over de kwaliteit van de eigenlijke camerabeelden en wat daarop is te zien heeft gevormd. De verwijzing “in samenhang met het overige bewijs” is gelet op een en ander niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
4. Afronding
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad mogelijk uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 14 februari 2024. Indien dat het geval zou zijn zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase worden overschreden. De Hoge Raad zal dan volgens de gebruikelijke maatstaven kunnen beoordelen of dat moet leiden tot strafvermindering.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG