PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00253
Zitting 17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 22 januari 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-004447-21) wegens "witwassen, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren (15 dagen vervangende hechtenis) met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Het hof heeft voorts een aantal in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan de rechthebbende gelast van de overige in beslag genomen voorwerpen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. Scholte, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De bewezenverklaring en het arrest van het hof
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 11 september 2018 te [plaats] en/of in Nederland, meermalen voorwerpen, te weten:
- een Mercedes met [kenteken] en
- geldbedragen (waaronder de aanbetaling voor de Mercedes van € 20.000,00 en/of maandelijkse betalingen ten behoeve van die Mercedes) en
- (designer) merkkleding en schoenen en een bril
verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte telkens wist dat die voorwerpen gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk (mede) afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.”
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “witwassen, meermalen gepleegd” en aldus toepassing gegeven aan art. 420bis Sr, waarin opzetwitwassen strafbaar is gesteld.
Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de bewijsmiddelen zoals opgenomen in de aanvulling op het arrest. Het arrest bevat de volgende overwegingen met betrekking tot het bewijs:
“Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde (schuld)witwassen. Daartoe is aangevoerd dat verdachte door de politierechter is veroordeeld ter zake van het witwassen van meerdere voorwerpen. In hoger beroep staat de vraag centraal of de politierechter terecht heeft geoordeeld dat verdachte geen voldoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst die voorwerpen heeft gegeven. Het openbaar ministerie in hoger beroep beschikt niet over het door de officier van justitie opgestelde bewijsmiddelenoverzicht en ook niet over de stukken van de klaagschriftprocedure, waardoor het niet ten volle kan beoordelen of de officier van justitie op goede gronden heeft afgezien van nader onderzoek naar hetgeen is aangevoerd over een door de tante van verdachte aan verdachte geschonken geldbedrag. Bovendien heeft het openbaar ministerie verstek laten gaan bij het verhoor van de [getuige] bij de raadsheer-commissaris op 21 december 2022. Deze getuige heeft bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat verdachte bij hem heeft gewerkt en zwart werd uitbetaald. Nu het nadere onderzoek achterwege is gebleven, zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen in de tenlastelegging onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan en ten tijde van de tenlastegelegde periode kon beschikken over contante gelden door opname van schade-uitkeringen (bedrag van in totaal € 6.700,00) en door zwart te werken bij [A] (ongeveer € 23.784,00 verdiend) en in de bouw (tenminste € 25.000,00 verdiend). Daarnaast heeft verdachte in de periode van 1 januari 2015 tot en met 1 juli 2018 een bedrag van in totaal € 18.103,00 aan studiefinanciering ontvangen. In 2017 en 2018 heeft verdachte bovendien witte inkomsten gegenereerd voor een totaalbedrag van € 6.644,00 en heeft zijn tante hem in de zomer een geldbedrag van $ 10,000,00 geschonken. Nu een nader onderzoek naar de door verdachte gestelde herkomst van het door hem uitgegeven geld (loon uit werkzaamheden bij [A] en in de bouw en de schenking van tante) door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het tenlastegelegde geld - en de daarmee verworven goederen - een legale herkomst: heeft.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft vanaf 27 november 2017 een Mercedes met [kenteken] op zijn naam staan. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte deze auto voor € 64.999,99 heeft gekocht, waarvoor hij een krediet van € 61.757,00 heeft afgesloten en een aanbetaling van € 20.000,00 heeft gedaan. De maandelijkse kosten voor aflossing, wegenbelasting en verzekering van deze auto bedragen in totaal € 1.191,61. Voorts zijn onder verdachte (dure) merkkleding, schoenen en een bril inbeslaggenomen.
Verdachte heeft verklaard in de periode voorafgaand aan en ten tijde van de tenlastegelegde periode over een aanzienlijke hoeveelheid contant geld te hebben kunnen beschikken door zwart te werken in de bouw en bij [A] . Hij bewaarde het verdiende geld in een doos op zijn kamer. Dit betrof een totaalbedrag van tenminste € 48.784,00. Deze inkomsten heeft verdachte niet opgegeven aan de fiscus.
Het gedeelte van het contante geld waarover verdachte de beschikking had doordat belasting is ontdoken wordt door het hof aangemerkt als “afkomstig van enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (vgl. HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1377).
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn legale inkomsten ook contant opnam en bij zijn andere contante geld bewaarde om zo zijn uitgaven te financieren. Deze legale inkomsten zijn aldus vermengd met de zwarte verdiensten en daarmee dus ook met het gedeelte daarvan dat als uit misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen kan worden aangemerkt. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de geldbedragen en de daarmee aangeschafte goederen in ieder geval gedeeltelijk (en middellijk) van misdrijf afkomstig zijn. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat volgens verdachte het bedrag dat hij met zwart werken heeft verdiend groter is dan zijn legale inkomsten.
Indien, zoals in casu, kan worden vastgesteld dat in de ten laste gelegde periode traceerbare uitgaven en vermogensbestanddelen niet (geheel) kunnen worden verklaard uit legale inkomsten en tevens kan worden vastgesteld dat er in die periode inkomsten uit misdrijf zijn verkregen, behoeft niet vast komen te staan welke van de uitgaven en vermogensbestanddelen voor welk deel kunnen worden verklaard uit de legale inkomsten en welk deel uit de van misdrijf afkomstige inkomsten. Vastgesteld kan immers worden dat de in de tenlastelegging genoemde gelden en goederen mede door de belastingontduiking konden worden verworven.
Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, zoals onder 1 primair ten laste is gelegd.
Voorwaardelijk verzoek
Van de zijde van de verdediging is - voor het geval het hof komt tot een bewezenverklaring van het primair of subsidiair tenlastegelegde - het verzoek gedaan [betrokkene 1] , de tante van verdachte, als getuige te horen over een door haar in de zomer van 2017 gedane schenking van $ 10.000,00 aan verdachte.
Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het hof bij de bewezenverklaring uitgegaan van de verklaring van verdachte over zijn inkomsten en het ontvangen van de hiervoor bedoelde schenking, zodat het horen van de getuige niet noodzakelijk is. Het hof wijst het verzoek af.”
De bewijsmiddelen houden onder meer in:
“11. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof op 8 januari 2024, zakelijk weergegeven:
Ik ben al vanaf mijn tiende of elfde aan het werk in de bouw. Ik werd contant betaald. (...) Ik werd altijd zwart betaald. Ik was niet goed met belastingen. Mijn werkgever had mijn werkzaamheden moeten opgeven. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik zelf (ook) verantwoordelijk ben voor het opgeven van inkomsten. Dat klopt. (...) Ik heb van jongs af aan gewerkt in de bouw en in een restaurant. Ik had daarmee veel geld gespaard en heb een groot deel van het door mij gespaarde geld gebruikt om de Mercedes te kopen. (...) U, voorzitter, houdt mij voor dat ik een bedrag van € 20.000,00 heb aanbetaald bij de aanschaf van de Mercedes en dat ik ook de maandelijkse kosten voor zo’n auto moest betalen. Zoals ik al eerder verklaard heb, heb ik een groot deel van mijn spaargeld voor de aanschaf van deze auto gebruikt. (...) Ik spaarde mijn contante geld. Ook de uitkeringen van schadebedragen die ik op mijn bankrekening ontving, nam ik op bij een pinautomaat. Al dat geld bewaarde ik in een doos. Die doos verstopte ik achter een muurtje in mijn kamer. (...) Ik heb ook geld besteld bij de ING-bank. Het geld op de foto’s ziet op het geld dat ik heb ontvangen als uitbetaling van letselschade.
De jongste raadsheer houdt mij voor dat het geldbedrag dat ik van mijn tante heb gekregen niet is aangetroffen. Dat klopt. Ik heb het geld meegenomen naar Nederland en gewisseld naar euro’s. Die euro’s heb ik in de doos gedaan.”
3. Het eerste middel
In het middel wordt geklaagd dat het hof het bewezenverklaarde voor zover dit ziet op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen ten onrechte heeft gekwalificeerd als (opzet)witwassen, omdat de bewezenverklaring betrekking heeft op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren. Als gevolg daarvan had het hof volgens de steller van het middel de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen moeten toepassen (en het bewezenverklaarde in zoverre moeten kwalificeren als ‘eenvoudig witwassen’).
Het middel gaat over de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen. Eerdere rechtspraak van de Hoge Raad hierover is in de door de steller van het middel genoemde conclusie van advocaat-generaal Aben - voor zover hier van belang – als volgt samengevat (met weglating van voetnoten):
“17. In situaties waarin de bewezen verklaarde witwasgedraging van de verdachte bestaat uit het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die onmiddellijk uit een door hemzelf begaan misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als ‘witwassen’ kunnen worden gekwalificeerd. In dergelijke gevallen zal het meerdere erin moeten bestaan dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Dit moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid. De kwalificatie van witwassen is niet toegestaan indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp. Met deze uitsluitingsgrond wordt beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen.
18. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is in beginsel niet van toepassing als naast het ‘voorhanden hebben’ dan wel ‘verwerven’ óók (of slechts) ‘overdragen’, ‘gebruikmaken’ of ‘omzetten’ bewezen is verklaard. Die gedragingen hebben immers een nadrukkelijker verhullend karakter dan verwerven of voorhanden hebben. Toch is dat anders als het bijzondere geval zich voordoet dat zulk overdragen, gebruikmaken of omzetten van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.
19. Om het nog ingewikkelder te maken geldt dat in de regel sprake is van zo’n bijzonder geval als hiervoor bedoeld in gevallen waarin het ‘omzetten’ of ‘overdragen’ heeft bestaan uit het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Ook hier geldt weer dat een dergelijk geval (dus) slechts de kwalificatie van ‘witwassen’ kan dragen als de gedraging – of, zo is mijns inziens niet uitgesloten, het geheel van de gedragingen – een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.”
Het hof heeft voor zover hier van belang bewezenverklaard dat de verdachte “geldbedragen (waaronder de aanbetaling voor de Mercedes van € 20.000,00 en/of maandelijkse betalingen ten behoeve van die Mercedes)” heeft verworven of voorhanden gehad. Het hof heeft daarmee kennelijk in ieder geval het oog gehad op de geldbedragen die de verdachte voorhanden heeft gehad voordat hij ze gebruikte voor de aanbetaling van de Mercedes en de maandelijkse betalingen. Uit het arrest volgt verder dat een geldbedrag van € 540,20 in beslag genomen (en verbeurd verklaard), maar dit komt niet terug in de bewijsvoering. Op welke andere geldbedragen het hof het oog heeft is mij niet duidelijk.
In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering van het hof dat de bewezenverklaring van witwassen onder meer ziet op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte contant geld heeft verdiend door zwart te werken in de bouw en bij een restaurant, dat de verdachte deze inkomsten niet heeft opgegeven aan de fiscus en heeft het gedeelte van het contante geld waarover de verdachte de beschikking had doordat belasting is ontdoken aangemerkt als afkomstig van enig misdrijf. Uit de motivering van het hof volgt niet dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, zodat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. De klacht is wat betreft de geldbedragen betreft terecht voorgesteld.
Tot cassatie behoeft dat wat mij betreft niet te leiden. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring voor zover deze ziet op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen. De kwalificatie-uitsluitingsgrond wordt door de steller van het middel, terecht, niet van toepassing geacht op de Mercedes, die immers middellijk uit (eigen) misdrijf afkomstig is. Uit het arrest van het hof volgt zoals gezegd dat het hof bij de bewezen verklaarde geldbedragen het oog heeft gehad op, in ieder geval, de geldbedragen die zijn gebruikt voor de aanbetaling voor de Mercedes van € 20.000 en/of de maandelijkse betalingen van de Mercedes. Zo bezien is sprake van een dubbeltelling: de aanbetaling en de maandelijkse kosten maken immers dat de verdachte de bewezenverklaarde Mercedes voorhanden heeft. Op welke andere geldbedragen de bewezenverklaring ziet is zoals gezegd niet duidelijk. Ook de strafoplegging biedt geen aanknopingspunten in de vorm van een benadelingsbedrag waar het hof vanuit zou zijn gegaan. Onder deze omstandigheden meen ik dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie, nu het wegvallen van de bewezenverklaring ten aanzien van het geldbedrag de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet zou aantasten, terwijl ook de kwalificatie ongewijzigd zou blijven.
4. Het tweede middel
Het tweede middel is gericht tegen de bewezenverklaring van witwassen in zijn geheel en klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
Zowel de wetgever als de Hoge Raad heeft onderkend dat zich de situatie kan voordoen dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen worden vermengd met legale. De Hoge Raad heeft over deze situatie in zijn arrest van 23 november 2010, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, het volgende overwogen:
“3.5.1. Uit deze wetsgeschiedenis moet als bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat deze het met het oog op een effectieve bestrijding van het witwassen noodzakelijk achtte om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. Daarbij is erop gewezen dat het ruime toepassingsbereik dat aldus aan de witwasbepalingen is gegeven, in het bijzonder ertoe strekt het witwassen ook in zijn latere fasen te kunnen treffen.
3.5.2.
Voorts kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als "mede" of "deels" uit misdrijf afkomstig.
3.6.1.
De witwasbepalingen kunnen dus in zeer uiteenlopende gevallen toepassing vinden. Daarbij, zo vloeit uit het voorafgaande voort, kan worden onderscheiden tussen
(i) de situatie waarin het vermogen "gedeeltelijk" van misdrijf van afkomstig is, aldus dat legaal vermogen is "besmet" doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd (vermenging), en
(ii) de situatie waarin het vermogen "middellijk" van misdrijf van afkomstig is, dus bestaat uit vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van (vervolg)transacties die zijn uitgevoerd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen.
Dit onderscheid sluit niet uit dat beide situaties zich ten opzichte van een bepaald vermogen voordoen.
Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. In het bijzonder in die situatie kan zich het geval voordoen dat het vermogen – en nadien elke betaling daaruit – wordt aangemerkt als (middellijk) gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen.
3.6.2.
Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden. Uit het onder 3.5 overwogene vloeit immers – naar de letter bezien – voort dat bijvoorbeeld de vermenging van een gering geldbedrag met een criminele herkomst met een groot op legale wijze verkregen geldbedrag tot gevolg heeft dat dit gehele geldbedrag (en elke daaruit gedane betaling) kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig in de zin van de witwasbepalingen, en voorts dat bijvoorbeeld een gestolen voorwerp, ook nadat het vele malen op bonafide wijze van eigenaar is gewisseld, van misdrijf afkomstig blijft.
3.6.3.
In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of sprake is van:
- een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
- een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
- een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
- een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.
Bij de keuze van de in dit verband in acht te nemen omstandigheden kan van belang zijn of sprake is van de hiervoor onder 3.6.1 sub (i) en (ii) onderscheiden situaties. Gelet op de vele varianten waarin het witwassen in de praktijk kan plaatsvinden, die zich bovendien niet op voorhand laten overzien, is de hiervoor gegeven opsomming van mogelijk in de beoordeling te betrekken omstandigheden niet limitatief.”
Uit het bestreden arrest van het hof volgt (i) dat de verdachte in de periode voor en tijdens de bewezen verklaarde periode contante inkomsten van ten minste € 48.784 heeft genoten uit werk waarover geen belasting is afgedragen, (ii) het bedrag dat de verdachte met zwart werken heeft verdiend groter is dan zijn legale inkomsten en (iii) dat het hof het gedeelte van dat geld waarover de verdachte de beschikking had doordat hij belasting ontdook aanmerkt als “afkomstig van enig misdrijf”. Dat betreft dus – zo begrijp ik – het bedrag dat de verdachte aan de fiscus had moeten afdragen. Het hof concretiseert dit bedrag niet, maar aangenomen kan worden dat dit al snel duizenden euro’s kan betreffen. Het hof heeft verder vastgesteld dat (iv) de verdachte de zwarte inkomsten heeft gespaard en bewaard in een doos die hij verstopte op zijn kamer, (v) de verdachte ook legale inkomsten contant bewaarde, samen met het zwarte spaargeld, en (vi) aldus sprake is van vermenging van legale inkomsten en zwart geld.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft beschikt over een auto en (designer) merkkleding, bril en schoenen waarvan hij wist dat deze gedeeltelijk afkomstig waren uit misdrijf. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd. Anders dan de steller van het middel voorstaat, doet hieraan niet af dat het hof heeft overwogen dat wordt meegewogen dat de verdachte heeft verklaard dat het bedrag dat hij met zwart werken verdiend heeft groter is dan zijn legale inkomsten. Uit de overwegingen van het hof volgt expliciet dat het hof niet het gehele bedrag dat met zwart werken is verdiend heeft aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Het hof merkt enkel “[h]et gedeelte van het contante geld waarover verdachte de beschikking had doordat belasting is ontdoken” aan als zodanig. Ik begrijp de overweging van het hof zo dat het daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het bedrag waarover belasting betaald had moeten worden, en waarvan een percentage als van misdrijf afkomstig kan worden aangemerkt, niet van geringe omvang is geweest. Voor zover wordt geklaagd over de overweging van het hof dat in de ten laste gelegde periode traceerbare uitgaven niet (geheel) kunnen worden verklaard uit legale inkomsten moet deze worden begrepen in de context van de situatie van vermenging. Uit de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad vloeit voort dat indien een geldbedrag met een criminele herkomst wordt vermengd met een op legale wijze verkregen geldbedrag, dit tot gevolg kan hebben dat het totale geldbedrag wordt aangemerkt als gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig, zelfs als het bedrag met een criminele herkomst ten opzichte van het op legale wijze verkregen bedrag gering(er) is. Onder de door het hof vastgestelde omstandigheden heeft het hof mijns inziens kunnen oordelen dat dit zich in deze zaak heeft voorgedaan. Door de vermenging is immers niet meer individualiseerbaar welk deel van het geld legale inkomsten betreft en welk deel van misdrijf afkomstig is. Daarbij merk ik voorts op dat de (traceerbare) uitgaven die in de bewezenverklaring zijn betrokken beperkt zijn tot – kort gezegd – de Mercedes, de kosten daarvan en dure merkproducten. Er is geen sprake van een kasopstelling, waarin ook alle andere uitgaven zijn betrokken. Dat de bewezenverklaarde voorwerpen in theorie zouden kunnen zijn betaald met legaal inkomen, zegt dus niet alles. Bij de bespreking van het eerste middel is bovendien gebleken dat niet blijkt dat bij de verdachte grote contante geldbedragen zijn aangetroffen, waaruit het hof kennelijk heeft afgeleid dat dat geld niet meer voorhanden was. Het hof heeft, al het voorgaande in aanmerking genomen, kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake is van het bestraffen van “in wezen niet-strafwaardige gedragingen”. Verder reikt de toets in cassatie niet.
5. Slotsom
Het eerste middel slaagt maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel faalt. Beide middelen kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve merk ik op dat het cassatieberoep op 26 januari 2024 is ingesteld, zodat de redelijke termijn van berechting zoals bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. Gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik ambtshalve niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G